De dwaling van de paus, of: het primaat van de filologie

Dat de paus, zacht uitgedrukt, een dwaallicht is weet iedere rechtgeaarde protestant nu precies vijfhonderd jaar. De huidige paus kan echter ook onder protestanten op veel sympathie rekenen, omdat hij zo bescheiden is en zo goed voor de armen. Toch is het uitgerekend deze paus Franciscus die een rare draai heeft gemaakt: hij wil een tekst uit het Onze Vader herschrijven of althans herinterpreteren.
.
In het Onze Vader staat: ‘En breng ons niet in beproeving’ (vroeger: ‘in verzoeking’ of: ‘in bekoring’). Het staat in allebei de versies (Matteüs 6:9-13, Lucas 11:2-4). De vertaling van het oorspronkelijke Grieks1 is volstrekt onproblematisch: ‘en leid ons niet …, en breng ons niet …’.
.
Nee, zei de paus, dat kan niet zo zijn, een vader doet zoiets niet, dat doet de Satan! Hij stelde voor te vertalen: ‘Laat ons niet in verleiding vallen’. Met die bede is bedoeld: ‘Als Satan ons in verzoeking leidt, help Gij mij!’
.
Waarom willen theologen toch altijd aan teksten wrikken als die niet bevallen? Aanhangers van een religie die zich baseert op biblia, boeken, dienen zuiver om te gaan met teksten en daar niet mee te knoeien. Gaan we ‘vertalen’ wat er niet staat? Dan weet ik zó nog honderd verzen die herschreven kunnen worden.
.
Ik had een kleine discussie met een katholiek, die de paus rechtvaardigde met een beroep op de katholieke traditie. Hij wees mij op een artikel van Charles McNamara dat ik U graag doorgeef. Al eeuwen geleden was het bijbelvers onderwerp van gesprek geweest, en reeds Tertullianus (±155–240), Augustinus (354–430) en andere kerkvaders wilden het vers anders uitleggen: ‘Leid ons niet in verzoeking betekent: laat niet toe dat wij daarin geleid worden.’2
.
Maar dat die oude kerkvaders ook al aan het rommelen waren geeft een hedendaagse mens toch niet het recht hetzelfde te doen? Ik ben niet alleen protestants opgevoed, dus met sola scriptura, maar ook als filoloog opgeleid. De hoogleraar die mij de tekstkritiek bijbracht prentte mij in: ‘De tekst is heilig!’—en daarmee doelde hij niet op heilige schriften, maar op iedere tekst, oud of nieuw, die te reconstrueren, uit te geven of te bestuderen is. Altijd zoeken naar de eigen woorden en bedoelingen van de auteur, voor zover deze te achterhalen zijn; nooit knoeien met wat die heeft geschreven. U begrijpt, dit grote gebod van de filologie is momenteel bijzonder ongeliefd, vooral in de ‘sociale’ media. Toch blijf ik erbij.
.
Denkt U niet dat alleen katholieken zo kunnen knoeien; protestanten maken het nog veel bonter. In Duitsland verscheen een paar jaar geleden een feministisch en ook verder zeer politiek correcte gekleurde ‘vertaling’ van de bijbel: de Bibel in gerechter Sprache. Ik heb geen zin om het daar lang over te hebben, maar U kunt zich ongeveer voorstellen hoe zulk ‘vertalen’ gaat. God is dan vader en moeder tegelijk: ‘Jij God, bent ons vader en moeder in de hemel,’ en naast de herders liggen ook herderinnen bij nacht in het veld—gezellig toch.3
.
Mijn gesprekspartner putte veel zegen uit de laatste alinea van McNamara: As Christians consider these literary issues, they should bear in mind the example of their ancient exegetical predecessors, those patristic authors who defined the church and its prayers in its first centuries. If Augustine, Ambrose, and Jerome couldn’t quite settle on a definitive text or single perspicuous meaning of Christianity’s central prayer, we should allow ourselves a little room for debate, too.
.
Dat katholieke beroep op de traditie houdt de boel wel in stand en bij elkaar, dat moet ik toegeven. Een strenge visie als die van mij zou misschien tot de conclusie kunnen leiden dat de woorden van het Onze Vader ongelukkig zijn gekozen, of dat de bijbel een patriarchaal en dus verouderd boek is. Dat zou twijfel aan het goddelijke karakter van de Schrift teweeg kunnen brengen. Voor je het weet heb je dan geen kerk meer over, en ik vrees dat onze wereld daar nog lang niet buiten kan. U weet wel wat voor types het vacuum zouden gaan vullen. Zelf blijf ik een ongelovige filoloog, maar ik houd het stil, dat beloof ik.

