Categorie archief: Muziek

Roeien met muziek

Het andere bed heb ik weggedaan; daar ligt toch niemand meer in. Waar het vroeger stond, staat tegenwoordig een joekel van een roeiapparaat, een zog. water rower. Het geeft bij het roeien het geluid van roeiriemen in water, net echt en erg prettig, ook voor de buren.

Fietsen in regen en natte sneeuw en kou is niet prettig. Lopen doe ik eigenlijk eigenlijk alleen omdat het moet, om van A naar B te komen. Maar dat roeien is een plezierige manier om een beetje gezond te blijven, al kan ik mijn ene knie niet meer helemaal buigen. Het gaat ook steeds sneller en harder.
De beweging is gemakkelijk, ik heb dus alle tijd om te mediteren, als dat zo uitkomt, en de nieuwste ontdekking is, dat ik tijdens het roeien door middel van een koptelefoon naar muziek kan luisteren. Ja, werkelijk heel geconcentreerd, ook lange stukken, zonder door iets te worden afgeleid. Een uitstekende combinatie.

Meestal luister ik naar Hilversum 4. Vreemd misschien, maar hoewel het geouwehoer ook op die zender steeds toeneemt is de muziekkeuze nog altijd heel fijn. Niet zo van die bulderende symfonieën, vaak kamermuziek. Daar kan de Hessische Rundfunk niet aan tippen.

1 reactie

Opgeslagen onder Gezondheid, Muziek

Muzikale ontwikkelingsgang (1)

Houd ik eigenlijk wel van muziek? Ik ben er nogal mee bezig, en dat geheel vrijwillig, dus het zal toch wel. Maar er waren ook perioden zondere muziek, dat ging ook best. En van Wagner en van Reger en nog zo een paar houd ik zeker niet, en van symfonische muziek steeds minder. Om van popmuziek maar te zwijgen; in het algemeen niet van electronische of electronisch versterkte muziek. Daarentegen weer wel van klassieke en oude muziek, kamermuziek, opera’s, en ook Perzische, Turkse, Griekse en Arabische muziek, in die volgorde.

Voor mijn geboorte heb ik mijn moeder waarschijnlijk horen zingen, en daarna ook. Dat herinner ik me niet goed, maar het zal toch bepalend zijn geweest. Ja, mijn moeder zong wel wat, en ze speelde op het harmonium: een akelig maar onvermijdelijk instrument in een gereformeerde omgeving. Maar ze deed niet alleen maar psalmen, ook liedjes en schlagers. Een vroege muzikale herinnering is ook het Ambonese gezin dat we een tijdje in huis hadden (Emigrant berichtte). De vader speelde accordeon, wat mij als kleuter fascineerde.

Psalmen en gezangen moet ik ook gehoord hebben in de huizen van mijn familie, en toen ik wat groter werd in de kerk. Harmoniums waren overal, en psalmboeken, en de liedbundel van Johan de Heer (‘Daar ruischt langs de wolken …’). Geen geweldige muzikale ervaringen. Mijn moeder zal me het notenschrift hebben bijgebracht—ik zie die dikke brede christelijke halve noten nog voor me—en de ligging van de tonen op het toetsenbord van het harmonium. Daar begon ik zelf op te knutselen, die melodieën naar beste vermogen te spelen. Aan harmonieën ben ik nooit toegekomen. Op een dag was het harmonium weg en werd mijn muzikale zelfeducatie dus in de kiem gesmoord.

Ik heb altijd gedacht dat het harmonium verdween door de Watersnood van 1953, maar dat kan toch niet zo geweest zijn. Want ik herinner mij die bundels met noten heel goed, en ook de teksten van de liederen die ik ‘instudeerde’. Liedjes zoals Witte Rozen (zie ook hier), Auf der Heide blüh’n die letzten Rosen, van 1939, Sarina het kind uit de dessa (jazeker, die stampte in 1949 haar padi nog tot bras; het liep niet goed met haar af), en enige andere. In 1953 werd ik zes; toen kan ik dat nog niet gekend en begrepen hebben. De verdwijning van het instrument moet dus later geweest zijn, wanneer en waarom weet ik niet meer. Misschien toen mijn grootouders kleiner gingen wonen; was het 1957?

