Categorie archief: Universiteit

Sluipwegen der wetenschap

Het zag er niet goed uit toen ik een artikel uit het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis wilde raadplegen. Want als zoveel eerbiedwaardige wetenschappelijke tijdschriften is ook dit opgekocht door een grote uitgeverij, die er heel veel geld aan wil verdienen. Dat heeft tot gevolg dat ik het niet via de UB Marburg kan raadplegen, want daar is het alleen toegankelijk voor mensen die tot de universiteit behoren (Emigrant berichtte) en niet voor mensen die daar ooit toe behoord hebben.

Maar in vele gevallen is er uitkomst. Dikwijls heeft de auteur, die natuurlijk graag gelezen wil worden, zijn artikel of boek zelf ergens online geplaatst, wat misschien illegaal is. Of een website van belanghebbenden heeft dat gedaan. Bovenbedoeld artikel vond ik op een Pakistaanse webpagina; vaak zijn het Iraanse. Dat is begrijpelijk, want Iran is door allerlei sancties afgesneden van de rest van de wereld, dus heeft zelf heel vlijtig gewerkt aan het publiceren van illegale kopieën. Iran heeft natuurlijk lak aan copyright, en Pakistan blijkbaar ook. Zo is het vaak toch nog mogelijk een artikel in enkele seconden op je scherm te krijgen, maar het lukt niet altijd.

Een andere mogelijkheid is een vriend of collega uit de buurt, die wél toegang heeft tot de online vleespotten van de bibliotheken, te vragen een artikel voor jou te downloaden. Maar dat doe je één, misschien twee keer, want het is een karweitje, en je wilt iemand daarmee niet belasten. Er zijn echter ook collega’s wereldwijd die zich hebben verenigd in bepaalde vakfora, op Facebook bij voorbeeld, en daar kun je dan verzoekjes plaatsen als: ‘Heeft misschien iemand een pdf. van …?’. Vaak werkt dat binnen een dag.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Media Medien, Universiteit

Einde uni?

Ooit was ik docent aan een universiteit; weliswaar niet in Moderne Geschiedenis, maar ik meen daar toch genoeg van te begrijpen om het antwoord op onderstaande tentamenvraag te kunnen beoordelen:

Why did Germany lose the First World War?

There is no one answer to this question as there were many factors that contributed to Germany’s defeat in the First World War. Some of the reasons that have been suggested include the following:

  • The economic blockade imposed on Germany by the Allies prevented the country from accessing vital resources and supplies, which put them at a disadvantage.
  • Germany was fighting a two-front war against both the Allies in the west and the Russians in the east, which stretched the resources thin.
  • The United States entered the war in 1917 on the side of the Allies, providing them with much-needed manpower and supplies.
  • The German army was ultimately defeated on the Western Front by the combined forces of the Allies.

Ik zou wel blij zijn met een student die zo’n antwoord gaf; die verdient een hoog cijfer. Eén, twee fouten in het Engels, maar veel beter dan hoe studenten tegenwoordig schrijven. De inhoud is verheugend beknopt en toch veelzijdig. Er worden maar liefst vier redenen genoemd. Er zijn er misschien meer, maar er wordt niet beweerd dat dit uitputtend is, of dat het allemaal waar is. Dit overzichtje is zeker genoeg voor een negen of zelfs een tien.

Maar waar is de student die ik kan verblijden met dit hoge cijfer? Die bestaat niet, want het bovenstaande antwoord is geschreven door een algoritme.

Toen ik nog aan de universiteit werkte begonnen studenten juist met het plagiëren van teksten uit het internet. Nu hoeven ze dat blijkbaar niet eens meer zelf te doen: een algoritme duikt in alles wat er over een bepaald onderwerp geschreven is, vat dat keurig samen en houdt beschaafdheidshalve nog een slag om de arm. Of nou ja: duikt in bijna alles. U kunt zich wel voorstellen hoe een Chinese algoritme te werk zal gaan als er bij voorbeeld gevraagd wordt waarom het geboortecijfer onder de Oeigoerse bevolking de laatste jaren zo is gedaald. Maar ook zonder zulk leugenachtig gedoe is het al erg genoeg. Studenten hoeven dus niets meer zelf te weten of te begrijpen, hoeven zich door lezen geen kennis meer te verwerven. Dat komt mooi uit, want ze houden toch al niet van lezen.

Als er in de toekomst nog iets van een universiteit bestaat zullen daar heel andere dingen worden gedaan dan ‘in mijn tijd’. Wat precies kan ik me niet eens voorstellen. Gelukkig maar, want ik ben er intussen al tien jaar weg.

