Categorie archief: Dieren

Parijs (4): naar de bollen!

Kardinaal d’Estrées, de Franse ambassadeur bij de Heilige Stoel, gaf omstreeks 1680 Vincenzo Coronelli opdracht aan twee grote globes te bouwen, die hij zijn koning Lodewijk XIV wilde schenken: één van de aarde en één van de hemel. Ze werden in Parijs gemaakt en waren voltooid in 1683. De bedoeling was dat ze in het paleis te Versailles zouden worden opgesteld, maar er was een probleem: ze zijn vier meter in doorsnee en bol. Er moest dus iets bedacht worden om ze zodanig tentoon te stellen dat de beschouwer ze van alle kanten kon zien: iets met trappen, een galerij? Plaats genoeg in dat paleis, maar het kwam er steeds maar niet van. De koning wist ook zonder wereldbol zeer wel de halve wereld te regeren—Frankrijk had indertijd koloniën in alle werelddelen behalve Australië, dat (theoretisch) nog onder Nederland viel. De globes werden een aantal jaren in het kasteel Marly-le-Roi neergezet, waar ze veel bezoekers trokken, daarna werden ze in het Louvre geparkeerd, daarna opgeslagen in de BnF, de Bibliothèque Nationale de France. Toen die in 1901 verbouwd moest worden gingen ze alsnog naar Versailles, maar belandden daar in een magazijn. Decennia lang dacht men niet meer aan die lastige dingen, tot er in 1980 eindelijk eerherstel kwam: ze werden herontdekt. Een ingrijpende restauratie was inmiddels nodig; daarna verhuisden van hot naar her tot ze eindelijk rust vonden in de nieuwbouw van de Bibliothèque Nationale, waar iedereen ze kan bekijken. 

Die globes bevatten niet alleen landkaarten maar ook schilderingen van wat er in de verschillende landen te zien is. En in de hemel waren de tekenen van de dierenriem als beesten afgebeeld. Men kan ze heel gedetailleerd in het internet bekijken. Maar ik had het in mijn kop gezet, ze in het echt te zien en begaf mij dus naar die bibliotheek. Ze staan in de catalogus onder de nummers Ge A 499 en Ge A 500 maar u hoeft geen aanvraag in te dienen, u kunt er gewoon naar toe lopen—vooropgesteld dat u goed ter been bent en de ingang van het complex kunt vinden. Dat bestaat uit vier constructies van staal en glas, die opengeslagen boeken moeten  verbeelden—ik zag het er niet aan af. In het midden is een klein bos, ja werkelijk, een Waldstück, en een niveau hoger ligt er tussen de gebouwen een onafzienbare vlakte van tropisch hardhout. Het was redelijk mooi weer, maar hoe is dat in de winter? Je kunt er makkelijk uitglijden en beschutting tegen striemende regen- of sneeuwvlagen ontbreekt. En in de zomer bieden staal en glas geen prettig klimaat voor boeken en bezoekers: de airco zal dag en nacht aan moeten staan. Het complex is gebouwd in een tijd dat grote gebouwen geen noemenswaardige ingang mochten hebben, maar na een lange wandeling vond ik hem toch. Bij de ingang een strenge contrôle als op een vliegveld, daarna nog een halve kilometer(?) lopen en dan eindelijk: de bollen! Het zien daarvan geeft een diepe bevrediging. Nog steeds is er niets omheen gebouwd dat het bekijken van de bovenste helft mogelijk maakt, maar het oorspronkelijke houten rek is wel weggelaten, zodat tenminste de onderste helft goed zichtbaar is. Ik zou me een constructie met assen kunnen voorstellen waardoor de bollen langzaam kunnen draaien, maar ik geloof niet dat het voor de bibliotheek een grote prioriteit is.

Die bibliotheek is overigens zeer te prijzen, het is een der beste ter wereld. Een onafzienbare hoeveelheid boeken en geschriften, de meeste in het Frans natuurlijk. Slechte koffie, maar dat hoort zo, want die is in alle UB’s ter wereld slecht. Wetenschap is een ernstige zaak, die niet in hedonisme moet ontaarden. Heel prachtig is het project Gallica: vier miljoen boeken, waaronder handschriften, zijn op afroep in seconden voor iedereen gratis online te verkrijgen. Zelfs voor de bovengemiddelde lezer is dat ruim voldoende, maar er is natuurlijk veel meer, en echte onderzoekers willen misschien juist eens iets opslaan wat nog niet is gedigitaliseerd. Dan moeten ze betalen voor de digitalisering, maar daarna is het werk voor alle volgende lezers gratis te lezen. 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Dieren, Parijs

Voor ons de zondvloed

1 reactie

Opgeslagen onder Dieren, Onzin Humor

Dierpsychiatrie

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Onzin Humor

Wat vliegt daar?

