Mini-herinnering: naar Oost-Duitsland

De DDR in volle glorie heb ik nooit gekend, maar een paar maanden na de val van de muur besloot ik erheen te gaan om de auteur van ons leerboek Arabisch te leren kennen, en natuurlijk ook uit algemene nieuwsgierigheid. En om linten te kopen voor mijn Arabische schrijfmachine van het merk Erika: een Oostduits produkt dat weldra niet meer gemaakt zou worden, dat was te voorspellen, en die linten hadden geen standaardafmetingen. Ik heb ze inderdaad gekocht en nog lang bewaard, maar de schrijfmachine werd weldra overbodig.

Indertijd gaf ik les uit het leerboek van Krahl & Reuschel, een Oostduits werk van grote kwaliteit. Als studenten of andere personen Oost-Berlijn bezochten, vanuit het westelijk deel van de stad, moesten ze verplicht valuta wisselen en van wat er overbleef konden ze mooi weer wat exemplaren van dat boek meenemen. (Ja, jongens en meisjes, in die tijd lazen studenten gewoon nog Duits.)

Het ergste was eraf toen ik het land bezocht, maar officieel bestond de Deutsche Demokratische Republik nog steeds. Aan de grens, op het stationnetje van Oebisfelde, was er een langdurig oponthoud en moest je in een kantoortje een visum aanschaffen. Het wisselgeld — vijf mark – gaf de douanier niet terug; ik durfde er niet om te vragen, want ik had nog wel wat angst voor ‘Oost-Europa’. Blijkbaar was ik niet de enige: in de treincoupé heerste tot Leipzig een ijzige stilte. Uit dezelfde angstigheid nam ik een taxi vanaf het gigantische station van Leipzig, dat nog geheel reclame- en winkeltjesvrij was, naar het hotel, hoewel dat eigenlijk op loopafstand lag. Dat rare land was gewoon wat bedreigend; waarschijnlijk het gevolg van tientallen jaren berichtgeving over het communisme. Al spoedig bleek het erg mee te vallen.

Dat hotel was al van te voren in Nederland geboekt bij een of ander centrale organisatie. Het zag er normaal uit, luxe van de zeventiger jaren. In de badkamer stond een knaloranje badkuip van kunststof, maar alles werkte. Een drankje aan de bar, om de zenuwen weg te spoelen. Daar voegde zich een niet meer piepjonge vrouw bij me, die tamelijk wanhopig leek. Na enige tijd bleek het de hotelhoer te zijn, ze wilde ook graag mee naar mijn kamer, maar daar voelde ik niets voor. Toen ze zich daarin had geschikt begon ze te praten, over haar wanhoop, ze wist niet waar ze moest blijven, want haar dienstverband met het hotel stond nu op wel zeer losse schroeven, evenals het hotel zelf trouwens. Ik bedacht dat ik misschien geld bij haar kon wisselen: Eén Mark voor drie Rijksmarken was de koers, had ik gehoord, en inderdaad, dat wilde ze graag. Zó graag dat ze helemaal opbloeide: nu kon ze haar kamer voor de nacht weer betalen. De eigenlijke koers was blijkbaar toch nog een andere. Maar het kon me niet schelen; dat hele land was zo goed als te geef. Een tijdje later kwam er een oudere jongeman bij me zitten. Hij solliciteerde niet uitdrukkelijk naar een verblijf in mijn kamer, maar het werd me geleidelijk toch duidelijk dat dit het mannelijke equivalent van de hotelhoer was. Kennelijk was het zo, dat hotels in de Messestadt Leizpig hoeren van alle gezindten in dienst hadden om de buitenlandse gasten te vermaken en uit te horen. Voor elk wat wils. Het zag er slecht uit voor deze mensen: de bedrijfstak stond op instorten.

Het avondeten en het ontbijt waren in orde: keurig eten, maar in afgepaste porties, niet de vette overvloed van het Westen. Toen de straat op. Het eerst wat ik zag, pal voor het hotel, was een glanzende nieuwe Porsche met een Oostduits nummerbord, en daartegenaan geleund een verveeld kijkende jonge vrouw in een bontjas. Rijke mensen waren hier dus ook. Maar even verderop stonden stationcars uit het Westen met de achterklep open. Daar werd allerlei handel aangeboden: bananen, druiven, bekertjes vruchtenyoghurt, cassettebandjes, wasmiddelen, van alles. De klanten stonden er zwijgend omheen en vroegen zich af welke artikelen zij betalen konden. Vreugdevol winkelen was het niet. De stad zag er verder uit als de Duitse stad die zij was, alleen vervallen en met minder winkels.

