Categorie archief: Muziek

Zanguitvoeringen 2018 1e helft

Meteen was het weer een fijne zomerdag: lekker in de zon(!) gezeten en gewandeld bij slechts 25 graden, na een dag of tien binnenzitten bij tien graden warmer. Die wandeling was in Rüthen, een mooi plaatsje halverwege mijn autobahnmijdende rit terug van Freckendorf naar huis.
.
Na vier dagen in een sterk oververhit Utrecht op zaterdag 28 juli twee keer nat geworden van regen! Daarna een week koorzingen in Freckenhorst, gem. Warendorf. Het was mooi, het was fijn, maar de temperatuur liep snel weer hoog op en in het hele wat oudere gebouw was geen ventilator te vinden, laat staan air-conditioning. Ook de kerken waarin we zongen boden geen koelte: het eeuwenoude gesteente was grondig opgewarmd.
.
De helft van de muziek waarmee ik te doen krijg is kerkelijk. We zingen regelmatig in kerken. Meestal worden die gebouwen dan als concertzaal benut, maar vanmorgen hebben we een bijdrage geleverd aan de hoogmis in de grandioze stiftskerk van Freckenhorst. Een Romaanse kerk, grotendeels uit de negende eeuw. Het interieur herinnert aan Damascus en Cordoba. De stoffelijke resten van de eerste abdis Thialthildis worden er nog bewaard. Ze ligt daar wel lekker.
.
Al die kerkmuziek en die kerkgebouwen zijn prachtig, maar hebben me niet nader tot het christendom gebracht; integendeel. Vanmorgen was die mis zo vervreemdend dat ik me voor het eerst van mijn leven op de gedachte betrapte: waarom ben je nooit moslim geworden?

Het wordt weer tijd voor een overzicht van alle muziek die ik in koorverband in het openbaar heb meegezongen, in de eerste helft van 2018. Voor tarchief.
.
– Josquin Desprez (1440–1521), El Grillo
– Pierre Passerau (± 1490–1550?), Il est bel et bon
– Thoinot Arbeau (1519–1595), Belle, qui tiens ma vie.
– Anthoine de Bertrand (1540?-1581?), Hola Caron, nautonnier infernal (is geen opname van), en Ces deux yeux bruns.
– Jakob Buus († 1565), Et puis a-t-on ouvert la porte (geen opname)
– Clément Janequin (1552), Vents hardis en La plus belle de la ville en andere@.
– Claudio Monteverdi (1585–1672), Madrigali, boek 6: Lamento di Arianna en Sestina.
– Andries Pevernage (1542–1591), Secourez moy madame (geen opname; tekst hier).
– Leonhard Lechner (1553–1606), Deutsche Sprüche von Leben und Tod (delen).
– N.N., Je fille quant Dieu me donne de quoy.
– Heinrich Schütz (1585–1672), Herr, wenn ich nur Dich habe, Herr nun lässest Du (Canticum Simeonis).
– Johann Sebastian Bach, Kantate BWV 106Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit (Actus tragicus).
– Johannes Brahms (1833–1897), Wechsellied zum Tanz, Nachtigall sag, Erlaube mir feins Mädchen, Der Gang zum Liebchen of ditEs stunden drei Rosen, Verstohlen geht der Mond auf (met drie tenoren als voorzangers); enkele van de Zigeunerlieder op. 103: zelf de nummers zoeken: 2. Hochgetürmte Rimaflut, 5. Brauner Bursche führt zum Tanze, 6. Röslein dreie in der Reihe (mijn favoriet!), 7. Kommt dir manchmal in den Sinn
– Hugo Distler (1908–1942), Totentanz, Motette Nr. 2 aus: Geistliche Chormusik op. 12 (delen).

Die oude muziek klinkt op de opnamen vaak zo beschaafd, zo voortdurend etherisch. Gelukkig houden mijn dirigenten alle drie van aards en pittig. Als de tekst spreekt van weinen of klagen, dan wenen of klagen wij—natuurlijk niet zoals bij Verdi, maar diep van binnen wel degelijk. Ook imiteren wij desgevraagd met onze stem trompetten of andere blaasinstrumenten.

