Categorie archief: Arabisch

Aspiraties

‘Je Duits is wel beter geworden, maar het kan nóg beter,’ zei mijn zangleraar. Hij doelde natuurlijk op mijn gezongen Duits, dat niet hetzelfde is en niet zo gedachteloos geproduceerd wordt als gesproken Duits. Eén punt van kritiek was het ontbreken van aspiratie bij de k en de t, dat wil zeggen het aanblazen van de klank. Niet tal, maar THal, niet König maar KHönig moet je zingen.
Maar zeggen ook. Ineens bedacht ik met schrik dat ik in gesproken Duits ook niet aspireer, of niet altijd, of niet genoeg, wat misschien goed is voor de helft van mijn buitenlandse accent. Ik moet eraan werken. Vaak is het zo met vreemde talen: als je zelf denkt dat je overdrijft is het precies goed. Zo is het tenminste met Frans.

In de jaren zeventig onderwees ik Arabisch met behulp van een Oostduits cursusboek. Daar zat een geluidsband bij ter ondersteuning, waar ik altijd een beetje om moest lachen. De Arabier die de band had ingesproken aspireerde de k en de t nogal zwaar, terwijl in het Arabisch helemaal niet geaspireerd wordt. Ik kan me voorstellen hoe dat ging in de DDR: een arrogante Duitser deed voor hoe hij moest spreken, en de geïntimideerde Arabier deed het hem braaf na, met een Duits accent.

De moraal? Aspireer in de talen waarin dat moet, en niet in de andere. In het Nederlands de boel lekker vlak houden. Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Taal, Zingen

Mini-herinnering: yufta‘alu

In Egypte werd mijn hulp eens ingeroepen door een jonge christen. Bij zijn lectuur van de bijbel was hij op een werkwoordsvorm gestoten die hij niet thuis kon brengen. Het eigenljke werkwoord herinner ik me niet meer, maar ik weet nog wel dat het een passieve vorm van de achtste stam betrof: yufta‘alu. Die leren ze blijkbaar niet meer op school, dus had deze Arabische moedertaalspreker de hulp nodig van een oriëntalist: een absurde situatie. In het Westen leren ze immers ook werkwoordsvormen die vrijwel alleen in theorie voorkomen.

Wat hij eigenlijk nodig had gehad was natuurlijk een betere bijbelvertaling. Want wat deed die malle werkwoordsvorm in de bijbel? Die zal zijn neergepend door de bijbelvertaler Cornelius van Dyck, iemand van de American Bible Society, wiens product dateert van 1865. Ook een westerling dus, een zendeling; je moet het maar durven! Er zijn tegenwoordig betere vertalingen, maar toen mij die vraag werd gesteld nog niet; die verschenen pas omstreeks 1990.

En dan is er nog het verschijnsel dat bijbelvertalingen na verloop van tijd een zekere heiligheid verkrijgen; het is bekend van onze Statenvertaling. Men zou nu een nieuwe vertaling kunnen gebruiken en ‘de van Dyck’ in de prullenbak gooien, maar nee, deze vertaling, die door de Koptische Kerk wordt erkend, verschijnt nog steeds, nu met maar liefst drieduizend verklarende aantekeningen die de bizarrerieën van Van Dyck moeten verduidelijken. Wat zonde om daar moeite aan te besteden.

De bijbel is een collectie oude geschriften, die alleen al daarom moeilijk leesbaar zijn, maar ze worden nog eens zo moeilijk als de vertaling niet deugt. Arabisch is dan nog een van de grote talen van de wereld; hoe zal het zijn met de vertalingen in de talloze kleinere taalgebieden? Daar zitten ook heel wat werkstukken van zendelingen bij.

4 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Bijbel, Christen Christelijk Christendom

Heldenmoed en heldendood

Stel je bent een succesvolle Russische soldaat ergens uit Achter-Siberië. Je moest in het leger, de opleiding was hard maar je kon het aan, het eten was niet te vreten en je mist je thuis. Ineens ben je in een vreemd land, duizenden kilometers verderop en je krijgt bevel een stadje kapot te schieten. Raar werk, maar het gaat wel goed van boem! met de tanks en de raketten, dat is toch wel spannend, moet je zien hoe die gebouwen in elkaar zakken! En af en toe schiet je met je handwapen op wat van die poppetjes die nog bewegen op straat, het lijkt wel een computerspelletje. Echt vreemd allemaal, maar als winnaar krijg je een flinke premie. Bovendien heb je al een echte Stihl kettingzaag gescoord, handig voor thuis in de taiga, en een smartphone en een voorwerp waarvan je nog niet weet wat het is.