De Karl Marx Universität in Leipzig was, zoals ons leerboek dat indertijd omschreef, ‘een prachtig gebouw, dat door de arbeiders is opgericht op de puinhopen van de oorlog.’ Naar verluidt hebben zij er voor dat doel nog enige bijgemaakt: wat historische gebouwen en een oude kerk hebben het veld ervoor moeten ruimen, terwijl een andere puinhoop onaangeroerd bleef: de beroemde universiteitsbibliotheek, die in de oorlog gedeeltelijk was verwoest en tot dan toe niet was hersteld. Een wereldwonder van aluminium was die toren: zevenentwintig verdiepingen, met vermoeide liften, onmisbare trappenhuizen en ramen die niet open konden. Inmiddels zit er iets anders in. Een groot bord bij de ingang riep de bezoekers op, unaufgefordert hun Ausweis te tonen; dat hing daar blijkbaar nog van vroeger. Ik liep langs de portier, ben niet aangehouden en zat een paar minuten later al tegenover professor B, die enigszins verbluft was, maar gaandeweg steeds enthousiaster werd over mijn onaangekondigde bezoek. Ik was de eerste uit het Westen die hem bezocht. Natuurlijk was hij ook verguld omdat ik zoveel waardering had voor zijn werk. Hij liet mij trots de honderd(!) proefschriften zien, alle helaas slechts in getypte vorm, met het onderzoek dat de basis zou worden voor een moderne syntax van het Arabisch. Indrukwekkend. Hij wilde mij ook enkele artikelen van zijn hand in fotocopie meegeven. Daartoe begaven we ons naar een kantoortje ergens buiten: er was een toestemming tot copiëren voor nodig en toen die was verkregen werd de boel op een apparaat gelegd. Er kwamen bruine copieën uit, op warmtegevoelig papier. Een mij onbekend procedé, waren het heliogravures? Ze zagen er niet naar uit dat ze lang zouden overleven. De heer B. vond het kennelijk leuk mij te ontvangen en nodigde mij uit voor een avondeten overmorgen bij hem thuis. Die eerste dag ging ik eten op de bovenverdieping van het universiteitsgebouw. Daar zat een restaurant, dat naar plaatselijke maatstaven erg duur was, maar voor westmensen niet. Er zaten overwegend West-Duitsers, die luidkeels herinneringen ophaalden en daarbij soms in tranen uitbarstten.

De volgende dag door de stad gewandeld; Thomaskirche, Auberbachs Keller, enzovoort. ’s Avonds geprobeerd in een goed aangeschreven visrestaurant te eten, maar er stond een rij buiten op de stoep; dan maar weer het hotel. In Nederland kon je immers vis eten zonder rij.

De volgende ochtend naar de beroemde dierentuin, waar ik een korte flirt had met een chimpansee. Ik liep op een groepje mensen af dat samendromde voor de glazen wand waarachter zij zat, maar bleef op enige afstand staan, en toen ze mij zag kwam ze meteen mijn kant op. Er was direct contact, wij hadden elkaar enige ogenblikken innig lief. Ik voelde mij vereerd, de anderen konden alleen jaloers toekijken. De kop koffie in het dierentuincafé was beter dan ik verwacht had. Opvallend was, dat daar om half elf in de ochtend mensen al aan de cocktails zaten, rare blauwe drankjes die ik ook in het hotel had gezien.

Op de laatste dag maakte ik een uitstapje naar Naumburg, met zijn beroemde domkerk en het beeld van Uta. Naumburg was een garnizoensstadje met veel Russische soldaten, die naar verluidde op niet onprettige manier met de burgerbevolking samenleefden. Maar de klad zat nu in de Russische bezetting; op de levendige kofferbak-markt boden handelaren uit het Westen tweedehands Playboys aan, terwijl de soldaten hun petten en insignes versjacherden. ’s Avonds te gast bij B. in de Kolonnadenstraße — heette die zo? — in ieder geval een mooie straat met honderd jaar oude burgerhuizen. Ook de woning was mooi, al werd zij ontsierd door een massief, quasi Oisterwijks eiken wandmeubel. Pas later besefte ik hoe uitzonderlijk deze woonsituatie was in de DDR: de straat was mij als westerling eerst niet opgevallen, maar viel in de grauwheid van de rest van de stad wel erg uit de toon. Een modelstraat. De geleerde behoorde kennelijk tot de bevoorrechten in de DDR, zoals ook bleek in onze gesprekken. Wat zijn vrouw deed weet ik niet meer, maar zij was een harde; iets van partijkader, dat zag je van verre, terwijl hij meer een gemoedelijk type was. Samen zetten ze een mooie maaltijd op tafel, met veel vlees en weinig groente, en overgoten door een wijn van de Saale-Unstrut. Op B. zal ik een keer apart terugkomen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Duitsland, Universiteit

