Categorie archief: Nabije Oosten

Wahhabieten afgeschaft

Weet u nog dat half Nederland tobde over de islam, en dat er elke dag in elke krant twee bladzijden over werden volgeschreven? Vooral de fundamentalisten, de salafisten, de Wahhabieten, kortom die hele strenge islamisten waren erg; die konden, als je ze niet krachtig bestreed, ieder ogenblik de wereldheerschappij overnemen en ook in onze streken het kalifaat en de sharia vestigen. Dat was nog vóór de ophef verschoof naar Zwarte Piet, toeslagenschandaal, Corona, de FvD en Poetin. De oude heer Wilders tiereliert nog steeds over de gevaren van de islam, maar verder hoor je er niet veel meer over.

Inmiddels heeft het islamisme op een centrale plaats zijn tanden verloren. Saoedi-Arabië heeft namelijk een heleboel (vermeende) sharia geschrapt, en wel door het verleden te herschrijven, door de streng-gelovige component uit de ontstaansgeschiedenis te verwijderen. Carolien Roelants heeft daarover een kort maar duidelijk stukje in de NRC geschreven. Omdat niet iedereen die krant heeft, kopieer ik de tekst aan het eind van dit blog. (Een pdf hier kopiëren lukt niet.)

Er zijn nu ook bioscopen en muziekfestivals in Saoedi-Arabië, vrouwen rijden auto en openen bedrijven, en over die zwarte doeken wordt ook niet meer getobd. Het zat allemaal niet zo diep. Niet dat Saoedi-Arabië ineens een heerlijk land is geworden, maar de onderdrukking is nu meer profaan.

De ultra-strenge islam bestaat nog wel voort, maar meer in de periferie: Pakistan, Afghanistan, Somalia en hier en daar resten van de ‘Islamic State’ en al-Qa’ida. En groepjes in alle werelddelen, maar een belangrijke bron van inspiratie en financiering is opgeheven.

======================================

Carolien Roelants   NRC-Handelsblad 21 maart 2022

Saoedi-Arabië begint nu in 1727, zonder puriteinse islam

Ik had het u beloofd, en het is veel te interessant, vind ik, om het door andere, érgere actualiteit te laten verdringen. Bij deze de vers gepimpte geschiedenis van het koninkrijk Saoedi-Arabië en zijn koninklijke familie, want Saoedi-Arabië is het enige land dat naar zijn koningshuis is genoemd. Nederland heet toch geen Oranjeland? Hoewel je dat bij nationaal voetbal wel zou denken.

Als u in Saoedi-Arabië woont, is het u vast niet ontgaan, de viering van de allereerste Dag van de Stichting op 22 februari, op Twitter trendend als #de-dag-van-ons-begin(en dan in het Arabisch). Een compleet nieuwe feestdag, naast de bestaande nationale feestdag op 23 september, die de afkondiging van het huidige koninkrijk in 1932 viert.

1932 is dus niet „ons begin”. Nee, het begin is 1727, de oprichting van de eerste Saoedische staat door Mohammed bin (zoon van) Saud. En lees even mee, want dat is heel belangrijk. 

Het interessante is dat tot dusverre die geschiedenis zeventien jaar later begon, in 1744, met dezelfde dappere krijgsheer Mohammed bin Saud, maar toen nog in ogenschijnlijk onverbrekelijk huwelijk met de geestelijke Mohammed ibn (ook zoon van) Abdel-Wahhab. Jazeker, de Wahhab van de ultrapuriteinse sunnitische islam, die tot voor kort zijn zware stempel drukte op de Saoedische maatschappij. Dat wahhabisme dat mannen van vrouwen scheidde en muziek en films verbood. 

