Kunnen en niet kunnen

Blij en redelijk tevreden kwam ik gisteren thuis van de repetitiedag van het koor voor oude muziek. Normaal hebben we een heel repetitie-weekend, maar door corona is dat verkort, en bovendien zullen we eind november maar één werk uitvoeren. Niet in een concert, maar als onderdeel van een of andere bijeenkomst, ik weet niet eens wat voor een.

De Missa Alleluya van Mouton van ± 1500, ik schreef er al eerder over. Verheugend was, dat ik de meeste stukken nu goed kon; het ging echt lekker. Alleen twee stukken uit het midden gaan nog steeds niet; niet beter dan een maand geleden. Voor het Crucifixus is er hoop, want ik hoorde gisteren dat het lange Credo opgedeeld gaat worden en dat er halverwege een gedicht gezegd gaat worden. Dan kan ik even regenereren. Het bleek dat anderen daar ook wel behoefte aan hebben. In de oude tijd werden missen vaak opgeknipt, dus onverantwoord is het niet. Het Pleni sunt coeli, een duet met de sopraanstemmen, blijft echter onmogelijk te doen. Het begint eigenlijk al met de inzet, die zonder onderbreking (attacca) op de lange eindtoon van het voorafgaande deel moet volgen. De dirigente nam het verstandig op: in overleg met haar is vastgesteld wat ik dan wél ga doen. De inzet en de gedeeltes waar de sopraan niets te doen heeft zal ik wél zingen; verder laat ik strategisch stukken weg om dan elders weer voor de dag te komen.

Dit niet-kunnen heeft mij nog in het recente verleden zeer gedeprimeerd, zo zeer zelfs dat ik me afvroeg of ik maar niet helemaal met zingen zou ophouden. Maar nu heb ik er vrede mee: ik kan het niet; punt. Op de lange duur is de voor dat stuk vereiste zangtechniek wel aan te leren, denk ik, maar in één maand zal dat niet lukken. En het is ook van belang dat ik geen stress heb bij het zingen, want dan gaat het zeker niet. Wat bij mijn verrichtingen altijd geldt: ik moet het niet willen. Zodra ik iets wil lukt het gegarandeerd niet.

Hoe is het met de anderen? Het Pleni sunt hoeft niet zo luid, en de drie stemmen die het wel kunnen zullen voldoende geluid geven. Er zijn twee vrouwelijke tenoren, die van de vorming van hoge tonen veel minder moe worden. En dan is er Jürgen, een zeer grondig geschoolde tenor. Hij is vaak niet op de repetities, want hij is steward in vliegtuigen en dus lang niet altijd in het land. Maar dat geeft niet, want hij kan het toch wel. Een rare vogel, die heel enthousiast is over het Europese Song Festival, maar zingen kan hij als de beste. Mijn directe buurman kan het ook niet, maar die heeft veel minder zangervaring dan ik. En dan is er nog iemand die dít wel kan, maar weer andere dingen niet.

Met Ilse, de grote leidster der tenoren, is het vreemd gesteld. Zij is nog altijd feilloos in de maat, muzikaliteit en interpretatie zitten goed, maar haar tonen zijn ineens niet altijd zuiver meer; hoe kan dat nou? De dirigente pikt haar er soms even uit om één toon even te oefenen. Normaal is zoiets pijnlijk, en zeker als het bij herhaling gebeurt. Maar het gebeurt blijkbaar in overleg, en geleidelijk is duidelijk geworden wat er aan de hand is: tijdens de lockdown vorig jaar, toen we elkaar niet ontmoetten, heeft Ilse een zware schildklieroperatie gehad. Daarna kon zij vier maanden niet zingen, en daarna heeft zij met de dirigente via eindeloze oefeningetjes de verloren stem weer terugveroverd. Die is nog niet helemáál zoals vroeger, vandaar af en toe een iets te lage toon of iets dergelijks. De dirigente heeft nog iemand onder haar hoede, die corona heeft gehad en ook weer langzaam zingen moet leren. Voor zulk intensief therapiewerk heeft zij natuurlijk alleen tijd omdat ze gepensioneerd is.

En zo nog drie regels, maar dan lig ik al voor Pampus. Het rode zing ik in ieder geval.

Klinken moet het zó, vanaf 1:33.