Per aspera ad Astra

Een beetje landerig was ik de laatste dagen wel. Zelfs een geboren gevangene als ik lijdt af en toe onder impuls-armoede. Maandag had ik zelfs een afspraak voor een video-conferentie vergeten. Wist ik veel wat maandag voor iets is. De stemming sloeg echter om toen gisteren de uitnodiging tot inenting arriveerde. Zaterdag, Astra Zeneca. Ik had liever Biontech gehad, maar je kunt hier niet kiezen. Het nadeel van Astra is dat de tweede injectie pas twaalf weken later komt, en er dus weer enige maanden semi-quarantaine gaan volgen, zeker nu het aantal besmettingen de pan uit rijst. Bijna verdubbeld in een week. Ik was op mijn hoofd al aan het sparen voor een nieuwe haarpracht, maar zal het nu weer afscheren. Bezoek aan de kapper pas half juli.

Ik moest dadelijk aan het werk om een Meldebescheinigung te krijgen, een bewijsje van overheidswege dat je woont waar je woont. Duitsers hebben dat in hun identiteitskaart staan, maar Nederlanders niet. Na allerlei getelefoneer blijkt dit bewijs in drie dagen niet leverbaar te zijn. Ik mag het namelijk niet in persoon ophalen bij het Stadtbüro en de online aanvraag en de verwerking daarvan duren wat langer. Vervolgens een telefoontje met de injectie-autoriteit: daar werd mij aangeraden de afspraak niet te verzetten, maar het gewoon te proberen met de autopapieren, een salarisstrookje of een belastingbiljet, iets waar mijn adres op staat. Mocht dat niet lukken word ik niet gevaccineerd en kan ik misschien wachten tot er Pfizer-Biontech is.

Die man bij de injectiedienst was overigens een buitenlander, die sprak met een (voor mij ondefinieerbaar) vreemd accent. Het was een heel prettig gesprekje, en dat is iets wat mij in Duitsland al meer is opgevallen: buitenlanders zijn vaak mensen! Duitsers misschien ook wel, maar dat houden ze graag voor zich zelf: in hun functioneren zijn het vaak machines. Deze man slaagde erin van dat korte gesprekje iets persoonlijks te maken; daar word ik blij van.

De Corona-situatie als geheel loopt akelig uit de hand. Het aantal besmettingen schiet omhoog. De komende maanden zijn het gevaarlijkst. Wild geworden virusvarianten, dito mensen. Mevrouw Merkel heeft telkens verstandige voorstellen, maar de zestien landsvorsten luisteren niet meer naar haar. De nieuwste regels wil ik niet eens meer weten, ik zal zelf wel een stuk voorzichtiger zijn dan de overheden voorschrijven, om van de wil des volks maar te zwijgen. Er is steeds sprake van een noodrem, waarop men gaat staan als de incidentie 100 is. Maar we zitten nu al bijna op 200, dus …?

Er worden op het ogenblik ongeveer 500.000 mensen per dag gevaccineerd. Er moeten nog 110.000.000 prikken worden gezet, dat zal in dit tempo dus 220 dagen duren. Te verwachten is echter dat we in de winter al een nieuwe prik nodig hebben, tegen de varianten uit verwaarloosde gebieden (Brazilië, Afrika).