In Amsterdam kwam de blokfluit in mijn leven, op de lagere school. Jaren lang was dat het enige middel waarmee ik mij muzikaal kon ontwikkelen, maar dat deed ik dan ook; ik deinsde voor de Matthäus Passion niet terug. Het zal niet om aan te horen zijn geweest, maar je leert zo’n stuk dan toch een beetje kennen. Dat was namelijk de enige partituur die er in huis was. Mijn moeder nam die mee naar de jaarlijkse uitvoering, en mij nam ze vanaf een zekere leeftijd ook mee. En ook wel eens naar andere concerten, in Amsterdam of Breda. Ik denk dat mijn moeder best muzikaal was, maar om dat te ontwikkelen ontbrak de impuls, of ze kreeg de kans niet. Mijn eerste keer in het Concertgebouw, hoe oud zal ik geweest zijn, tien? heeft grote indruk op me gemaakt. Zo groot dat ik het flesje prik dat ik in de pauze kreeg helemaal verdroomd in het glas goot, dat echter te klein was voor de inhoud van het flesje, zodat ik een dame in een mooie jurk onder spatte, die daarop boos werd.
Mijn vader was niet zo zeer onmuzikaal, hij was anti-muzikaal, wat een en ander niet vergemakkelijkte.

De kerk bood weinig soelaas. Psalmen en gezangen vond ik niets aan. Op het orgel werd ook wel eens een andere deun gespeeld, maar weinig overtuigend, en ik hield niet van het instrument. In Amsterdam was er wel een kerkkoor, dat ook pretentieuze stukken zong. Ik heb er geen kippenvel aan overgehouden. Bij de katholieken werd beter gezongen, dat was mij niet ontgaan. Een hoogtepunt was het overlijden van een buurman in het dorp, een vooraanstaand katholiek, waardoor het mogelijk werd de twee uur durende Requiem-mis bij te wonen en dat was prachtig. Ik moet toen twaalf of dertien zijn geweest, want een beetje Latijn kende ik toen al. Asperges me hysoppo ut mundabor, herinner ik mij, en het vreemde geel-grijze papier van het tweetalige tekstboekje dat werd uitgereikt. Kerkelijk drukwerk is altijd anders.

(wordt vervolgd)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziek, Persoonlijk

Waaier

De Salzburger Festspiele gaan wel door dit jaar, onder corona-voorwaarden natuurlijk, en daartoe behoort dat u uw waaier thuis moet laten. Men heeft de pretentie dat uw aerosolen door de airco loodrecht naar boven worden gezogen en wil voorkomen dat zij door waaiers zijwaarts door de zaal worden geduwd.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Gezondheid, Kunst, Muziek