Het bovenstaande heb ik gevonden bij de historicus Charles West.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Universiteit

Affiliatie

Affiliatie wil zeggen dat je ergens bij hoort; in het geval van wetenschappers dat je bij een bepaalde universiteit hoort. Je kunt dan gebruik maken van de faciliteiten die een universiteit biedt: werkruimte, bibliotheek, dienstpost, digitale communicatiemiddelen, laboratorium, terwijl je anderzijds bij een publicatie achter je naam vermeldt: University of So-and-so. Als je je aanmeldt voor een congres of een publicatie inlevert moet je altijd je affiliatie vermelden. Zo weten de collega’s wereldwijd waar je zit en pikt de universiteit een welverdiend graantje mee van jouw roem; je helpt mee je universiteit op de kaart te zetten en in aller mond te laten zijn. 

Maar hoe zit het dan met geleerden die geen affiliatie hebben, die niet aan een universiteit verbonden zijn? Een bekend Nederlands voorbeeld daarvan is de historicus Jona Lendering. Een echte en actieve geleerde, die echter steeds minder toegang krijgt tot de hulpmiddelen die hij voor zijn vak nodig heeft en voor deze problematiek regelmatig aandacht vraagt.

Ik hoorde altijd wel bij een universiteit: Leiden, Amsterdam VU, Frankfort, Marburg, en kon dus genieten van alle faciliteiten. Maar sinds mijn pensionering hoor ik nergens meer bij. Mijn pensioen komt niet van de universiteit, maar van de deelstaat Hessen, en de universiteit hier ter stede heeft niets met mij te maken. Aanvankelijk liep dat niet zo’n vaart: ik kende nog de wegen en kreeg veel gedaan via oud-collega’s, die zo nodig even hielpen met de toegang hier of daar. Ik had en heb ook nog altijd mijn email adres: ….@staff.uni-marburg.de en schreef nog braaf ‘University of Marburg’ als mijn affiliatie gevraagd werd, aldus bijdragend tot de naamsbekendheid en roem dezer illustere instelling. 

Dat e-mail-adres moet ieder jaar verlengd worden; dat heb ik juist weer gedaan. Op voorspraak van een goede vriendin in mijn oude instituut heb ik die verlenging weer gekregen, maar er zat een onaangename mededeling bij. Omdat ik niet in enig dienstverband sta met de universiteit kan ik wel nog het e-mail-adres gebruiken, maar verder niets: geen VPN, geen Shibboleth. Kortom: de faciliteiten van de universiteitsbibliotheek niet. Eigenlijk was dit al een tijdje zo, maar de universiteit vond het nodig, nu eens duidelijk te zeggen dat ik er niet meer bij hoor.

VPN bood tot voor kort nog de mogelijkheid, vanuit huis toegang te krijgen tot publicaties in de UB. Voortaan moeten oude geleerden dus in persoon (met wandelstok, rollator enz.) naar de UB. En dan krijgen ze géén Shibboleth: dat is het toverwoord waarmee toegang wordt verkregen tot alle digitale publicaties en dat alleen verkrijgbaar is als je een universiteits-account hebt—‘erbij hoort’ dus. Zulke publicaties worden steeds talrijker: veel nieuwe boeken worden tegenwoordig niet eens meer in boekvorm aangekocht, maar alleen als pdf-bestand. En de wetenschappelijke tijdschriften, waarvan de jaargangen vroeger zo gezellig in de rij op een plank stonden, zijn opgekocht door grote uitgeverijen, die ze gedigitaliseerd hebben en zeer gemakkelijk en gratis beschikbaar hebben gemaakt voor mensen met VPN en Shibboleth, maar absurd duur voor mensen die dat niet hebben: € 35 per artikel is geen uitzondering, of je mag het bij voorbeeld maar een week lezen. Je moet dus vrienden hebben, die die toegang wel hebben, of je aansluiten bij een forum van lotgenoten in Facebook, waarin dialoogjes plaats vinden als: ‘Wie heeft er een pdf van …?’ – ‘Ja, ik; ik zal het je toesturen’.