5 reacties

Opgeslagen onder Muziek

Droom van Oriënt

Hoe ik ertoe gekomen ben, oriëntalist te worden, werd mij gisteren gevraagd. Ten grondslag aan zowel de oriëntalistiek als het oriëntalisme ligt misschien altijd de oosterse droom.
.
Mijn ouderlijk huis was op loopafstand van het Tropenmuseum in Amsterdam. Na de verplichte kerkgang op zondagochtend ging ik vaak ’s middags naar dat museum. Daar was vaak iets te doen: Indra Kamajoyo danste er bij voorbeeld, of er werden Javaanse sproken voorgedragen, over Kancil het guitige dwerghert, of iets uit de Mahabharata. Het mooiste was als een enkele keer het gamelanorkest speelde, eventueel met wayangspel. Toen ik wat ouder was zoog ik mij vol aan de oriëntalistische boekhandel die daar was.
.
Na verloop van tijd wist ik het: ik wilde naar Indonesië om iedere nacht de gamelan te horen spelen. Dat er ook brood op de plank moest hield me niet bezig. De beste manier om ernaar toe te werken leek me Indonesische Taal- en Letterkunde te gaan studeren. Dat zou in Leiden moeten gebeuren en ik wilde niet uit Amsterdam weg. Maar om Indonesisch te studeren moest je vroeger eerst Arabisch en Sanskriet gedaan hebben, en Arabisch kon in Amsterdam, dus als ik daar dan eens mee begon … . In dat Arabisch bleef ik hangen, hoewel het Midden-Oosten helemaal niet mijn droomwereld was. Maar bij Arabisch hoorde voor het kandidaatsexamen ook Hebreeuws; dat lag me wel, dus ik vond het goed zo. Later kwam ik toch in Leiden terecht, waar ik nog drie jaar Indonesisch en klassiek Maleis gestudeerd heb. Sanskriet was inmiddels geloof ik afgeschaft, Javaans was me toch te lastig en mijn hoofdvak werd Arabisch. Egypte, waar ik terecht kwam, was allesbehalve een oosterse droom, eerder een obsessie. Na Egypte heb ik nooit meer aan Nederland kunnen wennen en ik ging nog vaak ‘terug’.
.
Waarom dat gedroom? Het was heel eenvoudig: ik was niet gelukkig met mijn werkelijke omgeving en wilde dus weg. Van koloniale verlangens was helemaal geen sprake. Ik wist best dat we Indië niet meer ‘hadden’ en hoorde om mij heen genoeg praten over het onaangename heerschap Soekarno, dat daar nu de scepter zwaaide. Maar dat doorbrak de droom niet.
.
Dromen was niet het enige wat ik deed: ik ging ook gewoon naar school, luisterde naar Europese muziek en leidde een normaal leven. Maar die oosterse droom was sterk genoeg om een groot deel van mijn verder leven te bepalen, al was hij niet gericht genoeg om mij naar Indonesië te brengen.
.
Er waren ook Nederlanders die gerichter droomden en het gewoon deden. Bernard IJzerdraat (1926–1986) slaagde er gedurende de oorlog in met grote volharding zelf gamelaninstrumenten te bouwen, waarop hij met zijn groep Babar Layar o.a. in het Tropenmuseum uitvoeringen gaf. In 1956 vertrok hij naar Indonesië, waar hij onder de naam Suryabrata verder leefde als hoogleraar in de musicologie. De huidige hoogleraar Javaans in Leiden Ben Arps liet zich in Surakarta opleiden tot dalang (wayangpoppenspeler).
===============
Er bestaat of bestond in het Midden Oosten ook een droom van het Westen. De studenten in Egypte wisten het indertijd zeker: in Europa hoef je maar een bar binnen te lopen of je wordt aangeklampt door bereidwillige jonge vrouwen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziek, Orient, Persoonlijk

