Categorie archief: Arabisch

Arabië anno 650: sterke vrouwen, zwakke mannen

Leeswerk Arabië en islam: Arabië anno 650: sterke vrouwen, zwakke mannen   https://wp.me/p1phO7-2kq

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Literatur, Nabije Oosten

Tent gesloten

Mijn artikel over de hidjra van de profeet is verschenen. Het staat in de Enc. of Islam, 3e uitgave: Art. Hidjra in EI 3. Een licht opruiend artikel, maar dat zien denk ik alleen mensen van het vak.

Het is mijn laatste wetenschappelijke artikel, ik zal er geen meer schrijven. Met het Leeswerk Arabisch en islam wil ik nog wel een tijdje doorgaan, en Emigrant blijf ik sowieso.

1 reactie

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Schrijven, Universiteit

Arabisch lezen

Ruim vijf jaar geleden werd ik gepensioneerd als universitair docent arabische taal- en literatuur en islam, en sindsdien heb ik nauwelijks meer modern Arabisch gelezen. Ouder Arabisch wél, alleen al voor het Leeswerk Arabisch dat ik nog schrijf; ook wel eens een nieuwsbulletin of zo, maar moderne literatuur niet. Tot 2007 deed ik dat nog regelmatig, omdat ik er zowel in Amsterdam als in Frankfort onderwijs over moest geven, en ook recensies van uit het Arabisch vertaalde literatuur schreef voor NRC-Handelsblad. (Ongelooflijk eigenlijk, dat Nederlanders zoiets vroeger lazen, en dat er kwaliteitskranten bestonden die daar besprekingen van wilden.) In Marburg waren er aparte docenten voor moderne Arabische letterkunde en ben ik er geleidelijk mee opgehouden. Blijkbaar had ik er geen zin meer in, en omdat het niet meer moest was dat goed zo.
.
Wel bedacht ik onlangs: als je een taal niet gebruikt vergeet je hem, en dat zou wel een ingrijpende zaak zijn. Het Arabisch was immers mijn vak en heeft een groot deel van mijn leven gevuld. Als je later dood bent is die kennis ook weg, maar het is niet zinvol, daarop vooruit te lopen. Daarom dwong ik mij tot de lectuur van wat modern Arabisch, maar het wilde niet erg vlotten. Eerst een geruststelling: ik bleek het nog goed te kunnen lezen. Ik moest wel wat meer woorden opzoeken, maar dat zou ik bij Engels of Frans ook moeten. En dat doe ik natuurlijk nooit: ik laat de woorden vanuit de context opkomen, en als dat niet lukt is het jammer. Alleen als er kernwoorden ontbreken sla ik ze na. In de problemen kom ik alleen bij speciale jargons: landbouwwerktuigen, scheeps- of walvisterminologie, dat soort dingen. Dan zoek ik liever een vertaling, zoals bij voorbeeld van Moby Dick.
Maar, maar … die moderne Arabische romans en korte verhalen stonden ineens zover van me af; ik kreeg er geen contact mee. Ze waren niet te moeilijk, eerder integendeel; en ook niet te exotisch; de tijd dat Arabische auteurs anders schreven dan westerlingen is al heel lang voorbij. Nee, ik vond ze gewoon vervelend. Wat ik voor mijn privé genoegen lees uit Europa, de beide Amerika’s of Japan, al dan niet in vertaling, interesseert me veel meer, dus waarom zou ik mezelf modern Arabisch aandoen? Daarmee wil ik niet zeggen dat moderne Arabische auteurs slecht schrijven; er is echt wel wat goeds te vinden, steeds meer zelfs; ik heb er alleen geen zin meer in. Hoeft ook niet; gepensioneerd weet U wel.
.
De redding verscheen in de vorm van negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse geschriften, waarvan de literaire waarde maar al te vaak gering is, maar waar ik ineens wél zin in heb; vraag me niet waarom. Misschien omdat ik in mijn hart zelf een negentiende-eeuwer ben, een crypto-Ottomaan misschien, of een ouwe koloniaal? Ik houd van die tijd; ik vond het jaarabonnement van Nubar Pasha in het spoorwegmuseum te Cairo ook fijn om te zien.
Ik denk dus wat te gaan lezen uit die tijd, vooral uit Egypte. In Syrië, inclusief Libanon, gebeurde er misschien meer, maar dat ligt buiten mijn horizon en daar laat ik het maar.
.
Hier is al een klein leeslijstje:

