Categorie archief: Kunst

Alp Arslan in Gießen

Nee, niet de beroemde sultan die U kent van de slag bij Manzikert, waar hij in 1071 de Romeinse keizer Romanós IV gevangennam en bij wijze van bestraffing vervolgens vrij liet. Diens achterkleinzoon is het. In Gießen heb ik de naar hem genoemde opera bijgewoond.
.
Gießen is een stadje dat niet veel groter is dan Marburg, maar wel rijker. Het bezit een eigen theater, klein maar fijn, en een goed operagezelschap. Stel U voor, een eigen opera in een stad als Oss of Alphen aan de Rijn. Ongelofelijk, maar hier bestaat dat. En dit Stadttheater Gießen heeft een opdracht gegeven om een opera te schrijven. Het resultaat is Alp Arslan, met muziek van Richard van Schoor en tekst en regie Willem Bruls. De eerste is een Zuid-Afrikaan, de tweede een Nederlander.
.
In deze opera draait veel om de residentie van de jonge sultan: Aleppo, waarbij natuurlijk telkens gerefereerd wordt aan de recente vernietiging van die prachtige stad. Als Alps vader op sterven ligt weigert de zoon aan het sterfbed te verschijnen. Hij is zestien en te onervaren om Aleppo en omstreken te regeren, in een tijd waarin christelijke Kruisvaarders, Koerden, Ismaïlieten en Druzen de stad bedreigen. Van zijn moeder heeft hij geen steun te verwachten; die heeft nooit van hem gehouden. De enige die hem kan helpen is Lu’lu’, de eunuch die hem heeft opgevoed. Hij haat hem, maar is toch op hem aangewezen. Pest hem met zijn castraat zijn, veracht hem en verkracht hem. Hij wordt steeds gekker, tot de eunuch hem op een dag vermoordt en zijn jongere broer tot sultan benoemt.
De heimelijke hoofdrol is voor de eunuch, de countertenor Denis Lakey. De opera begint met een monoloog van hem, terwijl hij ingegraven ligt in het zand van de Soedan, en eindigt met een nog indrukwekkender solo-optreden.
Ja, deze muziek is modern, maar van een soort die goed en vanzelfsprekend aan te horen is. Als extra waren er ook stukken Arabische muziek doorheen geroerd, met een Arabisch orkest en een oproep tot het gebed van een echte moëddzin, die boven in een loge stond. Misschien dat zoiets voor het operapubliek hier moeilijk te verteren is, maar voor mij was het heel vertrouwd.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Duitsland, Kunst, Muziek, Nabije Oosten, Niks

Postzegels

Steeds vaker kijk ik met welbehagen naar de haarscherpe foto’s van postzegels die mij ongevraagd worden toegezonden. Ik zocht eens een afbeelding van een bepaalde postzegel, en sindsdien denkt Pinterest dat ik een filatelist ben. Misschien word ik dat ook wel weer, maar ik hoef de zegels niet te bezitten. Kijken is genoeg.
Tot mijn zeventiende ongeveer spaarde ik fanatiek postzegels. Dat ik ze nu weer leuk vind, na jarenlang niet, zal wel te maken hebben met een teruggrijpen op de jeugd.
De postzegelarij bracht enige eigenschappen van mij aan het licht. Om te beginnen was ik door en door koloniaal. Natuurlijk had ik wel postzegels van Nederland, maar de echte thrill kwam toch van de zegels uit Indië. En nog spannender waren die uit de Britse koloniën. Engeland had zoveel gebieden en eilanden, en ze namen de moeite om voor ieder eilandje aparte postzegels te maken. Het idee, een postzegel van de Falkland Islands die afgestempeld was, die ooit op een echte brief gezeten had: een uiterste zeldzaamheid. Ik zag het ook meteen voor me; hoe zo’n eenzame schaapherder daar een brief schreef aan zijn tante Georgina in Schotland, of een missionaris in Nyassaland onder een petroleumlamp, vloekend omdat de zegels in dat klimaat zo op elkaar kleven.
Door en door slecht was ik ook. Van drie mensen heb ik postzegels gestolen uit de albums die ze mij in vertrouwen lieten doorbladeren. Een hoogte- en tevens dieptepunt was een vervalsing die ik maakte en voor ƒ 10,- verkocht. In 1963 was dat geld, voor een jongen. Een hele postzegel vervalsen kon ik natuurlijk niet, maar wel kon ik met een fijne stift de opdruk JAVA aanbrengen op een goedkope zegel. En wat een triomf toen de koper erin trapte!
Ik was jong en mijn geweten was nog niet gerijpt. Mijn zedelijkheid bestond toen in de opvatting dat alles was toegestaan zolang je niet werd betrapt. Nu is dat anders hoor: U kunt met een gerust hart uw albums aan mij toevertrouwen. Het geweten kwam toen ik omstreeks twintig was; het koloniale ging eraf na mijn eerste bezoek aan Egypte.
Mooie postzegels zijn perfecte grafische werkjes, soms zelfs kunstwerkjes. Maar ik hoef geen kleurige afbeeldingen van paddenstoelen, voetbalteams  of schilderijen op de zegels. Nee, sober moeten ze zijn. De regerend vorst en hoogstens een enkel detail dat de kolonie in kwestie illustreert, of iets van het koningshuis.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dromen, Kunst, Persoonlijk

