Categorie archief: Nederland

Macro-herinnering: mijn racisme (2)

Voortzetting van deel 1

Tegelijkertijd werd ik wel gevoed met akelige verhalen over Indië: de Bersiap-tijd, gewelddadige pelopors, de achterlijkheid van inlanders in het algemeen, luie en onbetrouwbare gasten, die niet op eigen benen konden staan en zeker nog niet rijp waren voor democratie, en dan had je nog de roverhoofdman Soekarno. Maar dat was een ander spoor dan het leven van alle dag: het bestond naast elkaar en dit soort praat had blijkbaar niets te maken met reëel bestaande mensen in de eigen omgeving. Volkomen vanzelfsprekend waren ook voor mij Sjors en Sjimmie, kinderboeken over negertjes, verhalen over zendelingen in Nieuw-Guinea en Suriname, waar de inheemsen steevast achterlijk en blijkbaar ook vuil waren (‘het gebruik van zeep is bij hen onbekend’), en die in hun taaltje niet eens een woord voor ‘dankuwel’ hadden, waarmee ze voor onze weldaden hadden kunnen bedanken. Het racisme begon eigenlijk al in Europa; knoflookvretende Fransen, spaghettivretende Italianen, criminele Balkanezen, door en door corrupte volkeren uit het Zuiden. Een extreem geval van zelfs binnenlands racisme was die rechtenstudent die in alle ernst meende dat mensen die met een zachte G spreken, uit Nijmegen en erger nog, structureel onbetrouwbaar en tot corruptie geneigd zijn. (Dat was familie van een nu om zijn racisme beruchte  ‘journalist’.) Terwijl dit discours binnen in mij geplant werd speelde het in het leven van alledag nog geen rol, maar wachtte op kansen om uit te breken.

Door mijn studie heb ik Arabieren en Turken nooit vreemd kunnen vinden. In 1967 waren er twaalf Arabieren in Amsterdam, — allemaal in de gaten gehouden door de politie — waarvan ik er drie kende. Met een ervan raakte ik bevriend; een arts, vijftien jaar ouder dan ik, maar dat gaf niet. Ik leerde Arabisch en Arabische cultuur van hem, hij werd door mij nader ingeleid in Nederland en het Nederlands. In Turkije kon ik me niet verstaanbaar maken, maar ik voelde me er kiplekker. Tijdens mijn studieverblijf in Egypte heb ik wel veel mensen veracht, maar dat was omdat ze óf dom en slecht opgeleid waren óf corrupt en vals; niet omdat ze Egyptenaren waren. Tijdens latere verblijven werd het wel moeilijk met mijn vrienden daar om te gaan, die inmiddels tien of dertig maal minder verdienden dan ik zelf. Dat was eerder beschamend. 

Op welke vormen van racisme heb ik me zelf kunnen betrappen? 

Op algemene cliché’s:
– Natuurlijk is men in X-land corrupt, worden vrouwen gediscrimineerd in land Y, terwijl Z-stan geen rechtstaat is. Intussen weten we dat het bij ons ook steeds meer de foute kant uitgaat.
– Op een algemene afkeer van hele bevolkingsgroepen. Toen er eind jaren zeventig ineens véél Surinamers door Amsterdam liepen bij voorbeeld. Het was echt een moment van vervreemding, toen ik op zekere Koninginnedag het Damplein opliep. Dat zag ineens zwart van de Surinamers, allemaal trouwe aanhangers van onze vorstin blijkbaar. Toen dacht ik even: nee, dit niet! Aan die vele Surinamers moest ik inderdaad wennen; ze hadden een andere lichaamstaal, andere gebaren, stelden zich anders op in het landschap. Maar na een poosje gingen zij zich ook als Nederlanders gedragen, met gebaren en al, dus toen werden ze gewoon. Hun accent in het Nederlands kende ik al van vroeger; dat had me nooit gestoord.  
– En toen er, na een heel stel Tamils, ook nog Vietnamese bootvluchtelingen kwamen aanzetten was ik geïrriteerd en vond ik het te veel worden. Maar ik heb nooit last gehad van die mensen en ben er maar heel weinig tegen gekomen.
– Bij de verkiezingen voor het waterschap of hoe dat heette, kort voordat ik Nederland verliet, toen er Turkse en Pakistaanse namen op de kandidatenlijst voorkwamen. Dáár moeten ze toch vanaf blijven! Onze dijken, onze afwatering, niets mee te maken jullie! Maar waarom eigenlijk niet? Als ze verstand hebben van water en dijken, dan is het in orde. Misschien hebben ze wel in Delft waterbouwkunde gestudeerd en weten er meer van dan boer Krelis.
Dit soort dingen slijt na enige tijd door gewenning, óf je moet er even verstandelijk tegenin gaan.