Besmettingen per week per 100.000          Totaal der ingeënten in Duitsland     

11 febr. Marburg-Biedenkopf 45,7
15 maart Marburg-Biedenkopf 102,8

8 april Marburg-Biedenkopf 110,1
10 april Marburg-Biedenkopf 144,1
11 april Marburg-Biedenkopf 190,2
13 april Marburg-Biedenkopf 187,8
14 april Marburg-Biedenkopf 208,0
15 april Marburg-Biedenkopf 228,7
16 april Marburg-Biedenkopf 217,7
1e 2.490.423   2e 1.178.725
1e 6.507.159   2e 2.891.951

1e 11.515.936   2e 4.737.605
1e 12.670.288   2e 4.910.308
1e 12.670.288   2e 4.910.308
1e 13.567.817   2e 5.117.056
1e 14.058.329   2e 5.186.135
1e 14.773.908   2e 5.276.028
1e 15.393.858   2e 5.350.247
Gisteren iets van 800.00 injecties uitgedeeld; zo gaat ie goed!

2 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Gezondheid, Marburg, Persoonlijk

Mini-herinnering: kaviaar en socialisme

Kaviaar is lekker, maar ook erg duur. Om het onbekommerd te genieten ben ik lang niet rijk genoeg. Anders wordt het natuurlijk als je het niet zelf hoeft te betalen. Eind jaren zeventig heb ik driemaal de kerstvakantie bij E. in Stockholm doorgebracht. We waren dan op Oudejaarsavond te gast bij een echtpaar dat in een bescheiden villa op het eiland Lidingö woonde en in het moderne Nederland zeker tot de ‘extreemlinkse elite’ gerekend zou worden. Hij was directeur van een bekend museum in Parijs en kwam in de vakanties en met de feestdagen over. Zij was directrice van een cultureel instituut in Stockholm.

Het ging er vrolijk toe, al beviel mij de muziek van de Chileense verzetszanger niet zo die, naar men verzekerde, niet om politieke redenen was gekozen maar juist omdat het zulke prachtige muziek was. De wat minder getalenteerde, misschien zelfs ronduit dommige dochter des huizes, werd nogal gekleineerd: die paste niet zo in dit intellectuele milieu. Dat ging al al aardig de kant op van Bergmans Herfstsonate. Wie daar overigens ook altijd zat was de schrijver annex filmer Peter Weiss, een min of meer politieke vluchteling uit West-Duitsland, met zijn vrouw Gunilla, beeldhouwster en decorontwerpster.

De kaviaar was aan de vrouw des huizes te danken. Zij onderhield uit hoofde van haar beroep goede contacten met verwante instellingen in Moskou en Leningrad, en reisde daar ook regelmatig naar toe. Zij deed dat graag met haar eigen auto, het was een leuke tocht, en in Rusland was alles zo keurig verzorgd: de hotels onderweg, de wegrestaurants enzovoort. Aan te nemen is dat zij toegang had gekregen tot dat dunne netwerk van luxe-voorzieningen die de extreemlinkse elite in de Sovjet Unie zich gunde. Na gedane zaken kreeg zij altijd wat cadeaux mee, waaronder een blik kaviaar. Een gróót blik, niet iets wat eruit zag als een blikje schoenpoets, zoals die hier wel eens aangeboden worden; nee, echt een vorstelijk blik, en daar kon het feestgezelschap ruim van opscheppen.

In Zweden was niemand extreem rijk geloof ik, de belastingen waren zeer hoog en de sociale voorzieningen dus uitstekend. De elite genoot privileges, en dat was veel handiger dan geld. Als je bij voorbeeld in een kasteel woont dat een rijksmonument is hoef je niet zelf het lekkende dak te laten repareren; als je halve leven bestaat uit betaalde dienstreizen en zakenlunches kom je ook aardig rond.

Ja, Zweden was politiek neutraal. Ik was werkelijk een beetje geschokt toen ik in Trelleborg aan land stapte en op de kade de vlaggen van de buurlanden zag wapperen. Ik zag twéé Duitse vlaggen! Zag ik dubbel, had ik teveel gedronken aan boord? O nee, ze waren niet hetzelfde, de ene had iets ronds in het midden; het was de vlag van de DDR, begreep ik ter plaatse. Die had ik in het NAVO-land Nederland nog nooit zien wapperen. Ook met de Sovjet-Unie bestonden er innige contacten. Al bleef het wat pijnlijk dat er soms Russische onderzeeërs opdoken tussen de eilanden vlak voor de kust.