NOTEN
1. καὶ μὴ εἰσενέγκῃς ἡμᾶς εἰς πειρασμόν, in het Latijn van de Vulgaat: et ne nos inducas in tentationem.
2. Tertullianus, De oratione 8; CSEL XX, 186ne nos inducas in temptationem, id est, ne nos patiaris induci.
3. Mt 6: ‘Du, Gott, bist uns Vater und Mutter im Himmel.’ Lk2: ‘In jener Gegend gab es auch Hirten und Hirtinnen, die draußen lebten und über ihre Herde in der Nacht wachten.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Godsdienst

Zwarte gaten

Nederland heeft geen kranten meer, en dan houden ze zich ook nog met de verkeerde onderwerpen bezig. Bij voorbeeld met wat mensen als Trump of Baudet gezegd of gedaan hebben, terwijl dat bij uitstek zinloos is. Het is niet toevallig dat dat stomme sukkels zijn die niets te melden hebben. Blijkbaar is het natuurlijke einde van de democratische evolutie dat leidersfiguren volkomen lege hulzen móeten zijn. Adolf Hitler had nog iets mee te delen, al was het rampzalig, maar bovengenoemde heren zal niemand op welk discours dan ook kunnen betrappen. En dat is blijkbaar precies de bedoeling. De wereld wordt steeds vaker geregeerd door zwarte gaten, daar kiest ze voor. De media en wat er over is van de pers doen nog even of dat niet zo is.
.
Intussen gaat buiten politiek en media om het leven gewoon door, zo lang het (nog) buiten de zuigkracht van die gaten blijft.

3 reacties

Opgeslagen onder Politiek

Arabisch lezen

Ruim vijf jaar geleden werd ik gepensioneerd als universitair docent arabische taal- en literatuur en islam, en sindsdien heb ik nauwelijks meer modern Arabisch gelezen. Ouder Arabisch wél, alleen al voor het Leeswerk Arabisch dat ik nog schrijf; ook wel eens een nieuwsbulletin of zo, maar moderne literatuur niet. Tot 2007 deed ik dat nog regelmatig, omdat ik er zowel in Amsterdam als in Frankfort onderwijs over moest geven, en ook recensies van uit het Arabisch vertaalde literatuur schreef voor NRC-Handelsblad. (Ongelooflijk eigenlijk, dat Nederlanders zoiets vroeger lazen, en dat er kwaliteitskranten bestonden die daar besprekingen van wilden.) In Marburg waren er aparte docenten voor moderne Arabische letterkunde en ben ik er geleidelijk mee opgehouden. Blijkbaar had ik er geen zin meer in, en omdat het niet meer moest was dat goed zo.
.
Wel bedacht ik onlangs: als je een taal niet gebruikt vergeet je hem, en dat zou wel een ingrijpende zaak zijn. Het Arabisch was immers mijn vak en heeft een groot deel van mijn leven gevuld. Als je later dood bent is die kennis ook weg, maar het is niet zinvol, daarop vooruit te lopen. Daarom dwong ik mij tot de lectuur van wat modern Arabisch, maar het wilde niet erg vlotten. Eerst een geruststelling: ik bleek het nog goed te kunnen lezen. Ik moest wel wat meer woorden opzoeken, maar dat zou ik bij Engels of Frans ook moeten. En dat doe ik natuurlijk nooit: ik laat de woorden vanuit de context opkomen, en als dat niet lukt is het jammer. Alleen als er kernwoorden ontbreken sla ik ze na. In de problemen kom ik alleen bij speciale jargons: landbouwwerktuigen, scheeps- of walvisterminologie, dat soort dingen. Dan zoek ik liever een vertaling, zoals bij voorbeeld van Moby Dick.
Maar, maar … die moderne Arabische romans en korte verhalen stonden ineens zover van me af; ik kreeg er geen contact mee. Ze waren niet te moeilijk, eerder integendeel; en ook niet te exotisch; de tijd dat Arabische auteurs anders schreven dan westerlingen is al heel lang voorbij. Nee, ik vond ze gewoon vervelend. Wat ik voor mijn privé genoegen lees uit Europa, de beide Amerika’s of Japan, al dan niet in vertaling, interesseert me veel meer, dus waarom zou ik mezelf modern Arabisch aandoen? Daarmee wil ik niet zeggen dat moderne Arabische auteurs slecht schrijven; er is echt wel wat goeds te vinden, steeds meer zelfs; ik heb er alleen geen zin meer in. Hoeft ook niet; gepensioneerd weet U wel.
.
De redding verscheen in de vorm van negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse geschriften, waarvan de literaire waarde maar al te vaak gering is, maar waar ik ineens wél zin in heb; vraag me niet waarom. Misschien omdat ik in mijn hart zelf een negentiende-eeuwer ben, een crypto-Ottomaan misschien, of een ouwe koloniaal? Ik houd van die tijd; ik vond het jaarabonnement van Nubar Pasha in het spoorwegmuseum te Cairo ook fijn om te zien.
Ik denk dus wat te gaan lezen uit die tijd, vooral uit Egypte. In Syrië, inclusief Libanon, gebeurde er misschien meer, maar dat ligt buiten mijn horizon en daar laat ik het maar.
.
Hier is al een klein leeslijstje:

  • Nakhla Salih, Fu’ād en Rifqa (1872), een prulletje, maar wél de oudste Egyptische roman; daar zal ik dezer dagen een stukje over schrijven.
  • ‘Alī Pasha Mubārak, ‘Alam al-dīn (1882), een zeer dik werk, dat hier en daar trekken van een roman vertoont, en ook zijn biografische lexicon, Al-Khitat al-tawfīqīya (1888–89), een nog veel dikker werk (20 dln.). Hierover hebben twee Duitse geleerden al behoorlijk wat geschreven, zodat ik in dit geval alleen consument hoef te zijn, en natuurlijk alleen van een paar hoofdstukken. Ik ben de trotse bezitter van een eerste druk van ‘Alam al-dīn, waarschijnlijk de enige in wijde omgeving.
  • Bij al-Manfalūṭī (1876–1924) wilde ik altijd nog eens kijken hoe hij Franse romans aan de lezerswensen van het Egyptische publiek aanpaste: daar kan ik eventueel wat over schrijven. Dat is wel werk, want ik zal dan stukken Arabisch én stukken Frans moeten vertalen, ter vergelijking. Die lezerswensen hadden vooral betrekking op de onmogelijkheid van liefdesaffaires. Als in een roman een jongen zijn aanbedene ontmoette moest dat in het Arabisch neef en nicht worden, enzovoort.
  • Helemaal voor mijn eigen plezier kan ik lezen al-Māzinī, Ibrāhīm al-kātib. Dat heb ik vroeger al eens gelezen, maar dat kan best nog een keer. Niet een gaaf literair werk; veel losse eindjes, maar die auteur is mij zeer sympathiek. Modern, voor 1924.

En onlangs had ik op één dag twee interessante ontmoetingen hier ter stede. Een jonge geleerde die onderzoek doet over (Ahmad) Fāris al-Shidyāq, ofwel Farès Chidiac, Sāq ‘alā sāq, en in het gesprek met hem zag ik het ineens: Ja! Dát zou interessant kunnen zijn om te lezen. In ieder geval voor de ontstaanstijd (1855) is dat een werk van echt grote kwaliteit. De auteur is geboren als christelijke Libanees, werd protestant in het Egypte, waar hij twintig jaar gewoond heeft, vertrok naar Oxford, waar hij de Bijbel in het Arabisch vertaalde, en woonde later nog in Parijs, Tunis en Constantinopel. Laat in zijn leven werd hij moslim. Zijn boek is iets tussen een Bildungsroman en een reisverhaal in, moeilijk van taal, maar lichtvoetig van geest. Het werk bevat ook vele woordenlijsten: de auteur was immers bezig het Arabisch te herontdekken, dat in het Ottomaanse Rijk zo lang was verwaarloosd. Maar die lijsten kun je overslaan. Er is net een tweetalige uitgave Arabisch–Engels van verschenen. Die zou het tevens mogelijk maken wat meer leessnelheid in die oudere taal op te bouwen. Onderwerpen: o.a. de sociale misstanden in Engeland. Als dát niet actueel is.
.
Diezelfde dag heb ik geluncht met een vriendin/collega die ik al jaren ken. Ik vertelde haar dat ik wel zin had om een kort verhaal van Mahmūd Taymūr te vertalen, maar dat ik dat in het Duits niet kon. Zij stelde het voor de hand liggende voor: dat we het samen zouden doen! Daar was ik nog niet op gekomen. Ik zal het eerst in het Nederlands vertalen—aangenomen dat ik het origineel nog kan vinden, dat ergens in mijn chaotische stapels moet liggen. Baas Shehata vraagt om zijn loon is een immoreel verhaaltje uit 1926. Bij een dame wordt voor de zoveelste maal aan de deur geklopt door een koetsier, met wie mevrouw vier, vijf ritten heeft gemaakt, die echter nog niet betaald zijn. Hij laat zich ditmaal niet afschepen door het dienstmeisje, stapt het huis binnen en vraagt mevrouw om zijn geld. Mevrouw is in negligé, noodt hem in haar slaapkamer en betaalt hem in natura. Haar zoontje kijkt door een kier en is er onbedoeld getuige van. Ongelooflijk, dat zoiets toen in Egypte gepubliceerd kon worden. Literair geen hoogvlieger, maar wel grappig.
.
Ja ja, dat is een hoop enthousiasme ineens, maar als zovele bejaarden heb ik de neiging mezelf te verzetteln. Eens zien wat er van komt.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Kairo, Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk

Tweed

Het is koud, en omdat ik vorige winter mijn vaalblauwe fleece bijstandstrekkerssweater uit walging had weggegooid zocht ik iets anders om mij behaaglijk in te voelen. En ziedaar, daar was ineens mijn eeuwenoude tweedjasje! Volledig doeltreffend; hoe heb ik al die tijd zonder kunnen leven? Het biedt niet alleen warmte; voor iemand als ik, die zich in huizen nooit zo thuis voelt, is het ook een tehuis. Laat nu de winter maar komen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Vakantie-eiland

Daar was dat irriterende woord weer in de nieuwsberichten: Ferieninsel (vakantie-eiland). Bedoeld is Bali, waar juist de Gunung Agung op uitbarsten staat.

Bali heeft vier en een half miljoen inwoners, die daar leven en werken en nu door die vulkaan worden bedreigd. Dat er ook bezoekers van buiten komen is van secundair belang. Hoe zou U het vinden als er gesproken werd van de vakantiestad Amsterdam?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Taal

Auto’s in Cairo

Na de lezing in het Instituut werd er als altijd nog iets te drinken aangeboden. Daar kwam je dan in gesprek, en zo leerde ik de heer A. kennen. Wat hij deed weet ik niet meer; het moet in 1972 geweest zijn. Wel herinner ik me dat ik na afloop mijnheer A. buiten weer tegenkwam. Hij wilde juist in zijn auto stappen en vroeg:
– U woont toch in Dokki; kan ik U een eind meenemen?
– Nee dank U, antwoordde ik, ik vind het wel prettig ’s avonds een half uur te lopen.
En zo was het ook: Cairo was ’s avonds lekker rustig en wat lichaamsbeweging in de knapperige avondlucht zou me goed doen, want ik had een beetje hoofdpijn. Maar de heer A. was in zijn wiek geschoten:
– Mijn  auto is U zeker te oud?
Er klonk in zijn woorden geen vrolijkheid door, maar een lichte verbittering. Op dat moment wist ik niet hoe daarop moest reageren. Ontkennen hielp niet. Natuurlijk had ik geen verachting voor oude auto’s; integendeel. Juist nieuwe auto’s waren onder het socialisme nogal verdacht. A.’s auto van een mij onbekend merk dateerde duidelijk uit de vroege jaren vijftig.

– A. zal zich, ook zonder mij, hebben geschaamd voor die oude wagen, omdat zijn familie na de revolutie geen geld meer had voor een nieuwe.
– A. zal hebben gemeend, dat ik in een nieuwe Mercedes wél graag een lift had aanvaard.
– Het moet voor A. onbegrijpelijk en ongeloofwaardig zijn geweest dat ik wilde lopen. Als Europeaan was ik een persoon van hoge rang, en zulke mensen gaan in Cairo niet te voet.
– A. zal de koloniale arrogantie hebben menen te voelen van de Europeaan die ik was—die natuurlijk een tegenhanger had in zijn eveneens koloniale zelfverachting.
– A. wist of begreep blijkbaar niet, dat Europeanen oude auto’s vaak wel interessant vinden. Maar had hij dat wel geweten was het ook niet goed geweest. Als ik bij voorbeeld zijn old-timer had bewonderd alvorens naar huis te lopen, had hij me niet geloofd. En als hij me wel had geloofd was ik uit de hoogte geweest, door zijn kostbare bezit tot een curiositeit te degraderen.

Het was ook nooit goed; geen wonder dat ik soms hoofdpijn kreeg in Cairo.