Mini-herinnering: Bad Wildbad

In juli 2004 reed ik eens, nog vanuit Frankfurt, naar Bad Wildbad om het oriëntaalse badhuis te bekijken. Met de trein naar Pforzheim, geen mooie plaats, en vervolgens met de S-Bahn tot Bad Wildbad, dat ingeklemd ligt in een smal dal, waar je uit kunt ontsnappen met een klein bergtreintje. Het badhuis was interessant vanwege het oriëntalisme. De koning van Württemberg had daar in 1847 boven de heetste bron een badgebouw neergezet, een normaal, saai Europees gebouw in Rundbogenstil, met een vorstenbad, heren- en damesbaden en aan de achterkant zelfs een armenbad, zodat de armen ook eens konden badderen. Van 1896 tot 1901 werd het echter maurisiert, d.w.z. in oosterse stijl omgebouwd. Moors was destijds in de mode en werd spannend en chic gevonden, waarom begrijp ik nog steeds niet. Ik besloot twee Anwendungen te nemen, om dat ook eens mee te maken. Wellness zou dat tegenwoordig heten. Iets met kneden en iets met modder, nogal vervelend, maar de badinrichting heb ik in ieder geval van alle kanten gezien. Verder stond de plaats vol klinieken en herstellingsoorden, waaronder erg lelijke. Het zou nog jaren duren voordat ik zelf ziek genoeg was om een kuuroord nodig te hebben, dus ik onderging het geheel met enige verbazing.
.
Maar Bad Wildbad had een verrassing te bieden: er was juist een Rossini-festival aan de gang, en dat bleek wellness voor de ziel. Was er nog een kaartje? Ja, dat was er, voor Ciro in Babilonia, ossia La Caduta di Baldassare, ofwel Belsazars Feest. Nog meer oriëntalisme dus. En een kamer in hotel Bären was er ook nog; dat bestaat nu niet meer. De klad zit in het kuurwezen; er moet nu op mountainbikes door de bossen geragd worden.
.
De uitvoering vond plaats in het kleine Kurtheater en was voor mij een openbaring. Tegenwoordig zul je niet gauw vervelende Rossini-uitvoeringen meer meemaken, maar vroeger wel. Het was een componist die in de twintigste eeuw niet meer goed begrepen was; daar kwam nog bij dat Rossini-geschoolde zangers nog zeldzaam waren. Ciro dateert van 1812 en was in de negentiende eeuw geen succes. Maar die festivals, soms in Bad Wildbad, soms in Pesaro of Spoleto, stelden zich ten doel vergeten opera’s weer boven water te halen en het oorspronkelijke Rossiniaanse belcanto in ere te herstellen; ze hebben daar groots werk verricht. Dus daar hoorde ik voor het eerst een ‘echte’ Rossini-uitvoering. Ook mensen die niet zo van opera houden kunnen met Rossini een lollige avond hebben: easy listening, alles glijdt lekker uit de kelen en iedereen heeft plezier. Van die uitvoering in 2004 bestaat zelfs een CD, maar die heb ik niet. Een indruk van Ciro in B. krijgt u hier.
Het hotel zat vol met internationale operakenners. Omdat ik zelf nog niet zo bekend was met opera luisterde ik verbaasd naar de gespecialiseerde gesprekken: vergelijkingen met de uitvoeringen in Spoleto, waar de sopraan toch nét even … enfin, dat soort inside-praat.

2 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Kunst, Muziek, Trein&tram, Zingen

Dichterliebe

Een prachtige nieuwe uitvoering van Schumann’s Dichterliebe: Jonas Kaufmann en Helmut Deutsch.
.
Alleen in een groot theater, maar zij zingen en spelen er niet minder om.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziek, Zingen

Roza

Ziehier een zeibekiko van Roza Eskenazi uit 1935.

Ik weet wel dat maar twee van mijn lezers dit mooi zullen vinden, maar ik was er erg door aangedaan.

6 reacties

Opgeslagen onder Muziek, Nabije Oosten

Carnavalsconcert 2020

Gisteren had Canticum Antiquum weer zijn jaarlijkse carnavalsconcert in het kasteel van Marburg. Madrigalen en dansen uit de zestiende en zeventiende eeuw. Buiten stormde en regende het, maar het gebouw stond als een rots, en op een rots. Binnen heerste soms een serene sfeer, soms werd er ook wilde dansmuziek ten gehore gebracht. Nou ja, wild voor die tijd dan. Ondanks het weer zat de zaal vol. Er stonden achtentwintig kortere stukjes op het programma, die samen een gelukkig etmaal besloegen: La giornata fortunata. In elf daarvan heb ik meegezongen. Het was als altijd een zware klus, maar de moeite waard. Dit keer droeg ik een rode maillot en een groene … eh, dinges, en een rood-groene muts met een veer, allemaal in de felle kleuren die vroeger nog niet bestonden. Het is carnaval tenslotte. Bijzonder was de begeleiding door een theorbe en een zink, instrumenten die men maar zelden te horen krijgt. Zink spelen is erg moeilijk en lichamelijk zwaar (bespeling op de wijze van een trompet), maar deze zinkenist kón het en kreeg een extra applaus.
Hier weer opnamen van de stukken uit Youtube, voor zover aanwezig, door professionals gezongen, en de lijst voor het archief. De Monteverdi’s vond ik weer het mooist, maar O sonno is ook niet te verachten, en Che fa; ach, ik kan wel aan de gang blijven.

