Categorie archief: Bildung und Uni

Grammatica

Het is de tijd van de eindexamens middelbare school, Gymnasium zoals ze die hier noemen, al wordt er maar zeer zelden Grieks onderwezen. Weer hoor ik trotse vaders, zoals dertig jaar geleden al in Nederland, die verkondigen dat het niveau op de scholen niet lager is geworden, eerder integendeel: wat Hans-Jürgen niet allemaal moest weten en kunnen, daar konden wij in ónze tijd niet aan tippen!

Al heb ik zelf geen kinderen, er zijn er wel heel wat door mijn handen gegaan, en op één punt moet ik deze vaders beslist tegenspreken. De kennis van de moedertaal: taalbeheersing, zinsontleding, grammatica, you name it, alsook spelling zijn de afgelopen decennia wel zienderogen achteruit gekacheld. Dat blijkt al uit de grote toeloop bij de cursussen Duits voor eerstejaarsstudenten, waar op beperkte schaal ingehaald kan worden wat op school geleerd had moeten worden. Dat zijn cursussen voor studenten met Duits als moedertaal en een middelbare schooldiploma! 

Maar zelf kreeg ik er ook mee te maken, toen ik enkele jaren een college Arabische syntax gaf. Het was buitengewoon moeilijk de Arabische grammatica uit te leggen aan mensen die geen notie hadden van de Duitse—die, met andere woorden, niet wisten wat een onderwerp is, of een bijwoord, of een betrekkelijke bijzin (en dan natuurlijk in het Duits). Om mensen zulke dingen bij te brengen bestaan methodes, die ik heb leren kennen bij de taalhulp aan buitenlanders; je kunt inderdaad bij nul beginnen, met behulp van plaatjes en dergelijke. Maar waarom dat niet leren in de laatste klas van de Basisschool, of de eerste van het vervolgonderwijs?

Ik kon en wilde niet geloven dat zulke dingen op Duitse Gymnasia niet onderwezen werden. Leraren Duits en ook studenten vertelden me bij navraag dat dit alles natuurlijk wél onderwezen werd, maar dat scholieren er weinig belang aan hechtten, zodat het het ene oor inging en het andere weer uit. Concentratie of onthouden is toch al zo moeilijk geworden als de hele tijd het mobieltje roept. Wis- en natuurkunde, en biologie en zo, die waren belangrijk, maar taal? Iedereen kende toch vanzelf al Duits? Hier was de school dus toch tekort geschoten: misschien niet in het eigenlijke onderwijs, maar in het toekennen van een plaats aan deze leerstof in het grotere geheel van Bildung.

Inderdaad leert ieder kind, iedere laaggeletterde de regels van zijn moedertaal speels, op intuïtieve wijze. Maar dat houdt op wanneer een zeker niveau is bereikt: als het om wat ingewikkeldere uitingen gaat of om grote precisie heb je daar geen genoeg aan. Het is, zachtjes uitgedrukt, erg handig als je die regels wél expliciet maakt en er nog een bovenbouw op zet van nog wat meer regels, zoals dat in mijn tijd op de Lagere School en zeker in het vervolgonderwijs werd gedaan. Bij het verkrijgen van menige interessante baan is die kennis onontbeerlijk, en bij het leren van een vreemde taal ook.

Mijn generatie gymnasiasten leerde van vreemde talen voorál de grammatica. In de praktijk leerde je ze dan spreken — of niet. Het bleef altijd wat houterigs houden, zo’n gymnasiast die zijn mond opentrok in het Frans. Bij de studie Arabisch was het nog erger; het was een wonder dat het soms toch nog goed kwam. In de laatste twintig jaar zijn de leermiddelen vreemde talen sterk verbeterd, in die zin dat men probeert de studenten de taal ongeveer zó bij te brengen als kinderen het van nature leren: blootstellen aan, eindeloos herhalen, video’s, liedjes, hen zelf de regels laten ontdekken (zonder die dadelijk expliciet te maken), woordenschat erin stampen door leuke tekstjes en ze eindeloos te laten herhalen met variaties. Ja, dat werkt: Små grodorna, små grodorna är lustiga att se—zo’n kinderliedje dat ik ooit heb opgepikt in een cursus Zweeds is onvergetelijk. Het werkt ook bij Arabisch, hoewel dat een taal is die alleen geschreven wordt, en het bespaart de studenten veel remmingen en houterigheid. Maar onze studenten ontdekten dan in hun tweede of derde jaar dat zij de systematiek van die taal vrijwel niet kenden, kortom de grammatica, en of Dr. Emigrant die er even bovenop wilde zetten. Het was bij die gelegenheid dat ik merkte dat zelfs basiskennis van de Duitse grammatica hun vaak ontbrak. Het werd dus een echt moeilijke taak, maar ik vond het ook leuk om hen bij dat nulpunt af te halen. Na drie jaar ging het al heel aardig. Zoals in ieder onderwijs: al docerend leer je zelf het meest.