Buiten de paden

Gisteren had ik iets te doen in Fulda, dus heb ik het buurtwandelen naar daar verplaatst. Dat viel niet zo mee: veel van de stad is in WO II verwoest en ook veel daarna. Wel zijn er nog mooie brokstukken over: kerken, een kasteel, enkele goede huizen uit de oude tijd. De barokke kathedraal is groot en weelderig, iets té misschien. Hier ligt Bonifatius, de martelaar van Dokkum, in een riante crypte. Geen muffe lucht of optrekkend vocht daar beneden, maar veel marmer en luxe. Als U met geen stok een kerk in te krijgen bent kunt U binnenkort op het voorplein de musical over hem zien. Indrukwekkend is ook de kleine St. Michelskerk uit de negende(!) eeuw.
Voor de avond had ik een vrijkaartje voor Bachs Johannespassion in Frankfurt. Sir Simon Rattle en het Choir and Orchestra of the Age of Enlightenment en solisten. Dus van Fulda met de trein naar Frankfurt, door de streek die vroeger een fietsgebied van me was, en veel later met de 23.24 terug naar Marburg. Dat is wel een bezwaar van het leven in de provincie: die late thuisreizen. Maar het loonde de moeite.
Die Johannespassion werd een bijzondere ervaring, want het betrof een halbszenische Darstellung, onder regie van Peter Sellars. Muzikaal gezien was het fantastisch. Sir Simon haalde dingen uit dat bekende stuk naar boven die me nog nooit waren opgevallen. Zijn dirigeren was soms merkwaardig: hij liep wat heen en weer over het podium, zette wat solisten neer, dirigeerde hier een daar een groepje mensen en stond ook wel eens achter het koor te dirigeren, zodat hij niet te zien was. Soms zong hij lekker mee. Nieuw voor mij was het toneelspel dat daar werd opgevoerd. Natuurlijk niet met een echt kruis: het waren meer aanzetten tot spel, tot leven gekomen tableaux vivants. En zie aan: dat gaf een geweldige meerwaarde. Van begin af aan was je als publiek zeer betrokken bij de handeling. Misschien dat het koor het meest profiteerde. Partituren met noten of ẓwarte pakken waren natuurlijk nergens te bekennen, de verschillende stemgroepen waren door elkaar gehusseld, de zangers lagen soms op de grond, sprongen dan weer op, stormden dreigend naar voren, weeklaagden enzovoort. Niet alleen met hun stem, ook met hun gezicht en hun hele lijf drukten zij uit wat zij zongen, nog wat meer zelfs dan in het doorsnee operakoor. Malchus’ oor werd bedrieglijk echt afgehouwen. Een haatdragende volksmassa zag er vervaarlijk uit, de valse joden sisten hun Wir haben ein GeSETZ, ein Gesetz, -setzz, -SETZZ, en bij het loten om Jezus’ kleding aan de voet van het kruis werd het zelfs een beetje jolig; die soldaten amuseerden zich prima.
Mij overtuigde het en ik zal dit niet licht vergeten. Straks eens kijken hoe het in de bourgeoise pers gerecenseerd wordt.