Bij persoonlijke ontmoetingen: 
– In de jaren zeventig, toen er veel Surinamers naar Nederland waren gekomen, vroeg op een avond in een stille straat een zwarte man of ik een rijksdaalder kon wisselen. Een moment van schrik: deze vent wil mij natuurlijk in elkaar slaan en beroven. Wat te doen? Kalm bijven, zéér op mijn hoede zijn, rustig een rijksdaalder wisselen en verder … niets. De man bedankte en verdween in een telefooncel, hij wilde blijkbaar even bellen, dat was alles. Was het een blanke man geweest dan had ik geen enkele verdenking gehad. 
– Veel zelfbetrappinkjes waren van de soort: wat doet die hier, dat is toch niets voor hem/haar? Dat hoor  je tegenwoordig veel van gekleurde mensen: leraressen die op grond van hun huidskleur voor de werkster worden gehouden enzovoort, en inderdaad, dat heb ik ook gedaan:
– Toen een zwarte man de ruimte in de Leidse UB betrad waar ik toen werkte, was mijn eerste gedachte: wat heeft die hier te zoeken? Het bleek een geleerde uit de VS te zijn, die daar inderdaad iets te zoeken had, maar er was toch even dat moment.
– Op het werk: een zwarte man in de personeelsafdeling. Weer zo’n ogenblik van verwondering: wat deed die hier? Nou, gewoon werken natuurlijk. 
– Wat deden die pikzwarte Afrikanen bij ons klassieke concert? Luisteren dus, ze hielden blijkbaar van dit soort muziek; leuk toch? Dat was overigens in Parijs; in Nederland of Duitsland zie ik nog steeds nauwelijks zwarten bij klassieke concerten.
Zulke ontmoetinkjes verliepen ondramatisch, maar er was toch telkens éven een moment van schrik, afwijzing of verbazing, en te vrezen is dat de betreffende personen dat merkten. Je zou willen van niet, maar het gebeurde.

De meeste van mijn racistische gedragingen zal ik zelf helemaal niet gemerkt hebben, en dat is nog het meest verontrustend. Vaak zijn de betrokkenen te beschaafd om van hun ongenoegen blijk te geven. 

Dat mensen van buitenlandse herkomst, ook al zijn ze nog zo geboren en getogen in Nederland, moeite hebben met het vinden van een huis of een baan is inmiddels wel bekend. Het is denkbaar dat ook ik, als ik woningen of banen te verdelen had gehad, zonder het te beseffen de voorkeur had gegeven aan een blanke boven een gekleurde. Hoewel, dat viel mee: ik heb ooit een Marokkaan en een Iraniër aan een job geholpen. Maar dat was wel op mijn zeer specifieke vakgebied, waar ze uiteraard op hun plaats waren.

Mijn taak: zulke dingen voortaan voorkomen. Je eigen racisme moet je niet ontkennen, maar bestrijden. Het wordt al veel minder trouwens, nu er op allerlei plaatsen zo veel donkere mensen rondlopen.

