Categorie archief: Dieren

Mini-herinnering: naar Oost-Duitsland

De DDR in volle glorie heb ik nooit gekend, maar een paar maanden na de val van de muur besloot ik erheen te gaan om de auteur van ons leerboek Arabisch te leren kennen, en natuurlijk ook uit algemene nieuwsgierigheid. En om linten te kopen voor mijn Arabische schrijfmachine van het merk Erika: een Oostduits produkt dat weldra niet meer gemaakt zou worden, dat was te voorspellen, en die linten hadden geen standaardafmetingen. Ik heb ze inderdaad gekocht en nog lang bewaard, maar de schrijfmachine werd weldra overbodig.

Indertijd gaf ik les uit het leerboek van Krahl & Reuschel, een Oostduits werk van grote kwaliteit. Als studenten of andere personen Oost-Berlijn bezochten, vanuit het westelijk deel van de stad, moesten ze verplicht valuta wisselen en van wat er overbleef konden ze mooi weer wat exemplaren van dat boek meenemen. (Ja, jongens en meisjes, in die tijd lazen studenten gewoon nog Duits.)

Het ergste was eraf toen ik het land bezocht, maar officieel bestond de Deutsche Demokratische Republik nog steeds. Aan de grens, op het stationnetje van Oebisfelde, was er een langdurig oponthoud en moest je in een kantoortje een visum aanschaffen. Het wisselgeld — vijf mark – gaf de douanier niet terug; ik durfde er niet om te vragen, want ik had nog wel wat angst voor ‘Oost-Europa’. Blijkbaar was ik niet de enige: in de treincoupé heerste tot Leipzig een ijzige stilte. Uit dezelfde angstigheid nam ik een taxi vanaf het gigantische station van Leipzig, dat nog geheel reclame- en winkeltjesvrij was, naar het hotel, hoewel dat eigenlijk op loopafstand lag. Dat rare land was gewoon wat bedreigend; waarschijnlijk het gevolg van tientallen jaren berichtgeving over het communisme. Al spoedig bleek het erg mee te vallen.

Dat hotel was al van te voren in Nederland geboekt bij een of ander centrale organisatie. Het zag er normaal uit, luxe van de zeventiger jaren. In de badkamer stond een knaloranje badkuip van kunststof, maar alles werkte. Een drankje aan de bar, om de zenuwen weg te spoelen. Daar voegde zich een niet meer piepjonge vrouw bij me, die tamelijk wanhopig leek. Na enige tijd bleek het de hotelhoer te zijn, ze wilde ook graag mee naar mijn kamer, maar daar voelde ik niets voor. Toen ze zich daarin had geschikt begon ze te praten, over haar wanhoop, ze wist niet waar ze moest blijven, want haar dienstverband met het hotel stond nu op wel zeer losse schroeven, evenals het hotel zelf trouwens. Ik bedacht dat ik misschien geld bij haar kon wisselen: Eén Mark voor drie Rijksmarken was de koers, had ik gehoord, en inderdaad, dat wilde ze graag. Zó graag dat ze helemaal opbloeide: nu kon ze haar kamer voor de nacht weer betalen. De eigenlijke koers was blijkbaar toch nog een andere. Maar het kon me niet schelen; dat hele land was zo goed als te geef. Een tijdje later kwam er een oudere jongeman bij me zitten. Hij solliciteerde niet uitdrukkelijk naar een verblijf in mijn kamer, maar het werd me geleidelijk toch duidelijk dat dit het mannelijke equivalent van de hotelhoer was. Kennelijk was het zo, dat hotels in de Messestadt Leizpig hoeren van alle gezindten in dienst hadden om de buitenlandse gasten te vermaken en uit te horen. Voor elk wat wils. Het zag er slecht uit voor deze mensen: de bedrijfstak stond op instorten.

Het avondeten en het ontbijt waren in orde: keurig eten, maar in afgepaste porties, niet de vette overvloed van het Westen. Toen de straat op. Het eerst wat ik zag, pal voor het hotel, was een glanzende nieuwe Porsche met een Oostduits nummerbord, en daartegenaan geleund een verveeld kijkende jonge vrouw in een bontjas. Rijke mensen waren hier dus ook. Maar even verderop stonden stationcars uit het Westen met de achterklep open. Daar werd allerlei handel aangeboden: bananen, druiven, bekertjes vruchtenyoghurt, cassettebandjes, wasmiddelen, van alles. De klanten stonden er zwijgend omheen en vroegen zich af welke artikelen zij betalen konden. Vreugdevol winkelen was het niet. De stad zag er verder uit als de Duitse stad die zij was, alleen vervallen en met minder winkels.