 

2 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Kunst, Muziek

Alexander, geen boekendief

In het Palazzo Te in Mantua zag ik op een plafondschildering een afbeelding van Alexander de Grote met een paar boekbanden in een kistje. Dat is een illustratie bij wat Plutarchus vertelt in zijn biografie van Alexander:

  • ‘Toen hem een kistje werd gebracht, waarvan degenen die de schatten en goederen van Darius hadden opgenomen zeiden dat dit het allerkostbaarste was, vroeg hij zijn vrienden welk waardevol ding volgens hen het best daarin bewaard kon worden. Toen veel mensen verschillende dingen opperden, zei hij zelf dat hij de Ilias erin zou doen om hem goed te bewaken.’ 1

Alexander heeft de Perzische koning Darius III (reg. 336–330 v.Chr.) in etappes verslagen, waarbij hij telkens rijke buit behaalde. De Ilias was een belangrijk boek voor hem; hij stelde zich graag voor dat hij een nieuwe Achilles was.
.
Zou dit misschien samenhangen met de vroeg-Abbasidische, in wezen Perzische aanname dat Alexander alle boeken van de Perzen had gestolen, zodat ze later weer uit het Grieks in het Arabisch terugvertaald moesten worden? Daarover had ik hier al wat geschreven.
Waarom was dat kistje zo kostbaar? Misschien was het van massief goud of bezaaid met juwelen, wie zal het zeggen? Maar het kan ook zijn dat de inhoud kostbaar was. Van Darius III is bekend dat hij de oude Perzische Zand Avesta-teksten had laten uitgeven, vertalen en commentariëren. Ze vormden het middelpunt van zijn rijksideologie en werden bewaard in zijn schatkamer, die Alexander heeft geplunderd, en misschien wel in dat kistje. Het kistje heeft hij ingepikt, maar die Perzische boeken zullen allicht het laatste zijn geweest dat hem interesseerde. Goed denkbaar dat hij die Perzische boeken toen heeft weggedaan en heeft vervangen door wat voor hem het kostbaarste Griekse boek was: Homerus’ Ilias. En als het niet letterlijk zo gebeurd is, is het toch een mooie symboliek.
Het onderwerp kan nog wat nadere studie gebruiken.

NOOT:
1. κιβωτίου δέ τινος αὐτῷ προσενεχθέντος, οὗ πολυτελέστερον οὐδὲν ἐφάνη τοῖς τὰ Δαρείου χρήματα καὶ τὰς ἀποσκευὰς παραλαμβάνουσιν, ἠρώτα τοὺς φίλους ὅ τι δοκοίη μάλιστα τῶν ἀξίων σπουδῆς εἰς αὐτὸ καταθέσθαι: πολλὰ δὲ πολλῶν λεγόντων αὐτὸς ἔφη τὴν Ἰλιάδα φρουρήσειν ἐνταῦθα καταθέμενος. (Plut. Alex. 26, 1–2)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Fictie, Geschiedschrijving, Griekenland, Kunst, Nabije Oosten