Of je bent een verliezende Russische soldaat. Die Oekraïners zijn sterker dan iedereen dacht, je maten vallen bij bosjes dood om en zelf word je krijgsgevangen genomen. De behandeling is ruw, maar uiteindelijk toch niet anders dan in je eenheid, je krijgt te eten en er komt zelfs een dokter naar je kijken! Vooral fijn is de rust: dat geschiet en die angst zijn nu van de baan. Wat je nog niet weet is dat je later thuis wordt omgebracht, of als je fit bent als dwangarbeider naar een werkkamp in Kamsjatka wordt versleept. Je weet te veel, je hebt te veel gezien.

Of je bent een Oekraïense soldaat, die het tot nu toe heeft gered. Eigenlijk ben je helemaal geen soldaat, maar nu moet je vechten voor je leven, er zit niets anders op. En voor je vrouw en kind, die nu in Polen zijn, en voor je vaderland. Maar dat bevleugelt, evenals de kameraadschap met je maten, en de berichten over overwinningen hier en daar. Iedere dag trainen en af en toe een actie tegen de Russen. Je wordt een ander mens en weet: als zij winnen is alles voorbij. Je leeft, je wordt elke dag een betere soldaat en bent bereid te sterven als dat zou moeten. Wie de vrijheid al eens heeft geproefd wil liever sterven dan als Untermensch leven onder Poetin.

Of je bent een Oekraïense soldaat met pech. Veel van je maten om je heen zijn neergeschoten, jij bent krijgsgevangen genomen. Dat is verschrikkelijk: je wordt mishandeld, gefolterd, naar Rusland versleept, eerst in een kamp, er wordt gefluisterd dat het daarna naar Oost-Siberië gaat, waar arbeidskrachten benodigd zijn.

Dezer dagen moet ik veel denken aan de helden uit de oude Arabische poëzie. In het zesde-eeuwse Arabië was het voortdurend oorlog, zij het op heel kleine schaal. Die oude strijders waren bereid te vechten tot de  dood, ja dat deden ze zelfs graag, als je de gedichten mag geloven. Je las nooit over angst of over vluchtpogingen, maar ja, die poëzie was een heel ander medium dan West-Europese televisiejournaals. Toch was er wel wat van aan, dat verlangen naar de dood, dat tot het heldenleven behoorde. Om te beginnen waren de oorlogen toen anders dan nu. Niks computerspelletjes; alle gevechten op korte afstand, zelfs als er lansen of pijlen werden ingezet, en heel vaak lijf aan lijf met het zwaard. En wat vooral anders was, was het ontbreken van medische zorg. Als je zwaar gewond was, bloedde je ter plekke dood, onder helse pijnen. Als je lichter gewond was stierf je mogelijk na drie dagen alsnog, omdat er niets te doen was tegen de infectie in je wond. En als er een arm of been geamputeerd was leek het even of je overleefd had, maar eigenlijk was dat geen leven. Aan de bedelstaf, als een anti-held, altijd afhankelijk van of iemand je een hap eten toewierp. Je ‘eigen mensen’ vielen daarbij zwaar tegen. Als je niet gewond was werd je tot slaaf gemaakt. Maar dat was ook geen leven. Nee, winnen moest je: als buit een kameel, een wapenrusting en een slaaf meenemen en thuis de bewondering van de vrouwen en je stamgenoten genieten. Het allerbeste alternatief voor winnen was de dood, nog tijdens het gevecht. Dan werd je in ieder geval in eervolle herinnering gehouden, als held.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Europa, Orient

Mini-herinneringen: vrome studenten in Marburg

(zie ook: Mini-herinneringen: vrome studenten in Frankfort)

In Marburg kwam ik te werken in een gloednieuw instituut dat aanvankelijk de ambitie had een centrum voor islamologie te worden. Daar kwam niets van terecht, door een ongelukkige benoeming, en vooral door het besluit van de regering door op een aantal plaatsen in Duitsland centra voor islamitische theologie in te richten, en daartoe behoorde Marburg niet. Een opluchting! Maar de eerste jaren kwamen er wel heel wat islamitische studenten die hoopten bij ons hun geloof te kunnen verdiepen. Dat viel tegen, vooral omdat ik de Inleiding in de Islam verzorgde.