1 reactie

Opgeslagen onder Vroeger, Zwedenreis

Macro-herinnering: mijn racisme (2)

Voortzetting van deel 1

Tegelijkertijd werd ik wel gevoed met akelige verhalen over Indië: de Bersiap-tijd, gewelddadige pelopors, de achterlijkheid van inlanders in het algemeen, luie en onbetrouwbare gasten, die niet op eigen benen konden staan en zeker nog niet rijp waren voor democratie, en dan had je nog de roverhoofdman Soekarno. Maar dat was een ander spoor dan het leven van alle dag: het bestond naast elkaar en dit soort praat had blijkbaar niets te maken met reëel bestaande mensen in de eigen omgeving. Volkomen vanzelfsprekend waren ook voor mij Sjors en Sjimmie, kinderboeken over negertjes, verhalen over zendelingen in Nieuw-Guinea en Suriname, waar de inheemsen steevast achterlijk en blijkbaar ook vuil waren (‘het gebruik van zeep is bij hen onbekend’), en die in hun taaltje niet eens een woord voor ‘dankuwel’ hadden, waarmee ze voor onze weldaden hadden kunnen bedanken. Het racisme begon eigenlijk al in Europa; knoflookvretende Fransen, spaghettivretende Italianen, criminele Balkanezen, door en door corrupte volkeren uit het Zuiden. Een extreem geval van zelfs binnenlands racisme was die rechtenstudent die in alle ernst meende dat mensen die met een zachte G spreken, uit Nijmegen en erger nog, structureel onbetrouwbaar en tot corruptie geneigd zijn. (Dat was familie van een nu om zijn racisme beruchte  ‘journalist’.) Terwijl dit discours binnen in mij geplant werd speelde het in het leven van alledag nog geen rol, maar wachtte op kansen om uit te breken.

Door mijn studie heb ik Arabieren en Turken nooit vreemd kunnen vinden. In 1967 waren er twaalf Arabieren in Amsterdam, — allemaal in de gaten gehouden door de politie — waarvan ik er drie kende. Met een ervan raakte ik bevriend; een arts, vijftien jaar ouder dan ik, maar dat gaf niet. Ik leerde Arabisch en Arabische cultuur van hem, hij werd door mij nader ingeleid in Nederland en het Nederlands. In Turkije kon ik me niet verstaanbaar maken, maar ik voelde me er kiplekker. Tijdens mijn studieverblijf in Egypte heb ik wel veel mensen veracht, maar dat was omdat ze óf dom en slecht opgeleid waren óf corrupt en vals; niet omdat ze Egyptenaren waren. Tijdens latere verblijven werd het wel moeilijk met mijn vrienden daar om te gaan, die inmiddels tien of dertig maal minder verdienden dan ik zelf. Dat was eerder beschamend. 

Op welke vormen van racisme heb ik me zelf kunnen betrappen? 

Op algemene cliché’s:
– Natuurlijk is men in X-land corrupt, worden vrouwen gediscrimineerd in land Y, terwijl Z-stan geen rechtstaat is. Intussen weten we dat het bij ons ook steeds meer de foute kant uitgaat.
– Op een algemene afkeer van hele bevolkingsgroepen. Toen er eind jaren zeventig ineens véél Surinamers door Amsterdam liepen bij voorbeeld. Het was echt een moment van vervreemding, toen ik op zekere Koninginnedag het Damplein opliep. Dat zag ineens zwart van de Surinamers, allemaal trouwe aanhangers van onze vorstin blijkbaar. Toen dacht ik even: nee, dit niet! Aan die vele Surinamers moest ik inderdaad wennen; ze hadden een andere lichaamstaal, andere gebaren, stelden zich anders op in het landschap. Maar na een poosje gingen zij zich ook als Nederlanders gedragen, met gebaren en al, dus toen werden ze gewoon. Hun accent in het Nederlands kende ik al van vroeger; dat had me nooit gestoord.  
– En toen er, na een heel stel Tamils, ook nog Vietnamese bootvluchtelingen kwamen aanzetten was ik geïrriteerd en vond ik het te veel worden. Maar ik heb nooit last gehad van die mensen en ben er maar heel weinig tegen gekomen.
– Bij de verkiezingen voor het waterschap of hoe dat heette, kort voordat ik Nederland verliet, toen er Turkse en Pakistaanse namen op de kandidatenlijst voorkwamen. Dáár moeten ze toch vanaf blijven! Onze dijken, onze afwatering, niets mee te maken jullie! Maar waarom eigenlijk niet? Als ze verstand hebben van water en dijken, dan is het in orde. Misschien hebben ze wel in Delft waterbouwkunde gestudeerd en weten er meer van dan boer Krelis.
Dit soort dingen slijt na enige tijd door gewenning, óf je moet er even verstandelijk tegenin gaan.