1 reactie

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Duitsland, Taal

Hoger opgeleid

In de jaren zestig kende ik uit de verte een hoogleraar in de natuurkunde. Niet via de universiteit; het was een kennis van mijn ouders. Hij had na zijn HBS dus natuurkunde gestudeerd, een zware studie, en hij had zich gespecialiseerd in de atoomfysica: ook geen kleinigheid. Iemand die je dus ‘hoger opgeleid’ zou noemen.

Maar deze man geloofde oprecht in ‘Brits Israël’: het geloof dat delen van de West-Europese bevolking en vooral van de Britse eilanden zouden afstammen van de tien stammen van het oude rijkje Israël, die door de Assyriërs waren weggevoerd, naar ik meen in 720 v.Chr. Zij waren in de ballingschap zich zelf gebleven en na veel omzwervingen in Groot-Brittanië terecht gekomen. Genetisch, raciaal en taalkundig meende men overeenkomsten te onderkennen, en de Britse troon was een voortzetting van die van koning David.

Wappie-achtige lariekoek dus, en hoe is die te rijmen met ‘hoger opgeleid’?

Alfa-mensen wordt dikwijls verweten dat zij geen benul hebben van wis- en natuurkunde, sterrenkunde en biologie, en terecht. Ik zelf behoor ook tot deze categorie. Sommige zaken zijn gewoon te moeilijk voor me; aan andere heb ik nooit iets gedaan omdat het in mijn jonge jaren niet de gewoonte was en er later geen tijd meer voor was. 

Maar aan veel mensen die exacte vakken hebben gestudeerd ontbreekt er ook heel wat. Vaak hebben ze geen enkel benul van geschiedenis, literatuur, kunst en theater. Hadden zij ooit kritische omgang met teksten geleerd, dan zouden ze niet in zo’n goedkoop verhaaltje als dat van Brits Israël trappen, of in moderner wappie-gedachten‘goed’.

Gelukkig zijn er ook veel exactelingen die wél buiten hun vakgebied hebben gekeken, die graag lezen, muziek beoefenen, kortom: algemene ontwikkeling hebben. Misschien had u ook een huisarts die in zijn vrije tijd viool speelde en boeken las? Zulke mensen hadden een zware studie en een zware baan; toch kregen ze het voor elkaar om er serieus wat bij te doen. 

Naar mijn indruk komt dit echter steeds minder voor: de specialisatie eist steeds meer zijn tol, de studieduur is verkort, en aan sommige vakken is van meet af aan niets ‘hogers’ te ontdekken: informatica en dergelijke. Daar kun je hoogleraar in worden zonder ooit iets te lezen, zonder ooit over iets buiten het vak na te denken. Is zo iemand werkelijk hoger opgeleid?

2 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Literatur, Onderwijs

Mini-herinnering: lulletje

‘Vindt u mij een lulletje?’ vroeg de student Frank B. mij eens. Een verrassende vraag, die ik natuurlijk met nee beantwoordde—naar waarheid. Frank was een zeer goede student, echt een intellectueel type en dus geen mannetjesputter of stoere held, maar een lulletje, nee, dat niet. En bovendien: wie was ik om dat te beoordelen? Ik was zelf nogal een lulletje, al wist ik dat meestal handig te verbergen.

Een tijdje later verraste Frank me nog meer. Hij verklaarde dat hij bij ons wegging, hij wilde naar Israël en jood worden. Vreemd: jood worden is heel moeilijk, en waarom zou je je zelf opzadelen met een zo problematische identiteit en een land waar het altijd oorlog is? Van christelijk gekleurd zionisme had ik bij hem nooit iets gemerkt, hij was Nederlands-Hervormd, maar zonder ‘eraan te doen’. Liep hij misschien een Israëlische vriendin achterna? Nee, dat was het ook niet, verzekerden zijn studiegenoten mij. Eenmaal in Israël gevestigd is hij wel getrouwd, maar die vrouw kwam pas later in zijn leven. Misschien wilde hij gewoon naar dat land om zijn vermeende lulletjesheid kwijt te raken, en dat zal zeker gelukt zijn, want daarginds moest hij natuurlijk eerst in het leger. Daarna mocht hij zijn studie Arabisch voortzetten en kreeg hij een baan aan een universiteit.