De Karl Marx Universität in Leipzig was, zoals ons leerboek dat indertijd omschreef, ‘een prachtig gebouw, dat door de arbeiders is opgericht op de puinhopen van de oorlog.’ Voor dat doel hadden zij er nog enige bijgemaakt: wat historische gebouwen en een oude kerk hadden het veld moeten ruimen, terwijl een andere puinhoop onaangeroerd bleef: de beroemde universiteitsbibliotheek, die in de oorlog gedeeltelijk was verwoest en tot dan toe niet was hersteld. Een wereldwonder van aluminium was die toren: zevenentwintig verdiepingen, met vermoeide liften, onmisbare trappenhuizen en ramen die niet open konden. Inmiddels zit er iets anders in. Een groot bord bij de ingang riep de bezoekers op, unaufgefordert hun Ausweis te tonen; dat hing daar blijkbaar nog van vroeger. Ik liep langs de portier, ben niet aangehouden en zat een paar minuten later al tegenover professor B, die enigszins verbluft was, maar gaandeweg steeds enthousiaster werd over mijn onaangekondigde bezoek. Ik was de eerste uit het Westen die hem bezocht. Natuurlijk was hij ook verguld omdat ik zoveel waardering had voor zijn werk. Hij liet mij trots de honderd(!) proefschriften zien, alle helaas slechts in getypte vorm, met het onderzoek dat de basis zou worden voor een syntax van het moderne Arabisch. Indrukwekkend. Hij wilde mij ook enkele artikelen van zijn hand in fotocopie meegeven. Daartoe begaven we ons naar een kantoortje ergens buiten: er was een toestemming tot copiëren voor nodig en toen die was verkregen werd de boel op een apparaat gelegd. Er kwamen bruine copieën uit, op warmtegevoelig papier. Een mij onbekend procedé, waren het heliogravures? Ze zagen er niet naar uit dat ze lang zouden overleven. De heer B. vond het kennelijk leuk mij te ontvangen en nodigde mij uit voor een avondeten overmorgen bij hem thuis. Die eerste dag ging ik eten op de bovenverdieping van het universiteitsgebouw. Daar zat een restaurant, dat naar plaatselijke maatstaven erg duur was, maar voor westmensen niet. Er zaten overwegend West-Duitsers, die luidkeels herinneringen ophaalden en daarbij soms in tranen uitbarstten.

De volgende dag door de stad gewandeld; Thomaskirche, Auberbachs Keller, enzovoort. ’s Avonds geprobeerd in een goed aangeschreven visrestaurant te eten, maar er stond een rij buiten op de stoep; dan maar weer het hotel. In Nederland kon je immers vis eten zonder rij.

De volgende ochtend naar de beroemde dierentuin, waar ik een korte flirt had met een chimpansee. Ik liep op een groepje mensen af dat samendromde voor de glazen wand waarachter zij zat, maar bleef op enige afstand staan, en toen ze mij zag kwam ze meteen mijn kant op. Er was direct contact, wij hadden elkaar enige minuten innig lief. Ik voelde mij vereerd, de anderen konden alleen jaloers toekijken. De kop koffie in het dierentuincafé was beter dan ik verwacht had. Opvallend was, dat daar om half elf in de ochtend mensen al aan de cocktails zaten, rare blauwe drankjes die ik ook in het hotel had gezien.

Op de laatste dag maakte ik een uitstapje naar Naumburg, met zijn beroemde domkerk en het beeld van Uta. Naumburg was een garnizoensstadje met veel Russische soldaten, die naar verluidde op niet onprettige manier met de burgerbevolking samenleefden. Maar de klad zat nu in de Russische bezetting; op de levendige kofferbak-markt boden handelaren uit het Westen onder andere tweedehands Playboys aan, terwijl de soldaten hun petten en insignes versjacherden. ’s Avonds te gast bij B. in de Kolonnadenstraße — heette die zo? — in ieder geval een mooie straat met honderd jaar oude burgerhuizen. Ook de woning was mooi, al werd zij ontsierd door een massief, quasi Oisterwijks eiken wandmeubel. Pas later besefte ik hoe uitzonderlijk deze woonsituatie was in de DDR: de straat was mij als westerling eerst niet opgevallen, maar viel in de grauwheid van de rest van de stad wel erg uit de toon. Een modelstraat. De geleerde behoorde kennelijk tot de bevoorrechten in de DDR, zoals ook bleek in onze gesprekken. Wat zijn vrouw deed weet ik niet meer, maar zij was een harde; iets van partijkader, dat zag je van verre, terwijl hij meer een gemoedelijk type was. Samen zetten ze een mooie maaltijd op tafel, met veel vlees en weinig groente, en overgoten door een wijn van de Saale-Unstrut. Op B. zal ik een keer apart terugkomen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Duitsland, Universiteit

Rover en dichter

Leeswerk Arabisch en islam: Ta’abbata Sharran

(Ik was enkele uren heel gelukkig toen Th. B mij had laten weten het een goed stuk te vinden. Ja, zo gaat dat toch.)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Dieren, Literatur

Beter zien

Een tijdlang dacht ik dat ik moest kiezen: óf blind worden door het turen op de zeer kleine lettertjes in al-Marwazi’s dierenboek, óf dat boek domweg ongelezen laten.