Bij persoonlijke ontmoetingen: 
– In de jaren zeventig, toen er veel Surinamers naar Nederland waren gekomen, vroeg op een avond in een stille straat een zwarte man of ik een rijksdaalder kon wisselen. Een moment van schrik: deze vent wil mij natuurlijk in elkaar slaan en beroven. Wat te doen? Kalm bijven, zéér op mijn hoede zijn, rustig een rijksdaalder wisselen en verder … niets. De man bedankte en verdween in een telefooncel, hij wilde blijkbaar even bellen, dat was alles. Was het een blanke man geweest dan had ik geen enkele verdenking gehad. 
– Veel zelfbetrappinkjes waren van de soort: wat doet die hier, dat is toch niets voor hem/haar? Dat hoor  je tegenwoordig veel van gekleurde mensen: leraressen die op grond van hun huidskleur voor de werkster worden gehouden enzovoort, en inderdaad, dat heb ik ook gedaan:
– Toen een zwarte man de ruimte in de Leidse UB betrad waar ik toen werkte, was mijn eerste gedachte: wat heeft die hier te zoeken? Het bleek een geleerde uit de VS te zijn, die daar inderdaad iets te zoeken had, maar er was toch even dat moment.
– Op het werk: een zwarte man in de personeelsafdeling. Weer zo’n ogenblik van verwondering: wat deed die hier? Nou, gewoon werken natuurlijk. 
– Wat deden die pikzwarte Afrikanen bij ons klassieke concert? Luisteren dus, ze hielden blijkbaar van dit soort muziek; leuk toch? Dat was overigens in Parijs; in Nederland of Duitsland zie ik nog steeds nauwelijks zwarten bij klassieke concerten.
Zulke ontmoetinkjes verliepen ondramatisch, maar er was toch telkens éven een moment van schrik, afwijzing of verbazing, en te vrezen is dat de betreffende personen dat merkten. Je zou willen van niet, maar het gebeurde.

De meeste van mijn racistische gedragingen zal ik zelf helemaal niet gemerkt hebben, en dat is nog het meest verontrustend. Vaak zijn de betrokkenen te beschaafd om van hun ongenoegen blijk te geven. 

Dat mensen van buitenlandse herkomst, ook al zijn ze nog zo geboren en getogen in Nederland, moeite hebben met het vinden van een huis of een baan is inmiddels wel bekend. Het is denkbaar dat ook ik, als ik woningen of banen te verdelen had gehad, zonder het te beseffen de voorkeur had gegeven aan een blanke boven een gekleurde. Hoewel, dat viel mee: ik heb ooit een Marokkaan en een Iraniër aan een job geholpen. Maar dat was wel op mijn zeer specifieke vakgebied, waar ze uiteraard op hun plaats waren.

Mijn taak: zulke dingen voortaan voorkomen. Je eigen racisme moet je niet ontkennen, maar bestrijden. Het wordt al veel minder trouwens, nu er op allerlei plaatsen zo veel donkere mensen rondlopen.

Wanneer is iemand eigenlijk zwart? Neem president Obama: ja, die was zwart, of althans donker, dat was te zien en werd in het begin steeds benadrukt: de eerste zwarte president, enzovoort. Maar na korte tijd merkte je dat niet meer. Ik heb Obama heel zijn regeringsperiode niet als een zwarte man waargenomen, en zo gaat het met al die andere ‘people of colour’ ook. Geen aandacht aan schenken aan kleurtjes lijkt het beste — behalve daar waar het nog nodig is om dat verrotte racisme te bestrijden. 

1 reactie

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Macro-herinnering: mijn racisme (1)

Niemand wordt als racist geboren, maar de waarschijnlijkheid dat je het geworden bent in de loop van je opvoeding is zeer groot, zeker in mijn generatie. Te ontkennen dat je racist bent, zoals met name in Nederland momenteel gangbaar is, is niet zinvol; anderen voor racist uitschelden evenmin. Je moet het in je zelf onderkennen en er dan wat aan doen. Ja, dat moet echt, net zoals je af en toe even je eigen huid moet inspecteren of daar geen verdachte plekjes zijn, die kwaadaardig kunnen gaan woekeren. Er zijn ook mensen die hun racisme wel prima vinden of er zelfs trots op zijn, maar die ‘vergeten’ dan even hoeveel ellende het heeft aangericht en nog aanricht, ook in Nederland. Na de klimaatramp kon racisme wel eens het grootste probleem worden van de eeuw.