Zo worden oude geleerden haast gedwongen, rozen te gaan kweken of een andere branchevreemde activiteit te beginnen. Het is contra-productief. Geleerden mét dienstverband komen vaak helemaal niet aan onderzoek toe, want behalve onderwijs geven moeten ze naar vergaderingen, nieuwe studieregelingen bedenken, vijfentwintig proefschriften doorlezen, zich laten evalueren, en het ergste van al: subsidieaanvragen opstellen voor nieuwe onderzoeksprojecten. Dikwijls is het juist pas ná de pensionering dat iemand eens rustig aan wat groter onderzoek kan gaan zitten, en dat wordt nu verhinderd. De universiteit zal dus ook niet meer trots worden vermeld op de titelpagina. Ik kan me zelfs een Voorwoord bij een boek voorstellen, waarin volgens de traditie iedereen wordt bedankt die meegeholpen heeft, maar de universiteit op sarcastische toon wordt bedankt voor alle hindernissen die zij heeft opgeworpen.

Zijn het dan werkelijk zulke rotzakken bij de universiteiten? Ten dele inderdaad, maar het zijn vooral gewillige volstrekkers. De grootste boosdoeners zijn de beursgenoteerde, wereldwijd actieve wetenschappelijke uitgeverijen, die zich van steeds meer wetenschappelijke publicaties meester maken en daar dik aan verdienen. Hun grondstof, de publicaties, verkrijgen zij in principe gratis, want die worden betaald met het inkomen van de auteur, en met diens hartenbloed. Hun voornaamste verdienste is hun voortreffelijke distributieapparaat. Dat is inderdaad indrukwekkend, maar schandelijk overbetaald, en vrijwel onbruikbaar voor mensen die niet aan een universiteit verbonden zijn waarmee zij een wurgcontract hebben afgesloten. De bibliotheken doen wat de uitgeverijen zeggen, en die denken alleen aan hun aandeelhouders en aan winstmaximalisatie. Tel uit je winst.

1 reactie

Opgeslagen onder Universiteit

Mini-herinnering: de werkkamer

In Marburg is op het ogenblik een interessante en aardige jonge wetenschapper, verbonden aan het instituut waar ik gewerkt heb. We kenden elkaar al van correspondentie, want onze onderzoeksonderwerpen liggen dicht bij elkaar. Maar nu is er natuurlijk de gelegenheid elkaar in het echt te zien. Voor de kerst heb ik hem voor het eerst bezocht, en toen bleek dat hij de werkkamer had gekregen die tot 2012 de mijne was geweest. Dat was een vreemde gewaarwording: alles was er nog, de meubels, de poster die ik aan de wand had gehangen en het Duitse telefoonalfabet dat ik op een poot van het bureau had geplakt. Gisteren zat ik er weer, en toen vertelde F. dat er in de kast nog een enorme stapel scripties en tentamens lag ‘uit mijn tijd’. Ik herinnerde mij: die had ik indertijd achtergelaten omdat die dingen een bepaalde tijd bewaard moesten blijven. Maar die tijd was ruimschoots verstreken en nu konden ze wel weg. F. kon de vrijkomende kastruimte goed gebruiken. Bij het uitmesten heb ik enkele blikken op die papieren geworpen en ziedaar, de hele periode herleefde. De studenten, de onderwerpen, de tentamenvragen die ik nu zelf waarschijnlijk niet meer zou kunnen beantwoorden: alles kwam weer boven. Een unieke gelegenheid tot graven in de eigen autobiografie, die ik echter niet wilde aangrijpen. Nee, in die enkele ogenblikken werd er al genoeg omhoog gewoeld. De boel kan dus in de papiercontainer; alleen de mooie mappen waarin de scripties vaak werden aangeleverd zijn nog waardevol om te bewaren.

De dikste scriptie heb ik wat langer bekeken. Dat was een afstudeerscriptie, die dus in een zitting te verdedigen was geweest; ongeveer zoals een proefschrift, maar dan bescheidener. Het was een heel behoorlijk werkstuk; des te schrijnender dat de studente het nodig had gevonden haar verleidingskunsten in stelling te brengen. Je had van die studentes, die zich extra optutten voor iedere werkbespreking. Zo ook M., met wie er meerderde werkbesprekingen waren geweest: altijd een tikje onzakelijk om het zo maar te zeggen. Ik liet dan de deur open. Bij de uiteindelijke verdediging had zij extra haar best gedaan. Een flinke plens parfum en een fraaie zijden blouse. Maar die was blijkbaar al niet nieuw meer en M. was in de loop der tijd toch iets aangekomen, zodat het ding erg strak zat, té strak eigenlijk. De totale indruk was dus niet zo fantastisch en ging mede nach hinten los omdat de rol van bijzitter werd vervuld door een wat oudere hoogleraar, een vrouw met een knotje en een degelijk mantelpak. Die liet middels haar gelaatsuitdrukking haar misprijzen duidelijk blijken. Na de zitting hebben we er samen om gegrinnikt. Maar de kandidate was geslaagd hoor, met een goed cijfer.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Studenten, Universiteit