1 reactie

Opgeslagen onder Zingen

Slot in de herfst

Foto Peter Beltz, Marburg

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Marburg

LGBTQIA

Enigszins in het verkeerde keelgat schoot mij dat ik een meneer op de Nederlandse televisie bovenstaande afkorting hoorde uitspreken. Hij deed dat op zijn Engels. Als niet-Engelstalige kan ik dat ook wel: El Djie Bie enzovoort, maar dat zou wat zoekend gaan, wat aarzelend, want ik doe het niet iedere dag en ken het niet uit mijn hoofd. Bij deze meneer floepte het vlot uit de mond; hij had het vaker gedaan. Hoewel Nederlander verkoos hij dus niet de Nederlandse afkorting: LHB-enzovoort.

Alsof het al niet erg genoeg was met al die letters, het is dus ook nog Amerikaans! Daar klopt toch iets niet? Hoe kan men de complexe en veranderlijke sexualiteit van de mens samenvatten in zulke rare letters? Het opgroeiende mensenkind zal waarschijnlijk cis het zijn (alweer zo’n rare kreet), maar een minderheid (10%? 15%? geen idee) is dat niet en moet kiezen uit een van die letters. Net als bij Starbucks: kies je smaakje, je naam wordt op een beker geschreven en dat ben je dan. Jonge mensen mogen zich een keer vergissen; de volgende keer vinden ze hun ware letter, eventueel geholpen door een therapeut of een andere invoelende medemens, en aan die tweede letter zitten ze dan vast. Dan hebben ze een identiteit, een groepsidentiteit. Of ze nog iets anders te bieden hebben dan hun ‘seksuele oriëntatie’, met andere woorden: of ze verder nog iemand zijn, interesseert niemand.
Hier in de straat woont een trans-man. Dat weten we, omdat hij de betreffende vlag over zijn balkon heeft gehangen. En dus wordt er zo aan hem gerefereerd: ‘je weet wel, dat hoekhuis, waar die trans woont.’ (Soms wordt het minder netjes uitgedrukt.) Eigen schuld hoor.

Er zijn vast een paar letters vergeten of nog niet ontdekt, maar die komen dan in een volgende golf van ophef aan de beurt. Eén letter ontbreekt in het rijtje overduidelijk: de P van pedofiel. Anders dan bij de andere letters wordt in gepraktiseerde pedofilie altijd schade aangericht, aan kinderen nog wel, en het kan dus niet worden goedgekeurd. De P’s mogen niet rekenen op de aanmoediging van al die aardige, begripvolle mensen; voor hen wordt geen enkele vlag uitgehangen, hoewel ze waarschijnlijk niet eens met weinigen zijn. Maar in theoretische beschouwingen mag die P natuurlijk nooit ontbreken. Het is schijnheilig om het dood te zwijgen.

2 reacties

Opgeslagen onder Niks

Te vroeg geboren

De wereld van het digitale zal ik wel nooit begrijpen. Als iedere rechtgeaarde volwassene in Duitsland beschik ik over een corona-pas met QR code. Dat ding is enige maanden geleden aangemaakt door een apotheek, op grond van mijn gele boekje met de stickers van de vaccins. Daar staan ook mijn naam en geboortedatum op. Die QR code kon ik scannen op de telefoon, zodat ik voortaan niet dat papier hoefde mee te dragen maar die code op het mobieltje kon laten zien. Door toeval ontdekte ik echter een fout. Op de papieren versie van de pas staat mijn geboortedatum correct: de 26e juli, maar volgens mijn telefoontje ben ik op de 25e geboren! Terwijl toch die scan vanaf het papier is gemaakt. Natuurlijk niet van de tekst, maar van dat rare vierkantje. Dáár moet de fout in zitten, en dat is potentieel gevaarlijk.

Er is pas twee maal gevraagd naar mijn identiteitskaart te samen met de QR-code. En beide keren heeft men niet zo nauwkeurig gekeken, zodat het niet opviel. Maar je zult op een dag aan de Zwitserse of Oezbeekse grens staan en niet binnengelaten worden omdat je geboortedatum niet klopt! In welke krochten moet ik afdalen om dit te laten corrigeren?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Niks

Cijfers en werkelijkheid 

Tot 1996 werkte ik aan de Letterenfaculteit van de VU. Daar nam op het laatst, zoals overal, de belangstelling voor letters geleidelijk af en die voor cijfers sterk toe. Er moest gerekend worden: bezuinigingen, de normbelasting, het rendement van studenten en docenten tot ver na de komma. Dat nam zo’n omvang aan dat de faculteit iemand in dienst nam die in een vroeger leven wiskunde had gestudeerd. Een aardige vent, ik dronk wel eens een glas met hem. Hij vertelde dat zijn baan hem niet zo bevredigde, omdat de berekeningen die hij doorvoerde niet werden gewaardeerd. Als de uitkomsten niet prettig waren werd er gewoon een streep door gehaald en er een cijfer neergeschreven dat politiek opportuun was.