  • Nakhla Salih, Fu’ād en Rifqa (1872), een prulletje, maar wél de oudste Egyptische roman; daar zal ik dezer dagen een stukje over schrijven.
  • ‘Alī Pasha Mubārak, ‘Alam al-dīn (1882), een zeer dik werk, dat hier en daar trekken van een roman vertoont, en ook zijn biografische lexicon, Al-Khitat al-tawfīqīya (1888–89), een nog veel dikker werk (20 dln.). Hierover hebben twee Duitse geleerden al behoorlijk wat geschreven, zodat ik in dit geval alleen consument hoef te zijn, en natuurlijk alleen van een paar hoofdstukken. Ik ben de trotse bezitter van een eerste druk van ‘Alam al-dīn, waarschijnlijk de enige in wijde omgeving.
  • Bij al-Manfalūṭī (1876–1924) wilde ik altijd nog eens kijken hoe hij Franse romans aan de lezerswensen van het Egyptische publiek aanpaste: daar kan ik eventueel wat over schrijven. Dat is wel werk, want ik zal dan stukken Arabisch én stukken Frans moeten vertalen, ter vergelijking. Die lezerswensen hadden vooral betrekking op de onmogelijkheid van liefdesaffaires. Als in een roman een jongen zijn aanbedene ontmoette moest dat in het Arabisch neef en nicht worden, enzovoort.
  • Helemaal voor mijn eigen plezier kan ik lezen al-Māzinī, Ibrāhīm al-kātib. Dat heb ik vroeger al eens gelezen, maar dat kan best nog een keer. Niet een gaaf literair werk; veel losse eindjes, maar die auteur is mij zeer sympathiek. Modern, voor 1924.

En onlangs had ik op één dag twee interessante ontmoetingen hier ter stede. Een jonge geleerde die onderzoek doet over (Ahmad) Fāris al-Shidyāq, ofwel Farès Chidiac, Sāq ‘alā sāq, en in het gesprek met hem zag ik het ineens: Ja! Dát zou interessant kunnen zijn om te lezen. In ieder geval voor de ontstaanstijd (1855) is dat een werk van echt grote kwaliteit. De auteur is geboren als christelijke Libanees, werd protestant in het Egypte, waar hij twintig jaar gewoond heeft, vertrok naar Oxford, waar hij de Bijbel in het Arabisch vertaalde, en woonde later nog in Parijs, Tunis en Constantinopel. Laat in zijn leven werd hij moslim. Zijn boek is iets tussen een Bildungsroman en een reisverhaal in, moeilijk van taal, maar lichtvoetig van geest. Het werk bevat ook vele woordenlijsten: de auteur was immers bezig het Arabisch te herontdekken, dat in het Ottomaanse Rijk zo lang was verwaarloosd. Maar die lijsten kun je overslaan. Er is net een tweetalige uitgave Arabisch–Engels van verschenen. Die zou het tevens mogelijk maken wat meer leessnelheid in die oudere taal op te bouwen. Onderwerpen: o.a. de sociale misstanden in Engeland. Als dát niet actueel is.
.
Diezelfde dag heb ik geluncht met een vriendin/collega die ik al jaren ken. Ik vertelde haar dat ik wel zin had om een kort verhaal van Mahmūd Taymūr te vertalen, maar dat ik dat in het Duits niet kon. Zij stelde het voor de hand liggende voor: dat we het samen zouden doen! Daar was ik nog niet op gekomen. Ik zal het eerst in het Nederlands vertalen—aangenomen dat ik het origineel nog kan vinden, dat ergens in mijn chaotische stapels moet liggen. Baas Shehata vraagt om zijn loon is een immoreel verhaaltje uit 1926. Bij een dame wordt voor de zoveelste maal aan de deur geklopt door een koetsier, met wie mevrouw vier, vijf ritten heeft gemaakt, die echter nog niet betaald zijn. Hij laat zich ditmaal niet afschepen door het dienstmeisje, stapt het huis binnen en vraagt mevrouw om zijn geld. Mevrouw is in negligé, noodt hem in haar slaapkamer en betaalt hem in natura. Haar zoontje kijkt door een kier en is er onbedoeld getuige van. Ongelooflijk, dat zoiets toen in Egypte gepubliceerd kon worden. Literair geen hoogvlieger, maar wel grappig.
.
Ja ja, dat is een hoop enthousiasme ineens, maar als zovele bejaarden heb ik de neiging mezelf te verzetteln. Eens zien wat er van komt.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Kairo, Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk

Ontslagen

Ik werd ontslagen, een half jaar voor mijn pensionering. Wegens overtolligheid.

Inderdaad zijn er weinig dingen zo overbodig als kennis van het Arabisch of — de hemel beware! — van de islam, een onderwerp dat zich, zoals vrijwel dagelijks blijkt, ook zonder kennis uitstekend laat be-debatteren..

Gelukkig was mijn ontslag maar een droom, vannacht. In werkelijkheid heb ik de vijfenzestig als arabist in functie gehaald en geniet ik nu een welverdiend pensioen. Was ik in Nederland gebleven, dan was het misschien anders geweest. Het is wel opvallend dat de arabistische opleidingen daar vrijwel alle zijn opgeheven, ingekrompen of omgedoopt. Maar gelukkig werkte ik de laatste jaren in Duitsland, een land dat in dit soort dingen vaak een jaar of tien, twintig achterloopt op de trend.

Over de nutteloosheid van arabistisch werk maak ik me geen zorgen. Anders dan bij natuur- en scheikunde zijn arabistische studies vaak vijftig of honderd jaar geldig. Stel dat er in Europa de komende dertig jaar helemaal geen belangstelling voor zou bestaan, daarna kunnen ze de boel gewoon weer uit de kast halen. En in die tussentijd bloeit het vak elders: in Brazilië misschien, in Korea of Canada.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Dromen, Pensioen, Persoonlijk

Nagelaten hulpverlening

Een kleine verandering in de inrichting van mijn werkkamer is niet geheel zonder betekenis. Naast mijn werkkruk is een plankje met woordenboeken. Ik bezit een groot Frans woordenboek, dat de laatste jaren niet op dat plankje stond, maar ergens waar het niet direct voor het grijpen was. Nu heb ik het dichterbij gehaald, en op zijn oude plek staat nu de dikke Oxford Arabic Dictionary.

Achterwaarts, Arabisch! moge Europa binnentreden! Ik zing volop in het Duits, Italiaans, Engels en Frans, en lees maar weinig Arabisch meer.

In de oude liederen die in een van mijn koren wordt ingestudeerd gaat het vaak over wrede vrouwen die een minnaar op afstand houden of zelfs kwellen. Bij voorbeeld in een gedicht van de kamerheer des konings Clément Marot (1497–­1544).1

MarotChanson$

Wij zingen alleen het eerste couplet, in een toonzetting van Andries Pevernage (1543–1591). In mijn onpoëtische vertaling luidt het:

Kom mij te hulp, Mevrouw, met liefdeblijken.
Zo niet, haalt weldra mij de dood.
Een ander kan geen hulp verlenen
Aan mijn vermoeide hart, dat sterven gaat.
Helaas, helaas, kom toch te hulp
dengeen die leeft voor U, in grote nood,
want van zijn hart zijt Gij de meesteres.