Mohammed bin Saud heerste in Al-Diriyah, vlakbij het huidige Riad, en het vorige, nu vervangen ontstaansgeschiedenisverhaal begon met zijn gastvrije opvang van die Ibn Wahhab. Die was uit zijn geboorteplaats dertig kilometer verderop verjaagd nadat hij een vrouw wegens overspel had laten stenigen in zijn passie om de islam van ingeslopen bijgeloof te zuiveren. De twee gooiden het op een akkoordje: Ibn Wahhab kreeg de verantwoordelijkheid voor religieuze zaken, Mohammed bin Saud voor de rest. Geestelijkheid en koningshuis versterkten elkaar. 

Maar in het verhaal van 1727 is Ibn Wahhab er niet meer bij! Volgens de nieuwe lezing van Saoedische historici, schrijft Arab News, was het Mohammed bin Saud in zijn eentje die bezig was om vanuit de stadstaat Al-Diriyah „vrede en eenheid te brengen over het Arabisch schiereiland”. Ibn Wahhab komt pas in 1744, en speelt eerst geen en vervolgens een minder belangrijke rol. Op de Dag van de Stichting werd ook geen melding gemaakt van Ibn Wahhab of van de rol van de geestelijkheid in het landsbestuur. 

Wat u hier ziet is de officiële vastlegging van wat al een tijdje sluipend aan de gang was maar wat sinds het aantreden van koning Salman en zijn machtige zoon Mohammed in 2015 sneltreinvaart heeft gekregen: de verbanning van de geestelijkheid en haar strikte islam naar het tweede plan. Mohammed bin Salman is het land aan het moderniseren, en hij wil geen gezeur van een puriteinse geestelijkheid (of kritiek van wie dan ook trouwens). „In het islamitisch recht is het hoofd van de islamitische orde de wali al-amr, de heerser,” onderstreept hij zelf in zijn recente, lange, boeiende interview met The Atlantic onder de passende kop Absolute Power

Het driedaagse (!) feest van de Dag van de Stichting werd in nieuwe stijl gevierd, las ik. Militaire parades, verkleedpartijen in de stijl van de eerste Saoedische staat en een grote muziekshow in Riad, met de Operette van de Stichting. Wat vindt de geestelijkheid hier nou van, wilt u weten. Die heeft deze keus: meedoen of naar de gevangenis.

1 reactie

Opgeslagen onder Islam, Nabije Oosten

Mini-herinneringen: grensoverschrijdend gedrag

Het vliegveld van Beiroet, het moet in 1980 geweest. Het land verkeerde in burgeroorlog, overal milities en wegversperringen, en ook op het vliegveld was het een rommeltje. Ik stond in de rij voor de douane, om het land te verlaten. De rij was lang, de sfeer was gespannen. Een geüniformeerde man, een soort gendarme, kwam langs de rij en wenkte mij: ik moest met hem meekomen. Geen prettig moment, maar ik durfde mij niet te verzetten. Ik liep dus mee, en we kwamen tot stilstand bij het hokje waar de douanier uitreisstempels zat uit te delen. ‘Paspoort,’ zei de man; ik gaf het ongaarne af, maar hij legde het voor de neus van de douanier om het te laten afstempelen. Die keek nijdig, maar hij deed het wel. Ik kreeg mijn paspoort weer terug en moest de gendarme nu verder volgen. Een wat langer wandelingetje, dat bleek te eindigen bij … de herentoiletten. O, was dát de bedoeling? Ineens maakte ik me geen zorgen meer, moest inwendig lachen en liep niet verder mee. Een paar meter verderop was de ingang van de Duty Free, daar ging ik naar binnen. Het was er druk en ik voelde mij veilig temidden van de menigte. Hij kwam me niet achterna, en het afgestempelde paspoort had ik in mijn zak.

Het vliegveld van Cairo, jaren later, toen de grote nieuwe terminal net in gebruik was genomen. Het was héél vroeg in de ochtend, je moest daar altijd twee uur van te voren aanwezig zijn. Er waren niet veel mensen; ik had een rustig plekje in een zijgang uitgezocht om nog wat te zitten. Daar werd ik benaderd door een soort soldaatje van een jaar of achttien. Die wilde geen seks, maar geld. Hij was wel verrast toen ik hem in het Arabisch kon aanspreken, we hadden een kort gesprek, maar tenslotte herhaalde hij toch zijn eis: ik moest hem geld geven. Dat heb ik toen maar gedaan: hij was zwaar bewapend, op die leeftijd zitten de handjes vaak los, en of die jongens zo goed zijn opgeleid? Voor mij geen groot offer, voor hem toch een aardige bijverdienste.