Studenten verlangden soms meer dan onderwijs van mij. Een luisterend oor, goede raad, sommigen zochten een vader, anderen een oudere broer. Ik heb hun naar vermogen terzijde gestaan, ofschoon de problemen waar ze mee aankwamen vaak veel te groot voor mij waren. Sommige zochten gewoon vriendschap. In enkele gevallen wilde ik die ook wel, maar ik moest ze natuurlijk eerst afhouden. Je kunt niet met iemand bevriend zijn en hem dan een maand later tentamen afnemen. Met vrouwelijke studenten moest je helemaal oppassen. Afstand, afstand was geboden. Er werd ook wel eens met oneigenlijke motieven toenadering gezocht, om een hoger cijfer te krijgen. Bij een van hen liet ik altijd de deur open als ze op het spreekuur kwam; de berekening was gewoon van haar af te scheppen. 

Om op Frank terug te komen: die had nu natuurlijk een andere naam aangenomen. Tien jaar later, toen ik in Frankfurt zat, kreeg ik een lange brief van hem, waarin hij vertelde hoe het met hem ging, baan, gezin, nogal uitvoerig. Ik schreef een vriendelijk briefje terug, en meteen daarop kwam er een nog veel langere brief. Inmiddels was ik persoonlijk niet ongeneigd, daarop in te gaan, was ook wel nieuwsgierig naar zijn belevenissen. Maar ik deed het niet, omdat ik het zaakje niet vertrouwde. Het was onder Europese arabisten wel bekend, dat de Israëlische collega’s ons naar Jeruzalem probeerden te lokken en ons daar in de watten legden — natuurlijk (ook) om ons uit te horen en te proberen ons aan hun kant te krijgen. Zulks op verzoek van de overheid. Dat had ik ook zelf ervaren toen ik eens voor een project een maand in Jeruzalem verbleef. Uitgenodigd hier en daar, ook bij de mensen in hun huiselijke kring, het was een beetje too much allemaal. Dat werd nog eens extra duidelijk toen een wat boerse, onhandige Israëlische collega op zekere dag tegen me zei: We moeten maar eens samen uit eten gaan; tenslotte krijg ik ervoor betaald.

Vanuit dit wantrouwen heb ik toen Frank niet meer teruggeschreven. Wie was er nou lullig, hij of ik?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bildung und Uni, De mens, Israël, Studenten

Schijf ter ziele

Een vriendin haar computer had het begeven. De geraadpleegde computerchirurg had slecht nieuws: hij was niet meer te redden. De harde schijf, waarop haar ‘alles’ stond — dingen van de universiteit, wetenschappelijk werk, foto‘s, brieven, adreslijsten, belastingaangiften — was onherroepelijk verloren, en copieën had ze nooit gemaakt. Een ramp, zou ik denken, maar zij vatte het heel gelaten op. Ja, van de foto’s was het jammer, maar ze gaf toch geen college meer, en haar werk was allemaal al gedrukt. Ze kocht een nieuwe computer en begon opnieuw.

Ik ben ineens vreselijk jaloers. Was mijn harde schijf ook maar kapot! Maar geen schijn van kans: ik heb twee computers, een cloud en copieer alles. Er zou trouwens iets veel drastischers moeten gebeuren: mijn werkkamer zou eens in vlammen moeten opgaan, zodat al die boeken ook weg waren en ik daar nooit meer iets mee hoefde te doen.

De rest van de woning moet wel gered worden: tenslotte moet ik ook nog eten en slapen, en het wonen hier bevalt prima. En in de woonkamer staat momenteel die grote doos met brieven, waar ik het al over had. Waarschijnlijk zou ik daarmee dan iets gaan doen: na weggooiing van een hoop ballast zou ik een aantal correspondenties overhouden (nou ja, telkens de helft dan) en op grond daarvan zou ik misschien een boek schrijven. Nee, geen autobiografie, met zoiets moet je de wereld niet lastig vallen, maar er moet iets anders uit te distilleren zijn. Een geschiedwerk, een tijdsbeeld.