===

Een auto waarin ik, vele jaren later, wél ben meegereden was een Rolls Royce Silver Cloud, eveneens uit de jaren vijftig. De nogal gebutste wagen behoorde toe aan de familie Butrus Ghali; ik kwam daarin terecht omdat ik samen met een kennis ergens mee naar toe genomen zou worden. Van de rit in deze Rolls herinner ik mij dat het comfort niet groter was dan dat van een moderne middenklasser. Wat moeten goedkope auto’s vroeger dan oncomfortabel zijn geweest.

===

Een lift die ik ook heb aanvaard was die van een verkoopster in een computerzaak. In Cairo kon je Arabische software kopen die in Europa niet te krijgen was, dus ik bezocht regelmatig zo’n zaak. Het moet in de jaren negentig zijn geweest. Wat ik wilde hebben was momenteel niet in huis, zei de verkoopster, maar het was voorradig in het filiaal in Mohandisin. Zij stond op het punt daarheen te vertrekken; wilde ik soms meerijden? Graag, en zo propte ik me in een Fiat 650 naast deze jonge vrouw, die wel erg veel doeken om zich heen had. Waarom heb ik deze banale gebeurtenis onthouden? Omdat ik nu in een afgesloten ruimte alleen was met een kennelijk gelovige muslima. De islamitische regels verbieden dat, en naar het Egyptische volksgevoel staat het vrijwel gelijk aan geslachtsverkeer; daar bestaan heel wat gore moppen over. Maar deze lift was net zo normaal als hij in Nederland was geweest. Honi soit qui mal y pense.
(Werkten er toen in Nederland al vrouwen in computerzaken? Ik geloof het niet.)

===

Soms word ik ’s morgens wakker met dit soort herinneringen. Die schrijf ik dan meteen maar op.
Mijn geheugen verandert nogal. Onlangs kocht ik een reuzepak WC-papier zonder mij te herinneren dat ik dat al eerder gedaan had. Maar anderzijds komen er tegenwoordig zulke scherpe mini-herinneringen boven, en dat is wel aardig.