Tweemaal kon ik dank zij mijn studie het overschrijden van grenzen voor anderen verlichten. In beide gevallen betrof het Belgen. In 1967 was er dat wanhopige, nerveuze echtpaar, dat met een caravan de Tunesisch-Libische grens wilde passeren. De grensovergang duurde wel zes uur, voor hen, maar voor ieder ander ook; dat was in die dagen niet uitzonderlijk. Het enige wat er te drinken was, was een walgelijk zoete limonade van het merk Zemzem. Ik geloof niet dat ik concreet iets voor dat echtpaar kon doen, maar ik kon ze wel geruststellen en de vreemde dingen die er gebeurden uitleggen. 
1977: Bij Cilvegözü wilde ik de Turks-Syrische grens over. Ik reisde met het openbaar vervoer, en als zo vaak was dat in de nabijheid van de grens schaars. Met een taxi was ik naar de Turkse grenspost gereden, maar die kon natuurlijk niet verder, dus ik moest te voet de grens over. Dat was op zich niet zo erg, maar er volgde een soort niemandsland: een Syrische grenspost was niet in zicht, die kon wel kilometers verderop zijn. Gelukkig verscheen er een Belgische vrachtauto. Met hem kon ik meerijden naar de inderdaad verder weg  gelegen Syrische douane. De nerveuze chauffeur sprak Nederlands. Hem kon ik helpen met het invullen van de ingewikkelde papieren en als tolk bij de douane. Ik ried hem aan, een bankbiljet tussen de papieren te leggen; of dat een juist advies was weet ik tot heden niet. We werden snel afgehandeld en hij liet me verder meerijden tot Aleppo. 

1 reactie

Opgeslagen onder Nabije Oosten, Reizen

Schoonheid

Een kamelin is mooi wanneer zij wadjnâ’ is: met bolle, strakke wangen.

Een reactie plaatsen

11 december 2021 · 09:50

Zonnetje

De zon is een groot ding, maar als hij maar een beetje schijnt, dan spreekt men van een zonnetje. En dat hadden we hier gisteren: een lekker zonnetje, zodat ik bij een graad of zeven koffievisite kon ontvangen op het beschutte balkon, erg prettig. Ik had er zeer fijne Syrische baklava van Al Basha bij, die gretig werd verslonden. Ja, zo’n studie Arabisch brengt je in aanraking met de heerlijkste dingen. En met kleine prettigheidjes is de lockdown goed te verdragen.

Koffievisite, beste Nederlanders, komt hier overigens tussen 15.00 en 16.00 uur. Dan geeft het zonnetje de meeste warmte.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Eten en drinken, Gezondheid, Nabije Oosten, Quarantaine