Des mulders lust

Dat was even een impasse in het zingen. Het was paasvakantie, dus twee weken geen les. Schumanns cyclus Dichterliebe hadden we door; de laatste twee liederen waren eigenlijk iets te moeilijk voor mij geweest. Nu ja, het gaat sowieso om een eerste kennismaking met de literatuur; van een behoorlijke uitvoering met andere mensen erbij kan nog lang geen sprake zijn.
.
Maar nu was Schuberts Schöne Müllerin aan de beurt, en het eerste lied daarvan, Das Wandern ist des Müllers Lust, is eigenlijk een stuk gemakkelijker. Ja, het is doodsimpel en ik ken het al zestig jaar in ettelijke uitvoeringen, dus wat lette me? Maar in de praktijk bleek het juist steeds moeilijker te worden: die eenvoud is bedrieglijk, mijn strot kneep zich steeds dichter bij dit lied en toen ik het vanmiddag op les zou voordragen klonk het erbarmelijk. Geen wonder, want vanmorgen in bed voelde mijn keel al rauw aan, het leek wel of ik verkouden was, maar dat was niet zo: achteraf gezien was het gewoon zelfsabotage.
.
Op zo’n moment is mijn leraar onbetaalbaar. Die gaat dan eerst aantonen dat mijn stem niet weg is maar geheel ter beschikking staat; hij trekt die strot weer vlot met kleine oefeningetjes: zing het hele lied nu eens op nej nej nej, spreek de woorden gewoon eens uit, doe die eerste twee a’s eens voor in de mond; als die achter in de keel schieten is de rest ook verloren. En spreek zonder de lijn los te laten, zodat het niet hakkerig wordt en je steeds weer opnieuw moet beginnen. Tenslotte nog een paar regels op wuiya, en dan op noten en op tekst. Na een poosje ging het wel, maar het klonk wat afstandelijk. Toen had de leraar een ander idee: kijk dat lied thuis nog maar eens door, dan doen we nu even het tweede lied: Ich hört’ ein Bächlein rauschen. Dat kende ik ook wel van horen—wie kent het niet? O Bächlein, sprich, wohin?—maar ik had het niet ingestudeerd. Het werd dus een improvisatie. En ziedaar: dat ging ineens prachtig! De stem was er weer helemaal, en de bij de tekst horende gevoelens waren er ook.
.
Dit komt overeen met de ervaring van heel mijn leven: als je iets probeert, ergens je best op doet, gaat het gegarandeerd niet, maar zo spelenderwijs komt er soms best iets aardigs uit. Dat was  bij de wetenschap net zo: zwaar getob met betrekkelijk geringe resultaten, terwijl zo’n stukje voor een blog, ach, dat gaat wel.
.
Toch ga ik dat tweede lied voor volgende week instuderen; maar vooral niet te vlijtig!

1 reactie

Opgeslagen onder Muziek, Persoonlijk

Aimez-vous Brahms?

Met het kleine vocaal ensemble dat mijn zangleraar Daniel heeft samengesteld uit zijn leerlingen hebben we op een concertje wat liederen van Brahms gezongen. Geen zwaar programma; er waren nog twee andere ensembles.
Dat ging goed, omdat we allemaal leerlingen van Daniel en dus op elkaar afgestemd zijn. Bovendien laat hij nooit te moeilijke muziek zingen: precies wat we kunnen en dat dan tot dicht bij de perfectie, al is die ditmaal bij het laatstgenoemde lied niet helemaal bereikt. Omdat er maar drie tenoren zijn voelde ik me redelijk belangrijk. In drie liederen zingt er een voorzanger, terwijl het koor dan telkens invalt met een kort refrein. Dat bood gevorderde leerlingen de kans, een bescheiden solo te zingen. Maar wij tenoren zijn geen van drieën al aan solo’s toe. In Verstohlen geht der Mond auf waren wij dus met ons drieën de voorzanger. In  de hieronder genoemde uitvoering is het mijn leraar.
.
Ons programmaonderdeel was als volgt:
Erlaube mir, feins Mädchen.
Es stunden drei Rosen,
Nachtigall sag.
Verstohlen geht der Mond auf.
Der Gang zum Liebchen of deze opname.
Wechsellied zum Tanz

De opnamen zijn overwegend van het Chamber Choir of Europe.
.
Houd ik wel van Brahms? Heel vroeger al mocht ik graag de pianotrio’s en -kwartetten, het vioolconcert en andere instrumentale muziek beluisteren. De platen daarvan zijn vrijwel stukgedraaid. Ook de liederen zijn mooi, al hebben ze soms wat rare teksten. De Romantische Liebeslieder, waarvan ik er vroeger als bas al een paar heb meegezongen, zijn schitterend! Maar minder genietbaar is Brahms als hij christelijk of levensbeschouwelijk wordt; ik ben zelfs een keer weggelopen uit een koor dat Ein deutsches Requiem instudeerde. Nee, dat blief ik niet.
Als je in koren zingt bestaat de helft uit geestelijke muziek. Monteverdi, Bach, Schütz, zo nodig Bruckner, alles prachtig. Alleen Brahms moet wat mij betreft liever niet ‘geestelijk’ worden. Waarom begrijp ik zelf niet.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziek

Hoge toppen

‘Lekker dooiweertje,’ dacht ik nog toen ik naar buiten stapte, en de volgende seconde lag ik op mijn rugzak: regen had de nog koude bodem spiegelglad gemaakt. Dank zij dat ding is er niks gebeurd, behalve een geplet twaalfuurtje. Het was zaterdagochtend, ik moest naar het kasteel voor weer acht uur koorrepetitie: de generale repetitie voor het concert van gisteren. Op de rijbaan was gestrooid, ik kon de bus bereiken; die reed, en pas bij het kasteel kwam het volgende probleem: de laatste meters van de halte naar de ingang, schuin omhoog. Enkele anderen waren daar ook al aan het schuifelen, alleen op het allerlaatste stuk was gestrooid. Heel voorzichtige stapjes, het is gelukt. Voor de carnavalsvierders op de markt is zulk weer veel erger.
.
Het werd een zware dag: er was geen koffie en ditmaal moesten we vele uren staan, waar ik ’s avonds helemaal kapot van was. Lag dat aan mijn knie? Nee eigenlijk niet: die kunstknie is op het ogenblik het sterkste lichaamsdeel dat ik heb. Titanium, made in Switzerland.
.
Gisteren hoefde ik pas om twee uur te verschijnen. Op zondag rijdt er geen bus, dus dat werd alpinisme door verse sneeuw, knerp knerp, met spikes onder de schoenen, en op de terugweg die eindeloze glibberige trappen af door weer smeltende sneeuw, trede voor trede en vasthouden aan de leuning. Anderhalf uur lichte repetitie nog, en daarna omkleden in de pseudo-renaissance kostuums. Ik houd daar niet zo van, maar het had een voordeel: het nam de ernst uit het werk weg, iedereen stond elkaar lachend te bekijken en te helpen met het dichtrijgen van korsetveters en dergelijke. De stemming werd feestelijk, en zo was ook de uitvoering, waarin er maar heel weinig misging.
.
Hebben we mooi gezongen? Ik kan dat zelf nooit beoordelen als ik er midden in zit, maar iedereen zei van wel en het verliep allemaal vlot. De dirigente was ook tevreden. De leegte na het concert werd gevuld met de resterende schuimwijn en daarna een etentje in een restaurant. Zo is het goed. Nu kan de volgende era aanbreken: de periode na het concert. Donderdag beginnen we meteen aan het volgende. In februari is er altijd een werelds concert (carnaval!), in november een geestelijk. Het eerste stapeltje nieuwe noten dat is uitgedeeld is een zesstemmige mis van Palestrina. Ziet er wat makkelijker uit dan Monteverdi. We gaan wel aan de grenzen van wat er met een amateurkoor mogelijk is, of zelfs iets erover heen, maar iets anders zou ik niet willen.
.

Foto Heidi Marek

De zaal was helemaal vol, wat plezierig was en goed uitkwam voor de kas. Zaterdag oefenden we ook al in de vorstenzaal, maar die bleef toegankelijk voor toeristen die het kasteel kwamen bezichtigen. Zo kwamen er af en toe mensen langs die even gingen zitten om naar ons te luisteren, en dat vond ik eigenlijk leuker dan het publiek van gisteren. Dat van zaterdag was een toevalspubliek, dat voor een deel zichtbaar verbijsterd was: zoiets hadden ze van hun levensdagen niet gehoord. Vooral die twee gehoofddoekte dames met dochtertje, en een hele groep toeristen uit een ver land. Ze hielden allemaal respectvol hun mond en bleven lang zitten. Ontroerend.

Recensie uit het sufferdje

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Marburg, Muziek

Nee, dank u

Star Wars, Wagner, Olympische Spelen, popmuziek, disco, Harry Potter, motorfietsen, gedoe met dinosauriërs, Tolkien, electronische muziek, fascisme, Disneyland, science fiction.
.
Wat hebben al deze cultuuruitingen met elkaar gemeen? Dat ik er niets van moet hebben. Gelukkig blijft er nog heel veel over.