In Nieuw-Zeeland is een vleermuis verkozen tot ‘Vogel van het Jaar’. De vleermuis is echter ‘een levendbarend zoogdier, dat urineert en menstrueert, en als het loopt doet het dat op vier poten’: mijn auteur Jibril ibn Nuh wist het al in de negende eeuw. Aristoteles had ruim duizend jaar tevoren al geschreven dat de vleermuis ‘iets is tussen een vogel en een viervoeter’. Maar het is niet altijd makkelijk: de christelijke kerkvader Basilius noemt de vleermuis toch een vogel, zij het een levendbarende met vier poten.

Wat vliegt is een vogel, of als het kleiner is een insect. Zo is dat voor eenvoudige zielen.

1 reactie

Opgeslagen onder Dieren

Obesitas

Een reactie plaatsen

28 oktober 2021 · 13:05

Westerse waarde

Tot een van de merkwaardigste westerse waarden behoort, dat dieren soms hoger gewaardeerd worden dan mensen. In Afghanistan bestond bij sommigen de gedachte, dat honden en katten gered moesten worden van de Taliban en per vliegtuig naar het vrije Westen moesten worden overgebracht. Als ik goed geïnformeerd ben is dat een Brit inderdaad gelukt. Nadat hij onder dierenvrienden veel geld had opgehaald kon hij de bewoners van zijn dierenasiel exporteren met een gecharterd vliegtuig. Een vliegtuig vol dieren betekent echter een vliegtuig waarin geen of veel minder mensen konden zitten. De mensen die er niet meer bij konden mochten verrekken onder het Taliban-regime. In het Westen krijgen asiel-dieren veel gemakkelijker toegang dan asiel-mensen.

Op het vliegveld waren er ook talloze honden en katten bijeengebracht die aan westerlingen hadden toebehoord. Voor hen kwam iedere hulp te laat. Het leger trok zijn handen ervan af en plaatste de dieren onder de hoede van de particuliere dierenbescherming. Deze moest op 30 augustus het vliegveld verlaten. De dieren kwamen niet meer weg, althans niet per vliegtuig, en werden losgelaten. Merkwaardig is, dat er onderscheid gemaakt werd tussen gewone honden en diensthonden: dieren dus, die met het Amerikaanse leger hadden gecollaboreerd. Er schijnen in Amerika talrijke mensen te zijn die fel verontwaardigd zijn over de gang van zaken of in diepe rouw verzinken. Vaak zijn dat mensen die volledig ongevoelig zijn voor het lot van Afghaanse mensen. Terwijl ik altijd maar denk: eigen soort eerst! Maar blijkbaar erkennen zij Afghanen niet als de eigen soort, en dat is heel westers.

Het is bekend dat ‘de’ Taliban niet zo op mensen zijn gesteld, maar houden zij ook niet van dieren? Dat weten we niet eens. Wel wordt de import van blikjes honden- en kattenvoer uit Amerika en Duitsland per direct gestopt.

Alle bovenstaande info natuurlijk onder voorbehoud: onderzoek ernaar doen was onmogelijk.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Westen

Avicenna

Het wonen in een kleinere stad heeft ook nadelen. Hier zijn domweg niet alle boeken! Ik had voor mijn onderzoeksproject het boek van Avicenna over de levende wezens nodig. Daar was moeilijk aan te komen, in heel Duitsland zijn er geloof ik maar twee exemplaren van, en omdat het œuvre van Avicenna een bibliografisch monstrum is, was het in de catalogi slecht beschreven en moest ik mijn aanvraag bij de Fernleihe nog eens gedetailleerd toelichten. Maar nu ligt het boek dan op mijn tafel, en nu moet ik het (door)lezen, en een beetje vlug ook, want het moet al betrekkelijk snel weer terug. 482 bladzijden Arabisch van elfhonderd jaar oud met een slechte index, best een klus.