Mini-herinnering: slim blondje

Arabisch leren was vroeger niet gemakkelijk. Nog steeds niet, maar de laatste jaren is er veel verbeterd: betere leerboeken, audiovisuele hulpmiddelen en pedagogisch getrainde docenten. Toen ik de taal onderwees verdwenen er na de eerste weken altijd veel studenten, omdat zij inzagen dat het toch niets zou worden. Er waren echter ook studenten, wien de stof zomaar kwam aanvliegen. Zo waren er eens twee studenten natuurkunde, die Arabisch er even bij kwamen doen, niet omdat het ze interesseerde, zoals zij eerlijk zeiden, maar omdat ze wel eens ervaring wilden opdoen met een heel ingewikkeld systeem, dat anders was dan wat ze gewend waren. Ze kregen het snel en goed onder de knie en toen verdwenen ze weer, want wat er in die taal geschreven was interesseerde ze inderdaad niet. Ook mijn pogingen om hun belangstelling te wekken voor de geschiedenis van de natuurkunde, die in voorbije eeuwen immers in het Arabisch plaatsvond, waren vergeefs.

Maar waar blijft nu dat blondje, vroeg u zich al af. Ook zij was een studente van mij. Blond en ontzettend mooi volgens de standaardopvattingen, een seksbom uit Hollywood als het ware. Gelukkig was ik zelf niet ontvankelijk voor haar type schoonheid, zodat ik niet in bekoring werd geleid. Zij kwam Arabisch als hoofdvak studeren, maar in zo’n uitgeklede moderne studierichting met een hapje van dit en een vakje van dat. ’s Zomers werkte zij als stewardess bij een luchtvaartmaatschappij. Hoewel ze eruit zag als een ‘dom blondje’ was zij dat niet, integendeel: ze schoot door de stof heen en betoonde zich ook verder heel intelligent. Maar met die studenten natuurkunde had ze gemeen dat ze zich niet voor het vak interesseerde. Ze las alleen met tegenzin de verplichte dingen, en toen ze een scriptie moest schrijven kwam er wel een intelligent stuk uit haar handen, maar ook dat was met lange tanden geschreven. Ik heb meermalen gevraagd waarom ze dan Arabisch wilde doen, maar dan lachte ze maar wat. Ze leed wel merkbaar onder haar schoonheid, want ze werd zowel door mannen als door vrouwen telkens alleen maar als seksbom gezien. Maar heur haar afknippen of in een knotje doen en intellectueel worden, nee dat was ook niets voor haar. Misschien had ze van meet af aan andere plannen. Op een dag vertrok zij naar Egypte. Dat werd altijd aangemoedigd; voor de praktische taalverwerving was het onmisbaar. Ik hield mijn hart vast voor haar: een blonde vrouw in Egypte, dat kon heel lastig worden. Veel Egyptische zakenlieden hadden een Europese, blonde secretaresse; in die kringen was dat een soort statussymbool. Typevaardigheid werd waarschijnlijk nauwelijks verlangd. Deze studente pakte het wel heel doortastend aan: ze was in de kortste keren de maîtresse van een zeer hooggeplaatst persoon. Had ze die al tevoren ontmoet, in een vliegtuig misschien? Ze bleef meer dan een jaar bij hem en leerde heel goed Arabisch, evenals de ins and outs van Egypte. Daarna kwam ze weer terug, de relatie was blijkbaar ten einde. Vervolgens trouwde ze tot ieders verbazing met een soort behanger, terwijl iedereen zich voor haar een prachtige partij had voorgesteld. Misschien was alleen deze man in staat door haar gehate schoonheid heen te zien en tot haar ware wezen door te dringen. Ik verloor haar uit het oog en heb van haar succesvolle studie nooit meer iets vernomen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Kairo, Studenten, Universiteit