Mottig verleden in Mantua

Giovanna d’Arco was de laatste telg van het grafelijk geslacht Arco. Toen zij in 1973 op 93-jarige leeftijd overleed bleek zij te hebben beschikt, dat haar paleis met de inrichting bewaard moest blijven en als museum moest worden opengesteld. Zo is het neoklassieke Palazzo d’Arco geconserveerd resp. gereconstrueerd in de laatste versie van 1784 (afb. 1). Het geheel werd in een stichting ondergebracht, die blijkbaar geld genoeg heeft voor restauratie en onderhoud.
.
Er kwamen zes mensen voor de verplichte rondleiding. Het eerste wat we te zien kregen waren twee aanzienlijk oudere, van buiten niet erg opvallende gebouwen, die achter in de tuin stonden. Prachtig daar was de zaal van de Dierenriem, daterend van ± 1515 (afb. 2); hét hoogtepunt van dit paleiscomplex. Omdat ik een Leeuw en volgende week jarig ben toon ik hieronder het fresco van mijn sterrenbeeld, met Diana en de verzamelde dieren (afb. 3), maar er waren er dus twaalf geweest; één was er kapot. Ze zijn van Giovanni Maria Falconetti, veel strenger dan die van Romano, maar in hun soort evengoed meesterwerken. Het andere gebouw bevatte het werkvertrek van een oude graaf die aan natuurlijke historie deed. Dat had geresulteerd in een  grote collectie vogelbeesten, fossielen, schedels en skeletten. Ieder exemplaar was afzonderlijk in inmiddels stoffig geworden plastic verpakt, waardoor het geheel wel een modern kunstwerk leek.
.
Vervolgens het hoofdgebouw. Zo’n paleis uit de late achttiende eeuw is natuurlijk niet te versmaden en het is goed dat het bewaard wordt, maar als je net een heleboel Renaissance hebt gezien is het toch een stap terug. Als eerste kwam de slaap- en sterfkamer van de gravin aan de beurt (afb. 4). Het voelde wat indiscreet, zo in deze kamer te worden gelaten. Veel ouder dan 1973: een wastafel met lampetkan, een monstrueuze kachel in de schoorsteen, een kleine radio-ontvanger op het nachtkastje. Naar verluidde was er in de kelder wel ergens een moderne badkamer ingericht, maar of de gravin die in haar laatste jaren had kunnen bereiken? Quasi-nonchalant slingerde er een dichtbundeltje rond van haar eigen hand. Aan de wanden hingen even vrome als afzichtelijke schilderijen.
.
Verder ruim twintig zalen en kamers (afb. 5) met die onzitbare stoelen en banken waarin het Europese verleden grossiert, met salontafels, speeltafels en guéridons, kastjes, kistjes, statuen en statuetten, vazen, enzovoort. Er waren mooie stukken bij maar, het klinkt misschien wat oneerbiedig: het was overwegend ouwe meuk uit de achttiende en negentiende eeuw. Misschien wordt je blik zo ondankbaar na een week hoogtepunten der Renaissance in Italië. Een eindeloze hoeveelheid wel oude, maar toch derderangse, vaak religieuze schilderijen aan de wanden, af en toe afgewisseld door iets van de tweede rang
. Veel ‘school van’, ‘copie van’ en ‘toegeschreven aan’. De centrale zaal vol met voorouders (afb. 6). De bibliotheek (afb. 7) was mooi en indrukwekkend, anderzijds toch al heel lang onpraktisch: wie leest er een tekst in een achttiende-eeuwse uitgave? De indruk van mottigheid werd versterkt doordat de gordijnen en de luiken naar goed Italiaans gebruik zo veel mogelijk gesloten waren; zonder twijfel om textiel en schilderijen voor het zonlicht te beschermen, maar ook uit gewoonte. Er zijn ook tegenwoordig vele Italianen die de hele zomer met dichte gordijnen in huis zitten.
.
Wel prachtige muziekinstrumenten (afb. 8), op één waarvan Mozart geoefend moet hebben, want die heeft hier overnacht toen hij in het schitterende Teatro Bibiena optrad, bij ons in de straat (afb. 9). Een leuke keuken met een stuk of vijftig puddingvormen (afb. 10).
.
In de grote zaal stonden twee achttiende-eeuwse draagstoelen (afb. 6, rechts in de hoek). Naar ons werd uitgelegd werden deze alleen binnenshuis gebruikt, om de trappen op en af te komen. Zo kan de oude gravin toch haar moderne badkamer hebben bereikt. Draagstoel 15? kg + gravin 70 kg (mager zal ze niet geweest zijn, ze hield immers van pudding): dat moet lukken met twee mannen, al zou het met vier gedistingeerder zijn. Wanneer zijn de laatste professionele draagstoeldragers ontslagen? Op het laatst zijn het misschien de kok en de chauffeur geweest die haar hebben rondgesjouwd.