2 reacties

Opgeslagen onder Auto, Cairo

Lectuur voor de winter

De lucht is grauw en vochtig, de boombladeren zijn opgezogen; het wordt tijd me te installeren bij een knapperende radiator met een pot thee en goede boeken. Ik heb een stapeltje in huis gehaald, dat genoeg moet zijn tot kerst.
.
Judith Zeh, Unterleuten. Nederlandse vertaling: Ons soort mensen
Hiervan heb ik al een derde gelezen. Unterleuten is een treurig boerengat in de ex-DDR (maar U mag geloof ik stiekem aan Untermenschen denken), waar de agrarische Produktionsgenossenschaft weer in handen is gekomen van de vroegere grootgrondbezitter en waar op zoek naar rust, natuur en goedkope huizen ook enkele Wessi’s zijn neergestreken. De contacten van de nieuwkomers met de oude ingezetenen lopen maar stroef en nu er een bedrijf grote windmolens wil gaan neerzetten spitst de situatie zich toe … gauw verder lezen, het boek is vrijwel unputdownable. Zeh fileert genadeloos de gedragingen en overtuigingen van alle medespelers in deze bittere tragedie—ik neem tenminste aan dat het daarop uit zal draaien.
.
Holger Gzella, De eerste wereldtaal. De geschiedenis van het Aramees
Het is duidelijk dat dit boek veel mensen niet zal interessen. Mij wel, want het Aramees heeft naast het Arabisch gelegen. En ooit heb ik Bijbels Aramees en wat Syrisch-Aramees geleerd.
Het Aramees mag best eens onder de algemene aandacht worden gebracht: Het was meer dan duizend jaar lang een wereldtaal, van Egypte tot diep in Azië. Het kende belangrijke sprekers, zoals Jezus bij voorbeeld, en er zijn belangrijke boeken in geschreven, zoals het bijbelboek Daniël; misschien oorspronkelijk ook delen van het Nieuwe Testament? dat weet ik niet; joodse bijbelcommentaren, de Talmoed en bovendien een enorm uitgebreide christelijke literatuur in het Syrisch-Aramees, die vrijwel niemand meer leest, maar die toch van groot belang is voor de geschiedschrijving van bijv. de vroege Islam, van de wetenschap en van de kerk. En gewoon om lekker te lezen bij de radiator, bij voorbeeld de reisverslagen van Nestoriaanse monniken in Centraal-Azië.
Ik heb Gzella’s boek nog niet gelezen, maar er even aan geroken. Het is opmerkelijk toegankelijk geschreven en bovendien in het Nederlands, dat is heel wat waard. Het zou dus best een algemeen publiek kunnen vinden; ook voor mensen buiten het vak is het onderwerp interessant genoeg. De competentie van de auteur, de Leidse hoogleraar voor Hebreeuws en Aramees, wordt algemeen erkend. Dit boek bewijst tevens dat er Duitse geleerden bestaan die leesbaar kunnen schrijven.
.
Daniel Kehlmann, Tyll (nog niet vertaald)
Nog niet aan begonnen, maar heb er wel fiducie in, want Kehlmann had al eerder een goed boek: Die Vermessung der Welt. Dit boek speelt tijdens de Dertigjarige Oorlog. Tyll is geïnspireerd op Tijl Uilenspiegel, die blijkbaar de hele boel aan elkaar moet praten.
.
David Rijser, Een telkens nieuwe Oudheid. Of: Hoe Tiberius in New Jersey belandde.
Hierop kan ik me ook verkneukelen, want vroeger heb ik met veel plezier Rijsers stukken in NRC-Handelsblad gelezen. (Geloof het of niet: vroeger had Nederland kwaliteitskranten.) Het gaat om de receptie van de Oudheid in latere tijden, ook in onze tijd. Das Fortleben der Antike, zoals dat hier in Duitsland heet. Het interesseert me ook omdat ik zelf misschien eens wat wil schrijven over de rol van de Arabieren/Perzen bij dat Fortleben. Die rol is wel bekend, maar wordt nog te vaak verwaarloosd of zelfs doodgezwegen. Maakt ook Rijser zich daaraan ‘schuldig’? In het hoofdstuk over de Liebestod en de Hoofse Liefde valt dadelijk op, dat daar geen woord wordt vuilgemaakt aan de Arabieren, hoewel die deze zaken volgens mij hebben uitgevonden.
.
Elena Ferrante, De nieuwe achternaam
Het tweede deel van een vierdelige cyclus, de zog. ‘Napolitaanse romans’. Vergeleken met de bovengenoemde werken misschien een lichtgewicht, maar omdat ik het eerste deel van de cyclus al gelezen heb wil ik toch doorgaan. Hoekige en slijmerige karakters die je bijblijven, en een goede schildering van de samenleving in een Napolitaanse buitenwijk.

3 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Literatur, Nabije Oosten, Taal

Niet naar Kirchhain

Wat ik bij steeds meer bejaarden gadesla en, o schrik! ook bij mij zelf, is de neiging te veel dingen op zich te nemen, die dan half af blijven en een katterig gevoel geven. Gepensioneerden hebben onbeperkt de tijd, dus ze denken dat ze dit-of-dat ook nog wel kunnen doen, dat het hoog tijd wordt om hun Latijn eens op te halen en hadden ze niet altijd al willen gaan zeezeilen?
.
Maar hun energie is niet onbeperkt, die is duidelijk minder dan vroeger, en de geheugenfunctie en het leervermogen zijn ook afgenomen.
.
Voor je het weet heb je dan ouwetjes die overwerkt raken, en toenemend wanhopig zijn omdat ze het niet allemaal meer bijsloffen. Het zijn cliché’s onder bejaarden: de Ruhestand is eerder een Unruhestand en: “Ik heb het nu drukker dan voor mijn pensioen.” En dat terwijl de geraniums staan te verpieteren in hun vensterbank.
.
Verstandig lijkt het daarom, zich te beperken tot een of twee  bezigheden, en af een toe een kleinigheidje erbij bij wijze van toefje slagroom. Als je je op weinige dingen concentreert kun je daar best nog wat in bereiken; was er laatst niet een Indiër die op zijn 86e nog een marathon gelopen had? Zijn er geen pianisten die tot hun honderdste doorgaan? (Nou ja, niet zo heel veel, maar ze zijn er.)
.
Sich verzetteln heet het in het Duits: je tijd onhandig indelen en aan te veel dingen door elkaar besteden. Dat heb ik altijd nogal gedaan, en dat gaat juist nu pas veranderen. Niet in vier koren tegelijk zingen, niet ook nog ingewikkeld Indisch willen koken, niet meer de woning zelf schoonmaken. Want laten we eerlijk zijn: juist vróeger had ik het gevoel dat tijd en energie onbeperkt aanwezig waren, terwijl die nu toch echt begrensd geworden zijn, met een onbekend, open einde.
.
Het is me nu duidelijk wat ik moet doen: zingen, een beetje stukjes schrijven in mijn Arabisch-bloek (maar volstrekt geen wetenschap) en een enkel bijlesje geven aan vluchtelingen ofzo. Bij alle drie zit een voldoende grote component aan ‘maatschappelijke dienstverlening’, zodat ik me niet helemaal een uitvreter hoef te voelen. Elke dag ook iets van beweging die gezond is voor het lichaam, maar dat telt niet echt als bezigheid.
.
Dat houdt in dat ik vandaag ook niet mijn activiteiten stressig ga comprimeren en niet af krijgen om morgen vrij te houden voor een expeditie naar Kirchhain. Morgen wordt de laatste min of meer warme dag verwacht; mij zweefde voor ogen om vóór de winter nog één keer keer een wat langere fietstocht te maken. Ja ik fiets weer na de knie-operatie, in de stad, maar daarbuiten ben ik nog niet verder gekomen dan Göttingen (Hess). Ik bouw het langzaam op. Kirchhain is helemaal niks; het was vroeger het punt van waaraf fietstochten pas interessant begonnen te worden. Maar een rondje K. is toch minstens 35 km en dat zou onder de huidige omstandigheden nog een zware klus zijn. Nee, ik doe het niet, dan raak ik vandaag niet overspannen en kan ik morgen kalmpjes wat oefeningen gaan doen in de fitness-studio. Fietsen weer in het voorjaar.