Zo was er een al wat oudere Duitse student, een jaar of 26 zal hij geweest zijn, die zich tot de islam had bekeerd en zeer fanatiek was. Hij zag en sterk en agressief uit, en goed getraind zal hij ook geweest zijn, want hij was eerst politieman geweest. Hij werd de drijvende kracht van de beweging die een gebedsruimte in ons gebouw eiste, wat de autoriteiten afwezen, mede omdat er een eindje verderop in de straat een moskee was. De student in kwestie begon ostentatief te bidden, verrichtte de rituele wassingen in het herentoilet, welks voorzieningen daar niet zo geschikt voor waren, en bad dan op een matje in de gang, schuin met zijn gelaat naar Mekka. Maar niet alleen hij; hij sleepte een groepje mannelijke studenten mee, die de gang bezetten. Voortaan moest ik dus op bepaalde uren naar de WC op de benedenverdieping. En soms verstoorden zij het onderwijs met gemurmureer en dreigend gepraat, waarvan hij de coördinator was. Hij was ineens verdwenen; er werd gefluisterd dat hij voor de heilige oorlog naar Waziristan was vertrokken.

En dan was er nog Rukiyye, een hypervrome Turkse vrouw, helemaal in het zwart. Haar kleding was zichtbaar duur; ik weet niet hoe volledig zwarte doeken die indruk kunnen wekken, maar ze deden het. Rukiyye zag er breekbaar uit en niet in staat tot geweld, maar haar gepraat over de heilige oorlog was zeer krijgshaftig. Ze zou ons het liefst allemaal neerknallen; vooral mij, die immers beter moest weten. 

Haar vond ik eens terug in mijn college over de Profetenverhalen. We zouden de teksten over Abrahams offer behandelen. Er kwamen maar twee studenten op af—wat niet ongewoon was in mijn vak. Dat waren zij en een Duits meisje, dat zich ontpopte als een fundamentalistische christin. Ze kwam uit Wetter, een broedplaats van streng-christelijk geloof. Beiden waren gretig om die teksten te lezen, maar de verschillen, de ontwikkelingsgang en het karakter van die verhalen waren niet aan hen besteed. Ze kregen ruzie over de vraag wie de zoon was die Abraham moest offeren. Het  was al eeuwen bekend: de christenen meenden Isaäk, de moslims Ismaël. De dames vochten de strijd uit alsof zij hem zelf uitgevonden hadden. Rukiyye hield alle Arabische teksten voor historisch betrouwbaar, de christin beschouwde ze als kwaadaardige leugenverzinsels. Hoewel de zog. Profetenverhalen niet tot de harde kern van de islam behoren en moslims niet verplicht zijn ze te geloven, lukte het me niet hun duidelijk te maken hoe fictie werkt.

Op een dag kwam Rukiyye zeggen dat ze een paar weken niet zou komen; ze moest naar het ziekenhuis voor een operatie. Ik vroeg me af hoe dat zou gaan: dan zou ze toch al die kleren moeten uittrekken, mannelijke artsen en verpleegkrachten aan haar lijf laten enzovoort. Natuurlijk kon ik er niet naar vragen, maar een vrouwelijke collega deed dat wél. Haar antwoord verraste mij: dat was geen enkel probleem, in buitengewone omstandigheden was dat allemaal heel goed mogelijk. 
De operatie was haar blijkbaar zo goed bevallen, dat ze na terugkeer zei dat ze van studievak wilde wisselen: ze ging medicijnen studeren. Ik wenste haar veel succes en zei natuurlijk niet dat ik sterk betwijfelde of ze dat met haar soort brein aan zou kunnen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Christen Christelijk Christendom, Islam, Onderwijs

Mini-herinneringen: vrome studenten in Frankfort

Aanvankelijk gaf ik les in de Arabische taal en letterkunde. Voor moderne  literatuur bestond altijd wel belangstelling, hoewel die steeds minder werd, maar de oudere literatuur interesseerde op de duur vrijwel niemand meer. De islam, die moest bestudeerd worden. Moslim-studenten wilden dat zonder meer, maar niet-moslims wilden het ook, want ze waren nieuwsgierig wat dat toch was, waarover steeds zoveel te doen was.

Ik wist het leven draaglijk te houden door me te specialiseren in de Biografie van de Profeet. Dat was islam, maar stiekem ook literatuur. Voor historische teksten over de vroege islam gold hetzelfde. Maar daarbij kreeg ik soms te maken met vrome studenten. 

