Samenwonende mannen

Twee mannen kunnen niet samen in een huis wonen. Of ja, het kan natuurlijk wel, maar dan moeten ze seks met elkaar hebben. Dan zijn ze namelijk gecertificeerd homoseksueel en dan kunnen de fiolen van de tolerantie over hen worden uitgestort.
.
Een mini-herinnering voerde mij terug naar het flatgebouw in Leiden waar ik in de zeventiger jaren enkele jaren een driekamerwoning had. Het was een fijne flat, waar de meeste bewoners zo om de dertig waren. We kenden elkaar, mochten elkaar, gaven elkaars planten water, liepen bij elkaar in en uit en vierden af een toe een feest. Op de hoogste verdieping was een groot penthouse: zes kamers en dienovereenkomstig duur. Deze woning was gehuurd door Hans en Johan, twee aardige kerels, die telkens maar weer moesten uitleggen dat zij die flat samen hadden gehuurd omdat hij zo groot en mooi was en door de hoge huur zo makkelijk te krijgen was geweest, maar dat zij verder ieder voor zich waren. Een woongemeenschap dus, wel bekend uit Londen en Duitsland, maar in Nederland blijkbaar minder. Hans leerde ik wat nader kennen en hij vertelde mij grinnikend dat hij en Johan dikwijls voor een paar gehouden werden, en als hij dat ontkende er toch vaak een vreselijke verdenking in de lucht bleef hangen. Het kon hem niet schelen; hij had een eigen leven, waarin ook vrouwen voorkwamen.
Ik herinner mij een flatfeest waarbij de beide heren apart naar beneden kwamen, om niet als paar op te treden. Dat vond iedereen nogal van de zotte, maar door schade en schande wijs geworden vonden die twee dat kennelijk het verstandigst.
.
In Flauberts roman Bouvard et Pécuchet (verschenen 1881, geschreven tussen 1872 en 1880) raken twee copyisten bevriend. Een van hen wordt rijk, ze kopen samen een groot huis op het land, waar zij een onwaarschijnlijk aantal wetenschappen najagen, de ene op nog amateuristischer manier dan de andere. Daarbij gaat er van alles mis, en de inwoners van het dorp raken steeds meer geïrriteerd door die twee rare snuiters, maar dat hele erge, nee dat wordt hen niet verweten. Tenslotte besluiten ze maar weer copyist te worden. Bevriend blijven ze natuurlijk, en uiteindelijk laten ze een bureau maken waar ze samen aan kunnen zitten.
.
De ontdekking of uitvinding van de homoseksualiteit aan het eind van de negentiende eeuw heeft vriendschap een stuk moeilijker gemaakt. Bouvard en Pécuchet zouden nu niet meer samen een huis kopen.

1 reactie

Opgeslagen onder De mens, Niks

Oriëntalisme en oriëntalistiek — 2: de kunst

Voordat ik verderga over de oriëntalistiek wil ik snel even wat plaatjes van oriëntalistische schilders laten zien, dat U een indruk krijgt. In de periode van pakweg 1830–1914 werd het Oosten geacht schilderachtig, kleurrijk, exotisch, prachtig, rijk en vooral ook zinnelijk te zijn. De stoffen waren kostbaar, de architectuur was schitterend. De armoede wordt vrijwel nooit tot onderwerp genomen, wel de vermeende willekeur en wreedheid van oosterse despoten (Cormon, Regnault). En de wreedheid van de slavernij, hoewel de schilders zich weinig met de medemens begaan tonen; meestal verlustigen zij zich in de aanblik van een naakte vrouw of jongen.
Voor menig schilder was een oosters tafereel het broodnodige voorwendsel om naaktheid af te beelden, zoals bijbelse voorstellingen dat vroeger waren geweest. Het zinnelijke van de islamitische wereld, de badhuizen en de harems spraken zeer tot de verbeelding in het toen zeer preutse Europa. Hoe het in die harems werkelijk toeging wisten slechts weinigen, maar in een tijd dat Europese dames schuil gingen onder crinolines en halleluja-hoeden en bijna van de graat gingen in strak aangeregen korsetten werd de verbeelding van hun echtgenoten geprikkeld via oriëntaalse fantasieën.
Oriëntalistische schilders hoefden niet in de Oriënt geweest te zijn. Lewis schildert een zeer kleurrijk Cairo, terwijl die stad in werkelijkheid bestaat uit vijftig tinten grijs en vaalgeel.
Het beroemd-beruchte schilderij met de vuil kijkende slavenhandelaar die juist een nieuwe maagd onthult wordt veelal aan Fabio Fabbi toegeschreven. Ik betwijfel of dat juist is, gezien de bonbondozendekselstijl waarin deze schilder zich verder uitleeft. Maar misschien is het een jonge Fabbi, uit de tijd dat de geldzucht nog niet had toegeslagen.