Mini-herinnering: vertrek van een directeur

De pensionering sloeg ook voor hem genadeloos toe: de directeur van het instituut werd vijfenzestig en moest dus het veld ruimen. Er was een afscheidsbijeenkomst georganiseerd. De tweede man van het instituut hield een sympathieke speech van een minuut of tien, waarin hij dankbaar herinnerde aan het mooie werk dat de directeur had verricht. Daarop beklom deze zelf het spreekgestoelte. Te verwachten was nu een vriendelijk dankwoord voor die speech geweest, waarderende woorden voor de medewerkers, misschien nog een korte schets van de ontwikkelingsgang van het instituut en een blik op de toekomst, waarna hij dan met een brede glimlach het buffet geopend zou verklaren. Zó hoort dat—maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan werd de zaal verduisterd en presenteerde hij een autobiografie in dia’s, sommige al haast verbleekt, waarin zijn prachtige levensloop, zijn reizen en zijn ontmoetingen met Belangrijke Personen centraal stonden. Soms was hij tot tranen toe geroerd door zijn eigen herinneringen. Wat was dat pijnlijk en fout, en het duurde en duurde maar! Minstens drie kwartier, gevoeld veel langer. Zoiets hoort hoogstens door dankbare leerlingen of medewerkers gedaan te worden, het liefst in de vorm van een boek, dat niet iedereen uit hoeft te lezen.

Het was geen slechte directeur geweest. Indertijd had hij zelf het instituut opgericht, tegen de verdrukking in. Hij had eigenlijk maar één fout gemaakt, maar dat was wel een grote: de verkeerde hoogleraar voor islamologie aangesteld. Iemand die meer een historicus is dan een islam-kenner, en daaronder lijdt het instituut tot heden. De andere, betere kandidaat was echter een vrouw, die korte rokjes droeg en rookte. Deze had de meerderheid van de stemmen in de benoemingscommissie, tot de directeur spontaan besloot dat de studentenstemmen toch niet mee zouden tellen. Te vrezen is dat persoonlijke sympathieën hier de doorslag hebben gegeven: ouwe jongens krentenbrood.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Marburg, Universiteit

Mini-herinnering: het mooiste werk

Het moet ergens in de hemel geweest zijn, of misschien in de Rotary Club, dat de rector van de Frankfortse universiteit een ontmoeting had met een van de topbankiers waaraan Frankfort zo rijk is. Op zeker ogenblik kwamen de beide heren op het idee iets gezamenlijks te ondernemen, iets met maatschappelijke betrokkenheid en veel publiciteitswaarde. Tenslotte dacht zo’n bank niet alléén maar aan geld verdienen. Er werd besloten tot een conferentie over migratie, een panel met coryfeeën uit binnen en buitenland.

Dit besloten zijnde verloor de rector het project snel uit het oog en liet het aan zijn persönliche Referentin over, het te laten doorsijpelen naar de aarde. Deze probeerde het onder te brengen bij een faculteit of vakgroep, die dan de organisatie op zich moest nemen. Sociale Wetenschappen misschien? Geografie? Maar de een na de ander schoof het van zich af, tot het uiteindelijk belandde bij de oriëntalistiek. Kwamen immers niet veel van die migranten uit de Arabische wereld? Nou dan.

Het project lag een tijdje te beschimmelen op het bureau van mijn chef. Maar toen het duidelijk werd dat de afgesproken datum nu wel erg nabij kwam begon hij pijlsnel allerlei geleerden aan te schrijven en uit te nodigen, terwijl ‘al het andere’ door mij opgeknapt moest worden, en ook in ijltempo natuurlijk. Al het andere: reservering zaal, honoraria, reservering hotels, regeling reiskosten, correspondentie met deelnemers, opstellen programma’s, ontwerpen van flyers — want het moest een grote, in het oog lopende conferentie worden in de grote Casino-zaal van de universiteit —, drukken van de programma’s, bestelling lunch en koffie en thee, alles in overleg met de persönliche Referentin, die een heel plezierige dame bleek te zijn. Minder aangenaam was de dame van de bank, die vooral geïnteresseerd was in de grootte van het logo van de bank, dat overal zou worden afgedrukt. Het kostte enige moeite haar ervan te overtuigen dat een klein logo sjieker is dan een groot.

Kon ik dat dan, een flyer ontwerpen? Natuurlijk niet, maar de dure, ingehuurde vaklui treuzelden en wilden steeds weer opnieuw overleggen en daar was geen tijd meer voor. Tenslotte kwakten we een foto van een gammel Tunesisch bootje op het omslag — wie die aanleverde weet ik niet meer — en het binnenwerk typte ik vol op mijn eigen tekstverwerker in drie kolommen, in een discreet lettertype. De universiteitsdrukkerij vermenigvuldigde het geheel. Het resultaat zag er iets te goedkoop uit, maar het was beter dan niets.