1 reactie

Opgeslagen onder De mens, Fietsen, Persoonlijk

Schuld

Op Hervormingsdag is het gepast even stil te staan bij de schuld van de mens.

Schuld 1
Er is veel gehakketak over het klimaat. Sommigen zeggen dat het klimaat helemaal niet verandert en gaan daarmee door tot het zeewater in hun golfschoenen sopt. Anderen zien wel dat het klimaat verandert, maar wijzen erop dat het altijd al aan schommelingen onderhevig is geweest en dat wij er niets aan kunnen doen. Nog anderen roepen juist dat het allemaal de schuld van de mens is, en wanneer we niet als de wiedeweerga dit-of-dat gaan doen het klimaat niet meer in de hand is te houden.

Het klimaat verandert, dat is nu de meesten wel duidelijk, maar onzeker blijft, hoe groot het aandeel van de mens daarin is. En het idee dat de mens het klimaat in de hand kan houden is grotesk. Dat maakt het betrekkelijk gemakkelijk, gewoon maar door te gaan met diesel rijden, kolenstook en dergelijke.

Echter, aan de vervuiling van de bodem en van de zee, inclusief de uitroeiing van de daarop en daarin levende dieren en micro-organismen, is de mens, die zich in zijn hovaardij homo sapiens noemt, voor de volle honderd procent schuldig. Daaraan wordt veel minder aandacht besteed, hoewel de gevolgen voor de voedselvoorziening even verwoestend kunnen zijn.

Maar er is aflaat noch vergeving voor deze schuld. Het lijkt eerder een gevalletje te worden van ‘Het kwaad straft zichzelf’.

 

Schuld 2
Nu is niet alleen president Francis Underwood aangeschoten, maar ook de acteur Kevin Spacey. Netflix zegt te willen stoppen met de serie House of Cards, omdat de president uit die serie in zijn echte leven eenendertig jaar geleden een veertienjarige jongen seksueel heeft lastig gevallen. Tja. Het is nogal een loos gebaar, want de zesde serie komt nog wél, naar ik begrijp, en daarna zou het hele spul waarschijnlijk een natuurlijke dood gestorven zijn. Presidenten zijn zo heel anders tegenwoordig.

Zo’n morele veroordeling door een filmfabriek lijkt misschien sympathiek, maar zo komen we naar ik vrees niet verder. Duizenden, honderdduizenden, miljoenen mensen hebben in hun biografie wel ergens een smerige vlek zitten. En met de moderne middelen is vrijwel ieders biografie op tafel te krijgen. Als je met terugwerkende kracht alle verrichtingen van die mensen voor besmet gaat verklaren, dan blijft er niet veel van de wereld over. Dan zouden, om met een kleinigheid te beginnen, ook de films van Woody Allen en Roman Polanski uit de circulatie moeten worden gehaald; wie zou dat willen?