6 reacties

Opgeslagen onder Kunst, Literatur, Muziek

Uitblijvende vreugde

Had ik niet heel blij moeten zijn? Daar was nu toch alle reden voor. Maar misschien zinkt het nog langzaam in.
.
Er was gisteren namelijk een doorbraak. Al enige tijd kon ik af en toe hoge tonen zingen, maar niet als er veel achter elkaar kwamen en later in het stuk nog meer. Dan zong ik één regel goed en klapte daarna dicht. Dat was gisteren niet het geval: een beangstigend hoog gelegen koorpartij kwam er vlot, zuiver, mooi en niet bang uit. Dat betekent dat ik toch echt een tenor ben, waaraan ik de laatste tijd wel eens twijfelde, ook omdat ik een stuk lager kom dan vele andere tenoren. Er is dus ook geen reden meer om bang te zijn voor het lied Ventz hardis, dat ons koor volgende week in het kasteel zal zingen. Daarvan had ik tot nu toe de helft stiekem niet meegezongen, maar dat kan nu veranderen. Als de ervaring herhaalbaar is tenminste.
.
Misschien komt deze doorbraak me zo weinig opzienbarend voor omdat zij voor mijn gevoel een natuurverschijnsel was, dat aan mij geschiedde en waartoe ik niets heb bijgedragen. En omdat het lied verder niet zo moeilijk was, was er dus geen prestatie. Dat is niet helemaal waar: ik heb mijn oefeningen gedaan, en zangleraar Daniel had me kundig ingezongen (ja, dat werkwoord wordt overgankelijk gebruikt). Maar deze hoge tonen kwamen er moeiteloos en geheel vanzelf uit. Zij zongen zichzelf, en zo moet het ook zijn. Al het andere leidt tot lelijke klanken en slijtage aan de stem.
.
Dat ik nu niet jubel betekent niet dat deze ervaring niet bijdraagt tot mijn alledaagse levensgeluk. Dat bestaat echt en wordt samengesteld uit een reeks van positieve ervaringen: een artikel dat afkomt, een arts die zegt dat alles goed is (dat is overigens gelogen!), een aardige dame met wie ik ga eten.
Maar een uitbundig type ben ik niet. Met verbazing sla ik altijd gaande hoe bijvoorbeeld sportmensen, als ze iets gewonnen hebben, elkaar in de handen of op de schouders slaan of de vreugdetranen laten stromen op het erepodium. Ik ben ook wel eens geprezen om een succes, maar denk dan: hè, wat een ophef, zo is het wel goed—en vervolgens constateer ik andermaal dat champagne toch echt niet mijn drank is.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziek, Persoonlijk

Doorzingen

Een kennis van me is uit haar koor gegooid, omdat ze te oud is of zou zijn. Maar ze is twintig jaar jonger dan ik! Mij zal dat niet overkomen, want onze koorleidster is zelf zeventig. Bovendien groeit mijn stem nog.
.
De enige reden om iemand uit een koor te gooien is dat anders jonge mensen nooit een kans krijgen om mee te zingen. De stem veroudert pas op zeer hoge leeftijd, tachtig of zo, bij vrouwen vaak wat eerder dan bij mannen. Wel zijn er veel mensen die hun stem kapot gezongen hebben. Dat geldt ook voor professionals en zelfs beroemdheden, die roofbouw op hun stem gepleegd hebben en dan op hun vijftigste of nog eerder moeten ophouden (Maria Callas!). En onlangs ontmoette ik een echte operadiva, die had moeten stoppen nadat haar stembanden door een virusinfectie waren aangetast.
.
Aan den lijve merk ik wel dat er andere redenen kunnen zijn om te stoppen met zingen.
– Toenemende doofheid. Ik hoor vaak niet wat de dirigent zegt. Maar daar zijn apparaten voor.
– Geheugenzwakte. Een lied dat ik vorige week nog bijna uit het hoofd kende lijkt vandaag weer als nieuw.
– Verzwakking bewegingsapparaat. Dat gaat nu weer bij mij, maar er was een tijd dat ik moeite had op een trapje of podium te stappen. Zou je in zo’n toestand wel de trap in de Scala op kunnen komen? Of bescheidener: zou je dan in een operakoor kunnen optreden, waar je als boer of matroos verkleed over het toneel heen en weer moet rennen of ergens op klimmen?
– Algemene vermoeidheid. Op een zaterdag acht uur repeteren en de volgende dag weer, dat is zwaar werk.
.
Maar ik stop nog niet hoor; nee, nog lang niet. Op 11 februari uitvoering van o.a. twee onbeschrijflijk prachtige werken van Monteverdi: de Lamento di Arianna en de Sestina. Er komen nog veel repetities. Ik hoef dan geen matrozenpakje aan, maar wel een renaissancekostuum en een muts met een veer. Had ik veel eerder op moeten zetten.

