Categorie archief: De mens

De lust van de oorlog – 1

Is het niet prachtig wat de Russen hebben aangericht in Oekraïne? Mariupol, Bucha, en al die andere plaatsen?

‘Nou nee!! Zeg, wat is dat voor een vraag, ben jij wel helemaal goed bij je hoofd?’ Dat gaat wel, dank u. Er bestaan echter mensen, ik behoor daar niet toe, die het inderdaad prachtig vinden, en betreuren dat er nu een beetje de klad in komt. In het begin van de oorlog circuleerde er een filmpje in het internet (ik heb het helaas niet bewaard), waarin een Russische soldaat verklaarde dat hij een erectie kreeg als hij Oekraïeners kon doodschieten, en hij verheugde zich al op de Oekraïense meiden die hij ging verkrachten. Zelfs al zou dat filmpje nep zijn, het treft toch de kern van de zaak: oorlog en vernietiging kunnen lust verschaffen. Het is aan te nemen dat zulke mensen net zo goed in Oekraïne voorkomen. Naast de vele dienstplichtigen voor wie deze oorlog een ramp is, zijn er ook vrijwilligers, die niet door dwang of plichtsgevoel maar door lust gedreven worden. En er zijn overal ter wereld huurlingen, die maar al te graag in een ver land inlanders gaan afschieten en dan hun vrouwen verkrachten. Voor hen ligt de nadruk op het eigen lichamelijk kunnen, moed, strategisch inzicht en de technische mogelijkheden van hun moderne wapens—en de poen natuurlijk. De vraag of hun verrichtingen geoorloofd of maatschappelijk wenselijk zijn interesseert hen niet.

Maar zulke mensen vormen maar een heel kleine groep. De grote meerderheid van de mensheid is niet zo. Die vindt zo’n oorlog alleen maar verschrikkelijk en weerzinwekkend. Onder die meerderheid is er echter weer een minderheid, en niet zo’n heel kleine, die het toch best lekker vindt om steden en mensen kapot te (zien) schieten of tegenstanders in een bloedig gevecht te doden, maar dan op één voorwaarde: dat het niet echt is. 

Ze maken of bekijken bij voorbeeld oorlogsfilms. Daar zit altijd een moment van spanning in: zal het lukken de vesting te veroveren, de Bismarck tot zinken te brengen? In zo’n film is er een goede en een slechte partij: als de kijker zich vereenzelvigt met ‘de goeden’ is er heel wat geweld geoorloofd. En er zijn films die juist willen laten zien hoe verschrikkelijk het allemaal is: de anti-oorlogsfilm. Talloze kijkers gaan echter gewoon naar zo’n actiefilm puur voor het lekkere geweld en letten niet op een eventuele boodschap. Dat weten de makers en hun financiers natuurlijk en ze houden er rekening mee bij hun calculaties.

En er komen steeds meer computerspelletjes waarin de spelers zélf huizen en steden aan flarden kunnen schieten of tegenstanders bloedig kunnen doden, met wapens of met de blote handen. Dat verschaft blijkbaar veel plezier, maar natuurlijk zouden de spelers er niet over peinzen hun actie in werkelijkheid om te zetten. Een enkele keer komt het tóch voor dat iemand fantasie en werkelijkheid verwart en door die spelletjes wordt aangezet tot echte bloeddaden, maar dat schijnt een zeldzaamheid te zijn.

Natuurlijk genereert een reële oorlog zelf ook lust. Brave burgers of jongens en meisjes die met tegenzin hun dienstplicht vervullen hadden misschien nooit aan zulke dingen gedacht en blijken nu ineens te kunnen juichen als er weer een tank vol Russische soldaten is getroffen en ‘geëlimineerd.’ Dat geeft een diepe bevrediging. Maar in een echte oorlog overstemmen angst, schrik, weerzin, walging en pijn altijd de lust.

(Wordt misschien vervolgd.)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Oorlog

Mini-herinnering: de hand boven het graf

Ouders mochten hun kinderen slaan, omdat zij dat nuttig vonden, om stoom af te blazen of gewoon uit kwaadaardigheid. Kinderen mochten hun ouders echter niet slaan. ‘Als je je moeder slaat, groeit later je hand boven het graf,’ zei mijn moeder soms. Daar was geen aanleiding toe: ik sloeg haar niet en mijn zussen deden dat evenmin. Behalve misschien toen we heel klein waren en spartelden en ons verzetten als we naar bed werden gebracht. Maar moeder meende het ook niet zo; ze zei het half lacherig. Ik was trouwens een pienter ventje en bedacht dat het niks erg zou zijn, want dan was je toch al dood.

Bij ongehoorzaamheid had ze nog een andere dreiging achter de hand: ‘de heks van de vaartkant,’ een rare, slonzige oude vrouw die maar drie tanden had. Daar zouden we heen worden gebracht als we ons misdroegen. Ook die dreiging was niet serieus: die heks woonde even buiten het dorp van mijn grootmoeder en was bovendien allang dood. Het was domweg de familieoverlevering die hier werd doorgegeven. Misschien was het vroeger ooit wel serieus gemeend geweest.

Deze herinnering kwam bij mij op bij de lezing van een heel kort sprookje van Grimm: ‘Het eigenzinnige kind’. Daar is het wel serieus, grimmig en gruwelijk.