De dichter is doodziek van liefdesverdriet. Een zieke wendt zich natuurlijk tot een arts, en de enige arts die hem kan helpen is de geliefde. Maar helaas, die maakt geen aanstalten tot hulpverlening. Ze speelt wat met hem, maar de vele kussen die hij op haar mag veroveren maken de kwaal nog erger, terwijl veeleer seksuele vervulling het effectieve geneesmiddel zou zijn: jouissance est ma médecine expresse.

Hiermee was ik onverwacht weer terug bij het Arabisch. Dit is namelijk allemaal al in het Arabisch gedicht, in de achtste eeuw en nog heel lang daarna. Dat de middeleeuwse troubadourslyriek veel te danken heeft aan de Arabische poëzie is wel bekend, maar dat nog vele eeuwen later Arabische motieven in Europa zo gangbaar waren wist ik niet.

Dat liefde een ziekte is wist iedere Arabische dichter sinds Madjnūn. In het grijze verleden dacht men misschien nog aan demonen die een minnaar ziek maakten:

Arts der djinns, genees mij toch, want met mijn kwaal
weet een arts van mensen geen raad.

Maar iets later, zo omstreeks 700, dichtte Djamīl Buthayna:

Ze zeggen: Hij is betoverd, djinns maken hem gek
omdat hij steeds aan haar denkt.
Ik zweer: Waaraan ik lijd is waanzin, geen toverij.

en

Slapende reismakkers, wordt wakker!
Ik vraag u: Doodt liefde een man?
Zij zeiden: Ja, die verbrijzelt zijn botten, laat hem achter
in verwarring en van verstand beroofd.

Een ziekte dus, niets bovennatuurlijks. ِEen belangrijk symptoom van de aandoening is extreme vermagering, vliegende tering. Je hoefde maar te kijken naar bij voorbeeld de dichter ‘Abbās ibn al-Ahnaf (gest. 808) — en dat had zijn geliefde ook kunnen doen, maar het interesseerde haar niet:

De liefde voor U heeft mijn gebeente tot tering veroordeeld …
Ik zag U aan, gezond nog, en mijn blikken deden mij van binnen wegteren.
Ziet Ge niet hoe vermagering mijn gebeente doorschijnend gemaakt heeft?

Deze ziekte voert dikwijls tot de dood. Genezing kan, behalve de Allerhoogste, alleen de arts bieden die de geliefde is. Daartoe moet de patiënt wel eerst zijn klacht uiten. Een adagium van Ibn Dāwūd al-Isbahānī (868–909) luidt: ‘Niet verstandig is degene, die nalaat de arts te beschrijven waaraan hij lijdt.’ Toch laat de lijder dit vaak na, uit verlegenheid, discretie of uit wanhoop. Want maar al te vaak wil uitgerekend deze arts hem niet genezen, aldus ‘Abbās:

De arts was gierig met zijn medicijn voor de wegterende zieke.

of erger nog:

Waar haal ik het medicijn voor mijn lijden,
wanneer mijn ziekte de arts zelf is?

Soms kwelt de geliefde een minnaar tot de dood, en niet eens altijd met opzet. In de woorden van Fatḥ ibn Khāqān (817–861):

Gij maakte U meester van mijn ziel en besloot mij te doden,
nee, niet in ernst, maar de ziel gaat er wel aan ten onder,
als een vogeltje in een kinderhand die het knijpt
tot het dood is, terwijl het kind alleen wil spelen.

Dat seks genezend werkt wisten de oude Arabische dichters natuurlijk ook al. Op dit moment vind ik geen bewijsplaatsen, die houdt U nog te goed.

NOOT
1. De Fransen uit die tijd deden blijkbaar niet aan accenten. Veel moderne Fransen ook niet, omdat dat lastig is op een mobieltje.