De eerste was een sjiïet uit Irak. Die was er fel op tegen dat ik sprak van kalief Mu‘awiya. Die wás volgens hem helemaal geen kalief geweest, maar een usurpator! Ali en zijn zonen, dát waren de rechtmatige kaliefen. Nou ja. Of hij verder vroom was weet ik niet, eerder een chauvinist. Maar een fel kereltje.

Een studente was echt geschokt toen we een historische tekst lazen over het conflict tussen kalief Umar en de (al te) succesvolle generaal Khalid ibn al-Walid. Die scholden elkaar in de teksten verrot, terwijl de kalief zijn macht gebruikte om de generaal uit zijn ambt te ontzetten en diep te vernederen. Dat kon toch niet waar zijn, meende mijn diep-gelovige studente: beide mannen waren toch metgezellen van de Profeet geweest, die konden elkaar toch onmogelijk zo behandeld hebben? De later opkomende mode, de geschiedenis te herschrijven zal zeker aan haar besteed geweest zijn. 

Een andere studente was buitengewoon vroom: van top tot teen in het zwart, zelfs met zwarte handschoentjes! En dat ofschoon de Profeet volgens de teksten vrouwen had toegestaan de handen tot en met de polsen te ontbloten—maar dat gold misschien alleen voor huishoudelijk werk, zoals deeg kneden. Zij bleef niet lang bij ons, want ze kreeg een stipendium om in Medina te gaan studeren. En daar is ze misschien wel van haar geloof gevallen. Je hoorde tenminste nogal eens dat Saoedi-Arabië vrouwen zwaar tegenviel.

Een succes in mijn onderwijs was de studente die ik voor haar scriptie een aantal teksten over Aisha, de vrouw van de Profeet, liet vergelijken en analyseren. Zij kwam tot de conclusie dat die teksten geen van alle weergaven hoe het werkelijk geweest was maar veeleer fictie waren.

(Wordt vervolgd)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Christen Christelijk Christendom, Islam, Onderwijs

Ontbijbeling

Zoals gezegd, het Leeswerk Arabisch en islam sluit ik af. Wel voeg ik nog elementen toe, die de toegankelijkheid en bruikbaarheid kunnen vergroten, zoals leestrajecten. Hier is er een over de ‘ontbijbeling’ van de islam:

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam

Gepasteuriseerd?

Dat wordt lastig voor de Arabieren. Ook in het Nabije Oosten zullen wel booster-vaccinaties worden gegeven. Maar hoe zeg je ‘boosteren’ in het Arabisch? Voor de hand zou liggen bastara, passief deelwoord mubastar, ‘geboosterd’. Maar dat kan niet, want die woorden zijn al bezet: ze betekenen ‘pasteuriseren’ resp. ‘gepasteuriseerd’. Ze komen vaak voor: mubastar staat op talloze melkproducten. Een Arabisch werkwoord voor boosteren zal dus niet gevormd kunnen worden.

Dan moet het maar als vreemd woord blijven staan: būstir. Maar ḥaqn būstir bestaat al, met de betekenis: ‘skin booster’. Dat is blijkbaar een hyaluron-injectie waarmee de huid wordt verjongd, opgefrist. Te hopen is dat de verschillende boosters niet door elkaar gehaald gaan worden. Of misschien gaan ze het over een heel andere boeg gooien. Ik zag al deze woorden langskomen: ḥaqna thālitha ‘derde injectie’ en taṭʿīm muʿazziz ‘versterkende injectie’.

Weet je wat? Ze bekijken het maar, ik hoef me toch niet overal mee te bemoeien? Zelf word ik overigens vrijdag geboosterd; zo kwam ik erop.

6 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Taal

Toekomstplannen

Tijdens enkele nachten in Nederland heb ik onrustig geslapen; dat gebeurt wel vaker als ik op reis ben. Boze dromen kwamen op over mijn loopbaan als arabist: mijn eigen lamzakkigheid, maar ook de onachtzaamheid en zelfs het verraad van collega’s, en de teloorgang van het hoger onderwijs überhaupt. Zulke dromen zijn niet prettig, maar ze hebben het voordeel dat die hele ouwe boel geleidelijk wordt achtergelaten of althans onschadelijk gemaakt. Dat kan dus weg, en dan blijft vervolgens het verdere leven te plannen.