Wanneer is iemand eigenlijk zwart? Neem president Obama: ja, die was zwart, of althans donker, dat was te zien en werd in het begin steeds benadrukt: de eerste zwarte president, enzovoort. Maar na korte tijd merkte je dat niet meer. Ik heb Obama heel zijn regeringsperiode niet als een zwarte man waargenomen, en zo gaat het met al die andere ‘people of colour’ ook. Geen aandacht aan schenken aan kleurtjes lijkt het beste — behalve daar waar het nog nodig is om dat verrotte racisme te bestrijden. 

1 reactie

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Macro-herinnering: mijn racisme (1)

Niemand wordt als racist geboren, maar de waarschijnlijkheid dat je het geworden bent in de loop van je opvoeding is zeer groot, zeker in mijn generatie. Te ontkennen dat je racist bent, zoals met name in Nederland momenteel gangbaar is, is niet zinvol; anderen voor racist uitschelden evenmin. Je moet het in je zelf onderkennen en er dan wat aan doen. Ja, dat moet echt, net zoals je af en toe even je eigen huid moet inspecteren of daar geen verdachte plekjes zijn, die kwaadaardig kunnen gaan woekeren. Er zijn ook mensen die hun racisme wel prima vinden of er zelfs trots op zijn, maar die ‘vergeten’ dan even hoeveel ellende het heeft aangericht en nog aanricht, ook in Nederland. Na de klimaatramp kon racisme wel eens het grootste probleem worden van de eeuw.

In mijn jonge jaren liepen er tamelijk veel ‘Indische mensen’ rond, zoals wij ze noemden.1 Deze varieerden in huidskleur van blank-met-vlekken, ongeveer zoals Wilders, tot diep donkerbruin. Ook zaten er wat hele of halve Chinezen uit Indië tussen, en een enkele Surinaamse. De aanwezigheid van al deze mensen sprak volkomen vanzelf; zij werden niet als vreemd ervaren, het waren gewoon onze mensen. Datzelfde gold overigens ook voor de enkele Joden die wij kenden. Heel veel later hoorde ik dat zowel Indische mensen als Joden in het naoorlogse Nederland wel degelijk onder discriminatie te lijden hadden, maar daarvan wist ik toen niets. De betrokkenen hielden blijkbaar hun tanden op elkaar en praatten daar niet over met ‘ons’, volbloed Nederlanders. Als ik in Indië was opgegroeid had ik waarschijnlijk meegedaan met de uitvoerige discriminatie van alle schakeringen van bruin, maar wat in de vijftiger jaren telde was blijkbaar alleen of ze bij Nederland hoorden of bij Soekarno. Japanners, díe waren erg, maar die waren niet in de buurt.

Véél belangrijker dan het verschil in huidskleur of ‘ras’ was in mijn jeugd het standsverschil. In die tijd had je nog standen in Nederland en ik ben opgegroeid met een fijn afgestelde antenne voor standsverschillen, niet voor rassen. Ik behoorde tot de elite,2 zo werd mij duidelijk gemaakt — maar tot welke dan? veel stelde het niet voor, en een lekkere smak geld heb ik er nooit aan overgehouden — en wist al gauw iemand in een kastje of kaste te plaatsen. Dat gebeurde op grond van taal, kleding en gedrag. Iemand hoefde maar drie woorden te zeggen en je wist welke stand en welke godsdienst hij had, welke krant hij las en wat zijn vader deed — bij wijze van spreken dan. Godsdienst was een secundair criterium ter onderscheiding: katholieken waren wel duidelijk minder, hoewel er ook nette katholieken waren. Ik denk dat het verschil in godsdienst voor mijn grootouders nog heel belangrijk was; voor mijn ouders en voor mij niet meer zo. Socialisten en communisten konden natuurlijk ook niet, maar nog voordat je aan hun overtuigingen toekwam waren die op grond van hun stand al afgekeurd.