1 reactie

Opgeslagen onder Arabisch, Literatur

Dan zal Mozes zingen

Het systeem van de werkwoordstijden is niet in alle talen hetzelfde. Dat kent U uit het Engels. ‘He has worked for our company for three years’ betekent: ‘hij werkt sinds drie jaar/al drie jaar voor ons bedrijf,’ en niet ‘heeft gewerkt’. Hij werkt er namelijk nog steeds.

Een voorbeeld uit het Nieuwe Testament: In de lofzang van Maria zingt zij o.a.: esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes. Ik zeg het nu maar in het Latijn, want het oorspronkelijke Grieks bekt niet lekker.1 In de oude bijbelvertaling is dat: ‘Hongerigen heeft hij met goederen vervuld, en rijken heeft hij ledig weggezonden.’ Dat is correct vertaald uit het Grieks.
In de nieuwe vertaling staat echter: ‘Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.’ Hoewel de oude vertaling recht deed aan het origineel is deze vertaling toch beter. Inhoudelijk klopt het: zoals bekend hebben hongerlijders nog steeds honger en rijken nog steeds poen. Maria bezingt de werkzaamheid van de rechtvaardige koning van de eindtijd, die nog geen feit is, maar waarnaar zij uitziet. Maar dat mag bij een vertaling natuurlijk geen overweging zijn: je moet vertalen wat er staat. De nieuwe vertaling doet echter recht aan het origineel achter het origineel. Het Evangelie zinspeelt op een vers uit de Hebreeuwse bijbel, en daar heet het in Psalm 107:9: ‘Wie dorst had, gaf hij te drinken, wie honger had, volop te eten.’ Daar gaat het over het verleden, dus daar is het perfectum op zijn plaats. Dit is lang niet de enige plaats waar de Hebreeuwse bijbel in de evangeliën doorschemert; die staan stampvol met citaten daaruit, uiteraard in de Griekse vertaling van de Septuaginta (3e eeuw voor Chr.), met alle fouten en misverstanden van dien, en ook verder tonen de Evangelisten zich vertrouwd met de taal van hun Griekse bijbel.

Bekend is bij voorbeeld het bijbelse ‘zie’, zoals het vroeger luidde: ‘En zie, ik ben met u al de dagen… ’ (Matteüs 28:20). In de nieuwe vertaling wordt het terecht weggelaten: ‘ik ben met jullie, alle dagen.’ Dat ‘zie’ was een vertaling van het Griekse idou, ἰδού, wat weer een slechte vertaling was van het Hebreeuwse hinnē, הנה, dat een soort versterker, nadruklegger is. Het vestigt de aandacht op het volgende woord of een hele zin of een nieuw onderwerp; maar je hoeft niet te ‘kijken’.
Ook ‘en’ is in de nieuwe vertaling weggewerkt. In het Hebreeuws beginnen heel veel zinnen met ‘en’. Bij ons niet, dus weg ermee.

In de Hebreeuwse bijbel bestaat ook zoiets als een profetisch perfectum. Dat drukt handelingen, gebeurtenissen of toestanden uit die de spreker als voltooid wenst weer te geven, ook al moeten ze nog plaatsvinden. Hij doet dat omdat hij er zeker van is, dat zij zullen intreden. Dit profetische perfectum komt vaak voor en staat bij voorbeeld in het bekende vers Jesaja 7:14: ‘De jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen’.2
– ‘is zwanger’: hārā, in het Hebreeuws perfectum, ‘is zwanger geworden’.
– ‘zal spoedig baren’: yōlèdèt, tegenwoordig deelwoord, dat vaak de nabije toekomst aanduidt.
– ‘[zal] noemen’: qārāt shemō, perfectum: ‘zij heeft hem genoemd’.
De vertalers hadden hier een makkie: ‘is zwanger’ klinkt niet zo erg naar verleden als ‘is zwanger geworden’. ‘Zal spoedig baren’ is gerechtvaardigd door het tegenwoordig deelwoord; ‘en noemen’ lift mee op het ‘zal’ van ‘zal baren’. Met twee perfecta in het Hebreeuws toch vertaald als toekomst; goed gelukt.