Het betreft een Arabisch handschrift, keurig geschreven, een lust voor het oog, maar dan natuurlijk alleen een pdf-opname daarvan, niet het ding zelf, dat in Teheran ligt. Het liet zich niet vergroten op mijn computer. Printen ging ook niet; dat had de maker waarschijnlijk verhinderd. Via screen shots ging het wel, maar dat leverde niets op: de lettertjes werden daardoor niet groter, de scherpte ging verloren en de achtergrond werd grauw, want het papier is gelig. Ik kon het dus alleen lezen als ik mijn bril afzette en mijn ogen tien centimeter van het beeldscherm hield. Dat leek me ongezond, vooral over langere perioden.

Maar zie aan: op mijn laptop laat de tekst zich wél vergroten! Vreemd: de laptop is even nieuw als de tafelcomputer, de bedrijfssystemen zijn identiek en de Acrobat Reader is op beide apparaten ook even jong. In plaats van te proberen dit te begrijpen ga ik echter liever vreugdevol het handschrift lezen.

Lof zij de Schepper, die de mens schenkt wat hij nodig heeft, maar soms even niet, om hem op de proef te stellen en hem niet hovaardig te maken. (Deze zin is, u begrijpt het, geschreven in de geest van de oude tekst die ik aan het bewerken ben.)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Computer, Dieren, Gezondheid, Persoonlijk

Een transculturele mier en een dito kat

Nog net op tijd voor dierendag. Hoewel iets met dieren eigenlijk altijd kan. 

Mier. Toen ik zat te werken aan de Arabische tekst  van Gibril ibn Nuh (9e eeuw) die ik wil uitgeven, kwam ik deze beschrijving van de loop der sterren tegen: 

Denk aan de sterren en het verschil in hun cirkelbaan. Een aantal verlaat zijn plaats aan het firmament niet en beweegt alleen als groep, maar een aantal verplaatst zich door de hele dierenriem en heeft eigen cirkelbanen. Dus elke ster van de laatste soort heeft twee verschillende banen: een algemene, samen met het hemelgewelf naar het Westen, en de andere van hemzelf naar het Oosten. De Ouden hebben zo’n losse ster vergeleken met een mier die krabbelt op een molensteen. De molensteen maakt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, zodat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een zelfstandige, recht vooruit, en de andere onvrijwillig, samen met de molensteen, die hem naar achteren dwingt.   

Waar zou de auteur die mier vandaar hebben, wie zijn die ‘Ouden’? Ik begon te zoeken in Oudgriekse teksten: Anaxagoras, Anaximenes, Aristoteles; en de christelijke kerkvader Theodoretus van Cyrrhus, aan wie mijn auteur veel heeft ontleend. Ik vond wel iets over de hemel als een wiel, en ook over die tegengestelde beweging, maar de mier heb ik tot nu toe niet aangetroffen. Verontrustend is dat niet; ik beweeg me maar moeizaam in die klassieke teksten en heb ze nog lang niet allemaal gehad. Het zal wel goed komen.

Bij mijn zoektocht heb ik ook gebruik gemaakt van Google, en daar verscheen minstens drie maal ongeveer dezelfde tekst als hierboven, inclusief de mier, maar …. allemaal uit zeer oude Chinese boeken. Een voorbeeld van zo’n Chinese tekst:

Zowel de zon als de maan bewegen naar rechts en tegelijkertijd moeten zij de hemel volgen die naar links draait. Hoewel zowel de zon als de maan in werkelijkheid oostwaarts bewegen worden zij [door de rotatie van de hemel] meegesleept, zodat het lijkt alsof zij in het Westen ondergaan. Dit is analoog met een mier die krabbelt op een molensteen: terwijl de molensteen naar links roteert, probeert de mier naar rechts te bewegen. Maar de draaiing van de molensteen is veel sneller dan de beweging van de mier. We zien dan dat de mier gedwongen wordt de beweging van de molensteen te volgen en ogenschijnlijk naar links beweegt.   

Van het oude China weet ik niets; ik lees alleen dat deze tekst teruggaat op ene Luoxia Hong, die actief was in de eerste eeuw voor Christus. Behoorlijk oud dus, eeuwen ouder dan mijn Arabische tekst.

Kat. Iets als een China-connection was me al eerder opgevallen bij de kat van Mohammed. De profeet zou veel gehouden hebben van zijn kat Mu‘izza, zoals blijkt uit de  volgende, wat obscure overlevering (negende eeuw of veel jonger):

De profeet wilde eens opstaan om naar het gebed te gaan, maar de kat lag op de mouw van zijn gewaad te slapen. Om het dier niet te wekken knipte hij toen zijn mouw af en verscheen met beschadigd gewaad bij het gebed. Terugkomend van de moskee werd hij door Mu‘izza bedankt met een buiging.