En zou het dan zo moeilijk zijn, een heel nieuw leven te beginnen? Juist uit die correspondenties blijkt dat ik dat al meermalen heb gedaan. En na mijn pensionering ben ik toch ook opnieuw begonnen, en toen Corona kwam nog een keer? Ja, maar er was altijd die constante van dat rare intellect, dat mij al sinds mijn kinderjaren opvreet, dat wil onderzoeken en het dan toch niet doet. Dat krijg je niet zo makkelijk weg, daartoe zou de harde schijf in mijn schedel vernietigd moeten worden.

Wacht maar, dat komt nog wel.

2 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Computer, Persoonlijk, Schrijven

Mini-herinnering: wat bedoelde ik?

In 1991 schreef ik een paar bladzijden voor het Dictionnaire des philosophes antiques. Gelukkig was er toen op het instituut een secretaresse die hielp bij het Frans. Na het insturen gebeurde er niets. Tien jaar later schreef de redacteur dat het eindelijk zover was: het werk zou nu gedrukt worden—wat in 2003 inderdaad geschiedde—, maar hij begreep één zin van mij niet en of ik kon uitleggen wat ik daarmee bedoeld had. Ik deed mijn best, maar begreep die zin zelf ook niet. En het onderwerp lag intussen te ver van mij af om alsnog iets te bedoelen. De redacteur schreef nog twee mails, maar ik kon hem niet helpen, ik had geen idee en liet het maar zo. De man dacht waarschijnlijk dat het aan mijn Frans lag, maar ik wist bijna zeker dat het iets inhoudelijks was. Zo droeg ik nog een on-zin bij aan deze wereld.
Als ik de tekst nog eens doorlees geloof ik dat ik die ene zin nu gemakkelijk zou kunnen herschrijven. Hij is inhoudelijk niet onzinnig, maar onduidelijk geformuleerd. Intussen begrijp ik weer wat ik bedoelde.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Persoonlijk, Schrijven

Grieks

‘Ach, kendet gij allen Grieks!’ galmde de predikant met stemverheffing de kerk in, mij aldus wekkend uit de halfslaap waaraan ik mij tijdens de preek meestal overgaf. Welk moeilijk woord hij vervolgens uitlegde weet ik niet meer. Misschien was het weer eens agape, wat ‘liefde’ betekent, een bij dominees zeer geliefd woord, dat volgens hen volstrekt geen betrekking had op de lichamelijke liefde. Later, tijdens mijn verblijf in Griekenland, bleek dit tenminste voor het Nieuwgrieks onjuist te zijn—gelukkig maar.

Zoudt gij inderdaad allen Grieks moeten kennen? Nee hoor, laat maar. Maar ik krijg tegenwoordig bij mijn onderzoeksproject te maken met Oudgriekse teksten, soms ook minder gangbare, waarvan geen vertaling bij de hand is, en moet dus wel wat Grieks kennen. En ziedaar het wonder: met een beetje porren in het geheugen en wat bladeren in een grammatica blijkt het nog, of weer, redelijk leesbaar te zijn. Dat heeft de volgende redenen: 1. Het móet nu, het is niet vrijblijvend meer. 2. Op het gymnasium (1958–64) heb ik grondig onderwijs in die taal gehad. 3. Door het oud worden is het geheugen veranderd: wat tientallen jaren vergeten was, komt nu vanzelf weer boven drijven. 4. De jaren dat ik probeerde Nieuwgrieks te leren (1991–95) hebben geholpen, ook het Oudgrieks weer toegankelijker te maken. Tsjonge, wat heb ik daar toen mijn best op gedaan, zonder dat het ooit tot werkelijke beheersing leidde. Een lastige taal, dat Nieuwgrieks; maar Oudgrieks is nog veel ingewikkelder, en dat zou ik als scholier wel beheerst hebben? 

Dat Grieks op school was een rare fictie: we kúnnen het bijna niet gekend hebben, maar toch … Op het eindexamen moesten we een willekeurig stuk Homerus lezen en vertalen, zonder een woordenboek te mogen gebruiken. Dat betekende dat we de hele woordenschat van Homerus moesten kennen, en die week nogal af van het ‘gewone’ Attische Grieks. In de praktijk was er een goed hulpmiddel: een frequentielijst van Homerus’ woordenschat. Als je daaruit de eerste paar honderd meest voorkomende woorden kende, kon je de rest misschien raden, of je wist ze helemaal niet, maar een paar missers mocht je hebben. Enorm veel werk, maar in die tijd was er nog tijd. Het is gelukt, hoewel ik nogal een hekel had aan Homerus, er niets aan vond. Dat kwam omdat we toen ook onderwijs in het Hebreeuws kregen en ik vond de Psalmen veel betere poëzie: mooi leed, drama en introspectie. Plato en vooral de gezellige babbelkous Herodotus bevielen mij wél. Ik stelde mij Herodotus altijd als pijproker voor—historisch onmogelijk, maar wat zou het.