Twee, drie maanden geleden besloot de Nederlandse overheid wat minder vaak te gaan testen op corona. Het verheugende resultaat was dat er ook heel wat minder besmettingen geregistreerd werden; de cijfers waren niet meer zo exorbitant hoog. Wat denkt u, was er daardoor ook minder corona?

In Duitsland wil het maar niet opschieten met de vaccinatie. Het percentage volledig ingeënten kruipt tergend langzaam omhoog, het is nu 65,8%, terwijl 80% het streven is. Maar daar is nu wat op gevonden: de overheid heeft haar overtuiging kond gedaan dat er in werkelijkheid veel meer mensen ingeënt zijn, maar dat ze niet allemaal in de centrale registratie terecht zijn gekomen. Alles komt dus goed.

1 reactie

Opgeslagen onder Economie/Wirtschaft, Gezondheid, Politiek

Toekomstplannen

Tijdens enkele nachten in Nederland heb ik onrustig geslapen; dat gebeurt wel vaker als ik op reis ben. Boze dromen kwamen op over mijn loopbaan als arabist: mijn eigen lamzakkigheid, maar ook de onachtzaamheid en zelfs het verraad van collega’s, en de teloorgang van het hoger onderwijs überhaupt. Zulke dromen zijn niet prettig, maar ze hebben het voordeel dat die hele ouwe boel geleidelijk wordt achtergelaten of althans onschadelijk gemaakt. Dat kan dus weg, en dan blijft vervolgens het verdere leven te plannen.

Van groot nut blijkt nu al het langzaam gerijpte besluit te zijn, mij per najaar 2024 aan te melden in zo’n bejaardentehuis. In Bonn of in Detmold. Eerder kan het niet, om verzekeringstechnische redenen, maar ook omdat mijn boek nog niet af is: de tekstuitgave met vertaling en commentaar van het boek van Jibril ibn Nuh (9e eeuw) met al die godsbewijzen (arguments from design). Door die datum valt een en ander op zijn plaats; er is nu een duidelijke deadline. Het boek dat ik eerst voor de corona-periode had gepland, dijt uit, maar de drie jaar die ik nu nog heb moeten zeker voldoende zijn. Dan verhuis ik naar een kleine kamer en kunnen eindelijk al die boeken weg. Je kunt ze niet meenemen in je graf, laat staan naar zo’n Seniorenresidenz. Eenmaal daar schrijf ik nog een boek waarvoor ik geen bibliotheek nodig heb. Of hoogstens tien boeken die ik via de gemeentebibliotheek kan laten komen. Dat wordt een Sachbuch over een heel ander onderwerp, waarover ik hier voorlopig niets kwijt wil, maar waarvan de grote lijnen al op papier staan. Het wordt een riskant project, maar dat is juist spannend. Tot nu toe heb ik te weinig aan koorddansen gedaan.

Kun je wel plannen maken voor de toekomst als je al oud bent en de tijden hachelijk zijn? Natuurlijk wel, maar onder voorbehoud. Ik dacht niet dat ik zoiets hoefde uit te leggen, maar er was laatst een dame in ons koor die niet wilde toezeggen dat ze mee zou gaan met het koorreisje naar Parijs, omdat het niet duidelijk was hoe corona zich zou ontwikkelen. Alle anderen hadden toegezegd met de onuitgesproken, maar volkomen vanzelfsprekende toevoeging: ‘als er niets tussen komt’, d.w.z. ziekte, rampspoed of dood. Vroeger voegde je dan toe: d.v. = deo volente = ‘zo God het wil’. Al is dat nu in onbruik geraakt, naar den zin geldt het natuurlijk nog onverminderd.

Ik denk zelfs dat het de gezondheid bevordert: plannen maken voor de toekomst.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Gezondheid, Persoonlijk, Schrijven

Oud en arm

Als zo vaak pauzeerde ik even op een van die langgerekte parkeerplaatsen parallel aan de Autobahn, die alleen voor personenauto’s zijn bedoeld. Daar stond op dat moment geen andere auto, maar wel was er een oude man bezig in de vuilnisbakken te wroeten en daar dingen uit te halen. Een net geklede man; niet het type van een dronkelap of dakloze. Twee had hij er al gehad en nu liep hij op de derde bak toe. Iets sneller dan hij liep ik ook die kant op; om de benen wat te strekken loop ik zo’n strook soms twee, drie keer op en neer. Toen de man zag dat ik zijn kant op kwam boog hij af in de richtig van een bosje, waar hij ging staan plassen. Moest hij echt plassen? Dat kan natuurlijk, maar ik had eerder de indruk dat hij zich schaamde en niet zou willen dat ik hem in die bak zag wroeten. Toen ik weer in de auto stapte zag ik hem alsnog de derde vuilnisbak doornemen.