Dit motief bestaat ook met een heel andere bezetting. Volgens de Han-historicus Bān Gù (32–92) probeerde de Chinese keizer Āi dì (reg. 7–1 voor Chr.) eens op te staan toen zijn vriendje in slaap was gevallen op de mouw van zijn gewaad. Om hem niet te wekken sneed hij zijn mouw af en verscheen met het aldus beschadigde gewaad in het openbaar. Zijn hovelingen namen vervolgens deze dracht over om de liefdesverhouding te vieren.

Waren er in de Oudheid contacten tussen China en het Nabije Oosten, eventueel Griekenland? Er was zeker handelsverkeer, maar van literaire beïnvloeding had ik nog niet gehoord. Toch moet die er geweest zijn, in de ene of de andere richting. Van het wiel of de rietfluit kan ik me voorstellen dat ze twee of meer malen op verschillende plaatsen in de wereld zijn uitgevonden. Ook bestaan er motieven in de mythologie en in volksverhalen die universeel voorkomen. Maar zulke specifieke teksten als hierboven worden volgens mij maar één keer uitgevonden en maken dan verder een reis door de culturen. Hoe zijn ze overgewaaid, van West naar Oost of omgekeerd? Ik weet het niet — en naar ik vrees andere mensen ook niet. 

Of zou de mensheid toch werkelijk steeds hetzelfde bedenken?

1 reactie

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Dieren, Orient

Hondenredding

Door toeval zag ik onlangs een drie minuten lang filmpje over de redding van een sterk vervuilde, schurftige, hongerige straathond. Toen het was afgelopen stond er meteen een volgend filmpje klaar, en nog een, en nog een. Ik begreep dat hondenreddingsorganisaties zulke filmpjes maken om geld op te halen voor hun mooie werk.  
Nu ik er een aantal heb gezien krijg ik overzicht over het genre en over bepaalde motieven.

Redders zien hond, of worden opgebeld door omwonenden die hond gezien hebben. Hond leeft op vuilnisbelt, in riool of in vervallen schuurtje. Sommige zijn in de steek gelaten en een tijdje verwaarloosd. Andere zitten aan een ketting; ze zijn misschien hun leven lang mishandeld door hun eigenaar. Andere zijn gewond, misschien na een verkeersongeluk. Schurftig en vel over been zijn de meeste. Soms is er een moederhond die de aandacht van voorbijgangers wil vestigen op haar pasgeboren kroost, dat zij voeden noch beschermen kan.
Dan komt de redding aangereden, meestal in een voor honden ingerichte stationcar met een transportkooi en een net; hondenvoer, hondensnoepjes en water zijn aanwezig. De redders (m/v) hebben meestal een korte broek aan en een shirtje en zijn dikwijls getatoëerd.

Oh my god! De redder schrikt van de aanblik. Probeert het vertrouwen van de hond te winnen, door voedsel, lekkertjes (treats) en zo nodig water aan te bieden, en vooral ook much love. Met  hun eigen lichaamsgeur proberen ze het dier te lokken en een halsband van zacht textiel om te doen. Een hond schijnt te kunnen ruiken of een mens het goed met hem meent. De hond weet vaak dat hij nu gered gaat worden, of in elk geval verlangt hij ernaar. Meer nog dan aan water of voer heeft hij behoefte aan liefde. Snel wordt er begonnen met aanhalen, strelen, kroelen, zo nodig met handschoenen of in een doek. Heel mooi is het vrij vaak voorkomende motief dat de redder, geschokt door de aanblik, het hongerige dier zijn eigen cheeseburger aanbiedt. Blijkbaar zitten ze die zelf de hele tijd te eten. Of dat voor een hond wel gezond is? Nu ja, het is een noodgeval, en een toonbeeld van alles opofferende liefde. Vaak is er sprake van liefde, echte liefde, op het eerste gezicht.

De hond krijgt een naam en wordt voortdurend geprezen: good boy, good girl. De gesprekstoon is die als tegen een baby. Vaak benoemt de redder zich zelf als daddy of mama. Na korte of langere tijd zit de hond in de transportkooi en gaat het naar de shelter, waar nog vele andere honden leven. Een beetje hond is nu al dankbaar en voelt al meteen liefde voor zijn mum/dad. Er zijn honden die nog nooit de omgang met aardige mensen ten deel is gevallen, en dat schijnt juist het summum van hondengeluk te zijn. Misschien is dat ook wel zo, na 15.000 jaar genetische manipulatie. Als de hond zonder mens zou kunnen was hij een wilde hond of een wolf geweest. Maar erg was het als de eerste mens wreed was en de hond mishandelde. Ook de omgang met de andere honden in de shelter doet het probleemdier goed, soms na een heel lange gewenningstijd. 