Bij veel schuld bestaat er ook de mogelijkheid tot vergeving, boetedoening, straf, verjaring. Anderzijds bestaat er schuld die zo groot is dat er van de kant van de mens alleen maar veroordeling mogelijk is, bij voorbeeld in het geval Adolf Hitler. Dan zou er dus steeds moeten worden afgewogen of iemands schuld nog voor vergeving, boetedoening enz. in aanmerking komt of niet meer, en tot hoe ver in het verleden. Maar wie gaan dat doen? De reeds zwaar overwerkte rechtbanken? De publieke opinie, die zelf zonder zonde is en altijd klaar staat met de eerste steen? Brrrr. In ieder geval moet worden meegewogen hoe zwaar het slachtoffer heeft geleden, of het kan vergeven of niet, en of de aanklacht misschien vooral uit kwaaiigheid voortkwam.

De mensheid staat dus nog heel veel be- en veroordelend werk te wachten. Grote kans dat de uiteindelijk goedgekeurde daden en werken alleen maar braaf en middelmatig zijn. Maar nog groter is de kans dat de soep niet zo heet gegeten zal worden.

 

Schuld 3
Onze voorouders hebben zich in de West schuldig gemaakt aan mensen verachtende plantageslavernij en handel in slaven. In de Oost hetzelfde op nog grotere schaal; daarenboven nog aan drugshandel (opiummonopolie).

Als daarop gewezen wordt is de reactie vaak woedend: in Indië werd iets groots verricht, de VOC was iets om trots op te zijn en waarom het eigen nest bevuilen? Misstanden reduceren tot incidenten, gauw in de doofpot, mantel der liefde eroverheen, klaar!

Een andere reactie is zich achteraf vreselijk schuldig te voelen. Wat waren wij slecht! De nazaten van de slaven, althans die uit de West, spelen daar graag op in; ja, wat waren jullie slecht!

Ook in het eerste geval is er veel schuldgevoel, maar dat wordt onderdrukt. De afschaffing van ex-koloniale instituten en bibliotheken heeft daar kennelijk ook mee te maken: er moet zo min mogelijk over Indië geweten worden.

Beide varianten van dit schuldgevoel zijn ongezond en niet nodig. Onze voorouders waren slecht, geen reden om dat te ontkennen, maar schuld is niet erfelijk. Aan wat zij hebben gedaan zij wij niet schuldig. We moeten het wel heel goed en in detail weten, zodat wij, nu, niet nog eens hetzelfde doen, en ons ook niet beter of specialer voelen dan ander boeventuig. Zijn we meteen van dat malle nationalisme af. Graag méér studie dus, meer bibliotheken over ‘ons’ Indië en de West, en het koloniale verleden opnemen in het schoolonderwijs.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Klimaat, Vroeger

Hervormd

Nee, Luther heeft NIET op 31 oktober 1517 zijn stellingen aan de kerkdeur van Wittenberg vastgespijkerd. Er waren wel stellingen, maar die werden, ten dele al eerder, in brieven aan bisschoppen, vorsten en de paus meegestuurd en bediscussieerd. Dat hebben historici uitgezocht. Waarom ook vastspijkeren? Ze waren in het Latijn gesteld, en dat konden die paar voorbijgangers in het stadje Wittenberg niet lezen. Dat weten en begrijpen de meeste predikanten, en daar hebben ze geen moeite mee, want het is geen geloofspunt. Maar ze doen net of het toch zo was, want er is wat te vieren vandaag: vijfhonderd jaar Hervorming, en dat moet ergens aan vastgemaakt worden. Aan die deur dan maar. Predikanten hebben daar ervaring mee: zij doen wel vaker alsof ze geloven dat iets gebeurd is, waarvan zij weten dat het niet zo is.
.
Duitsland viert het groots: een vrije dag, zodat er gisteren overal een welhaast kerstachtige drukte heerste en er haast geen brood meer te krijgen was. Wat de 28,5% Katholieken ervan denken weet ik niet; voor zover zij geen werkgever zijn denk ik dat zij de vrije dag dankbaar hebben aanvaard.
.
Zondag was er hier in Marburg een grote gedenkdienst in de Elisabetkirche, die ook op de televisie werd uitgezonden. Vandaag een nog grotere in Berlijn.
.
Eerlijk gezegd heb ik een beetje genoeg van Luther. Ik zie wel zijn grote belang voor het christendom, voor Duitsland en de hele wereldgeschiedenis, maar wij hebben hier het Lutherjaar, worden al maanden doodgegooid met Luther in de media en in tentoonstellingen, en horen honderden malen ‘Een vaste burcht…’. Een beetje overkill.

2 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Godsdienst, Marburg