Alma Tadema, van wiens werk U misschien de tentoonstelling in het Fries Museum hebt gezien, werkte in dezelfde sfeer als de oriëntalisten; alleen schilderde hij de klassieke Oudheid. Wanneer hij het oude Egypte schildert is ook hij oriëntalist.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Orient

Oriëntalisme en oriëntalistiek – 1

Ik beken: ik ben oriëntalist. Maar wat is dat precies? De spellingcorrector van MS Word kent het woord niet, dus enige uitleg kan misschien geen kwaad.
.
Oriëntalisme is (of was) een richting in de kunst, die vooral in de negentiende eeuw gebloeid heeft en als bron van inspiratie had wat vroeger ‘de Oriënt’ heette, het mysterieuze Oosten: de schoonheid, de rijkdom, de kleurenpracht, de wreedheid en de zinnelijkheid die men daar ontwaarde of zich althans voorstelde. Een schilder of architect die aan oriëntalisme doet heet een oriëntalist of een oriëntalistische schilder.
.
Oriëntalistiek is (of was) de wetenschappelijke bestudering van de talen en beschavingen van wat vroeger ‘de Oriënt’ heette: een gebied dat bij de Turkse grens begon en ergens in Oost-Azië ophield. Een bedrijver van oriëntalistiek heet(te) ook oriëntalist. Zo eentje ben ik; meer specifiek: een arabist. Schilderen kan ik niet.
.
Zo is het ook in het Duits en Engels:
– Ned.: oriëntalistiek — oriëntalisme — oriëntalist(isch)
– Duits: Orientalistik — Orientalismus — Orientalist
– Engels: oriental studies — orientalism — orientalist, orientalist painter
.
De begrippen oriëntalistiek en oriëntalisme zijn met behulp van bovenstaande definities wel uit elkaar te houden; alleen bij het woord oriëntalist is verwarring mogelijk.
.
In het Frans daarentegen lijkt de verwarring te zijn ingebakken. Daar heet oriëntalistiek études orientales,  maar ook wel orientalisme. De term orientologie is waarschijnlijk gecreëerd om duidelijkheid te scheppen, maar wordt niet veel gebruikt.
.
Verwarring ontstond pas goed toen in 1978 het beroemd-beruchte boek Orientalism van Edward Said verscheen. Deze auteur haalde de twee begrippen door elkaar. Dat deed hij opzettelijk, want hij wilde de nadruk leggen op wat beide bezigheden volgens hem gemeen hadden, namelijk een vertrokken beeld van ‘de Oriënt’ te creëren met de bedoeling deze te onderwerpen en overheersen. Daarbij had Said vooral de kwade bedoeling, de oriëntalistiek in diskrediet te brengen.
.
Volgende onderwerpjes (ik zal het hier klein houden):
Oriëntalistische schilderkunst
– Edward Said, Orientalism
– Hoe schuldig was de oriëntalistiek?
– Het oriëntalisme in de ‘Oriënt’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Orient