Hij wordt gewassen en geknipt, en krijgt een zalf tegen schurft, wondbehandeling of wat hij verder nodig heeft. Dan gaat het dier naar de dierenarts en krijgt hij injecties, of fysiotherapie als er iets is met het bewegingsapparaat. Er zijn gevallen dat er van de hond een MRT-scan gemaakt moet worden en hij dagen, soms zelfs weken bij de dierenarts blijft en geopereerd wordt. Soms krijgt het dier een prothese, bijv. voor een van de achterpoten, of iets met wieltjes. Dat alles moet honderden, zo niet duizenden dollars kosten, maar die zullen worden betaald uit de bijdragen die de shelters ontvangen en waarvan de redders blijkbaar ook kunnen leven, of althans cheeseburgers kopen. Sommige honden willen niet eten, zijn wantrouwig. Dan gaat de redder op een dekentje in de (nu ruim bemeten) kooi zitten met voer of koekjes en probeert het dier over te halen uit de hand te eten. 
Langzamerhand komt het dier op krachten en op gewicht, en leert hij te genieten van het spelen met zijn redders en de andere honden. De eerste keer kwispelstaarten, dat is een belangrijk motief in deze filmpjes, en natuurlijk zijn er veel meer firsts. Vaak krijgt de hond een jasje aan, en op zijn verjaardag (de reddingsdag?) een hondentaart en een feestmutsje op.
Het kan weken duren voordat het dier is gesocialiseerd, maar dan is het grote moment daar. De hond verdient een forever home en wordt vrijgegeven voor adoptie door een loving family waarvan hij de rest van zijn leven deel zal uitmaken en die hem nooit zal mishandelen. Zijn nieuwe gezin krijg je dan ook te zien: er wordt meteen stevig gelikt en gekust en gestoeid, iedereen is gelukkig en het dier vertrekt, achterin een van.

Die filmpjes zijn sentimenteel, echte tranentrekkers. Honden kunnen immers ontzettend zielig kijken in het begin en later heel dankbaar kijken en leuk met hun staart kwispelen. Wanneer het om puppies gaat is het schattigheidsgehalte nog veel groter. Die zullen de dollars zeker doen binnenstromen. De filmpjes zijn gewoon mal; soms heb ik zin om er tien achter elkaar te zien, zoals je soms een heel zakje drop leeg eet. 

Niet mal en niet belachelijk vind ik daarentegen het werk dat die mensen doen. Integendeel, dat is mooi en waardevol, en als die filmpjes helpen om het benodigde geld binnen te halen, toe dan maar.

Er blijven echter wel enige vragen. Als een hond langdurig is mishandeld, of heel lang in de ellende heeft geleefd, is hij dan werkelijk na een paar weken a new dog, zoals vaak gezegd wordt? Laat al dat vroegere leed geen diepe sporen na? Het heet toch altijd dat honden een ijzersterk geheugen hebben?
De belangrijkste vraag is natuurlijk deze: zouden mensen niet eerst en vooral lijdende medemensen op deze wijze moeten redden? Bij voorbeeld dakloze armen uit Haïti of weeskindertjes uit een Grieks vluchtelingenkamp? 

O, nee, maar dat is heel wat anders. Een hond is toch veel leuker?

1 reactie

Opgeslagen onder Dieren

Mierenleeuw

Kent U reeds de mierenleeuw? Dat is een netvleugelig, nachtactief insect: Myrmeleon formicarius, uit de familie der mierenleeuwachtigen (Myrmeleontidae); wie had dat gedacht.
Interessant is vooral de larve van dit dier. Om prooidieren te bemachtigen graaft de kleine larve een trechtervormig kuiltje in zand of losse grond. Als er een spin of mier komt aangelopen en op de helling van het trechtertje belandt kan hij niet meer terug; de larve gooit met zijn pootjes nog wat zand omhoog, het prooidier zakt verder naar beneden en wordt vermorzeld tussen sterke larvenkaken. Nog voordat we aan de bestudering van de mens toekomen begrijpen we al dat het leven op deez’ aard niet erg prettig is ingericht.
.
Maar daar wil ik het nu niet over hebben. Mij hield beroepshalve even de vraag bezig waar de naam ‘mierenleeuw’ resp. Ameisenlöwe, ant-lion, vandaan komt. Een leeuw is ook een roofdier, zeker, maar heeft verder toch weinig gemeen met dit diertje: niet in afmetingen en niet in gedrag.
.
De mierenleeuw is niet zeldzaam en is overal de mensen opgevallen door zijn jachttechniek. De oude Grieken hebben hem zeker gekend, maar bij Aristoteles heet hij (misschien) λύκος, lykos, ‘wolf’, wat ook moeilijk te begrijpen is.
.
De naam ‘mierenleeuw’ gaat terug op de bijbel, om precies te zijn op de Griekse vertaling der Septuaginta van het boek Job, ± 100 voor Christus. In onze bijbel luidt het vers:

Toen nam Elifaz uit Teman het woord: […]: ‘De leeuw gaat zonder prooi te gronde, de jonge leeuwen zwerven hongerend rond.’ (Job 4: 11, Nieuwe Bijbelvertaling)

Het Hebreeuws heeft hier twee woorden die allebei leeuw betekenen: layish en lavī. Het Nederlands heeft er maar één woord voor. Twee maal ‘leeuw’ in hetzelfde vers is niet mooi, vonden de Griekse bijbelvertalers blijkbaar: zij hebben het eerste ‘leeuw’ vertaald met μυρμηκολέων (myrmēkoléōn), inderdaad letterlijk ‘mieren-leeuw,’ wat dat ook mag betekenen. Samengestelde dieren waren er in de Oudheid veel. De Latijnse bijbelvertaling Vulgata zou er later helemaal een potje van maken: die vertaalt het met tigris, ‘tijger’. Leeuwen en tijgers doen het altijd goed samen in teksten; vandaar.
.
Wat hebben die Grieken bij hun vertaling gedacht, wat voor beest hebben zij zich voorgesteld? Ik heb het (nog) niet kunnen vinden. Een tekst die heel misschien wat verder helpt is Herodotus (± 485–425 v. Chr), Historiae iii, 102, dat gaat over een woestijn in Indië, waar de mensen gouddeeltjes winnen uit het zand dat door zeer grote mieren wordt opgeworpen:

In die woestijn komen mieren voor die wat kleiner zijn dan honden, maar groter dan vossen. Enkele stuks zijn gevangen en die leven in de diergaarde van de Perzische koning. Die mieren maken hun hol onder de grond en graven precies als de Griekse mieren, waar ze sprekend op lijken. (vertaling Hein L. van Dolen. )

Hier zijn tenminste reusachtige ’mieren’ (μύρμηκες, myrmikes), al bereiken ze lang niet het formaat van een leeuw. Van Dolen oppert dat er misschien aan de Tibetaanse marmot gedacht is, ‘maar het kan net zo goed een fantasiedier zijn.’ Dat laatste geldt eigenlijk ook voor de bijbelse mierenleeuw. Indiërs die goud afpakken van mieren worden overigens ook vermeld bij Timotheus van Gaza (± 500).
.
De Griekse naam myrmēkoléōn komt voor zover ik kon nagaan niet voor in Griekse teksten die ouder zijn dan de bijbelvertaling, en daarna alleen mondjesmaat in christelijke of door het christendom beïnvloede teksten.
Het tweede-eeuwse, christelijke dierenboek Physiologus vertelt over dit dier:

Toen nam Elifaz, de koning der Temanieten, het woord: […]: “De mierenleeuw gaat zonder voedsel te gronde.” De Physiologus zegt: De mierenleeuw is aan de voorkant als een leeuw, maar aan de achterkant als een mier. Het vaderdier vreet vlees, de moeder kauwt peulvruchten. Wanneer zij nu een mierenleeuw ter wereld brengen doen zij dat als een wezen met een tweevoudige natuur: Het kan geen vlees eten wegens de natuur van zijn moeder en geen peulvruchten wegens de natuur van zijn vader; dus gaat het te gronde omdat het geen voedsel vindt.

Zo is het bijbelvers ‘verklaard’. Hoe het verder moet met het voortbestaan van de soort interesseert de auteur blijkbaar niet. Wilt u de preek ook nog horen? Komt ie:

Zo is ook een man met twee zielen onbestendig op al zijn wegen (Jak. 1:7v). Met moet niet op twee paden wandelen, noch met dubbele tong spreken bij het gebed. Wee namelijk, zo heet het, een gespleten en zondig hart dat twee paden bewandelt (Sirach 2:12). Het is niet mooi, “ja, nee” of “nee, ja” te zeggen, maar laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee, zoals onze Here Jezus Christus gesproken heeft (Matt 5:37).
Mooi heeft de Physiologus dus over de mierenleeuw gesproken.

Vindt hij zelf! Er zijn ogenblikken dat ik het betreur dat het christendom de westelijke wereld heeft veroverd. Maar ja, daarvóór zaten ze met nog meer goden, offers, keizerverering en bloedbaden in arena’s.