Daarvoor moet ik dus weer mijn hele dagindeling omgooien. Dat was vorige week ook al het geval, toen er ineens vier zangdagen ingevoegd moesten worden, plus een dag daarvan bijkomen. Niet dat het me spijt, het was mooi, maar onrustig is het wel. En op de schaarse zonnedagen moet je ineens weer naar buiten, want wanneer komt er weer één? Een klooster was wel iets voor mij geweest: jaar in jaar uit steeds het zelfde. Maar dat mocht niet zo zijn.

Waarom Avicenna? Ik werk aan een Arabische tekst over de wonderen der schepping en zit (nog steeds) aan het hoofdstuk over dieren, maar daarna komt ook een stuk over de mens. Er komen heel wat citaten van Aristoteles in voor, o.a. uit zijn Historia Animalium. Daarvan bestond al een negende-eeuwse vertaling in het Arabisch, maar mijn tekst biedt een andere vertaling. Er was er dus nog één! Het bestaan daarvan was al geconstateerd, maar kan nu duidelijker worden aangetoond. En nu ga ik kijken welke Aristoteles-vertaling Avicenna heeft gebruikt. Misschien ook die uit mijn tekst, of toch die andere? Dat is van enig belang voor de wetenschapsgeschiedenis. Ja, als Nederland binnenkort onder water loopt, dan hoeft dat allemaal niet meer, maar voorlopig is wetenschapsgeschiedenis nog van belang.

Zo, nu bent u weer helemaal bijgepraat.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Dieren

Mini-herinnering: naar Oost-Duitsland

De DDR in volle glorie heb ik nooit gekend, maar een paar maanden na de val van de muur besloot ik erheen te gaan om de auteur van ons leerboek Arabisch te leren kennen, en natuurlijk ook uit algemene nieuwsgierigheid. En om linten te kopen voor mijn Arabische schrijfmachine van het merk Erika: een Oostduits produkt dat weldra niet meer gemaakt zou worden, dat was te voorspellen, en die linten hadden geen standaardafmetingen. Ik heb ze inderdaad gekocht en nog lang bewaard, maar de schrijfmachine werd weldra overbodig.

Indertijd gaf ik les uit het leerboek van Krahl & Reuschel, een Oostduits werk van grote kwaliteit. Als studenten of andere personen Oost-Berlijn bezochten, vanuit het westelijk deel van de stad, moesten ze verplicht valuta wisselen en van wat er overbleef konden ze mooi weer wat exemplaren van dat boek meenemen. (Ja, jongens en meisjes, in die tijd lazen studenten gewoon nog Duits.)

Het ergste was eraf toen ik het land bezocht, maar officieel bestond de Deutsche Demokratische Republik nog steeds. Aan de grens, op het stationnetje van Oebisfelde, was er een langdurig oponthoud en moest je in een kantoortje een visum aanschaffen. Het wisselgeld — vijf mark – gaf de douanier niet terug; ik durfde er niet om te vragen, want ik had nog wel wat angst voor ‘Oost-Europa’. Blijkbaar was ik niet de enige: in de treincoupé heerste tot Leipzig een ijzige stilte. Uit dezelfde angstigheid nam ik een taxi vanaf het gigantische station van Leipzig, dat nog geheel reclame- en winkeltjesvrij was, naar het hotel, hoewel dat eigenlijk op loopafstand lag. Dat rare land was gewoon wat bedreigend; waarschijnlijk het gevolg van tientallen jaren berichtgeving over het communisme. Al spoedig bleek het erg mee te vallen.