Hoe dan ook, voor mijn huidige project, en in het algemeen om de cultuuroverdracht in de oude tijd te begrijpen (van Grieks naar Arabisch, van Arabisch naar Latijn) komt het Grieks nu goed van pas. Een geschenk uit het verleden.

4 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Griekenland, Taal, Universiteit

Impuls

Gepensioneerd en geïsoleerd als ik ben was ik het een beetje vergeten, maar een impuls van buitenaf kan soms tot actie aanzetten. Iemand had een ingezonden brief gestuurd op mijn artikel over het uiterlijk van de profeet Mohammed in het tijdschrift zenith. Ik besloot dadelijk terug te schrijven, en ziedaar, vanochtend tussen acht en tien heb ik een flink stuk geschreven; zeg maar de helft van wat een volgend artikel voor dat tijdschrift kan zijn. Een snelheidsrecord. Er zit nog zo veel in mijn hoofd; als iemand af en toe even een zetje geeft, werkt dat wonderen. Ik kan niet altijd zelfontbrander zijn.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Persoonlijk, Schrijven

Beter zien

Een tijdlang dacht ik dat ik moest kiezen: óf blind worden door het turen op de zeer kleine lettertjes in al-Marwazi’s dierenboek, óf dat boek domweg ongelezen laten.

Het betreft een Arabisch handschrift, keurig geschreven, een lust voor het oog, maar dan natuurlijk alleen een pdf-opname daarvan, niet het ding zelf, dat in Teheran ligt. Het liet zich niet vergroten op mijn computer. Printen ging ook niet; dat had de maker waarschijnlijk verhinderd. Via screen shots ging het wel, maar dat leverde niets op: de lettertjes werden daardoor niet groter, de scherpte ging verloren en de achtergrond werd grauw, want het papier is gelig. Ik kon het dus alleen lezen als ik mijn bril afzette en mijn ogen tien centimeter van het beeldscherm hield. Dat leek me ongezond, vooral over langere perioden.

Maar zie aan: op mijn laptop laat de tekst zich wél vergroten! Vreemd: de laptop is even nieuw als de tafelcomputer, de bedrijfssystemen zijn identiek en de Acrobat Reader is op beide apparaten ook even jong. In plaats van te proberen dit te begrijpen ga ik echter liever vreugdevol het handschrift lezen.

Lof zij de Schepper, die de mens schenkt wat hij nodig heeft, maar soms even niet, om hem op de proef te stellen en hem niet hovaardig te maken. (Deze zin is, u begrijpt het, geschreven in de geest van de oude tekst die ik aan het bewerken ben.)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Computer, Dieren, Gezondheid, Persoonlijk

Een transculturele mier en een dito kat

Nog net op tijd voor dierendag. Hoewel iets met dieren eigenlijk altijd kan. 

Mier. Toen ik zat te werken aan de Arabische tekst  van Gibril ibn Nuh (9e eeuw) die ik wil uitgeven, kwam ik deze beschrijving van de loop der sterren tegen: 

Denk aan de sterren en het verschil in hun cirkelbaan. Een aantal verlaat zijn plaats aan het firmament niet en beweegt alleen als groep, maar een aantal verplaatst zich door de hele dierenriem en heeft eigen cirkelbanen. Dus elke ster van de laatste soort heeft twee verschillende banen: een algemene, samen met het hemelgewelf naar het Westen, en de andere van hemzelf naar het Oosten. De Ouden hebben zo’n losse ster vergeleken met een mier die krabbelt op een molensteen. De molensteen maakt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, zodat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een zelfstandige, recht vooruit, en de andere onvrijwillig, samen met de molensteen, die hem naar achteren dwingt.   

Waar zou de auteur die mier vandaar hebben, wie zijn die ‘Ouden’? Ik begon te zoeken in Oudgriekse teksten: Anaxagoras, Anaximenes, Aristoteles; en de christelijke kerkvader Theodoretus van Cyrrhus, aan wie mijn auteur veel heeft ontleend. Ik vond wel iets over de hemel als een wiel, en ook over die tegengestelde beweging, maar de mier heb ik tot nu toe niet aangetroffen. Verontrustend is dat niet; ik beweeg me maar moeizaam in die klassieke teksten en heb ze nog lang niet allemaal gehad. Het zal wel goed komen.