 

2 reacties

Opgeslagen onder Europa, Kunst

Mantua: billen

Op de fresco’s in het Palazzo di Te zijn vele naakte lichamen te zien. Het kan aan mij liggen, maar ik meende daar een bijzondere belangstelling voor billen te ontwaren. Billen van vrouwen, mannen, paarden, goden, satyrs en kinderen: Federico Gonzaga was er blijkbaar dol op en zijn hofarchitect annex -schilder Giulio Romano moet deze belangstelling hebben gedeeld. Bij mythologische personen (afb. 1–2), bij zwemmende matrozen (afb. 3), vaak krijgen de billen een zekere nadruk, zeker ook die van de paarden van de zonnegod Helios en van deze zelf, waarbij ook de geslachtsdelen zichtbaar worden (afb. 4). De reis van de zonnewagen door de hemel maakte dit perspectief mogelijk.
.
Naakte lijven zijn het talrijkst in de zaal van Amor en Psyche (afb. 5). Ik keek mijn ogen uit (afb. 6). Daar is zowaar een stijve penis te zien (afb. 7). Een dame in push-up bh wordt benaderd door een opgewonden mannelijke … wat is het eigenlijk? Ah, de god Jupiter— geen mens, dus dan is het geen pornografie. De bisschop kon gerust zijn.
.
In deze zaal heeft keizer Karel V tot twee maal toe gegeten. Hij kwam in 1530 naar Mantua om de markies tot hertog te benoemen. Ter gelegenheid daarvan werd er onder andere een geweldig banket gegeven, waarbij de gehele adel was uitgenodigd. Maar blijkbaar wilde het protocol dat de keizer niet samen at met edellieden van mindere rang. Hij moest dus alleen eten, nou ja, met zijn personeel dan, en dat deed hij in de Amor en Psyche-zaal. Hij heeft zeer van de schilderingen genoten en is er daarna nog enkele malen naar terug gegaan.
.
Ook het algemene publiek heeft zijn belangstelling voor billen kond gedaan: in een reliëf dat laag genoeg zat om erbij te kunnen is een paar billen in de loop der eeuwen zo vaak aangeraakt dat ze ervan versleten zijn geraakt (afb. 8).

1 reactie

Opgeslagen onder Europa, Kunst

Mantua en Padua: paarden

In het Palazzo Te in Mantua is een zaal die gewijd is aan paardenschilderingen (afb. 1). Federico Gonzaga hield namelijk van paarden, hij fokte ze zelf en schonk graag vrienden en relaties een mooi dier uit zijn stoeterij. Enkele van zijn meest geliefde paarden liet hij door zijn hofschilder Giulio Romano in fresco’s op de wand portretteren (afb. 2–4). Ze zijn optisch naar voren gehaald, zodat het net lijkt of ze dichtbij ons zijn.
.
Zelf geen paardenmens zijnde heb ik toch een idee van hoe een paard eruit ziet. Die paarden van Romano lijken anatomisch niet helemaal te kloppen. Of laat ik me voorzichtiger uitdrukken: komen niet helemaal overeen met het idee ‘paard’ dat ik in mijn hoofd heb—want dat idee is bij mij eerder door afbeeldingen ontstaan dan door de omgang met echte paarden. Maar paarden hebben toch wat bolligere buiken? Op schilderingen door mindere kunstenaars klopt er nog minder van. Olifanten, kamelen en eenhoorns worden door die Renaissance-schilders ook niet goed getroffen, maar dat is hun te vergeven, want die beesten kregen ze vrijwel nooit te zien. Paarden wél; daar liepen er honderden van door de stad.
.
In Padua staat voor de kerk van de H. Antonius ‘het’ paard: dat van Gattamelata, in brons gegoten door Donatello in 1453 (afb.5). Dat paard is wél goed gelukt, erg goed zelfs. Het eerste behoorlijke bronzen paard sinds de Romeinse tijd. Het linker voorbeen rust op een (bronzen) steen, omdat Donatello blijkbaar nog niet in staat was, het been in de lucht te laten zweven. Dat zou een tijdje later wel lukken.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Europa, Kunst