Dat hotel was al van te voren in Nederland geboekt bij een of ander centrale organisatie. Het zag er normaal uit, luxe van de zeventiger jaren. In de badkamer stond een knaloranje badkuip van kunststof, maar alles werkte. Een drankje aan de bar, om de zenuwen weg te spoelen. Daar voegde zich een niet meer piepjonge vrouw bij me, die tamelijk wanhopig leek. Na enige tijd bleek het de hotelhoer te zijn, ze wilde ook graag mee naar mijn kamer, maar daar voelde ik niets voor. Toen ze zich daarin had geschikt begon ze te praten, over haar wanhoop, ze wist niet waar ze moest blijven, want haar dienstverband met het hotel stond nu op wel zeer losse schroeven, evenals het hotel zelf trouwens. Ik bedacht dat ik misschien geld bij haar kon wisselen: Eén Mark voor drie Rijksmarken was de koers, had ik gehoord, en inderdaad, dat wilde ze graag. Zó graag dat ze helemaal opbloeide: nu kon ze haar kamer voor de nacht weer betalen. De eigenlijke koers was blijkbaar toch nog een andere. Maar het kon me niet schelen; dat hele land was zo goed als te geef. Een tijdje later kwam er een oudere jongeman bij me zitten. Hij solliciteerde niet uitdrukkelijk naar een verblijf in mijn kamer, maar het werd me geleidelijk toch duidelijk dat dit het mannelijke equivalent van de hotelhoer was. Kennelijk was het zo, dat hotels in de Messestadt Leizpig hoeren van alle gezindten in dienst hadden om de buitenlandse gasten te vermaken en uit te horen. Voor elk wat wils. Het zag er slecht uit voor deze mensen: de bedrijfstak stond op instorten.

Het avondeten en het ontbijt waren in orde: keurig eten, maar in afgepaste porties, niet de vette overvloed van het Westen. Toen de straat op. Het eerst wat ik zag, pal voor het hotel, was een glanzende nieuwe Porsche met een Oostduits nummerbord, en daartegenaan geleund een verveeld kijkende jonge vrouw in een bontjas. Rijke mensen waren hier dus ook. Maar even verderop stonden stationcars uit het Westen met de achterklep open. Daar werd allerlei handel aangeboden: bananen, druiven, bekertjes vruchtenyoghurt, cassettebandjes, wasmiddelen, van alles. De klanten stonden er zwijgend omheen en vroegen zich af welke artikelen zij betalen konden. Vreugdevol winkelen was het niet. De stad zag er verder uit als de Duitse stad die zij was, alleen vervallen en met minder winkels.

De Karl Marx Universität in Leipzig was, zoals ons leerboek dat indertijd omschreef, ‘een prachtig gebouw, dat door de arbeiders is opgericht op de puinhopen van de oorlog.’ Voor dat doel hadden zij er nog enige bijgemaakt: wat historische gebouwen en een oude kerk hadden het veld moeten ruimen, terwijl een andere puinhoop onaangeroerd bleef: de beroemde universiteitsbibliotheek, die in de oorlog gedeeltelijk was verwoest en tot dan toe niet was hersteld. Een wereldwonder van aluminium was die toren: zevenentwintig verdiepingen, met vermoeide liften, onmisbare trappenhuizen en ramen die niet open konden. Inmiddels zit er iets anders in. Een groot bord bij de ingang riep de bezoekers op, unaufgefordert hun Ausweis te tonen; dat hing daar blijkbaar nog van vroeger. Ik liep langs de portier, ben niet aangehouden en zat een paar minuten later al tegenover professor B, die enigszins verbluft was, maar gaandeweg steeds enthousiaster werd over mijn onaangekondigde bezoek. Ik was de eerste uit het Westen die hem bezocht. Natuurlijk was hij ook verguld omdat ik zoveel waardering had voor zijn werk. Hij liet mij trots de honderd(!) proefschriften zien, alle helaas slechts in getypte vorm, met het onderzoek dat de basis zou worden voor een syntax van het moderne Arabisch. Indrukwekkend. Hij wilde mij ook enkele artikelen van zijn hand in fotocopie meegeven. Daartoe begaven we ons naar een kantoortje ergens buiten: er was een toestemming tot copiëren voor nodig en toen die was verkregen werd de boel op een apparaat gelegd. Er kwamen bruine copieën uit, op warmtegevoelig papier. Een mij onbekend procedé, waren het heliogravures? Ze zagen er niet naar uit dat ze lang zouden overleven. De heer B. vond het kennelijk leuk mij te ontvangen en nodigde mij uit voor een avondeten overmorgen bij hem thuis. Die eerste dag ging ik eten op de bovenverdieping van het universiteitsgebouw. Daar zat een restaurant, dat naar plaatselijke maatstaven erg duur was, maar voor westmensen niet. Er zaten overwegend West-Duitsers, die luidkeels herinneringen ophaalden en daarbij soms in tranen uitbarstten.

De volgende dag door de stad gewandeld; Thomaskirche, Auberbachs Keller, enzovoort. ’s Avonds geprobeerd in een goed aangeschreven visrestaurant te eten, maar er stond een rij buiten op de stoep; dan maar weer het hotel. In Nederland kon je immers vis eten zonder rij.