– Cipriano de Rore (1516–1565), O sonno.
– Philippe de Monte (1521–1603), Splende la fredda luna   
– Adriano Banchieri (1568-1634), Ligustri e rose
– Claudio Monteverdi (1567-1643), Boek 2:1 Non si levav’ancor. Zie daarover reeds hier.
– Philippe de Monte, Al tuo vago pallore.
– Sigismondo d’India (1580–1629, Da che l’alba i poggi indora.
– Domenico Mazzocchi (1592–1665), Soli i colli beati.
– Luca Marenzio (1553–1599), Che fa oggi il mio sole.
– Antonio Brunelli (1577–1650), Balleto a 5 (vanaf @;@@).
– Claudio Monteverdi (1567-1643), Boek 4:19: Piagn’e sospira.
– Sigismondo d’India, Dov‘è dove gì quel sole che sparì en dit, zo ongeveer.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Marburg, Muziek, Zingen

Geen muziek

Nee, ik geef volgende week geen orgelconcert in Lelystad, het is maar dat U het weet. Ik kan namelijk helemaal geen orgel spelen; zelfs niet een klein beetje.
.
Kennissen van me kwamen – in de droom – aanzetten met een poster waarop precies dat werd aangekondigd: een orgelconcert van mij in Lelystad. Anders dan in het geval van de bokswedstrijd in Kirchhain werd ik niet meteen wakker van de schrik, maar besloot de organisatoren van het concert te bellen. Die werden eerst kwaad en toen wanhopig en beweerden dat ik het had toegezegd. Volslagen onzin natuurlijk: soms ben ik te toegeeflijk en stem in met iets wat ik eigenlijk niet wil, maar dat kan hier niet het geval geweest zijn. Ik heb zelfs een hekel aan orgelspel, waarschijnlijk op grond van mijn jeugdervaringen in kerken. Het enige interessante wat ik aan het orgel in onze dorpskerk vond was de blinde man die de blaasbalg bediende. Elektrisch ging die toen nog niet.
.
Toch heb ik in mijn verleden wel valse beweringen en toezeggingen gedaan, maar dat was als kind. Bij de handel in jonge visjes liep alles nog verbazend goed af. Maar met Jan liep het verkeerd.
Het was nog op de lagere school. In de klas zat ook Jan, die ik aardig vond en met wie ik wel vriendje wilde zijn. Hij kreeg vioolles; toen beweerde ik dat ik ook op vioolles zat. Dat was dom natuurlijk, heel erg dom, want nu wilde Jan wel eens ervaringen uitwisselen en later zelfs samenspelen. Wat bedoeld was om mij nader tot Jan te brengen werd de oorzaak van een blijvende verwijdering, want om pijnlijkheden te voorkomen zag ik me genoodzaakt hem uit de weg te gaan. Waarheid moet je leren.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dromen, Muziek, Persoonlijk