Het aardige van vreemdelingen was juist dat zij buiten de rasters vielen. Tot de gastarbeiders kwamen golden mensen van buitenlandse afkomst niet als van lagere stand. Vanaf de jaren zeventig interesseerden standverschillen me steeds minder, ook omdat ik merkte dat in andere landen die ik leerde kennen (behalve Engeland natuurlijk) die standen niet zo’n rol speelden. In Duitsland had je alleen maar rijkere en armere mensen, zo leek het. Op de Balkan genoot ik van mensen die mooie muziek maakten en hartelijk waren; het kon me echt niet schelen dat zij in hun dagelijks leven misschien visser of monteur waren. Later merkte ik in Egypte en Griekenland dat mensen van hogere stand vaak zeer onaangenaam waren, want patserig, arrogant en corrupt.3

Het eerste buitenlandse wezen dat als ik vreemd ervoer was een donker en prachtig Hongaaars vluchtelingenmeisje dat in 1956 bij mij in de klas kwam. Ze was niet te verstaan, net zo min als de aanplakbiljetten in het Hongaars op de ruiten van de winkels. Je had leren lezen en dan zoiets: geen touw aan vast te knopen! Het meisje bleef niet lang, dus dat had geen vervolg. Qua huidskleur was ze niet donkerder dan vele van onze Indische mensen, maar ze gedroeg zich duidelijk ‘anders’.

Een groep echte vreemdelingen in Amsterdam waren de Chinezen. Je kende ze niet, maar je wist dat ze er waren. Daar werd op afstand soms wel op gescholden: spleetoog; pinda, pinda poepchinees! Toen ik twaalf(?) was meende ik Chinees te moeten leren en daartoe begaf ik mij naar de Binnen-Bantammerstraat, waar een aantal Chinese restaurants en andere zaakjes zaten. Ik copieerde vlijtig de karakters op de uithangborden, nog niet beseffend dat dit al eens uitvoeriger door anderen was gedaan. Ik stelde vast dat er steeds twee dezelfde terugkwamen, die dus waarschijnlijk ‘restaurant’ moesten voorstellen. Aan de kelners in de restaurants vroeg ik wat het allemaal betekende. Zij waren heel vriendelijk en behulpzaam; zoveel belangstelling overkwam ze waarschijnlijk zelden. Maar door gebrekkige talenkennis, ook van hun kant, kwam het niet echt tot gesprekken, en wat moesten ze ook met zo’n snotjoch.

Naar deel 2

NOTEN
1. De benaming Indo heb ik in mijn jeugd nooit horen gebruiken. Eigenlijk weet ik tot op heden niet of dat nu een scheldwoord is of niet.
2. Alleen in ons dorp waren wij elite, omdat we tot de protestantse minderheid behoorden en dus netjes praatten, en omdat mijn grootvader een zeer succesvolle zakenman was.
3. Ineens zie ik die Griekse dame weer voor me, die geen zin had om in de rij voor de veerboot te wachten met haar witte Mercedes. Ze vond dat zij als eerste de boot op mocht, want zij reed een ‘Mercedè’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Joden Joods joods, Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Mini-herinnering: opa’s kerk

Mocht u drie kwartier over hebben zou u (of liever: zoudt gij) een kerkdienst in Kinderdijk Alblasserdam kunnen bijwonen. Dan weet u meteen ook wat SGP-stemmers bezighoudt. Als u nog een uur de tijd hebt kunt u deel twee er nog aan vastknopen, maar daar had ik zelf het geduld niet voor.

Ofschoon christelijk opgevoed heb ik het zó nooit meegemaakt. Ik denk dat dit de gemeente is waar mijn grootvader zich iedere zondag heen begaf. In ons dorp was ook een kerk, maar die was hem te ‘licht’. Hij ging met de auto, ja hoe ook anders, het was een heel eind weg. Ik denk niet dat hij op zondag auto mocht rijden, maar voor de kerkgang gold er natuurlijk een uitzondering. Toch viel mijn opa best mee hoor. Door de week was hij blijkbaar een ander mens. En het voordeel van zware christenen is, dat zij hun eigen zonden terdege beseffen; dat is bij lichtere christenen of ongelovigen lang niet altijd het geval.