5 reacties

Opgeslagen onder Muziek

Overtocht geweigerd

De radio zegt dat we binnen moeten blijven vanwege de orkaan. De vorige orkaan viel nogal mee, maar goed, ik zal verstandig zijn, wil tenslotte geen boom op mijn kop of deuk in de auto. Dan is er nu even tijd om te kijken naar die aardige dialoog in sonnetvorm van Ronsard (1524–85), in de toonzetting van Antoine de Bertrand († 1581), die wij op het ogenblik zingen.
Er zijn sonnetten van Ronsard in poëtisch Nederlands vertaald; zie hier. Ik kan dat niet, maar wil het gedicht toch laten zien. Dan maar in proza.
Een verliefde, die aan liefde sterft wil door de veerman Charon over de Styx worden overgezet naar de onderwereld. Maar die wil met de Liebestod niets te maken hebben; dat is immers een zaak van de Meester der Goden (= Amor).

Hola, Caron, Caron, nautonnier infernal!
Qui est cest importun, qui si pressé m’appelle?
C’est l’esprit espleuré d’un amoureux fidelle
Lequel pour bien aymer n’eust jamais que du mal

Que cherche tu de moy? Le passage fatal.
Qui est ton homicide? Ô demande cruelle!
Amour m’a faict mourir. Jamais en ma nacelle
nul qui meure d’amour je ne conduis à val.

Et de grace, Caron, reçoy-moy en ta barque!
Cherche un autre nocher, car ny moy ny la Parque
n’entreprenons jamais sur le maistre des dieux.

J’iray donc maugré toy, car j’ay dedans mon âme
Tant de traiz amoureux et de larmes aux yeux

Que j’en feray le fleuve, et la barque, et la rame.

Ziel: Hé, Charon, veerman naar de onderwereld!
Charon: Wie is die drammer die zo haastig om mij roept?
Z.: De ontroostbare geest van een trouwe minnaar,
dien zijn oprechte liefde niets dan leed heeft gebracht.
.
Ch.: Wat wil je van mij? – Z.: De dodelijke overtocht.
Ch.: Wie heeft je gedood? – Z.: O wrede vraag!
Liefde heeft mij omgebracht. Ch.: Nooit heb ik in mijn schuit
iemand die sterft van liefde naar beneden gebracht.
.
Z.: Ach toe, Charon, laat mij in je boot stappen!
Ch.: Zoek jij maar een andere schipper, want ik noch de Parce
mengen ons in de zaken van de Meester der Goden.
.
Z.: Overvaren doe ik toch, want ik heb in mijn ziel
zo veel liefdespijlen, en in mijn ogen zo veel tranen,
dat ik er rivier, boot en roeispaan van kan maken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Literatur, Muziek

Zanguitvoeringen 2017 (voor tarchief)

Na weer een heleboel zingen buitenshuis wens ik U eerst een gelukkig 2018. Ik zag ergens vele klavertje-vier-plantjes; die zouden geluk moeten brengen, maar als ze gekweekt zijn werkt het niet denk ik, dus we moeten het maar met wensen doen.

En dan kunt U nu weer wegklikken, tenzij U van muziek houdt. Want nu zal ik de lijst aanvullen van de werken die ik in 2017 heb meegezongen bij een openbare uitvoering. Vooral voor mijn eigen archief, maar U mag best meekijken en meeluisteren; vandaar de links naar goede of juist heel merkwaardige uitvoeringen bij Youtube. Ik heb daar bij voorkeur uitvoeringen met weinig zangers gekozen, voor grotere duidelijkheid, meer vakmanschap (dan zijn het solisten!) en omdat ik me dan zo lekker kan vereenzelvigen met een bepaalde zanger. Zelf zing ik in ensembles van 12–35 personen, meestal a capella. Als je in een groepje van drie tenoren zingt ben je geen solist, maar toch wel behoorlijk belangrijk. Het liefst zou ik solo zingen, maar of ik dat nog meemaak? 