Mantua, Palazzo Te

Het Palazzo (del) Te is een groot en schitterend paleis, dat Federico II, markies van Gonzaga, tussen 1524 en 1530 liet neerzetten even buiten zijn stad Mantua. Het oude kasteel was wel erg ongezellig (afb. 1), en de bruidskamer aldaar, al had hij nog zulke mooie wandschilderingen, was alleen te bereiken over een lange trap, zodat het niet meeviel daar een bruid over de drempel te dragen. Iets eenvoudigs en lichts moest er komen. Vasari schrijft over het plan:

  • ‘[Giulio Romano en markies Federico II Gonzaga] gingen naar buiten, een kruisboogschot verwijderd van de San Bastiano-poort, waar Zijne Excellentie een plaats en wat stallen bezat genaamd Te. Daar aangekomen zei de markies dat hij, zonder de oude muur te willen bederven, graag iets van een optrekje zou inrichten om zich eens te kunnen terugtrekken voor een middag- of avondmaaltijd, voor zijn plezier.’ 1

Geld was er genoeg, dus het werd toch wat groter. Tarááá!


Van binnen is het nog indrukwekkender dan van buiten (afb. 2–5). Romano heeft het paleis niet alleen gebouwd, maar ook vele zalen van fresco’s voorzien, waaronder heel, heel mooie. Romano wordt wel een leerling van Rafael genoemd; dat was hij inderdaad jaren lang, maar het lijkt soms als een belediging te klinken: de man was een groot kunstenaar op eigen kracht, forget Rafael.
Meubels staan er niet meer in het paleis: het werd ooit geplunderd en alleen wat op de muren en plafonds zit is bewaard gebleven, maar dat is heel veel. Een hoogtepunt is wel het plafond van de Reuzenzaal (afb. 6)2.
Een ‘geheim’ paviljoen achter in de tuin was er ook (afb. 7); daar kon de markies zich ongestoord vermeien met een dienstertje, dame of eventueel echtgenote. Wat latere schilderingen daar herinneren de gebruikers aan de landlieden die al deze luxe mogelijk maakten (afb. 8).
Enkele zalen in dit paleis zullen nog bijzondere aandacht krijgen.

NOOT:
1. [Giulio Romano e il marchese Federico II Gonzaga] se n’andarono fuor della porta di S. Bastiano, lontano un tiro di balestra, dove sua eccellenza aveva un luogo e certe stalle chiamato il T(e) […] E quivi arrivati, disse il marchese che avrebbe voluto, senza guastare la muraglia vecchia, accomodare un poco di luogo da potervi andare ridurvisi al volta a desinare o a cena per ispasso. (Giorgio Vasari, 1568)
2. Hier vindt U een zeer scherpe, door clicken nog vergrootbare foto van dat plafond.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Kunst

Antonius van Padua

Als niet-katholiek dacht ik nooit aan de heilige Antonius van Padua, maar dat veranderde toen ik in zijn stad voor en achter zijn kerk stond (afb. 1-3). Wat groot en mooi en oud (13e eeuw)! Binnen zijn er veel mooie schilderingen, maar ook veel late en lelijke en ik was na een week Italië nogal fresco-moe, dus besloot ik vooral het gebouw zelf weldadig op te me laten inwerken, zoals ik dat in een moskee doe. Er waren veel toeristen, maar ook veel pelgrims, die in bussen aankomen en door hun aanvoerder met een vlaggetje over het terrein geleid worden, zingend soms. Voor degenen die een driedimensionale voorstelling van de heilige nodig hebben staat er een beeld van hem voor in de kerk (afb.4). Daarna komt het graf in een reusachtige en schitterende kapel, waar mensen in gebed verzonken zijn (afb. 5–6). Ook toevallige passanten nemen de gelegenheid waar even een gebedje tot de heilige te richten. Het gaat om wat moslims shafā‘a noemen: de voorspraak die een heilige doet bij God, tot wie men zich blijkbaar niet direct durft te richten—wat protestanten wél doen.
.
Een moment van vervreemding: dit zijn gewone mensen net als ik, maar waarom doen zij zo raar? Of ben ik raar?
Het wordt nog vreemder: er loopt een rij mensen door een barokkapel met talloze reliekschrijntjes (afb. 7). Want niet het hele lichaam van de heilige is in zijn graf beland: allerlei delen die niet zijn vergaan worden apart bewaard. Ware ik katholiek, ik zou proberen zegen te putten uit zijn onverteerd gebleven tong en stembanden, zodat ik beter en langer zou kunnen zingen (middelste nis, reliek nr. 9 en 11. De kin komt ook van pas: nr. 10).
.
Of Antonius kon zingen weet ik niet, preken kon hij wel. Dat vonden ook de autoriteiten in Rimini, die hem vreesden en hem het preken verboden. In de kerken waar hij het probeerde verscheen dan ook niemand, dus preekte hij maar tegen de vissen, die aandachtig naar hem luisterden (afb. 8). Of deed hij het om de H. Franciscus te overtreffen, die tot de vogels predikte?
.
In de naast de kerk gelegen twee oratorio’s (vergaderzalen voor profane broederschappen; afb. 9) weer prachtige wandschilderingen, die nogmaals duidelijk maakten waarom er zoveel weldadige werking van Antonius uitgaat. Hij verrichtte inderdaad wonderdaden zonder tal: een kind dat in een pot kokend water was gevallen bracht hij weer tot leven (afb. 10), een voet die was afgehakt zette hij er weer aan (afb. 11), enzovoort enzovoort.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Fictie, Godsdienst, Kunst