Doppelkopf

John Elliot Gardiner wordt overmorgen vierenzeventig. Terwijl ik nog ik bed lag en mijn knie-oefeningen deed vertelde de radio over hem. Hij blijkt niet alleen de wereldberoemde dirigent te zijn, maar is tevens eco-boer. En niet maar zo’n beetje, als iemand met een buitenhuisje en wat hobby-dieren. Nee, niet alleen ecologisch, maar ook economisch verantwoord runt hij een flinke boerderij met meer dan honderd koeien en nog wat schapen. Als je net in Londen een symfonie van Schumann gedirigeerd hebt, zo zei hij, is het heel ontspannend bij Kimberley, Clara en de andere lievelingskoeien te zijn.
.
Gardiner zou dus in aanmerking komen voor het radioprogramma Doppelkopf van de Hessische Rundfunk. Iedere middag, jaar in jaar uit, wordt daarin iemand geïnterviewd en in het zonnetje gezet die twee dingen goed kan. Een rechter die tevens muziek maakt, een schilder die tevens een sportheld is, dat soort mensen.
.
Dit programma heb ik in de loop der jaren dikwijls beluisterd. Soms gefascineerd, soms verveeld als het activiteiten betrof die ik niet waardeer, of als de muziekkeuze van de geïnterviewde ongenietbaar was, maar vaak ook gewoon jaloers. Potverdorie: terwijl ik zelf nauwelijks één ding goed kan heb je daar mensen die er twee beheersen. En iedere dag weer een ander! Er is blijkbaar een onuitputtelijk reservoir van energieke, capabele, multi-getalenteerde mensen.
.
Zelf ben ik de laatste tijd ook een beetje tweehoofdig. Nog altijd ben ik arabist; daarnaast leer ik zingen. Maar in geen van beide activiteiten ben ik op een niveau dat deelname aan zo’n radioprogramma zou rechtvaardigen, om van de wereldklasse van Gardiner nog maar te zwijgen. Dat steekt soms, dat maakt me jaloers. U hoeft het me niet uit te leggen: je moet nooit vergelijken, iedereen heeft zijn eigen waarde en jij bent toch ook goed? Maar toch, soms.
.
Een ander pijnlijk punt is de leeftijd. Vierenzeventig wordt Gardiner, en hij dirigeert en melkt nog dat het een aard heeft. Ik ben pas zeventig, —word éénenzeventig — en ben vaak moe en kan dingen duidelijk minder goed dan vroeger: Arabisch, koken, lopen, fietsen, klusjes in huis. Dat is blijkbaar normaal en hoort bij het ouder worden. Aan de pannenlappen die mijn tante Jo altijd haakte, en waarmee zij ook het Koninklijk Huis verblijdde, was duidelijk de neergang te volgen. Haar laatste pannenlap, die nog lang in mijn bezit was, droeg de dood al in het gezicht. En hebt U dat wel eens gezien in zo’n bejaardenhuis: de schilderstukjes, die de bewoners op hun zoveelentachtigste nog hebben gemaakt en trots in de conversatiezaal hebben laten ophangen? Niet om aan te zien. Maar zo’n Gardiner gaat maar door, geen vermoeidheid of afstomping te merken; integendeel. En er zijn er meer zoals hij. Terwijl normale mensen gewoon oud worden is er een minderheid van topfitte genieën.
.
Ben, of was, ik dan geen uitstekende arabist? Ja en nee. Gemeten aan de huidige desolate staat van de alfa-opleidingen ben ik natuurlijk knettergoed, juist omdat ik zo oud ben. Ik heb een opleiding gehad die jonge studenten zich niet eens meer kunnen voorstellen, en wat een algemene ontwikkeling! Maar binnen mijn eigen generatie was ik nooit bijzonder geniaal: in schoolcijfers uitgedrukt een zeveneneenhalf, soms een acht. Ik heb dan ook maar weinig wetenschappelijke publicaties. Wetenschappelijk onderzoek was voor mij altijd een keurslijf, wat ik pas na mijn pensionering onder ogen durfde te zien. In onderwijs, daarin was ik wel goed. Dat komt niet voor de radio, maar er lopen nog minstens honderd personen rond die wat aan mijn onderwijs hebben gehad. En dat was het dan. Een lievelingskoe heb ik niet.