Kortom, een hoop werk; gelukkig was het juist Semesterferien. In het begin was ik nijdig, omdat ik door de traagheid van anderen met deze spoedklus was opgezadeld, maar al spoedig veranderde mijn stemming. Het bleek namelijk het allerleukste werk te zijn dat ik in mijn hele loopbaan heb verricht! Misschien had ik event manager moeten worden. Ik moest bij dit alles wel eens aan mijn vader denken, die een kermis in Soerabaja organiseerde, wat ook bepaald niet zijn eigenlijke werk was.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk, Universiteit

Literatuur exit?

Mij werd een enquête toegestuurd met vragen over mijn studiekeuze voor Arabisch indertijd. Eén van die vragen was:

Mij sprak literatuur het meest aan, maar dat schijnt niet meer voor te komen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Universiteit

Mini-herinnering: naar Oost-Duitsland

De DDR in volle glorie heb ik nooit gekend, maar een paar maanden na de val van de muur besloot ik erheen te gaan om de auteur van ons leerboek Arabisch te leren kennen, en natuurlijk ook uit algemene nieuwsgierigheid. En om linten te kopen voor mijn Arabische schrijfmachine van het merk Erika: een Oostduits produkt dat weldra niet meer gemaakt zou worden, dat was te voorspellen, en die linten hadden geen standaardafmetingen. Ik heb ze inderdaad gekocht en nog lang bewaard, maar de schrijfmachine werd weldra overbodig.

Indertijd gaf ik les uit het leerboek van Krahl & Reuschel, een Oostduits werk van grote kwaliteit. Als studenten of andere personen Oost-Berlijn bezochten, vanuit het westelijk deel van de stad, moesten ze verplicht valuta wisselen en van wat er overbleef konden ze mooi weer wat exemplaren van dat boek meenemen. (Ja, jongens en meisjes, in die tijd lazen studenten gewoon nog Duits.)

Het ergste was eraf toen ik het land bezocht, maar officieel bestond de Deutsche Demokratische Republik nog steeds. Aan de grens, op het stationnetje van Oebisfelde, was er een langdurig oponthoud en moest je in een kantoortje een visum aanschaffen. Het wisselgeld — vijf mark – gaf de douanier niet terug; ik durfde er niet om te vragen, want ik had nog wel wat angst voor ‘Oost-Europa’. Blijkbaar was ik niet de enige: in de treincoupé heerste tot Leipzig een ijzige stilte. Uit dezelfde angstigheid nam ik een taxi vanaf het gigantische station van Leipzig, dat nog geheel reclame- en winkeltjesvrij was, naar het hotel, hoewel dat eigenlijk op loopafstand lag. Dat rare land was gewoon wat bedreigend; waarschijnlijk het gevolg van tientallen jaren berichtgeving over het communisme. Al spoedig bleek het erg mee te vallen.

Dat hotel was al van te voren in Nederland geboekt bij een of ander centrale organisatie. Het zag er normaal uit, luxe van de zeventiger jaren. In de badkamer stond een knaloranje badkuip van kunststof, maar alles werkte. Een drankje aan de bar, om de zenuwen weg te spoelen. Daar voegde zich een niet meer piepjonge vrouw bij me, die tamelijk wanhopig leek. Na enige tijd bleek het de hotelhoer te zijn, ze wilde ook graag mee naar mijn kamer, maar daar voelde ik niets voor. Toen ze zich daarin had geschikt begon ze te praten, over haar wanhoop, ze wist niet waar ze moest blijven, want haar dienstverband met het hotel stond nu op wel zeer losse schroeven, evenals het hotel zelf trouwens. Ik bedacht dat ik misschien geld bij haar kon wisselen: Eén Mark voor drie Rijksmarken was de koers, had ik gehoord, en inderdaad, dat wilde ze graag. Zó graag dat ze helemaal opbloeide: nu kon ze haar kamer voor de nacht weer betalen. De eigenlijke koers was blijkbaar toch nog een andere. Maar het kon me niet schelen; dat hele land was zo goed als te geef. Een tijdje later kwam er een oudere jongeman bij me zitten. Hij solliciteerde niet uitdrukkelijk naar een verblijf in mijn kamer, maar het werd me geleidelijk toch duidelijk dat dit het mannelijke equivalent van de hotelhoer was. Kennelijk was het zo, dat hotels in de Messestadt Leizpig hoeren van alle gezindten in dienst hadden om de buitenlandse gasten te vermaken en uit te horen. Voor elk wat wils. Het zag er slecht uit voor deze mensen: de bedrijfstak stond op instorten.