Van groot nut blijkt nu al het langzaam gerijpte besluit te zijn, mij per najaar 2024 aan te melden in zo’n bejaardentehuis. In Bonn of in Detmold. Eerder kan het niet, om verzekeringstechnische redenen, maar ook omdat mijn boek nog niet af is: de tekstuitgave met vertaling en commentaar van het boek van Jibril ibn Nuh (9e eeuw) met al die godsbewijzen (arguments from design). Door die datum valt een en ander op zijn plaats; er is nu een duidelijke deadline. Het boek dat ik eerst voor de corona-periode had gepland, dijt uit, maar de drie jaar die ik nu nog heb moeten zeker voldoende zijn. Dan verhuis ik naar een kleine kamer en kunnen eindelijk al die boeken weg. Je kunt ze niet meenemen in je graf, laat staan naar zo’n Seniorenresidenz. Eenmaal daar schrijf ik nog een boek waarvoor ik geen bibliotheek nodig heb. Of hoogstens tien boeken die ik via de gemeentebibliotheek kan laten komen. Dat wordt een Sachbuch over een heel ander onderwerp, waarover ik hier voorlopig niets kwijt wil, maar waarvan de grote lijnen al op papier staan. Het wordt een riskant project, maar dat is juist spannend. Tot nu toe heb ik te weinig aan koorddansen gedaan.

Kun je wel plannen maken voor de toekomst als je al oud bent en de tijden hachelijk zijn? Natuurlijk wel, maar onder voorbehoud. Ik dacht niet dat ik zoiets hoefde uit te leggen, maar er was laatst een dame in ons koor die niet wilde toezeggen dat ze mee zou gaan met het koorreisje naar Parijs, omdat het niet duidelijk was hoe corona zich zou ontwikkelen. Alle anderen hadden toegezegd met de onuitgesproken, maar volkomen vanzelfsprekende toevoeging: ‘als er niets tussen komt’, d.w.z. ziekte, rampspoed of dood. Vroeger voegde je dan toe: d.v. = deo volente = ‘zo God het wil’. Al is dat nu in onbruik geraakt, naar den zin geldt het natuurlijk nog onverminderd.

Ik denk zelfs dat het de gezondheid bevordert: plannen maken voor de toekomst.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Gezondheid, Persoonlijk, Schrijven

Pannenlap

Lang was nog in mijn bezit een heel flodderig gehaakte pannenlap, één van een stelletje. Hij deed denken aan het web van een spin die niet helemaal goed bij zijn hoofd was. Dit exemplaar was tot mij gekomen via mijn zuster. Het was een herinnering aan tante Jo, die bij haar leven veel tijd besteed had aan de nuttige handwerken: breien, haken, borduren enzovoort. Zij verblijdde onze familie met een schier oneindig aantal gehaakte pannenlappen. Maar daar bleef het niet bij: ook het Koninklijk Huis werd  door haar bedacht. Telkens als er een prinsje geboren werd maakte zij babykleertjes, die ze naar het paleis opstuurde. Steevast kreeg zij namens de koningin een vriendelijke bedankbrief.
Natuurlijk was haar haakwerk nooit flodderig; integendeel! Alleen die laatste pannenlap, dat was een rommeltje. Het was de aankondiging van haar dood, die spoedig daarop volgde.

Ik heb sinds 2011 stukjes over Arabisch en de islam geschreven in een blog, eerst alleen in het Nederlands, later ook in het Duits. In mijn onschuld meende ik toen nog dat informatie zou helpen tegen dom en kwaadaardig geleuter van Wilders en zijns gelijken. Na mijn pensionering kon ik daarin bovendien stof kwijt waarover ik jaren lang les had gegeven, zodat die niet verloren zou gaan. Het tijdschrift zenith wilde een aantal van die stukken graag publiceren, zodat ze nog in druk verschenen zonder dat ik daar extra moeite voor deed. En bovendien: als ik zin kreeg om een stukje te schrijven schreef ik er een, ongeacht wat er verder mee zou gebeuren. Maar de laatste tijd kwam er niet veel meer, en ik heb de indruk dat mijn haakwerk dunner, flodderiger geworden is. Daarom wil ik nu met die Arabisch-blogs ophouden, voordat er zo’n pannenlap ontstaat als die van tante Jo. De mij nog resterende energie wil ik enerzijds concentreren op zingen en verder op de uitgave van het boek over godsbewijzen van Jibril ibn Nuh. Het werken daaraan heeft me door de corona-tijd geholpen, maar het is nog lang niet klaar en ik hoop het nog te voltooien voordat ik in een Seniorenresidenz zal belanden.