In mijn jonge jaren liepen er tamelijk veel ‘Indische mensen’ rond, zoals wij ze noemden.1 Deze varieerden in huidskleur van blank-met-vlekken, ongeveer zoals Wilders, tot diep donkerbruin. Ook zaten er wat hele of halve Chinezen uit Indië tussen, en een enkele Surinaamse. De aanwezigheid van al deze mensen sprak volkomen vanzelf; zij werden niet als vreemd ervaren, het waren gewoon onze mensen. Datzelfde gold overigens ook voor de enkele Joden die wij kenden. Heel veel later hoorde ik dat zowel Indische mensen als Joden in het naoorlogse Nederland wel degelijk onder discriminatie te lijden hadden, maar daarvan wist ik toen niets. De betrokkenen hielden blijkbaar hun tanden op elkaar en praatten daar niet over met ‘ons’, volbloed Nederlanders. Als ik in Indië was opgegroeid had ik waarschijnlijk meegedaan met de uitvoerige discriminatie van alle schakeringen van bruin, maar wat in de vijftiger jaren telde was blijkbaar alleen of ze bij Nederland hoorden of bij Soekarno. Japanners, díe waren erg, maar die waren niet in de buurt.

Véél belangrijker dan het verschil in huidskleur of ‘ras’ was in mijn jeugd het standsverschil. In die tijd had je nog standen in Nederland en ik ben opgegroeid met een fijn afgestelde antenne voor standsverschillen, niet voor rassen. Ik behoorde tot de elite,2 zo werd mij duidelijk gemaakt — maar tot welke dan? veel stelde het niet voor, en een lekkere smak geld heb ik er nooit aan overgehouden — en wist al gauw iemand in een kastje of kaste te plaatsen. Dat gebeurde op grond van taal, kleding en gedrag. Iemand hoefde maar drie woorden te zeggen en je wist welke stand en welke godsdienst hij had, welke krant hij las en wat zijn vader deed — bij wijze van spreken dan. Godsdienst was een secundair criterium ter onderscheiding: katholieken waren wel duidelijk minder, hoewel er ook nette katholieken waren. Ik denk dat het verschil in godsdienst voor mijn grootouders nog heel belangrijk was; voor mijn ouders en voor mij niet meer zo. Socialisten en communisten konden natuurlijk ook niet, maar nog voordat je aan hun overtuigingen toekwam waren die op grond van hun stand al afgekeurd.

Het aardige van vreemdelingen was juist dat zij buiten de rasters vielen. Tot de gastarbeiders kwamen golden mensen van buitenlandse afkomst niet als van lagere stand. Vanaf de jaren zeventig interesseerden standverschillen me steeds minder, ook omdat ik merkte dat in andere landen die ik leerde kennen (behalve Engeland natuurlijk) die standen niet zo’n rol speelden. In Duitsland had je alleen maar rijkere en armere mensen, zo leek het. Op de Balkan genoot ik van mensen die mooie muziek maakten en hartelijk waren; het kon me echt niet schelen dat zij in hun dagelijks leven misschien visser of monteur waren. Later merkte ik in Egypte en Griekenland dat mensen van hogere stand vaak zeer onaangenaam waren, want patserig, arrogant en corrupt.3

Het eerste buitenlandse wezen dat als ik vreemd ervoer was een donker en prachtig Hongaaars vluchtelingenmeisje dat in 1956 bij mij in de klas kwam. Ze was niet te verstaan, net zo min als de aanplakbiljetten in het Hongaars op de ruiten van de winkels. Je had leren lezen en dan zoiets: geen touw aan vast te knopen! Het meisje bleef niet lang, dus dat had geen vervolg. Qua huidskleur was ze niet donkerder dan vele van onze Indische mensen, maar ze gedroeg zich duidelijk ‘anders’.

Een groep echte vreemdelingen in Amsterdam waren de Chinezen. Je kende ze niet, maar je wist dat ze er waren. Daar werd op afstand soms wel op gescholden: spleetoog; pinda, pinda poepchinees! Toen ik twaalf(?) was meende ik Chinees te moeten leren en daartoe begaf ik mij naar de Binnen-Bantammerstraat, waar een aantal Chinese restaurants en andere zaakjes zaten. Ik copieerde vlijtig de karakters op de uithangborden, nog niet beseffend dat dit al eens uitvoeriger door anderen was gedaan. Ik stelde vast dat er steeds twee dezelfde terugkwamen, die dus waarschijnlijk ‘restaurant’ moesten voorstellen. Aan de kelners in de restaurants vroeg ik wat het allemaal betekende. Zij waren heel vriendelijk en behulpzaam; zoveel belangstelling overkwam ze waarschijnlijk zelden. Maar door gebrekkige talenkennis, ook van hun kant, kwam het niet echt tot gesprekken, en wat moesten ze ook met zo’n snotjoch.