Oost west, thuis best

Toen ik nog over Mohammed en de vroege islam studeerde had ik nooit het gevoel iets onbelangrijks te doen. Immers, heel de wereld sprak tot kotsens toe over de islam? Het verstrekken van betrouwbare informatie over één van de stichters daarvan was dus van belang, ook al wilde vrijwel niemand die horen.
.
Na mijn pensionering wendde ik mij af van de arabistiek en concentreerde ik me meer op muziek. Dat kan ook nu: ik heb weer zangles, ik kan in mijn eentje zingen, maar koorzang zal nog lang onmogelijk zijn. Dat was in februari al duidelijk en ik heb meteen het roer omgegooid en mij gestort op een oud arabistisch onderzoeksproject, dat nooit af was gekomen: een negende-eeuwse christelijke tekst met ongeveer honderd christelijke teleologische godsbewijzen, die iets later met een islamitisch sausje werd overgoten. Dat is leuk werk, dat gepriegel en gepuzzel, net als vroeger, alleen bekruipt mij hierbij soms het idee dat het nergens goed voor is. Wat is het verschil met het patience leggen, dat mijn grootmoeder op haar oude dag regelmatig deed om het wachten op de dood te veraangenamen?
.
Ik moet mijzelf er af en toe uitdrukkelijk van overtuigen dat dit wel degelijk ergens goed voor is, en zelfs actueel, in verband met het hele white supremacy-gedoe. De tekst is namelijk een stukje in de legpuzzel van de geschiedenis van cultuuroverdracht en wetenschap—al is het maar een klein stukje. Die godsbewijzen interesseren me niet zo: heb je er tien gezien, kun je zelf de volgende twintig verzinnen, en God wordt er niet bestaander van. Maar het boekje wemelt van de citaten en verwijzingen naar oude Griekse, Latijnse en vroeg-christelijke auteurs, vertaald, zoals het voorwoord stelt, uit het Grieks in het Syrisch en Perzisch en nu ook in het Arabisch. Dat is dus een west-oost overdracht; de volgende fase werd de oost-west overdracht, verrijkt met Indische en Perzische elementen. Dacht U bij voorbeeld dat de grote christelijke theoloog Thomas van Aquino niet zwaar beïnvloed was door Arabische theologie en filosofie—en dus door ‘de islam’? Het cultuurgebied dat ik nu maar het ‘Westen’ zal noemen (in tegenstelling tot China, Japan, India) is altijd meer één geweest dan het wilde weten—en dan het nog steeds wil weten.
.
Ik las juist een boekrecensie uit de NRC van 20 april : Violet Moller, De zeven steden, een reis door duizend jaar geschiedenis. Volgens de recensie is het een enthousiast verhaal over die oost-west overdracht. Leuk dat er weer zo‘n boek is, dacht ik, vooral als het goed geschreven is. Maar mijn volgende gedachte was: alweer zo‘n boek! Dit is zo langzamerhand toch wel bekend? Nee, in brede kring is het nog steeds niet bekend, en als het al bekend was wordt het steeds weer ‘vergeten’ en ontkend. Het is net als met de geschiedenis van kolonialisme, racisme en slavernij: men weet het wel, maar wil het toch steeds weer niet weten. Een beetje drammen kan daarom geen kwaad, dat doen de o zo superieure white supremacists immers ook de hele tijd: die denken dat Europa rechtstreeks afstamt van de vikingen en de marmerblanke oude Grieken.
.
Overigens lijkt me een tekortkoming bij Moller—maar ik heb alleen de recensie gelezen!—dat de ‘Byzantijnse’ bijdrage niet ter sprake komt. Want toen in West-Europa de belangstelling voor de antieke wetenschap eenmaal opnieuw was gewekt, heeft men ook naarstig gezocht naar handschriften van die oude teksten in het Grieks, en men heeft er in Constantinopel en allerlei kloosters heel wat gevonden.
Ook de oosters-orthodoxe wereld kan wel wat rehabilitatie gebruiken. Want zoals Agatha Christie al schreef over een van haar superieure blanke personages: ‘In haar bevooroordeelde geest was een Griek bijna even erg als een Argentijn of een Turk.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Gezondheid, Griekenland, Islam, Nabije Oosten, Persoonlijk

Drakenvlees eten?