– Gregoriaans: Graduale triplex: Alleluia – Laudabitur iustus in Domino
– Hans Leo Hassler (1564–1612), Nun lob mein Seel, den Herren
– Melchior Vulpius (1570–1615), Lobt Gott den Herrn, ihr Heiden all
– Heinrich Schütz (1585–1672), Frohlockt mit Freud, ihr Völker all, Verleih uns Frieden genädiglich  of deze
– Johann Hermann Schein (1586–1630), Die mit Tränen säen
– Johann Walter (1496–1570), Wach auf, wach auf, du deutsches Land
– Thomas Tallis (1505–1585), If ye love me
– Orlando di Lasso (1532–1594), Madonna, mia pietà, Bonjour mon cœur
– Claudio Monteverdi (1585–1672), Adoramus te Christe a 6 (opname is precies en mooi aetherisch, maar wat week naar mijn smaak.)
– Henri Purcell (1659–1695), Magnificat in C: My soul doth magnify the Lord
– G.F. Händel (1685–1759), Joy to the world, O Thou that tellest good tidings to Zion
– Felice Gardini (1716–1796), Viva tutte le vezzose
– Josef Haydn (1732–1809), Die Beredsamkeit, Die Harmonie in der Ehe
– Karl Nenner (1778–1839)/ Max Reger (1873–1916), Schlaf wohl, du Himmelsknabe du
– Gioachino Rossini (1792–1868),  Quando corpus morietur
– César Franck (1822–1890), Panis angelicus
– Anton Bruckner (1824–1896), Motetten:  Virga Jesse floruit, Ave Maria gratia plena, Os iusti, Locus iste, Christus factus est
– Johannes Brahms (1833–1897), Warum ist das Licht gegeben dem Mühseligen, Waldesnacht, Darthula’s Grabesgesang, Vineta
– Gabriel Fauré (1845–1924), Cantique de Jean Racine
– Max Reger (1873–1916), Unser lieben Frauen Traum
– Zoltan Kodaly (1882–1967), Adventi émek
– Waldemar Åhlén (1894–1982), Sommarpsalm
– Maurice Duruflé (1902–1986), Kyrie eleison uit het Requiem in D-klein
– Heinrich Poos (1928––), Unser Vater aus ‘Ein Stundenbuch’
– Audrey Snyder, Ubi caritas

Ingestudeerd, maar toch niet openbaar uitgevoerd:
– John Dowland, If my complaints could passions move (niet uitgevoerd, want we kregen ruzie. Sommigen vonden dat het veel vlugger en hakkeriger moest worden uitgevoerd. Zou kunnen, maar dan wordt het meteen veel moeilijker.)
– Gioacchino Rossini (1792–1868), Toast pour le nouvel an (toen we het klaar hadden was het ogenblik al voorbij.)

In bewerking voor uitvoering in februari 2018:
– Toinot Arbeau (1519–1595), Belle, qui tiens ma vie   of deze
– Andries Pevernage (1542–1591), Secourez moy madame (is geen opname van; tekst hier)
– Jakob Buus († 1565) (geen opname)
– Anthoine de Bertrand (1540?-1581?), Hola Caron, nautonnier infernal (geen opname)
– Du Chemin (1552), Vents hardis (geen opname)
– Claudio Monteverdi (1585–1672), Madrigali, boek 6: Lamento di Arianna, Sestina

Hoogtepunten voor mij zijn Schein, Die mit Tränen, Schütz, Verleih, alles van Monteverdi, Brahms, WarumDuruflé en Reger vond ik niet veel aan.

Tussen de schuifdeuren kan en durf ik pas na nog minstens een jaar. Toch al solo gestudeerd, maar natuurlijk niet in de openbaarheid gebracht:
– Tommaso Giordani (1730–1806), Caro mio ben
– Schubert, Am Brunnen vor dem Tore
– Schubert, Schäfers Klagelied
– Schubert, Lied eines Schiffers an die Dioskuren
– Schumann, Dichterliebe (geheel)
– Gabriel Fauré, Au bord de l’eau

3 reacties

Opgeslagen onder Muziek