Deze mensen houden niet van muziek, dat is duidelijk, en het zijn verder ook geen vrolijke gasten. De predikant probeert de oude naamvalsuitgangen in het Nederlands aan te brengen, maar dat lukt niet overal. Stembuigingen tijdens het spreken of voorlezen van prozateksten zijn blijkbaar niet gewenst, het mocht eens te lollig worden, maar stemverheffingen, ontboezemingen en bijna huilbuien op dramatische momenten (32:00vv.!) wel degelijk.

YouTube biedt aldus een waardevolle mogelijkheid tot volkenkunde. Je zou anders veel moeite moeten doen om zo’n inkijkje te krijgen. De opname is uit onze tijd; delen van Nederland zijn blijkbaar helemaal niet veranderd. Zo’n kerkdienst is bizar, maar een stuk boeiender dan een talkshow op TV of een debat van lijsttrekkers.

1 reactie

Opgeslagen onder Godsdienst, Nederland

De witte kip

De Zwarte Kip ken ik wel, dat was vroeger, of is misschien nog steeds, een merk advocaat. Ik kocht dat spul nooit, maar ik zag wel overal de reclames ervoor. Nu lees ik echter in de Volkskrant: ‘Hen is wit, non-binair, heeft geen ervaring’ … enz. Gaat het hier over een witte kip? Nee, ‘hen’ verwijst kennelijk naar de gekozen en weer afgedankte vertaalster van het gedicht van Gorman die in de vorige zin genoemd werd, en die is blank, wat blijkbaar een probleem was. Ik zou dus zeggen: ‘Zij is blank,’ maar dat is niet meer modern. Wat non-binair is weet ik ook niet. Iets met computers? Ik doe niet meer mee hoor, met dat rare Nederlands. Maar ja, ik loop dan ook al tegen de negentig.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Nederland, Taal

Zorg

Gisteren kwam er een zin uit Nederland langs, die steeds weer bij me omhoog komt: ‘De scholen kunnen weer open, de zorg kan het aan.’ Was het een minister die dat zei? Bijvoorbeeld die van zorg en ellende? Het zou me niet verbazen.

De ziekenhuiscapaciteit is momenteel blijkbaar voldoende, dus dan is het niet erg als mensen de ziekte krijgen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Gezondheid, Nederland

Prikken 4

Het prikken is begonnen. Nog gisterenavond de eerste in Duitsland; Emigrant berichtte. In landen buiten Europa vaak al vroeger, maar de EU haalt in. Nederland begint over twee weken. De Minister van Volksgezondheid heeft eerst nog wat televisieoptredens.

3 reacties

Opgeslagen onder Europa, Gezondheid, Nederland

Mini-herinnering: Staphorst met Riccardo

In Leiden leerde ik als student een Italiaans-Zweeds-Frans antropologenechtpaar kennen: Riccardo en Valérie. Riccardo had gehoord dat er in Nederland een besloten dorpje bestond met heel vrome mensen in klederdracht en hij vroeg mij of we dat niet eens konden bezoeken. Zo gezegd zo gedaan: met de trein naar Zwolle en daar fietsen gehuurd. Hij kreeg meteen wat hij verlangde, want zodra we uit de trein stapten stonden we tegenover een groot aanplakbiljet van de Bond tegen het Vloeken: Vermijd, bestrijd het vloeken, en het stond er ook in het Italiaans op: Evitate, combattete il bestemmiare. Ik legde hem uit dat dit aanplakbiljet op vele stations te zien was en niet speciaal voor Staphorstbezoekers was opgehangen. Maar hij geloofde mij maar half, en inderdaad, later zag ik dat ding ook nergens meer hangen. Misschien was er juist een actie afgelopen en was het plakkaat in Zwolle nog niet verwijderd.