De volgende ochtend naar de beroemde dierentuin, waar ik een korte flirt had met een chimpansee. Ik liep op een groepje mensen af dat samendromde voor de glazen wand waarachter zij zat, maar bleef op enige afstand staan, en toen ze mij zag kwam ze meteen mijn kant op. Er was direct contact, wij hadden elkaar enige minuten innig lief. Ik voelde mij vereerd, de anderen konden alleen jaloers toekijken. De kop koffie in het dierentuincafé was beter dan ik verwacht had. Opvallend was, dat daar om half elf in de ochtend mensen al aan de cocktails zaten, rare blauwe drankjes die ik ook in het hotel had gezien.

Op de laatste dag maakte ik een uitstapje naar Naumburg, met zijn beroemde domkerk en het beeld van Uta. Naumburg was een garnizoensstadje met veel Russische soldaten, die naar verluidde op niet onprettige manier met de burgerbevolking samenleefden. Maar de klad zat nu in de Russische bezetting; op de levendige kofferbak-markt boden handelaren uit het Westen onder andere tweedehands Playboys aan, terwijl de soldaten hun petten en insignes versjacherden. ’s Avonds te gast bij B. in de Kolonnadenstraße — heette die zo? — in ieder geval een mooie straat met honderd jaar oude burgerhuizen. Ook de woning was mooi, al werd zij ontsierd door een massief, quasi Oisterwijks eiken wandmeubel. Pas later besefte ik hoe uitzonderlijk deze woonsituatie was in de DDR: de straat was mij als westerling eerst niet opgevallen, maar viel in de grauwheid van de rest van de stad wel erg uit de toon. Een modelstraat. De geleerde behoorde kennelijk tot de bevoorrechten in de DDR, zoals ook bleek in onze gesprekken. Wat zijn vrouw deed weet ik niet meer, maar zij was een harde; iets van partijkader, dat zag je van verre, terwijl hij meer een gemoedelijk type was. Samen zetten ze een mooie maaltijd op tafel, met veel vlees en weinig groente, en overgoten door een wijn van de Saale-Unstrut. Op B. zal ik een keer apart terugkomen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Duitsland, Universiteit

Beter zien

Een tijdlang dacht ik dat ik moest kiezen: óf blind worden door het turen op de zeer kleine lettertjes in al-Marwazi’s dierenboek, óf dat boek domweg ongelezen laten.

Het betreft een Arabisch handschrift, keurig geschreven, een lust voor het oog, maar dan natuurlijk alleen een pdf-opname daarvan, niet het ding zelf, dat in Teheran ligt. Het liet zich niet vergroten op mijn computer. Printen ging ook niet; dat had de maker waarschijnlijk verhinderd. Via screen shots ging het wel, maar dat leverde niets op: de lettertjes werden daardoor niet groter, de scherpte ging verloren en de achtergrond werd grauw, want het papier is gelig. Ik kon het dus alleen lezen als ik mijn bril afzette en mijn ogen tien centimeter van het beeldscherm hield. Dat leek me ongezond, vooral over langere perioden.

Maar zie aan: op mijn laptop laat de tekst zich wél vergroten! Vreemd: de laptop is even nieuw als de tafelcomputer, de bedrijfssystemen zijn identiek en de Acrobat Reader is op beide apparaten ook even jong. In plaats van te proberen dit te begrijpen ga ik echter liever vreugdevol het handschrift lezen.

Lof zij de Schepper, die de mens schenkt wat hij nodig heeft, maar soms even niet, om hem op de proef te stellen en hem niet hovaardig te maken. (Deze zin is, u begrijpt het, geschreven in de geest van de oude tekst die ik aan het bewerken ben.)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Computer, Dieren, Gezondheid, Persoonlijk

Een transculturele mier en een dito kat

Nog net op tijd voor dierendag. Hoewel iets met dieren eigenlijk altijd kan. 