Het is inderdaad beschamend, maar niet híj is degene die zich moet schamen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Duitsland

Pannenlap

Lang was nog in mijn bezit een heel flodderig gehaakte pannenlap, één van een stelletje. Hij deed denken aan het web van een spin die niet helemaal goed bij zijn hoofd was. Dit exemplaar was tot mij gekomen via mijn zuster. Het was een herinnering aan tante Jo, die bij haar leven veel tijd besteed had aan de nuttige handwerken: breien, haken, borduren enzovoort. Zij verblijdde onze familie met een schier oneindig aantal gehaakte pannenlappen. Maar daar bleef het niet bij: ook het Koninklijk Huis werd  door haar bedacht. Telkens als er een prinsje geboren werd maakte zij babykleertjes, die ze naar het paleis opstuurde. Steevast kreeg zij namens de koningin een vriendelijke bedankbrief.
Natuurlijk was haar haakwerk nooit flodderig; integendeel! Alleen die laatste pannenlap, dat was een rommeltje. Het was de aankondiging van haar dood, die spoedig daarop volgde.

Ik heb sinds 2011 stukjes over Arabisch en de islam geschreven in een blog, eerst alleen in het Nederlands, later ook in het Duits. In mijn onschuld meende ik toen nog dat informatie zou helpen tegen dom en kwaadaardig geleuter van Wilders en zijns gelijken. Na mijn pensionering kon ik daarin bovendien stof kwijt waarover ik jaren lang les had gegeven, zodat die niet verloren zou gaan. Het tijdschrift zenith wilde een aantal van die stukken graag publiceren, zodat ze nog in druk verschenen zonder dat ik daar extra moeite voor deed. En bovendien: als ik zin kreeg om een stukje te schrijven schreef ik er een, ongeacht wat er verder mee zou gebeuren. Maar de laatste tijd kwam er niet veel meer, en ik heb de indruk dat mijn haakwerk dunner, flodderiger geworden is. Daarom wil ik nu met die Arabisch-blogs ophouden, voordat er zo’n pannenlap ontstaat als die van tante Jo. De mij nog resterende energie wil ik enerzijds concentreren op zingen en verder op de uitgave van het boek over godsbewijzen van Jibril ibn Nuh. Het werken daaraan heeft me door de corona-tijd geholpen, maar het is nog lang niet klaar en ik hoop het nog te voltooien voordat ik in een Seniorenresidenz zal belanden.

Die blogs over Arabisch en islam werden en worden behoorlijk gelezen. Naar de aard van het medium kom je wel te weten hoe vaak een stuk is aangeklikt, maar niet door wie. Soms bleek dat wel uit reacties. Ik was altijd blij met moslim-lezers, omdat mijn stukjes waar nodig wat lucht konden brengen in dat soms zo star geworden geloof. Er zullen ook lezers geweest zijn die mij knarsetandend naar de hel gewenst hebben. Mij best hoor, ik ga al. Het meest gelezen stuk was dat over het vermeende huwelijk van de profeet met de piepjonge Aisha, en ik heb werkelijk het idee dat ik die smerige mythe een flink eind heb kunnen aftakelen. Minder blij was ik met de hoge aanklikcijfers van het stuk over katten en honden van de profeet. Ja, ik heb dat geschreven en vind het nog steeds niet slecht en natuurlijk mag het gelezen worden, maar ik had eigenlijk geen lust om voor een moefti aangezien te worden, die moslims vertelde of ze van God een kat of hond mochten nemen. Dat gebeurde wel vaker: dat lezers dachten dat ik een imam was bij wie ze religieuze raad konden vragen. Hadden ze begrijpend kunnen lezen, dan hadden ze geweten dat dat niet zo was. Nee, dan waren mijn analytische stukken over de ezels en muilezels van de profeet veel aardiger. Eveneens populair was helaas mijn stuk over de bestraffing in het graf: een archaisch geloofsartikel van de islam, waarvan ik betreur dat zo veel moslims dat nog serieus nemen. 