Egyptische sigaretten

Een degelijk huisgezin had vroeger sigaretten in huis om aan gasten te presenteren. Er waren twee soorten: Engelse en Amerikaanse. Een zeer kleine minderheid rookte ovale Egyptische sigaretten, of liever cigarettes. Honderd jaar geleden moeten die veel populairder zijn geweest. Ik kende nog een oude Duitse dame die tot haar dood de Duitse pakjes Kyriazi Frères kocht. (Nee, daaraan is zij niet gestorven.) Als beginnend oriëntalist had ik ook een korte sigarettenfase en meende ik oriëntaalse sigaretten te moeten roken, van Sullivan Powell in de Burlington Arcade. De Duitse firma NIL vervaardigt al heel lang sigaretten in Egyptische stijl. Die zijn nog steeds verkrijgbaar. Kyriazi was zeer Egyptisch, maar had een vestiging in Duitsland. Ook andere Duitse fabrieken maakten oriëntaalse sigaretten. Bekend is de Yenidze fabriek in Dresden, waarvan het moskeevormige gebouw nog bestaat en nu een andere functie heeft.
.
Het aardige van die Egyptische sigaretten was en is nog steeds de verpakking. De onvermijdelijke pyramiden, faraonische motieven, een portret van een Griekse, Italiaanse of Duitse fabrikant en soms ‘oriëntaalse’ motieven, bij voorbeeld een odaliske die op een sofa ligt te roken, veel gekleder overigens dan op de schilderijen van de vroege negentiende eeuw. Vanwege dat oriëntalisme verzamel ik wat plaatjes, want dat houdt me bezig. De blikjes werden blijkbaar in Europa vervaardigd; de Arabische letters daarop zien er niet altijd authentiek uit. De tabak kwam overigens uit Turkije (toen nog inclusief de Balkan). Egypte zelf had maar weinig tabak, die slecht was en waarvan het verbouwen later geheel verboden werd. De enige reden dat Ottomaanse onderdanen sigaretten in Egypte gingen vervaardigen was het vermijden van de Turkse tabaksbelasting.
.
Wel te onderscheiden zijn, althans in de nieuwste tijd,  de sigaretten die voor de Egyptische markt bestemd waren (Kleopatra, Nefertiti, Belmont, Suez en blijkbaar ook de variant Damir van Coutarelli) en de veel chiquere die naar Europa, vooral naar Duitsland gingen.
Belmont was ‘in mijn tijd’ de goedkoopste sigaret in Egypte. Er werd gefluisterd dat daarin de reeds eenmaal doorgerookte tabak van ingezamelde peuken werd verwerkt.
.
Ik zie nu pas dat op dat pakje Nefertiti het plakkertje van de belastingen in (pseudo?)-hiërogliefen is gesteld!

 

P.S. Ook aan de Comeniuslaan in Naarden werd in 1915 een moskeevormige sigarettenfabriek gebouwd.

4 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Economie/Wirtschaft, Kunst, Orient, Ostwestliches