Bij al-Damīrī (1341–1405) las ik twee juridische meningen van shariageleerden over de vraag of het ḥalāl is om drakenvlees te eten. Nee, luidt het antwoord: in geen geval, omdat de draak tot de slangen behoort; of juist eerder tot de vissen die schade aanrichten met hun hoektanden, en die zijn duidelijk ḥarām, net als de krokodil.
.
Voor de praktijk van een islamitisch leven heeft dit weinig relevantie, omdat de vraag naar drakenvlees al even gering is als het aanbod ervan.
Voor niet-moslims kan deze kwestie echter leerzaam zijn. Er wordt onder hen immers zo vaak getobd over die verschrikkelijke, beangstigende sharia. Welnu, hier treedt een aardig trekje daarvan aan de dag. De geleerden hebben alle mogelijke vragen doorgeëxerceerd, maar zijn slechts beperkt geïnteresseerd in de praktische problemen van het alledaagse leven! Daarin onderscheiden zij zich overigens niet zeer van de joodse wetgeleerden.
.
De ‘invoering van de sharia’ of het ‘praktiseren van de sharia’, die door sommige moslims wordt gewenst en door alle islamofoben wordt gevreesd, is alleen al volslagen onmogelijk door het wereldvreemde karakter van dit soort rechtsdenken.
==============
Het loont voor een man echter de moeite, toch af en toe drakenvlees te eten, ḥarām of niet—ook om zijn vrouw een plezier te doen. Want op dezelfde bladzijde wordt gezegd—maar deze uitspraak stamt niet van een rechtsgeleerde:
‘Men beweert dat het eten van drakenvlees moedig maakt, en dat wie drakenbloed op zijn geslachtsdeel smeert en dan gemeenschap heeft met zijn vrouw haar een enorm genot bereidt.’
Dus, heren, pakt uw lansen en gaat op drakenjacht!

BRON:
Kamāl al-Dīn Muḥammad ibn Musā al-Damīrī, Ḥayāt al-Ḥayawān al-Kubrā, uitg. Ibrāhīm Ṣāliḥ, 4 dln., Damascus 2005, i, 543

فعلى ما قال القزويني: أكله حرام، لكونه من جنس الحيات، وعلى أنه سمك يؤذي بنابه فالظاهر التحريم أيضا كالتمساح.
زعموا ان أكل لحمه يورث الشجاعة، ودمه إذا طلي به على الذكر وجامع امرأته حصل لها لذة عظيمة.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Islam, Nabije Oosten

Roza

Ziehier een zeibekiko van Roza Eskenazi uit 1935.

Ik weet wel dat maar twee van mijn lezers dit mooi zullen vinden, maar ik was er erg door aangedaan.

6 reacties

Opgeslagen onder Muziek, Nabije Oosten

Mini-herinnering: dubbele paasdagen

Begin april 1972, toen er weinig toerisme was in Egypte, liep ik in Cairo steeds aan tegen een opvallende Nederlandse man, die reisde met een zeer oude tante. Een beetje een Agatha Christie-achtig stel, die twee. Waarom waren ze naar Egypte gekomen? Wat haar beweegreden was weet ik niet, maar bij hem was het duidelijk: hij wilde genieten van wat hij noemde de ‘dubbele paasdagen’. Op 2 april was het katholieke en protestantse paasfeest, maar het Griekse en Koptische was een week later. Door zijn vakantie handig te plannen kon hij dus twéé zondagen naar diverse paasmissen, en dat was zijn lust en zijn leven.
.
We zijn niet bevriend geraakt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Godsdienst, Kairo, Nabije Oosten

Quarantaineteksten 3: al-Tahtawi in Marseille (1826)

De Egyptenaar Rifā‘a al-Ṭahṭāwī (1801–1873) kwam in 1826 naar Frankrijk als studenten-imam en begeleider van een groep studenten die daar gingen studeren. Hij zou er vier jaar blijven en schreef een boek over zijn indrukken in Frankrijk, Takhlīṣ al-ibrīz fi talkhīṣ Bārīz, dat in 1849 verscheen.
Marseille was in 1720 geteisterd door een pestepidemie die het aantal inwoners van de stad had gehalveerd. Geen wonder dat er sindsdien strenge quarantaine-maatregelen werden gehandhaafd. Wanneer er een schip naderde met een grieperige matroos aan boord of als er ook verder maar de geringste verdenking van de pest bestond, kwam het de haven niet in, maar werd het naar een van de quarantaine-eilandjes voor de kust gedirigeerd, waar het niet prettig toeven was. Dat is Tahtawi bespaard gebleven; zijn quarantaine-verblijf moet tamelijk riant geweest zijn en hij lijkt er niet onder geleden te hebben. Misschien kreeg de groep reizigers uit Egypte om politieke redenen een VIP-behandeling? Voor Tahtawi was deze inrichting zijn allereerste kennismaking met Frankrijk: hij bewondert de gebouwen en het terrein eromheen en is verwonderd over alle nieuwe dingen die hij ziet en meemaakt.
Hij schrijft er o.a. het volgende over (de Arabische tekst staat onderaan):