 

3 reacties

Opgeslagen onder Pensioen, Persoonlijk

Verloren posten

Zoëven heb ik weer eens gedroomd dat ik ontslagen werd aan de VU. Het was nogal smartelijk en gedetailleerd ditmaal: de overname van de werkkamer door iemand anders, op straat lopen zonder te weten waarheen, enzovoort.
Allemaal onzin: ik ben in 1996, na jaren ontslagdreiging, niet ontslagen maar heb ontslag genomen, heb zevenendertig jaar onafgebroken als arabist gewerkt in Leiden, Amsterdam, Frankfort en Marburg, en geniet dientengevolge nu een behoorlijk pensioen. Een levensloop die menig academicus me zal benijden.
Wel heb ik twee maal de onttakeling van een studierichting meegemaakt, die in beide gevallen nogal lang duurde en waarbij ik als laatste het licht moest uitdoen. In Marburg werd niet het instituut opgeheven, maar verzandde wel het klassieke Arabisch.
.
Al dat opheffen geschiedde in groter verband: de alfa-vakken leveren geen rendement op, dus die konden veel kleiner. Eigenlijk viel het voor de ‘kleine letterenvakken’ in Nederland lange tijd nog mee, omdat er tien jaar lang bijzondere bescherming geboden werd. Maar daarna begon ook bij Arabisch de kaalslag. Voor zover ik kan overzien is in Nederland het vak alleen nog in Leiden op volle sterkte aanwezig. In andere steden niet meer, of sterk beknot. In Duitsland komt alles pas tien jaar later. Alles is er nog, maar op veel plaatsen wel erg uitgehold: halve banen, onderbetaalde assistentschappen enz.
.
Zowel aan de VU als in Frankfort werd de wetenschappelijke semitistiek/arabistiek opgeheven. Maar kort daarna werd in beide universiteiten islamitische ‘islamwetenschap’ ingevoerd. Hoewel het beter is imams hier op te leiden dan ze uit het buitenland te halen kan ik mij daarover niet verheugen, omdat het theologie is en vele dingen dus niet gezegd mogen worden. Om maar iets te noemen: de invloed van de Grieks-Romeinse cultuur op de oude Arabieren wordt geloochend; de biografie van de profeet wordt voor zoete koek geslikt en de aan hem toegeschreven uitspraken heeft hij werkelijk gedaan. Daar pas ik niet bij.
.
De opheffing van het instituut in Frankfort was overigens wél verheugend. In 2007 werden namelijk in de deelstaat Hessen de ‘kleinere letterenvakken’ samengevoegd en in de drie universiteiten geconcentreerd. In Marburg kwam (vrijwel) alles terecht wat met het Midden-Oosten te maken had, en dus ook ik. Dat was geen bezuinigingsmaatregel; integendeel, er werd een groot en vorstelijk gefinancierd instituut opgezet, met zeven professoren en als ik het wel heb veertig medewerkers. Het bloeide en gedijde en het was een mooie tijd. Alleen was er na mijn pensionering geen plaats meer voor iemand die die ouwe boel las en onderwees. Liever nog eens Arabische lente of salafisme enzo, en waarom zou iemand klassieke poëzie lezen, of de koran in het origineel? Wie zou daar in vier jaar studietijd nog aan toe komen, als er ook nog gewerkt moet worden om wat geld te verdienen? Ik heb dus ook in Marburg op een verloren post gewerkt, maar het geeft niet hoor, ik heb toch heel wat mensen wat mee kunnen geven.
.
Ooit was de arabistiek hulpwetenschap bij de bijbelwetenschappen. In de koloniale tijd bestudeerde men Arabisch en islam bovendien om islamitische koloniën beter te kunnen besturen. In de jaren zestig, zeventig van de twintigste eeuw brak het besef door dat in het nabijer gekomen buitenland Arabisch en Turks werd gesproken, en dat er intussen ook steeds meer Marokkanen en Turken in ons land woonden, wat de bestudering van de betreffende vakken vanzelfsprekend maakte. Men probeerde afscheid te nemen van de oude, koloniaal gekleurde oriëntalistiek en de studie van het vreemde op nieuwe manieren aan te pakken. Tot er een omslag kwam en het verlangen opkwam, juist liever niets over het Midden-Oosten te weten, en vooral niets over de islam. Het ‘islamdebat’, dat nu al ruim vijftien jaar woedt, blijkt immers veel makkelijker te verlopen als je er niets over weet. Bovendien bombardeert het prettiger als je niet precies weet waar je bommen terecht komen.
.
Mijn oude vak houdt mij nogal bezig de laatste tijd. Ik zal er af en toe eens een stukje over plaatsen. Dit was een begin.