Naar deel 2

NOTEN
1. De benaming Indo heb ik in mijn jeugd nooit horen gebruiken. Eigenlijk weet ik tot op heden niet of dat nu een scheldwoord is of niet.
2. Alleen in ons dorp waren wij elite, omdat we tot de protestantse minderheid behoorden en dus netjes praatten, en omdat mijn grootvader een zeer succesvolle zakenman was.
3. Ineens zie ik die Griekse dame weer voor me, die geen zin had om in de rij voor de veerboot te wachten met haar witte Mercedes. Ze vond dat zij als eerste de boot op mocht, want zij reed een ‘Mercedè’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Joden Joods joods, Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Twee geluidsopnamen uit Duitsland

Mathheüspassion, Johannespassion, dat ging allemaal niet dit jaar; u begrijpt waarom. Het maximaal haalbare, zo werd mij uitgelegd, was de Johannespassion van Schütz, in zeer kleine bezetting in een lege kerk. Schoon uit nood geboren is dit wel een prachtige uitvoering van een prachtig stuk geworden. Juist door de kleine bezetting zijn de koren heel transparant.

===========================

Iets totaal anders, maar ook erg goed in zijn soort, is de Vocaaltragedie van Nektarios Vlachopoulos. De drie Japanezen met hun contrabas zijn er niets bij. Goede kennis van het Duits is wel nodig om ervan te kunnen genieten. Zelf heb ik ongeveer 30% gemist.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Kunst, Onzin Humor, Zingen

Ochtendkoffie

1 reactie

5 april 2021 · 06:15

Grote huizen

In plaats van te klagen dat alles zo hetzelfde is, besloot ik vandaag maar eens in een heel ander deel van de stad te gaan wandelen. Ik belandde in een straat die Am Weinberg heet. Een wonderlijke straat: mooie, royale huizen, waarvan een deel echter een heel stuk lager ligt dan de weg, of het pad, want op het laatst is er alleen een voetpad. De bewoners moeten dan als ze hun tuinhekje door zijn een stuk of drie trappen aflopen voordat ze bij hun voordeur zijn. Bij verscheidene huizen is er ook een soort lift gebouwd in de tuin, maar zo te zien alleen voor goederenvervoer. Koffers of vuilnisbakken. Met de auto voor de deur? Uitgesloten. Ook familieden die moeilijk lopen kunnen niet op bezoek komen.

Van daaruit was het gezicht op het kasteel ook weer eens anders. Kasteelzicht, dat moet een huis hier hebben, wil het een beetje meetellen.

En op de terugweg zag ik nog een groot huis. Een woongebouw voor acht partijen schat ik zo, 1900, en nog zonder lift. Ik vind dat een gróót huis, en dat moet liggen aan de architectuur. Want er zijn talloze nieuwere gebouwen, ook hier ter stede, die een stuk groter zijn, maar dit lijkt werkelijk veel groter.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Marburg

Het lege graf?

Ethiopisch kan ik niet lezen. Zou dit ‘Het lege graf’ kunnen voorstellen? De voorafgaande plaat was de graflegging.

British Library Asian and African Or. 481, eind 17e eeuws. Online hier.

2 reacties

Opgeslagen onder Bijbel, Christen Christelijk Christendom, Kunst

Biontech Marburg, de fabriek van de hoop

Het altijd wat sjofele Marburg kon wel eens een heel rijk stadje worden. Nu de Biontech-fabriek hier schatten gaat verdienen kan er ook heel wat bedrijfsbelasting in de stadskas vloeien, of weet men dat te vermijden?

Hier vindt u een artikeltje (in het Duits) over wat wereldwijd een van de grootste fabrieken van vaccins zal zijn. Vanaf half april zal het spul in de vaccinatiecentra aankomen. Als de boel niet door wappies of door gemene buitenlanders wordt gesaboteerd tenminste.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Gezondheid, Marburg