““Wij gingen op de rede van Marseille, een van de zeehavens in Frankrijk, voor anker. Van het schip waarop we gekomen waren stapten we over in kleine boten en we landden bij een gebouw buiten de stad dat als quarantaineinrichting dient, zoals dat bij hen gebruikelijk is. Want wie uit een vreemd land komt moet in quarantaine voordat hij de stad in mag.
[…]
De inrichting waarin wij ons voor de quarantaine bevonden is heel uitgestrekt: zij bestaat uit verscheidene gebouwen en tuinen en is zeer stevig gebouwd. Het was daar dat we voor het eerst zagen hoe stevig en perfect er in dat land gebouwd wordt, en hoe zulke gebouwen met een weelde aan bloementuinen, vijvers en dergelijke zijn omringd.
Dadelijk al op de eerste dag werden we met de meest verbazingwekkende dingen geconfronteerd. Ze brachten ons namelijk een aantal Franse bedienden, wier taal wij niet verstonden, en bijna honderd stoelen om op te zitten — want in dit land vinden ze het raar om op een tapijt op de grond te zitten, om maar te zwijgen van zitten op de kale grond. Vervolgens dekten deze bedienden de tafel voor het ontbijt. Ze droegen hoge tafels aan en legden daarop witte, Perzisch aandoende borden, het ene naast het andere. Bij ieder bord zetten ze een drinkglas neer, en naast het bord legden ze een mes, een vork en een lepel. Op iedere tafel stonden een of twee flessen water, een bakje met zout en en ander met peper. Daarop zetten ze rondom de tafel stoelen neer, per persoon een stoel, en brachten zij het eten. Op elke tafel kwamen een of twee grote schotels: een van de tafelgenoten moest daaruit opscheppen en het eten aan de anderen uitdelen, waarbij iedereen iets op zijn bord kreeg, die dat dan met het mes in stukjes sneed en met de vork – niet met de hand! — naar zijn mond bracht. Want men eet principieel niet met de hand, ook niet met andermans vork, of met zijn mes, zoals men ook nooit uit het glas van iemand anders drinkt. Ze beweren dat het zo
 het schoonst en gezondst is. Wat je ook kunt zien bij de Franken is dat zij nooit van koperen borden eten en al helemaal niet uit dergelijk vaatwerk, zelfs niet als het vertind is, want dat dient alleen om te koken. Ze gebruiken steeds geglazuurde borden.
[…]
Toen brachten ze ons beddengoed. Het is bij hen de gewoonte dat men op een verhoging slapen moet: iets als een bed. Dat alles brachten ze ons.
Wij brachten achttien dagen door op die plek, zonder hem ooit te verlaten. Wel is het daar zeer ruim en er zijn prachtige plantsoenen en uitgestrekte pleinen om te wandelen en van de tuinen te genieten. Na afloop stapten we in fraai opgetuigde koetsen […] en werden naar een gebouw in de stad gereden….””
—————————
Bron: Rifā‘a al-Ṭahṭāwī, Takhlīs al-ibrīz fi talkhīs Bārīz, Cairo 1905, blz. 37, 38, 39, online beschikbaar.