Mier. Toen ik zat te werken aan de Arabische tekst  van Gibril ibn Nuh (9e eeuw) die ik wil uitgeven, kwam ik deze beschrijving van de loop der sterren tegen: 

Denk aan de sterren en het verschil in hun cirkelbaan. Een aantal verlaat zijn plaats aan het firmament niet en beweegt alleen als groep, maar een aantal verplaatst zich door de hele dierenriem en heeft eigen cirkelbanen. Dus elke ster van de laatste soort heeft twee verschillende banen: een algemene, samen met het hemelgewelf naar het Westen, en de andere van hemzelf naar het Oosten. De Ouden hebben zo’n losse ster vergeleken met een mier die krabbelt op een molensteen. De molensteen maakt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, zodat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een zelfstandige, recht vooruit, en de andere onvrijwillig, samen met de molensteen, die hem naar achteren dwingt.   

Waar zou de auteur die mier vandaar hebben, wie zijn die ‘Ouden’? Ik begon te zoeken in Oudgriekse teksten: Anaxagoras, Anaximenes, Aristoteles; en de christelijke kerkvader Theodoretus van Cyrrhus, aan wie mijn auteur veel heeft ontleend. Ik vond wel iets over de hemel als een wiel, en ook over die tegengestelde beweging, maar de mier heb ik tot nu toe niet aangetroffen. Verontrustend is dat niet; ik beweeg me maar moeizaam in die klassieke teksten en heb ze nog lang niet allemaal gehad. Het zal wel goed komen.

Bij mijn zoektocht heb ik ook gebruik gemaakt van Google, en daar verscheen minstens drie maal ongeveer dezelfde tekst als hierboven, inclusief de mier, maar …. allemaal uit zeer oude Chinese boeken. Een voorbeeld van zo’n Chinese tekst:

Zowel de zon als de maan bewegen naar rechts en tegelijkertijd moeten zij de hemel volgen die naar links draait. Hoewel zowel de zon als de maan in werkelijkheid oostwaarts bewegen worden zij [door de rotatie van de hemel] meegesleept, zodat het lijkt alsof zij in het Westen ondergaan. Dit is analoog met een mier die krabbelt op een molensteen: terwijl de molensteen naar links roteert, probeert de mier naar rechts te bewegen. Maar de draaiing van de molensteen is veel sneller dan de beweging van de mier. We zien dan dat de mier gedwongen wordt de beweging van de molensteen te volgen en ogenschijnlijk naar links beweegt.   

Van het oude China weet ik niets; ik lees alleen dat deze tekst teruggaat op ene Luoxia Hong, die actief was in de eerste eeuw voor Christus. Behoorlijk oud dus, eeuwen ouder dan mijn Arabische tekst.

Kat. Iets als een China-connection was me al eerder opgevallen bij de kat van Mohammed. De profeet zou veel gehouden hebben van zijn kat Mu‘izza, zoals blijkt uit de  volgende, wat obscure overlevering (negende eeuw of veel jonger):

De profeet wilde eens opstaan om naar het gebed te gaan, maar de kat lag op de mouw van zijn gewaad te slapen. Om het dier niet te wekken knipte hij toen zijn mouw af en verscheen met beschadigd gewaad bij het gebed. Terugkomend van de moskee werd hij door Mu‘izza bedankt met een buiging.

Dit motief bestaat ook met een heel andere bezetting. Volgens de Han-historicus Bān Gù (32–92) probeerde de Chinese keizer Āi dì (reg. 7–1 voor Chr.) eens op te staan toen zijn vriendje in slaap was gevallen op de mouw van zijn gewaad. Om hem niet te wekken sneed hij zijn mouw af en verscheen met het aldus beschadigde gewaad in het openbaar. Zijn hovelingen namen vervolgens deze dracht over om de liefdesverhouding te vieren.

Waren er in de Oudheid contacten tussen China en het Nabije Oosten, eventueel Griekenland? Er was zeker handelsverkeer, maar van literaire beïnvloeding had ik nog niet gehoord. Toch moet die er geweest zijn, in de ene of de andere richting. Van het wiel of de rietfluit kan ik me voorstellen dat ze twee of meer malen op verschillende plaatsen in de wereld zijn uitgevonden. Ook bestaan er motieven in de mythologie en in volksverhalen die universeel voorkomen. Maar zulke specifieke teksten als hierboven worden volgens mij maar één keer uitgevonden en maken dan verder een reis door de culturen. Hoe zijn ze overgewaaid, van West naar Oost of omgekeerd? Ik weet het niet — en naar ik vrees andere mensen ook niet. 

Of zou de mensheid toch werkelijk steeds hetzelfde bedenken?

1 reactie

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Dieren, Orient