3 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Dromen, Islam, Marburg, Nabije Oosten, Nederland, Orient, Persoonlijk

Des mulders lust

Dat was even een impasse in het zingen. Het was paasvakantie, dus twee weken geen les. Schumanns cyclus Dichterliebe hadden we door; de laatste twee liederen waren eigenlijk iets te moeilijk voor mij geweest. Nu ja, het gaat sowieso om een eerste kennismaking met de literatuur; van een behoorlijke uitvoering met andere mensen erbij kan nog lang geen sprake zijn.
.
Maar nu was Schuberts Schöne Müllerin aan de beurt, en het eerste lied daarvan, Das Wandern ist des Müllers Lust, is eigenlijk een stuk gemakkelijker. Ja, het is doodsimpel en ik ken het al zestig jaar in ettelijke uitvoeringen, dus wat lette me? Maar in de praktijk bleek het juist steeds moeilijker te worden: die eenvoud is bedrieglijk, mijn strot kneep zich steeds dichter bij dit lied en toen ik het vanmiddag op les zou voordragen klonk het erbarmelijk. Geen wonder, want vanmorgen in bed voelde mijn keel al rauw aan, het leek wel of ik verkouden was, maar dat was niet zo: achteraf gezien was het gewoon zelfsabotage.
.
Op zo’n moment is mijn leraar onbetaalbaar. Die gaat dan eerst aantonen dat mijn stem niet weg is maar geheel ter beschikking staat; hij trekt die strot weer vlot met kleine oefeningetjes: zing het hele lied nu eens op nej nej nej, spreek de woorden gewoon eens uit, doe die eerste twee a’s eens voor in de mond; als die achter in de keel schieten is de rest ook verloren. En spreek zonder de lijn los te laten, zodat het niet hakkerig wordt en je steeds weer opnieuw moet beginnen. Tenslotte nog een paar regels op wuiya, en dan op noten en op tekst. Na een poosje ging het wel, maar het klonk wat afstandelijk. Toen had de leraar een ander idee: kijk dat lied thuis nog maar eens door, dan doen we nu even het tweede lied: Ich hört’ ein Bächlein rauschen. Dat kende ik ook wel van horen—wie kent het niet? O Bächlein, sprich, wohin?—maar ik had het niet ingestudeerd. Het werd dus een improvisatie. En ziedaar: dat ging ineens prachtig! De stem was er weer helemaal, en de bij de tekst horende gevoelens waren er ook.
.
Dit komt overeen met de ervaring van heel mijn leven: als je iets probeert, ergens je best op doet, gaat het gegarandeerd niet, maar zo spelenderwijs komt er soms best iets aardigs uit. Dat was  bij de wetenschap net zo: zwaar getob met betrekkelijk geringe resultaten, terwijl zo’n stukje voor een blog, ach, dat gaat wel.
.
Toch ga ik dat tweede lied voor volgende week instuderen; maar vooral niet te vlijtig!