Het avondeten en het ontbijt waren in orde: keurig eten, maar in afgepaste porties, niet de vette overvloed van het Westen. Toen de straat op. Het eerst wat ik zag, pal voor het hotel, was een glanzende nieuwe Porsche met een Oostduits nummerbord, en daartegenaan geleund een verveeld kijkende jonge vrouw in een bontjas. Rijke mensen waren hier dus ook. Maar even verderop stonden stationcars uit het Westen met de achterklep open. Daar werd allerlei handel aangeboden: bananen, druiven, bekertjes vruchtenyoghurt, cassettebandjes, wasmiddelen, van alles. De klanten stonden er zwijgend omheen en vroegen zich af welke artikelen zij betalen konden. Vreugdevol winkelen was het niet. De stad zag er verder uit als de Duitse stad die zij was, alleen vervallen en met minder winkels.

De Karl Marx Universität in Leipzig was, zoals ons leerboek dat indertijd omschreef, ‘een prachtig gebouw, dat door de arbeiders is opgericht op de puinhopen van de oorlog.’ Voor dat doel hadden zij er nog enige bijgemaakt: wat historische gebouwen en een oude kerk hadden het veld moeten ruimen, terwijl een andere puinhoop onaangeroerd bleef: de beroemde universiteitsbibliotheek, die in de oorlog gedeeltelijk was verwoest en tot dan toe niet was hersteld. Een wereldwonder van aluminium was die toren: zevenentwintig verdiepingen, met vermoeide liften, onmisbare trappenhuizen en ramen die niet open konden. Inmiddels zit er iets anders in. Een groot bord bij de ingang riep de bezoekers op, unaufgefordert hun Ausweis te tonen; dat hing daar blijkbaar nog van vroeger. Ik liep langs de portier, ben niet aangehouden en zat een paar minuten later al tegenover professor B, die enigszins verbluft was, maar gaandeweg steeds enthousiaster werd over mijn onaangekondigde bezoek. Ik was de eerste uit het Westen die hem bezocht. Natuurlijk was hij ook verguld omdat ik zoveel waardering had voor zijn werk. Hij liet mij trots de honderd(!) proefschriften zien, alle helaas slechts in getypte vorm, met het onderzoek dat de basis zou worden voor een syntax van het moderne Arabisch. Indrukwekkend. Hij wilde mij ook enkele artikelen van zijn hand in fotocopie meegeven. Daartoe begaven we ons naar een kantoortje ergens buiten: er was een toestemming tot copiëren voor nodig en toen die was verkregen werd de boel op een apparaat gelegd. Er kwamen bruine copieën uit, op warmtegevoelig papier. Een mij onbekend procedé, waren het heliogravures? Ze zagen er niet naar uit dat ze lang zouden overleven. De heer B. vond het kennelijk leuk mij te ontvangen en nodigde mij uit voor een avondeten overmorgen bij hem thuis. Die eerste dag ging ik eten op de bovenverdieping van het universiteitsgebouw. Daar zat een restaurant, dat naar plaatselijke maatstaven erg duur was, maar voor westmensen niet. Er zaten overwegend West-Duitsers, die luidkeels herinneringen ophaalden en daarbij soms in tranen uitbarstten.

De volgende dag door de stad gewandeld; Thomaskirche, Auberbachs Keller, enzovoort. ’s Avonds geprobeerd in een goed aangeschreven visrestaurant te eten, maar er stond een rij buiten op de stoep; dan maar weer het hotel. In Nederland kon je immers vis eten zonder rij.

De volgende ochtend naar de beroemde dierentuin, waar ik een korte flirt had met een chimpansee. Ik liep op een groepje mensen af dat samendromde voor de glazen wand waarachter zij zat, maar bleef op enige afstand staan, en toen ze mij zag kwam ze meteen mijn kant op. Er was direct contact, wij hadden elkaar enige minuten innig lief. Ik voelde mij vereerd, de anderen konden alleen jaloers toekijken. De kop koffie in het dierentuincafé was beter dan ik verwacht had. Opvallend was, dat daar om half elf in de ochtend mensen al aan de cocktails zaten, rare blauwe drankjes die ik ook in het hotel had gezien.