In het Matteüs 1:23-25 wordt dit vers vrijwel letterlijk geciteerd uit de Griekse vertaling van de bijbel: ‘De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuël geven.’ De Septuaginta-vertalers hadden het profetische perfectum al in toekomende tijd veranderd.3

Van de Hebreeuwse werkwoordstijden moet ik verder maar afblijven; ik weet er niet genoeg meer van. Want nu schiet me het lied van Mozes te binnen: het volk Israël was droogvoets door de Rode Zee getrokken en ‘toen zong Mozes […] dit lied ter ere van de Heer: […]’ (Exodus 15:1) En daar is het juist omgekeerd: daar staat een imperfectum: āz yashīr moshè … . Wat is dat nou weer?

Nog iets anders is, dat exegeten ervan kunnen maken van ze willen. Ik herinner mij een rabbijn, bij wie ik eens les genomen had. Die betrok die woorden op de toekomst: ‘Dan zal Mozes zingen …’. Met glanzende ogen stond hij voor het raam, alsof hij door de Churchillaan de Messias al aan zag komen.

Waarom wilde ik deze mij vreemd geworden stof bekijken en overdenken? Als vooroefening voor iets wat wél op mijn vakgebied ligt: het systeem van werkwoordstijden en -aspecten in de koran, dat nogal afwijkt van dat van het gewone Arabisch en dat ik nog steeds niet begrijp. De collega’s blijkbaar ook niet: de koranvertalingen rommelen maar zo’n beetje aan. Vaak staat in het Arabisch van de koran een perfectum waar toch kennelijk sprake is van heden of toekomst.

Heeft de koran ook een profetisch perfectum, vroeg ik mij ineens af, of misschien een poging daartoe? Nu zijn er drie mogelijkheden: 1. Ik heb een vruchtbaar idee, dat waard is het uit te werken. 2. Of het is een onzinidee, dat in de vuilnisbak hoort. 3. Of het is al lang en breed bestudeerd; dan moet ik de vakliteratuur opslaan. Dat heb ik vroeger nooit gedaan: het onderwerp had nooit zo mijn belangstelling. Indien 2. of 3. van toepassing is, spijt het me toch niet dat ik het gedacht heb. Beter zelf iets bedenken dan alles nakauwen.

NOTEN
1. Lukas 1:53: πεινῶντας ἐνέπλησεν ἀγαθῶν καὶ πλουτοῦντας ἐξαπέστειλεν κενούς.
2. Jesaja 7:14: הִנֵּה הָעַלְמָה הָרָה וְיֹלֶדֶת בֵּן וְקָרָאת שְׁמוֹ עִמָּנוּ אֵל. Ik zou ‘weldra’ zeggen i.p.v. ‘spoedig’; dat vind ik beter Nederlands. ‘Binnenkort’ kan ook.
3. De jonge vrouw is in het Grieks een maagd geworden. Septuaginta: ἰδοὺ ἡ παρθένος ἐν γαστρὶ ἕξει, καὶ τέξεται υἱόν, καὶ καλέσεις τὸ ὄνομα αὐτοῦ ᾿Εμμανουήλ. Matteüs 1:23-25: idem, maar καλέσουσιν i.p.v. καλέσεις. ‘men zal […] geven’: de afwijkende vertaling gaat terug op de eigenaardige vorm qārāt in het Hebreeuws; te verwachten was daar geweest qāreā. De Septuaginta heeft qārāt begrepen als qārātā, ‘jij hebt genoemd’ en als futurum vertaald: καλέσεις, ’jij zult noemen’. De evangelist wist daarmee kennelijk geen raad en heeft het veranderd in καλέσουσιν ‘zij zullen noemen; men zal noemen’.

4 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Bijbel, Koran