BRONNEN
– Job 4:11: לַיִשׁ אֹבֵד מִבְּלִי-טָרֶף וּבְנֵי לָבִיא יִתְפָּרָדוּ.
– Job 4:11, LXX: μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν, σκύμνοι δὲ λεόντων ἔλιπον ἀλλήλους.
Physiologus (Φυσιολόγος) , Griechisch/Deutsch, ed. Otto Schönberger, Stuttgart 2001, no. 20, blz. 37: Ἐλιφὰζ ὁ Θαιμανῶν βασιλεὺς ἔλεξε˙ «μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν». ὁ Φυσιολόγος ἔλεξε περὶ τοῦ μυρμηκολέοντος ὃτι τὰ μὲν ἐμπρόσθια ἔχει λέοντος, τὰ δὲ ὀπίσθια μύρμηκος. ὁ μὲν πάτηρ σαρκοφάγος ἐστίν, ἡ δὲ μήτηρ ὄσπρια τρώγει. ὃταν δὲ γεννῶσι τὸν μυρμηκολέοντα, γεννῶσιν αὐτὸν δυο φύσεις ἔχοντα, καὶ οὐ δύναται φαγεῖν κρέα διὰ τὴν φύσιν τῆς μητρός οὐδε ὄσπρια διὰ τὴν φύσιν τοῦ πατρός˙ απόλλυται οὔν διὰ τὸ μὴ ἔχειν τροφήν.
– Hdt. Hist. iii, 102.2: ἐν δὴ ὦν τῇ ἐρημίῃ ταύτῃ καὶ τῇ ψάμμῳ γίνονται μύρμηκες μεγάθεα ἔχοντες κυνῶν μὲν ἐλάσσονα ἀλωπέκων δὲ μέζονα: εἰσὶ γὰρ αὐτῶν καὶ παρὰ βασιλέι τῷ Περσέων ἐνθεῦτεν θηρευθέντες. οὗτοι ὦν οἱ μύρμηκες ποιεύμενοι οἴκησιν ὑπὸ γῆν ἀναφορέουσι τὴν ψάμμον κατά περ οἱ ἐν τοῖσι Ἕλλησι μύρμηκες κατὰ τὸν αὐτὸν τρόπον, εἰσὶ δὲ καὶ αὐτοὶ τὸ εἶδος ὁμοιότατοι: ἡ δὲ ψάμμος ἡ ἀναφερομένη ἐστὶ χρυσῖτις.
De gebruikte vertaling: Herodotos, Het verslag van mijn onderzoek, vertaald, ingeleid en geannoteerd door Hein L. van Dolen, Nijmegen 1995.
– Tim. Gaz., De animalibus (Περὶ ζῴων), xxxii, 2,3, uitg. Haupt 1869, 20; vert. Rabinowitz en Bodenheimer 1949, 37.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Dieren, Griekenland

Moeizame wetenschap

Als ik een plaats in Oppianus’ Halieutica wil naslaan en misschien citeren—en wie wil dat niet, op zijn tijd?—heb ik de keus tussen de genadeloze Teubner-editie van het Grieks, zonder enige vertaling, en een Latijnse vertaling uit 1813, die in de UB alleen in de Zaal Bijzondere Werken geraadpleegd mag worden, en die is vanwege corona op slot. Ik had toch beter moeten opletten op school. Schopenhauer drukte reeds zijn verachting uit voor mensen die teksten uit de Oudheid in vertaling lezen.

3 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Dieren

Drakenvlees eten?

Bij al-Damīrī (1341–1405) las ik twee juridische meningen van shariageleerden over de vraag of het ḥalāl is om drakenvlees te eten. Nee, luidt het antwoord: in geen geval, omdat de draak tot de slangen behoort; of juist eerder tot de vissen die schade aanrichten met hun hoektanden, en die zijn duidelijk ḥarām, net als de krokodil.
.
Voor de praktijk van een islamitisch leven heeft dit weinig relevantie, omdat de vraag naar drakenvlees al even gering is als het aanbod ervan.
Voor niet-moslims kan deze kwestie echter leerzaam zijn. Er wordt onder hen immers zo vaak getobd over die verschrikkelijke, beangstigende sharia. Welnu, hier treedt een aardig trekje daarvan aan de dag. De geleerden hebben alle mogelijke vragen doorgeëxerceerd, maar zijn slechts beperkt geïnteresseerd in de praktische problemen van het alledaagse leven! Daarin onderscheiden zij zich overigens niet zeer van de joodse wetgeleerden.
.
De ‘invoering van de sharia’ of het ‘praktiseren van de sharia’, die door sommige moslims wordt gewenst en door alle islamofoben wordt gevreesd, is alleen al volslagen onmogelijk door het wereldvreemde karakter van dit soort rechtsdenken.
==============
Het loont voor een man echter de moeite, toch af en toe drakenvlees te eten, ḥarām of niet—ook om zijn vrouw een plezier te doen. Want op dezelfde bladzijde wordt gezegd—maar deze uitspraak stamt niet van een rechtsgeleerde:
‘Men beweert dat het eten van drakenvlees moedig maakt, en dat wie drakenbloed op zijn geslachtsdeel smeert en dan gemeenschap heeft met zijn vrouw haar een enorm genot bereidt.’
Dus, heren, pakt uw lansen en gaat op jacht!