Riccardo was al lang genoeg in Nederland om een fietstas te bezitten, en die ging open toen we trek kregen. Er bleek een keur van fijne spijzen en Italiaanse delicatessen in te zitten en zelfs een flesje wijn en glazen. Lekker natuurlijk, maar het contrasteerde nogal met ons reisdoel en het fietsen. Eenmaal in Staphorst aangekomen zagen we inderdaad veel mensen in klederdracht die niet erg toeschietelijk leken. Hoe bezichtig je een vroom dorp? Door een kerkdienst bij te wonen misschien, maar het was geen zondag, Riccardo verstond geen Nederlands en het was maar de vraag of we daar zonder zwart pak zouden zijn binnengelaten. Het zou ook een hele zit geworden zijn. Wat we konden doen was een winkel binnenlopen om iets te kopen, bij voorbeeld een brood bij een bakker. Een schel ging over, maar er verscheen niemand. Na verloop van tijd ging er een luikje open en daardoor keek een oog ons aan. Na nog meer tijd verscheen er een vrouw, jawel, in klederdracht, die verklaarde dat ze geen brood hadden. Of het brood gewoon op was of in de achterkamer werd bewaard voor de eigen mensen werd niet duidelijk. Het luikje werd intussen gevuld door een ander oog, dat van haar man waarschijnlijk. Onverrichter zake, maar toch voldaan verlieten we het pand. We hadden het gezien, Staphorst, en het ons.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Eten en drinken, Nederland

Mini-herinnering; nóg een oudtante

Maar hoe kon ik toch tante Deetje en oom Bas vergeten? Deetje was de oudste zuster van mijn grootvader en misschien daarom het allervroomst van het hele stel, met de zwartste kousen, SGP, you name it. Mijn grootmoeder en mijn moeder, die gewoon synodaal gereformeerd waren, moesten soms erg om haar lachen. Bij voorbeeld toen hun huisje tijdens de watersnood van 1953 onderliep. Ze hadden nooit waterleiding willen nemen, omdat zij genoeg hadden aan het water dat God hun schonk, middels regen en een pomp. Tijdens die overstroming gaf de Heer hun wel erg veel water, en daarna kwam er dan toch waterleiding. Ik herinner mij één bezoek bij hen, met mijn grootouders en mijn moeder denk ik. Het bezoek was niet echt vreugdevol en toen het uur van vertrek sloeg leek iedereen opgelucht. Maar we kwamen niet weg zonder dat Deetje nog samen met ons gebeden had. En zij bad lang, en nog langer. Mijn grootmoeder werd ongeduldig en toen Deetje bij de zin gekomen was: ‘En, Heere, wees ook met het hondje ….’ riep zij uit: ‘Zo is het wel genoeg, Deetje; kom, we gaan!’

2 reacties

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk

Mini-herinneringen: oudtantes

Oudtantes leken bij ons vooral in paren voor te komen: telkens twee ongehuwde zusters die samenwoonden. De tantes in Dordt heb ik al eens besproken, maar er waren ook tante Cathrien en Gé te D., zusters van mijn grootvader. Die woonden in een aardig huis met een vrij grote tuin; tenminste dat vond ik als kind. Toen ik het huis enkele jaren geleden nog eens terugzag bleek het nogal popperig te zijn. Aardig nog steeds, dat wel. Waar deze tantes van leefden weet ik niet. Misschien dat hun rijke broer, mijn grootvader, hen onderhield.

In hun tuin groeide van alles, maar vooral de kruisbessen heb ik in lekkere herinnering. Er stond ook een prieeltje; daar zat tante Gé graag een preek te lezen. Ja, ze waren zeer gereformeerd, en zelfs meer dan dat. Ik denk niet dat daar behalve de bijbel en die preken ooit iets gelezen werd; of het zou het kerkblad moeten zijn. Maar van welke kerk dan? Het probleem was juist, als ik het goed begrijp, dat er in wijde omgeving geen kerk te vinden was die zwaar genoeg was. Daarom moesten ze thuis wel preken lezen.

In de tuin was ook de toegang tot de bijkeuken, of was het eerder een schuurtje? Daar stond een petroleumstel, een vies en stinkend geval, maar de tantes beweerden bij hoog en laag dat bepaalde spijzen alleen op een petroleumstel goed bereid konden worden. Dat gold bij voorbeeld voor de pannenkoeken die ze daar bakten, en die waren inderdaad lekker.