Op de laatste dag maakte ik een uitstapje naar Naumburg, met zijn beroemde domkerk en het beeld van Uta. Naumburg was een garnizoensstadje met veel Russische soldaten, die naar verluidde op niet onprettige manier met de burgerbevolking samenleefden. Maar de klad zat nu in de Russische bezetting; op de levendige kofferbak-markt boden handelaren uit het Westen onder andere tweedehands Playboys aan, terwijl de soldaten hun petten en insignes versjacherden. ’s Avonds te gast bij B. in de Kolonnadenstraße — heette die zo? — in ieder geval een mooie straat met honderd jaar oude burgerhuizen. Ook de woning was mooi, al werd zij ontsierd door een massief, quasi Oisterwijks eiken wandmeubel. Pas later besefte ik hoe uitzonderlijk deze woonsituatie was in de DDR: de straat was mij als westerling eerst niet opgevallen, maar viel in de grauwheid van de rest van de stad wel erg uit de toon. Een modelstraat. De geleerde behoorde kennelijk tot de bevoorrechten in de DDR, zoals ook bleek in onze gesprekken. Wat zijn vrouw deed weet ik niet meer, maar zij was een harde; iets van partijkader, dat zag je van verre, terwijl hij meer een gemoedelijk type was. Samen zetten ze een mooie maaltijd op tafel, met veel vlees en weinig groente, en overgoten door een wijn van de Saale-Unstrut. Op B. zal ik een keer apart terugkomen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Duitsland, Universiteit

Grieks

‘Ach, kendet gij allen Grieks!’ galmde de predikant met stemverheffing de kerk in, mij aldus wekkend uit de halfslaap waaraan ik mij tijdens de preek meestal overgaf. Welk moeilijk woord hij vervolgens uitlegde weet ik niet meer. Misschien was het weer eens agape, wat ‘liefde’ betekent, een bij dominees zeer geliefd woord, dat volgens hen volstrekt geen betrekking had op de lichamelijke liefde. Later, tijdens mijn verblijf in Griekenland, bleek dit tenminste voor het Nieuwgrieks onjuist te zijn—gelukkig maar.

Zoudt gij inderdaad allen Grieks moeten kennen? Nee hoor, laat maar. Maar ik krijg tegenwoordig bij mijn onderzoeksproject te maken met Oudgriekse teksten, soms ook minder gangbare, waarvan geen vertaling bij de hand is, en moet dus wel wat Grieks kennen. En ziedaar het wonder: met een beetje porren in het geheugen en wat bladeren in een grammatica blijkt het nog, of weer, redelijk leesbaar te zijn. Dat heeft de volgende redenen: 1. Het móet nu, het is niet vrijblijvend meer. 2. Op het gymnasium (1958–64) heb ik grondig onderwijs in die taal gehad. 3. Door het oud worden is het geheugen veranderd: wat tientallen jaren vergeten was, komt nu vanzelf weer boven drijven. 4. De jaren dat ik probeerde Nieuwgrieks te leren (1991–95) hebben geholpen, ook het Oudgrieks weer toegankelijker te maken. Tsjonge, wat heb ik daar toen mijn best op gedaan, zonder dat het ooit tot werkelijke beheersing leidde. Een lastige taal, dat Nieuwgrieks; maar Oudgrieks is nog veel ingewikkelder, en dat zou ik als scholier wel beheerst hebben? 

Dat Grieks op school was een rare fictie: we kúnnen het bijna niet gekend hebben, maar toch … Op het eindexamen moesten we een willekeurig stuk Homerus lezen en vertalen, zonder een woordenboek te mogen gebruiken. Dat betekende dat we de hele woordenschat van Homerus moesten kennen, en die week nogal af van het ‘gewone’ Attische Grieks. In de praktijk was er een goed hulpmiddel: een frequentielijst van Homerus’ woordenschat. Als je daaruit de eerste paar honderd meest voorkomende woorden kende, kon je de rest misschien raden, of je wist ze helemaal niet, maar een paar missers mocht je hebben. Enorm veel werk, maar in die tijd was er nog tijd. Het is gelukt, hoewel ik nogal een hekel had aan Homerus, er niets aan vond. Dat kwam omdat we toen ook onderwijs in het Hebreeuws kregen en ik vond de Psalmen veel betere poëzie: mooi leed, drama en introspectie. Plato en vooral de gezellige babbelkous Herodotus bevielen mij wél. Ik stelde mij Herodotus altijd als pijproker voor—historisch onmogelijk, maar wat zou het.

Hoe dan ook, voor mijn huidige project, en in het algemeen om de cultuuroverdracht in de oude tijd te begrijpen (van Grieks naar Arabisch, van Arabisch naar Latijn) komt het Grieks nu goed van pas. Een geschenk uit het verleden.

4 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Griekenland, Taal, Universiteit