BRON:
Kamāl al-Dīn Muḥammad ibn Musā al-Damīrī, Ḥayāt al-Ḥayawān al-Kubrā, uitg. Ibrāhīm Ṣāliḥ, 4 dln., Damascus 2005, i, 543

فعلى ما قال القزويني: أكله حرام، لكونه من جنس الحيات، وعلى أنه سمك يؤذي بنابه فالظاهر التحريم أيضا كالتمساح.
زعموا ان أكل لحمه يورث الشجاعة، ودمه إذا طلي به على الذكر وجامع امرأته حصل لها لذة عظيمة.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Islam, Nabije Oosten

Mini-herinneringen Cairo: dieren als verdienmodel

Enige malen heb ik al gewezen op de liefde voor dieren die bestond in het Ottomaanse Rijk: hier en hier. In het Egypte van de jaren zeventig was het anders: daar was men soms behoorlijk wreed tegenover dieren. Waarschijnlijk kwam dat door de extreme armoede waaronder veel mensen gebukt gingen.
.
De jongetjes hadden een musje gevangen en dreigden dit dood te knijpen, tenzij … . Zij hadden goed begrepen dat de Europese dame dit niet zou willen aanzien en gauw het verlangde muntje zou overhandigen, waarna het beestje werd vrijgelaten.
.
In de dierentuin van Cairo waren de pauwen nogal gehavend. Dat kwam omdat jongetjes over het hek klommen, een veer uit de pauw trokken en die voor een muntje aanboden aan de bezoekers.
.
In dezelfde dierentuin kon men zich voor geld toegang verschaffen tot de verblijven achter de kooien om een foto te laten maken van zichzelf met een leeuwenwelp op de arm.
.
Bij Salwa Bakr las ik dat de dierenverzorgers soms het voer voor hun beesten achterhielden om het zelf op te eten. Arme drommels, arme dieren.
.
Wat voor muntjes dat waren ben ik vergeten. Een piaster misschien, of een halfje (ta‘rifa)? Kooibezoek zal wel duurder geweest zijn.
.
In het bijbelse Palestina zijn de laatste eeuwen de prijzen van offerdieren flink gestegen. ‘Are not two sparrows sold for a farthing?’ heet het in de King James vertaling (Matt. 10:29). Tegenwoordig is dat ‘for a penny’: een prijsstijging van 400%. In het Nederlands pakte men het handiger aan: ‘Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht?’ luidt in de nieuwe vertaling: ‘Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets.’ Net als bij de postzegels houdt men de echte prijs verborgen. ‘Zo goed als niets,’ dat is reclametaal, bedacht door mensen die zelf niet ieder dubbeltje hoeven om te draaien.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Cairo, Dieren, Onzin Humor

Hebben schoothondjes een ziel?

Die vraag vindt U misschien middeleeuws. Laat ik dan iets anders vragen: heeft een hond een persoonlijkheid, is een hond iemand? Ook als niet-hondenbezitter beantwoord ik deze vraag zonder aarzelen met ja. Vaak genoeg heb ik een innig van-ziel-tot-ziel contact gehad met een hond—ik weet echt geen beter woord. Met enkele andere diersoorten kan het ook, maar lang niet met alle.
.
Maar dan de vraag die mij soms bezighoudt: heeft een schoothondje ook een ziel? Zo’n juffershondje, zo’n handtas op pootjes? Ik schrik altijd als ik er een zie. Moeilijk: het is een dier, het leeft, het beweegt, heeft een stofwisseling, kent vreugde en verdriet, uit zich door spraakklanken, maar het is allemaal zo dun, zo nep, zo bijna niks. De ijsbergsla onder de dieren. Geen wonder, zegt U misschien: zulke beestjes zijn toch een product van geknoei, van genetische manipulatie? Ja, maar dat zijn grote honden eerlijk gezegd ook, ze hebben minstens vijftienduizend jaar genetische manipulatie achter zich. Ik kom er niet uit.
.
En gemanipuleerde mensen, hebben die een ziel? Ze hoeven niet eens genetisch gemanipuleerd te zijn om die vraag te laten opkomen. Iemand die dag in dag uit met zo’n luidsprekertje in zijn oor rondloopt, is dat nog iemand? Of een ondervoede slaaf in Noord-Korea, die ieder dag dezelfde routinehandelingen moet uitvoeren? Afgestompt, heet dat dan: de vooronderstelling is, dat er eerst, of in aanleg, een ziel was, maar deze vernietigd is of tot een stompje teruggebracht. Een innig zielencontact is dan niet mogelijk. Maar zo’n kapotte mens is onder ideale omstandigheden nog (ten dele? grotendeels?) te herstellen; een schoothondje niet.

5 reacties

Opgeslagen onder Dieren