Psalmgezang

Gisteren hadden we met ons koor voor oude muziek het jaarlijkse Geistliche Konzert. Dat is altijd in november. Met karnaval brengen we wereldse muziek.
We zongen zes toonzettingen van Psalm 116 van omstreeks 1600. Het ging redelijk goed, maar ik ben toch blij dat het voorbij is. Eigenlijk houd ik meer van repetities dan van uitvoeringen. Dit was wel bijzonder ingewikkelde muziek; maar ja, dat vond ik indertijd van Monteverdi ook. We willen misschien geen andere.
.
De volgende stukken stonden op het programma. Als altijd waar mogelijk een You Tube-opname erbij, die dus niet van ons is.
– Melchior Franck (1579–1639), Psalm 116.
– Heinrich Schütz (1585–1672), Psalm 116.
– Joh. Hermann Schein (1586–1630), Psalm 116.
– Een compositie uit de synagoge in het oorspronkelijke Hebreeuws, gezongen door de bassen. Geen opname.
– Christoph Demantius (1567–1643), Psalm 116. Geen opname.
– Tobias Michael (1592–1657), Psalm 116. Geen opname.
.
De tekst van de psalm in de Duitse vertaling van Luther:
Das ist mir lieb, daß der Herr meine Stimme und mein Flehen höret; das er sein Ohre zu mir neiget; darum will ich mein Leben lang ihn anrufen. Stricke des Todes hatten mich umfangen, und Angst der Höllen hatten mich troffen; ich kam in Jammer und Not. Aber ich rief an den Namen des Herren: O Herr, errette mein Seele! Der Herr ist gnädig und gerecht, und unser Gott ist barmherzig. Der Herr behütet die Einfältigen; wenn ich unterliege, so hilft er mir. Sei nun wieder zufrieden, meine Seele; denn der Herr tut dir Guts. Denn du hast meine Seele aus dem Tode gerissen, meine Augen von den Tränen, meinen Fuß vom Gleiten. Ich will wandeln vor dem Herrn im Lande der Lebendigen. Ich glaube, darum rede ich; ich werde aber sehr geplagt.  Ich sprach in meinem Zagen: Alle Menschen sind Lügner. Wie soll ich dem Herren vergelten alle seine Wohltat, die er an mir tut?
Ich will den heilsamen Kelch nehmen und des Herren Namen predigen. Ich will mein Gelübde dem Herren bezahlen vor allem seinem Volk. Der Tod seiner Heiligen ist wertgehalten vor dem Herren. O Herr, ich bin dein Knecht; ich bin dein Knecht, deiner Magd Sohn. Du hast meine Bande zerrissen. Dir will ich Dank opfern und des Herren Namen predigen. Ich will meine Gelübde dem Herren bezahlen vor allem seinem Volk, in den Höfen am Hause des Herren, in dir Jerusalem. Halleluja!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Marburg, Muziek, Zingen

Alp Arslan in Gießen

Nee, niet de beroemde sultan die U kent van de slag bij Manzikert, waar hij in 1071 de Romeinse keizer Romanós IV gevangennam en bij wijze van bestraffing vervolgens vrij liet. Diens achterkleinzoon is het. In Gießen heb ik de naar hem genoemde opera bijgewoond.
.
Gießen is een stadje dat niet veel groter is dan Marburg, maar wel rijker. Het bezit een eigen theater, klein maar fijn, en een goed operagezelschap. Stel U voor, een eigen opera in een stad als Oss of Alphen aan de Rijn. Ongelofelijk, maar hier bestaat dat. En dit Stadttheater Gießen heeft een opdracht gegeven om een opera te schrijven. Het resultaat is Alp Arslan, met muziek van Richard van Schoor en tekst en regie Willem Bruls. De eerste is een Zuid-Afrikaan, de tweede een Nederlander.
.
In deze opera draait veel om de residentie van de jonge sultan: Aleppo, waarbij natuurlijk telkens gerefereerd wordt aan de recente vernietiging van die prachtige stad. Als Alps vader op sterven ligt weigert de zoon aan het sterfbed te verschijnen. Hij is zestien en te onervaren om Aleppo en omstreken te regeren, in een tijd waarin christelijke Kruisvaarders, Koerden, Ismaïlieten en Druzen de stad bedreigen. Van zijn moeder heeft hij geen steun te verwachten; die heeft nooit van hem gehouden. De enige die hem kan helpen is Lu’lu’, de eunuch die hem heeft opgevoed. Hij haat hem, maar is toch op hem aangewezen. Pest hem met zijn castraat zijn, veracht hem en verkracht hem. Hij wordt steeds gekker, tot de eunuch hem op een dag vermoordt en zijn jongere broer tot sultan benoemt.
De heimelijke hoofdrol is voor de eunuch, de countertenor Denis Lakey. De opera begint met een monoloog van hem, terwijl hij tot zijn kin ingegraven ligt in het zand van de Soedan, en eindigt met een nog indrukwekkender solo-optreden.
Ja, deze muziek is modern, maar van een soort die goed en vanzelfsprekend aan te horen is. Als extra waren er ook stukken Arabische muziek doorheen geroerd, met een Arabisch orkest en een oproep tot het gebed van een echte moëddzin, die boven in een loge stond. Misschien dat zoiets voor het operapubliek hier moeilijk te verteren is, maar voor mij was het heel vertrouwd.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Duitsland, Kunst, Muziek, Nabije Oosten, Niks