Zo, nu heb ik dit spontaan opgeschreven, zoals ik vaker ’s ochtends mijn gedachten van de nacht op papier zet, en nu is het een feit, of moet het dat worden. Als zo dikwijls gaat een tekst aan de werkelijkheid vooraf. Een beetje moeilijk afscheid nemen is het toch wel. Ik zal de betreffende webpagina’s in elk geval nog een tijd open houden voor wie ze wil lezen. En mocht er ooit nog een keuteltje komen kan dat er nog in. Verder is denkbaar dat ik tussen mijn papieren iets vind dat al lang geleden tot stand kwam, met de frisheid van vroeger; dat kan dan ook zijn weg vinden. Het Emigrant-blog blijft overigens bestaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Persoonlijk, Schrijven

Tussenjack

Met enige mensen stond ik gisterenavond buiten te praten — het binnenzitten wordt waar mogelijk nog geschuwd — en het gesprek kwam onvermijdelijk op de herfst: de dagen worden korter, het weer wordt kouder, enzovoort, en ineens schoot er iemand in de lach en zei: we dragen ook allemaal een Übergangsjacke. Algehele hilariteit. Het is waar, ook ik heb zo’n jack. Voor ’s zomers zou het ding te warm zijn, voor de winter te dun; kortom een tussenjack, zoals het in Nederland misschien zal heten.

Een praktisch voorwerp dat veel mensen hebben en gebruiken. Waarom dan die hilariteit? Ook elders was het me al opgevallen, dat er om dit woord gelachen wordt. Het zou een soort zelfspot kunnen zijn: een tussenjas of -jack is iets burgertruttigs, maar kijk ons eens: we hebben er wel allemaal een!

Maar te constateren dat de dagen korter worden en de lucht kouder is nog veel burgertruttiger, en daarom wordt niet gegniffeld. Ik begrijp het niet.

NASCHRIFT: Het tussenjack is niet burgertruttig, maar onmannelijk. Ximaar heeft het gevonden:

4 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Kleding

Vertaling: het vale paard

Ik kwam ergens het vale paard tegen, uit het bijbelboek Openbaring 6:8, en besloot dat huiveringwekkende hoofdstuk over de weedom van de Eindtijd nog eens na te lezen. Tenslotte is de Jongste Dag ophanden en we moeten voorbereid zijn. Dat paard ziet er in het originele Grieks en in enkele vertalingen als volgt uit:  

καὶ εἶδον, καὶ ἰδοὺ ἵππος χλωρός, καὶ ὁ καθήμενος ἐπάνω αὐτοῦ ὄνομα αὐτῷ [ὁ] θάνατος, καὶ ὁ ᾅδης ἠκολούθει μετ’ αὐτοῦ.

– King James Version (1611): And I looked, and behold, a pale horse, and his name that was upon him was Death, and Hell was following with him.

– Statenvertaling (1637, ietwat gemoderniseerd): En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na.

– NBG (1951): En ik zag, en zie, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was [de] dood, en het dodenrijk volgde achter hem.

– NBV21 (2021): Toen zag ik een vaalgeel paard. De ruiter heette Dood, en Dodenrijk vergezelde hem.

Zeker, de nieuwste vertaling is de beste en de Engelse de slechtste. 
– Het is in Westeuropese talen niet gebruikelijk een zin op zijn Semitisch met ‘en’ te beginnen, dus weg ermee. ‘Toen’ is OK.
– De oudere vertalingen bewaren ’en zie’, dat berust op een vertaalfout in de voorchristelijke Griekse bijbelvertaling der Septuagint. Het oorspronkelijke Hebreeuwse woordje heeft slechts de functie, even wat nadruk te leggen. ‘Ziet’ is iets fouter dan ‘zie’.
– ‘His name that was upon him’ is gewoon fout.  ‘Die daarop zat, zijn naam was […]’ volgt braaf de knullige syntax van het Grieks; waarom? De NBV rekent daar terecht mee af.
– Is ‘dodenrijk’ een betere vertaling van Hades dan ‘hel’? Dat weet ik niet, maar ik vertrouw, dat de moderne bijbelgeleerden hun zaakjes kennen. NBV21 laat het lidwoord weg bij Dodenrijk; zo’n personificatie van hel of onderwereld komt me ook uit andere contexten bekend voor.
Opvallend is dat de vertaling van het NBG (1951) nauwelijks beter of moderner was dan de Statenvertaling.

Kortom, de NBV21 is de beste. Maar, maar …: hij bekt niet lekker! Mogen we niet een beetje apocalyptische huiver hebben? In dat opzicht voldoet de Engelse vertaling het best. Die blijft ook het best in het geheugen hangen, althans in het mijne. Waarom? Misschien juist omdat die een beetje raar is.

6 reacties

Opgeslagen onder Bijbel, Eindtijd