Die blogs over Arabisch en islam werden en worden behoorlijk gelezen. Naar de aard van het medium kom je wel te weten hoe vaak een stuk is aangeklikt, maar niet door wie. Soms bleek dat wel uit reacties. Ik was altijd blij met moslim-lezers, omdat mijn stukjes waar nodig wat lucht konden brengen in dat soms zo star geworden geloof. Er zullen ook lezers geweest zijn die mij knarsetandend naar de hel gewenst hebben. Mij best hoor, ik ga al. Het meest gelezen stuk was dat over het vermeende huwelijk van de profeet met de piepjonge Aisha, en ik heb werkelijk het idee dat ik die smerige mythe een flink eind heb kunnen aftakelen. Minder blij was ik met de hoge aanklikcijfers van het stuk over katten en honden van de profeet. Ja, ik heb dat geschreven en vind het nog steeds niet slecht en natuurlijk mag het gelezen worden, maar ik had eigenlijk geen lust om voor een moefti aangezien te worden, die moslims vertelde of ze van God een kat of hond mochten nemen. Dat gebeurde wel vaker: dat lezers dachten dat ik een imam was bij wie ze religieuze raad konden vragen. Hadden ze begrijpend kunnen lezen, dan hadden ze geweten dat dat niet zo was. Nee, dan waren mijn analytische stukken over de ezels en muilezels van de profeet veel aardiger. Eveneens populair was helaas mijn stuk over de bestraffing in het graf: een archaisch geloofsartikel van de islam, waarvan ik betreur dat zo veel moslims dat nog serieus nemen. 

Zo, nu heb ik dit spontaan opgeschreven, zoals ik vaker ’s ochtends mijn gedachten van de nacht op papier zet, en nu is het een feit, of moet het dat worden. Als zo dikwijls gaat een tekst aan de werkelijkheid vooraf. Een beetje moeilijk afscheid nemen is het toch wel. Ik zal de betreffende webpagina’s in elk geval nog een tijd open houden voor wie ze wil lezen. En mocht er ooit nog een keuteltje komen kan dat er nog in. Verder is denkbaar dat ik tussen mijn papieren iets vind dat al lang geleden tot stand kwam, met de frisheid van vroeger; dat kan dan ook zijn weg vinden. Het Emigrant-blog blijft overigens bestaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Persoonlijk, Schrijven

Avicenna

Het wonen in een kleinere stad heeft ook nadelen. Hier zijn domweg niet alle boeken! Ik had voor mijn onderzoeksproject het boek van Avicenna over de levende wezens nodig. Daar was moeilijk aan te komen, in heel Duitsland zijn er geloof ik maar twee exemplaren van, en omdat het œuvre van Avicenna een bibliografisch monstrum is, was het in de catalogi slecht beschreven en moest ik mijn aanvraag bij de Fernleihe nog eens gedetailleerd toelichten. Maar nu ligt het boek dan op mijn tafel, en nu moet ik het (door)lezen, en een beetje vlug ook, want het moet al betrekkelijk snel weer terug. 482 bladzijden Arabisch van elfhonderd jaar oud met een slechte index, best een klus.

Daarvoor moet ik dus weer mijn hele dagindeling omgooien. Dat was vorige week ook al het geval, toen er ineens vier zangdagen ingevoegd moesten worden, plus een dag daarvan bijkomen. Niet dat het me spijt, het was mooi, maar onrustig is het wel. En op de schaarse zonnedagen moet je ineens weer naar buiten, want wanneer komt er weer één? Een klooster was wel iets voor mij geweest: jaar in jaar uit steeds het zelfde. Maar dat mocht niet zo zijn.

Waarom Avicenna? Ik werk aan een Arabische tekst over de wonderen der schepping en zit (nog steeds) aan het hoofdstuk over dieren, maar daarna komt ook een stuk over de mens. Er komen heel wat citaten van Aristoteles in voor, o.a. uit zijn Historia Animalium. Daarvan bestond al een negende-eeuwse vertaling in het Arabisch, maar mijn tekst biedt een andere vertaling. Er was er dus nog één! Het bestaan daarvan was al geconstateerd, maar kan nu duidelijker worden aangetoond. En nu ga ik kijken welke Aristoteles-vertaling Avicenna heeft gebruikt. Misschien ook die uit mijn tekst, of toch die andere? Dat is van enig belang voor de wetenschapsgeschiedenis. Ja, als Nederland binnenkort onder water loopt, dan hoeft dat allemaal niet meer, maar voorlopig is wetenschapsgeschiedenis nog van belang.

Zo, nu bent u weer helemaal bijgepraat.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Dieren