In onze familie werd af en toe gemeld ‘dat tante Gé weer gevallen was’. Als kinderen moesten wij daar erg om lachen. Hardvochtig ja, maar wij begrepen best dat vallen niet leuk was. Het grappige was, dat wij de oorzaak van die valpartijen vermoedden. De tantes dronken natuurlijk niet, maar zetten wel ieder jaar hopen rozijnen in glazen potten op brandewijn. Daardoor bleven die vruchten goed geconserveerd. En tante Gé, dat was bekend, nam wel eens een glaasje van die ‘boerenjongens op sap’—of ook twee of drie.

Tante Cathrien is honderd geworden, maar nu toch ook al weer ruim dertig jaar dood. Zij was ooit getrouwd geweest, maar slechts korte tijd. Haar man was al spoedig verdronken, zodat zij al heel jong weduwe was. Hertrouwd is ze nooit. Af en toe hief zij haar handen ten hemel en riep: ‘Geert, o Geert!’ Haar verdriet zal kort na die verdrinking zeker echt geweest zijn, maar zestig jaar later was het eerder ritueel en theatraal geworden. Een hang naar kunst en theater had zij inderdaad, maar hoe kom je daarmee in aanraking als je in een zwaar christelijke familie gevangen zit, in een klein dorp en met weinig geld? De radio bracht haar muziek—en o la la, niet alleen van de NRCV!—, en de fantasie deed de rest. Toen ik een jaar of dertien, veertien was vertelde ze me, dat zij in haar jonge jaren in het koor van de keizerlijke opera in Wenen had gezongen. Daar was ik wel van onder de indruk, en het duurde nog jaren tot ik begreep dat ze dit volledig uit haar duim gezogen had.

Tante To en Jo waren geloof ik nichten van mijn grootmoeder, maar ze golden voor ons toch als echte (oud)tantes. Zij belichaamden voor ons iets van the high life: ze woonden in een statig wit herenhuis in Apeldoorn en bezochten mijn grootouders iedere zomer. Waarschijnlijk hebben ze nooit gewerkt en leefden ze van de erfenis van hun vader, die omstreeks de eeuwwisseling naar Indië was vetrokken en daar rijk was geworden— vermoedelijk door het uitpersen van inlanders.

Voor het overige zijn er aan die generatie alleen nog schimmige herinneringen. Tante Heleen, die misschien al voor mijn derde levensjaar overleed, mocht ik niet. Zij droeg massieve zwarte japonnen en wilde mij altijd langdurig knuffelen en zoenen, wat een bezoeking was. Verder was er nog ergens een oudoom die visser was; of geweest was, want de vis was al lang aan de watervervuiling ten offer gevallen. In ieder geval herinner ik mij een huis aan het water. Er lag een bootje en er hingen netten op het erf. Dat erf liep schuin af naar het water, dat viel mij op, in een omgeving die verder zo buitengewoon vlak was.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk

Prikken 2

De Duitse deelstaat Hessen (ruim zes miljoen inwoners) heeft dertig vaccinatiecentra gepland. In ieder centrum kunnen duizend personen per dag ingeënt worden, dus dertigduizend per dag. Hoofdbestanddeel van zo’n centrum zal een koelruimte zijn, waarin het vaccin bij de benodigde temperatuur van –80˚ opgeslagen kan worden, maar er moeten natuurlijk ook wachtruimtes zijn, toiletten, parkeerplaatsen enzovoort.

Als ik het goed zie duurt het dan ruim tweehonderd dagen voor de hele deelstaat is geprikt. Nee, vierhonderd, want iedereen moet twee keer. Of nog langer, als de inenting vaker nodig is. Nee, toch iets korter, want de 15–30% covidioten hoeven niet. Pakweg een jaar, om te beginnen.

Zijn er in Nederland al zulke centra gepland? Het zou me niet verbazen als dat niet zo was; dat land verkeert immers nog grotendeels in de ontkenningsfase. Als ik in de Nederlandse google ‘injectiecentra’ intyp, krijg ik een verhaal over heroïne-faciliteiten.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Duitsland, Gezondheid, Nederland