قد رسينا على موردة مرسيليا التي هي إحدى فرض بلاد فرنسا، فنرلنا من سفينة السفر في زوارق صغيرة فوصلنا الى بيت خارج المدينة معد للكرنتينة على عادتهم من أن من أتى من البلاد الغريبة لا بد أن يكرتن قبل أن يدخل المدينة.
[…]
ثم إن هذا البيت الدي كنا فيه للكرنتينة متسع جدا به القصور والحدائق والبناء المحكم فبه عرفنا كيفية إحكام أبنية هده البلاد وإتقانها، وامتلاءها بالرياض والحياض الى آخره.
ولم نشعر في أول يوم إلا وقد حضر لنا أمور غريبة في غالبه وذلك أنهم أحضروا لنا عدة خدم فرنساوية لا معرف لغاتهم ونحو مائة كرسي للجلوس عليها لإن هذه البلاد يستغربون جلوس الإنسان على نحو سجادة مفروشة على الأرض فضلا عن الجلوس بالأرض.
ثم مدوا السفرة للفطور ثم جاؤا بالطبليات عالية ثم رصوا من الصحون البيضاء الشبيهة بالعجمية وجعلوا قدام كل صحن قدحا من القزاز وسكينة وشوكة وملعقة وبكل طبلية نحر قزازتين من الماء وأناء فيه ملح وآخر فيه فلفل ثم رصوا حوالي الطبلية كراسي لكل واحد كرسي ثم جاؤا بالطبيخ فوضعوا في كل طبلية صحنا كبيرا أو صحنين لتغرف أحد أهل الطبلية ويقسم على الجميع فيعطي لكل إنسان في صحنه شيئا يقطعه بالسكينة التي قدامه ثم يوصله الى فمه بالشوكة لا بيده فلا يأكل الإنسان بيده أصلا ولا بشوكة غيره أو بسكينته أو يشرب من قدحه أبدا ويزعمون أن هذه أنظف وأسلم عاقبة. ومما يشاهد عند الافرنج أنهم لا يأكلون أبذت في صخون النحاس، بل ولا في أوانيه أبذا ولو مبيضا فهي للطبخ فقط، بل دائما يستعملون الصحون المطلاة.
[…]
ثم أحضروا لنا آلات الفراش والعادة عندهم أنه لا بد أن ينام الإنسان على شيء مرتفع نحو سرير فأحضروا ذلك لنا. ومكثنا في هذا المحل ثمانية عشر يوما لا نخرج منه أبدا غير أنه متسع جدا وفيه حدائق عظيمة ومحال متسعة للتماشي فيها والنزهة في رياضها.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Nabije Oosten, Ostwestliches, Quarantaine

Quarantaineteksten 2: Giurgiu – Ruse

Reis over land van Rutschuk [Ruse] naar Constantinopel
.
Met lichter gemoed […] stuurden wij op een van de huizen aan, waarop in het Russisch en Frans te lezen stond dat hier de agent van de Oostenrijkse Donaudampfschiffahrtsgesellschaft woonde. Zijn naam is Staude, een heel hoffelijke man, die ons uiterst voorkomend ontving en uitstekend regelde dat we snel verder kwamen. Weldra begaven wij ons in begeleiding van deze man met onze weinige bagage, onze jassen, bontmantels en wapens naar de quarantaine van Giurgewo [Giurgiu], waar een Turks schip, dat fruit had aangevoerd, ons zou opnemen en overzetten. Bij de quarantaine heerste volop drukte. Er werd juist tussen dubbele barrières markt gehouden, omdat de Turken van de rechteroever zich niet met de Walachen mogen vermengen. Dus leggen eerstgenoemden hun druiven, hun honing enz. tussen de barrières, waar zij door laatstgenoemden weggehaald worden en op dezelfde manier worden betaald. Het is een akelig gevoel, als je ziet hoe de ene mens de andere mijdt als een giftig dier, en steeds de lange stok voor zich uitstrekt om vooral niet aangeraakt te worden.
.
Friedrich Wilhelm Hackländer, Reise in den Orient, Band 1, 2e dr., Stuttgart 1846, blz. 24. Eerder verschenen in Morgenblatt für gebildete Leser, (31) 1841.

Bildschirmfoto 2020-04-08 um 00.01.41

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Gezondheid, Nabije Oosten, Orient, Ostwestliches, Quarantaine