1 reactie

Opgeslagen onder Muziek, Persoonlijk

Papegaai

Hier ziet U de papegaai van de Ottomaanse sultan Abdul Hamid II (reg. 1876–1908). Die had U niet willen missen, dat weet ik zeker.

6 reacties

Opgeslagen onder Dieren, Nabije Oosten

Duits lekker: caribisch

Duitsers spreken vaak op een verzaligde toon over chocolade, maar dat doen zij ook over die Karibik, de Caribische eilanden, wanneer zij een paradijselijk oord, het vrije leven, een tweede huis of een weelderige vakantiebestemming bedoelen — voor de meesten blijft het een droom, maar heerlijk is het, daar is vrijwel iedereen het over eens. Ik zou op die eilanden niet dood gevonden willen worden, maar Duitsers die mijmeren over wat ze gaan doen als ze de Lotto winnen of succes hebben met een kraak of zwendel komen in hun gedachten heel vaak bij de Caribische eilanden uit.
.
Hoe is dit über-lekkervinden te verklaren? Ik heb op deze vraag geen antwoord, kan alleen wat tasten. Ligt het aan het feit dat Duitsland pas heel laat koloniën kreeg en genoegen moest nemen met allerlei eilanden met palmenstranden: Duits Nieuw-Guinea, de Marianen, de Karolinen en Samoa, die vervolgens postuum geïdealiseerd werden? Ik probeer maar wat. Nederlands-Indië was een land barstensvol palmenstranden, maar ik geloof niet dat ooit een Nederlander speciaal dáárnaar verlangd heeft. Omdat daar nog zoveel meer was. Op die Duitse eilanden waren vaak alléén maar palmbomen en kokosnoten.
.
De plaatjes van zo’n overhangende palmboom aan een hagelwit strand zien er net zo uit als die van Duits Nieuw-Guinea.

5 reacties

Opgeslagen onder Dromen, Duitsland, Onzin, Reizen

Wat te doen – vervolg

Vervolg op Wat te doen?

De zieken zullen wel weer beter worden, zodat er nog verder gezongen kan worden tot mijn stem het begeeft. En zelfs bij een totale instorting van WordPress of het Internet zijn er alternatieven te vinden voor mijn geschrijf, desnoods met een kroontjespen. Maar zo’n moment van stagnatie en twijfel geeft aanleiding tot even wat inhouden en bezinnen.
.
Zingen tot het niet meer gaat, dat is nogal eenvoudig, maar je niet laten verrassen als het ineens ophoudt.
.
Met het bloek doorgaan totdat dat niet meer kan, maar op een zacht pitje misschien. Ooit was ik ermee begonnen om mijn arme landgenoten wat tegeninformatie te bieden tegen het gezwatel over de islam van Wilders en de media, die inmiddels al vijftien jaar dezelfde onzin verkondigen, waar niemand ooit genoeg van lijkt te krijgen. In mijn onschuld meende ik toen nog dat kennis zou helpen en dat mensen graag iets meer zouden weten.
.
Eerder dan allerlei wetenswaardigheden over de oude Arabieren en moslims aan te bieden zou ik misschien moeten werken over wat Europa dwars zit: het onverwerkte verleden, in het geval van Nederland vooral Indië, de VOC en de WIC en de negentiende eeuw, en de omgang met het Buiteneuropese in het algemeen: oriëntalisme en oriëntalistiek. Rassenleer en migratiekunde zijn natuurlijk ook belangrijk, maar daar kan ik slecht over meepraten.
.
Er lijkt ook schot te komen in het opruimen van mijn boeken. Ik zou zo graag een lege woning hebben, maar zolang ik nog een beetje werk kan ik die vakliteratuur niet missen. Bovendien wil niemand die boeken hebben, voor geld niet en voor nop niet, en weggooien is ook zonde. Boeken weggooien kun je tegenwoordig beter aan bibliotheken overlaten. Maar nu was ik in contact gekomen met iemand van de Universiteitsbibliotheek in Mosul, Irak. Daar is de bibliotheek door de ‘Islamitische Staat’ volledig verwoest, en een aantal geëngageerde jonge onderzoekers spannen zich in om de restanten te redden en weer iets op te bouwen. Welnu, dát lijkt me nu de ideale bestemming voor mijn boeken. Er moet alleen nog een weg gevonden worden om het spul daarheen te krijgen, maar daar wordt aan gewerkt. Mocht het U interesseren kunt U eens hier kijken.
.
Het aardige is dat de persoon met wie ik in Mosul contact heb, vroeger werkte aan de afdeling Oriëntalistiek van de universiteit. In Irak en Saoedi-Arabië waren/zijn er leerstoelen die de oriëntalistiek bestuderen, die gesticht zijn uit haat tegen mijn soort mensen. Maar dat is langzamerhand wel verleden tijd geloof ik. We kunnen elkaar gezellig een beetje pesten, bantering.