Bij mijn zoektocht heb ik ook gebruik gemaakt van Google, en daar verscheen minstens drie maal ongeveer dezelfde tekst als hierboven, inclusief de mier, maar …. allemaal uit zeer oude Chinese boeken. Een voorbeeld van zo’n Chinese tekst:

Zowel de zon als de maan bewegen naar rechts en tegelijkertijd moeten zij de hemel volgen die naar links draait. Hoewel zowel de zon als de maan in werkelijkheid oostwaarts bewegen worden zij [door de rotatie van de hemel] meegesleept, zodat het lijkt alsof zij in het Westen ondergaan. Dit is analoog met een mier die krabbelt op een molensteen: terwijl de molensteen naar links roteert, probeert de mier naar rechts te bewegen. Maar de draaiing van de molensteen is veel sneller dan de beweging van de mier. We zien dan dat de mier gedwongen wordt de beweging van de molensteen te volgen en ogenschijnlijk naar links beweegt.   

Van het oude China weet ik niets; ik lees alleen dat deze tekst teruggaat op ene Luoxia Hong, die actief was in de eerste eeuw voor Christus. Behoorlijk oud dus, eeuwen ouder dan mijn Arabische tekst.

Kat. Iets als een China-connection was me al eerder opgevallen bij de kat van Mohammed. De profeet zou veel gehouden hebben van zijn kat Mu‘izza, zoals blijkt uit de  volgende, wat obscure overlevering (negende eeuw of veel jonger):

De profeet wilde eens opstaan om naar het gebed te gaan, maar de kat lag op de mouw van zijn gewaad te slapen. Om het dier niet te wekken knipte hij toen zijn mouw af en verscheen met beschadigd gewaad bij het gebed. Terugkomend van de moskee werd hij door Mu‘izza bedankt met een buiging.

Dit motief bestaat ook met een heel andere bezetting. Volgens de Han-historicus Bān Gù (32–92) probeerde de Chinese keizer Āi dì (reg. 7–1 voor Chr.) eens op te staan toen zijn vriendje in slaap was gevallen op de mouw van zijn gewaad. Om hem niet te wekken sneed hij zijn mouw af en verscheen met het aldus beschadigde gewaad in het openbaar. Zijn hovelingen namen vervolgens deze dracht over om de liefdesverhouding te vieren.

Waren er in de Oudheid contacten tussen China en het Nabije Oosten, eventueel Griekenland? Er was zeker handelsverkeer, maar van literaire beïnvloeding had ik nog niet gehoord. Toch moet die er geweest zijn, in de ene of de andere richting. Van het wiel of de rietfluit kan ik me voorstellen dat ze twee of meer malen op verschillende plaatsen in de wereld zijn uitgevonden. Ook bestaan er motieven in de mythologie en in volksverhalen die universeel voorkomen. Maar zulke specifieke teksten als hierboven worden volgens mij maar één keer uitgevonden en maken dan verder een reis door de culturen. Hoe zijn ze overgewaaid, van West naar Oost of omgekeerd? Ik weet het niet — en naar ik vrees andere mensen ook niet. 

Of zou de mensheid toch werkelijk steeds hetzelfde bedenken?

1 reactie

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Dieren, Orient

Collega

In de droom ging ik naar een bibliotheek in een vreemde stad. Daar kwam ik in de studiezaal naast een oudere man te zitten — maar wat heet? een oudere man is tegenwoordig al gauw jonger dan ik zelf ben — naast een man van een jaar of negenenvijftig dus, die een handschrift opensloeg. Was het Perzisch? Ik kon mij niet bedwingen en wierp er een onbescheiden blik in. Het was Arabisch: een geïllustreerd handschrift over dieren. Wat een toeval! Zelf met een dergelijk handschrift bezig, zij het zonder illustraties, wilde ik mij voorstellen en een praatje maken. Maar hij stelde daar geen prijs op, sloeg het handschrift dicht en ging een tijdschrift zitten lezen.

Deze droom vond plaats tussen zeven uur en half acht. Opmerkelijk: zoals gewoonlijk meldde zich om zeven uur de stem van de nieuwslezer, maar ik heb niets van het nieuws en de volgende muziek en gesprekken gehoord, hoewel ik vrijwel naast de radio lag. Pas om half acht hoorde ik weer iets: de theaterkritiek. Blijkbaar was er vandaag wat extra slaap nodig.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Dromen, Persoonlijk