1 reactie

Opgeslagen onder Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk, Universiteit

Egyptische sigaretten

Een degelijk huisgezin had vroeger sigaretten in huis om aan gasten te presenteren. Er waren twee soorten: Engelse en Amerikaanse. Een zeer kleine minderheid rookte ovale Egyptische sigaretten, of liever cigarettes. Honderd jaar geleden moeten die veel populairder zijn geweest. Ik kende nog een oude Duitse dame die tot haar dood de Duitse pakjes Kyriazi Frères kocht. (Nee, daaraan is zij niet gestorven.) Als beginnend oriëntalist had ik ook een korte sigarettenfase en meende ik oriëntaalse sigaretten te moeten roken, van Sullivan Powell in de Burlington Arcade. De Duitse firma NIL vervaardigt al heel lang sigaretten in Egyptische stijl. Die zijn nog steeds verkrijgbaar. Kyriazi was zeer Egyptisch, maar had een vestiging in Duitsland. Ook andere Duitse fabrieken maakten oriëntaalse sigaretten. Bekend is de Yenidze fabriek in Dresden, waarvan het moskeevormige gebouw nog bestaat en nu een andere functie heeft.
.
Het aardige van die Egyptische sigaretten was en is nog steeds de verpakking. De onvermijdelijke pyramiden, faraonische motieven, een portret van een Griekse, Italiaanse of Duitse fabrikant en soms ‘oriëntaalse’ motieven, bij voorbeeld een odaliske die op een sofa ligt te roken, veel gekleder overigens dan op de schilderijen van de vroege negentiende eeuw. Vanwege dat oriëntalisme verzamel ik wat plaatjes, want dat houdt me bezig. De blikjes werden blijkbaar in Europa vervaardigd; de Arabische letters daarop zien er niet altijd authentiek uit. De tabak kwam overigens uit Turkije (toen nog inclusief de Balkan). Egypte zelf had maar weinig tabak, die slecht was en waarvan het verbouwen later geheel verboden werd. De enige reden dat Ottomaanse onderdanen sigaretten in Egypte gingen vervaardigen was het vermijden van de Turkse belasting op sigaretten.
.
Wel te onderscheiden zijn, althans in de nieuwste tijd,  de sigaretten die voor de Egyptische markt bestemd waren (Kleopatra, Nefertiti, Belmont, Suez en blijkbaar ook de variant Damir van Coutarelli) en de veel chiquere die naar Europa, vooral naar Duitsland gingen.
Belmont was ‘in mijn tijd’ de goedkoopste sigaret in Egypte. Er werd gefluisterd dat daarin de reeds eenmaal doorgerookte tabak van ingezamelde peuken werd verwerkt.

 

P.S. Ook aan de Comeniuslaan in Naarden werd in 1915 een moskeevormige sigarettenfabriek gebouwd.

5 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Economie/Wirtschaft, Kunst, Orient, Ostwestliches