Er was eens een koppig kind, dat niet deed wat zijn moeder wilde. Daarom had Onze Lieve Heer geen welgevallen aan hem en liet het ziek worden; geen arts kon hem helpen en weldra lag het in zijn doodsbedje. Toen het echter in het graf was neergelaten en met aarde bedekt was, kwam opeens zijn armpje weer tevoorschijn en stak omhoog, en als ze dat er weer in legden en er verse aarde overheen gooiden hielp dat niet, want het kwam er telkens weer uit. Tenslotte moest de moeder zelf naar het graf om met de roe op het armpje te slaan. Toen ze dat gedaan had trok het zich terug. Nu had het pas rust onder de grond.

Deze moeder werkte haar ongezeglijke kind met behulp van God, die machtige pedagoog, zelf het graf in, en na zijn dood had ze nog niet genoeg: ze ging door met slaan ‘tot het rust had’ – ja, en zij rust had; zo kon ze doorgaan met haar volgende kind. Wat een opvoedkunde, wat een moederliefde! We staan hier geloof ik bij een van de bronnen van het fascisme. 

Het origineel: 

Es war einmal ein Kind eigensinnig und that nicht, was seine Mutter haben wollte. Darum hatte der liebe Gott kein Wohlgefallen an ihm und ließ es krank werden, und kein Arzt konnte ihm helfen, und in kurzem lag es auf dem Todtenbettchen. Als es nun ins Grab versenkt und Erde über es hingedeckt, so kam auf einmal sein Ärmchen wieder hervor und reichte in die Höhe, und wenn sie es hineinlegten und frische Erde darüber thaten, so half das nicht, es kam immer wieder heraus. Da mußte die Mutter selbst zum Grabe gehen und mit der Ruthe aufs Ärmchen schlagen und wie sie das gethan hatte, zog es sich hinein, und hatte nun erst Ruhe unter der Erde.

Brüder Grimm, Kinder- und Hausmärchen, nach der zweiten vermehrten und verbesserten Auflage von 1819, textkritisch revidiert und mit einer Biographie der Grimmschen Märchen versehen, Hrsg. Heinz Rölleke, 2. Aufl., Köln, (Diederichs) 1984, 413-4.

============

NASCHRIFT: Nog even over die heks: Mijn moeder wist soms een lichte huiver te weeg te brengen door bij het brood smeren drie kleine puntjes boter op een boterham te doen. Dan zei ze: Kijk, dat zijn de drie tanden van de heks van de vaartkant! Wij waren niet echt geschokt; het was meer een soort van geestelijk kietelen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Duitsland, Literatur

Zagen, zagen, wiedewiedewagen

Bij welke glorieus stukje geschiedenis dit plaatje hoort weet ik niet. Een heiligenlegende? Duidelijk is wel dat de mensheid het een stuk makkelijker heeft gekregen sinds de uitvinding van de kettingzaag.

2 reacties

Opgeslagen onder De mens, Geschiedschrijving, Kunst

Soezen 3

De nacht verliep volgens het patroon dat normaal is geworden: vijf uur slapen, twee uur soezen in bed (Emigrant berichtte: Soezen 1 en Soezen 2). Maar ditmaal duurde het soezen gevoeld wel érg lang. Af en toe onderbrak ik om op de wekker te kijken, en de minuten bleken zeer langzaam vooruit te kruipen. Het was niet heel aangenaam zo, maar het moest blijkbaar gebeuren. Want er was veel te verwerken, en het is nodig om dat inderdaad te doen. Anders gaat het malen in mijn hoofd, en dat is ongezond. Ik merkte gisteren dat ik slordig auto reed. Nog net geen fouten gemaakt, maar slordig! In het verkeer kun je dat niet hebben, en in de omgang met mensen ook niet. Helderheid moet er komen.

Er zijn positieve ontwikkelingen. Eindelijk een pianiste gevonden die me gaat begeleiden bij het zingen van liederen. We beginnen volgende  week met Schubert: Schäfers Klagelied, Das Fischermädchen en Am Meer. Dat laatste vereist een grote ademdiscipline. Het werk aan het onderzoeksproject schiet na een periode van stagnatie nu weer lekker op. Als het zo door gaat is het over twee jaar af en kan ik dan definitief in een Seniorenresidenz verdwijnen.
En meer incidenteel: het afgelopen weekend in Amstelveen en Amsterdam, met een reeks van mooie ontmoetingen.

Er is ook een negatieve ontwikkeling: de lichamelijke toestand, het been. Het is niet alleen die knie, het heeft te maken met zenuwbanen in de onderrug, geprikkelde wortels, weet ik veel, en het wordt hinderlijker en erger. Dit is echter nog geen onderwerp van soezen geweest. Alles waar geen benen bij nodig zijn gaat goed.

Veel, te veel? Al die bezigheden die zo goed gaan malen door mijn hoofd, en het bezoek aan Amsterdam komt daar nog bij. Ik voel geen stress, ik heb volop tijd om alles rustig te doen en er is zelfs nog tijd over. Maar het maalt in mijn hoofd: stukken muziek die doordrenzen, gedachtengangen, redeneringen, herinneringen, plannen, het gaat maar door. Het ziet ernaar uit dat ik minder impulsen kan verwerken dan voorheen. De corona-indolentie heeft natuurlijk ook gezorgd voor een verminderde training. Het malen is een autonoom proces, dat niet of moeilijk te stoppen is. Het lukt een beetje met de autogene training die ik mij herinnerde, maar dan komt het weer terug. 

Maar nu is er gesoesd en het is opgeschreven: vanaf nu zal het wel weer gaan. ‘Hij heeft ze weer allemaal op een rijtje.’ De indrukken van Amsterdam zal ik misschien later nog opschrijven.

Terug naar Soezen 1          Naar Soezen 2

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Persoonlijk

Bloeiende landschappen, ontredderde boeren

Toen de beide Duitse staten in 1990 zouden worden verenigd beloofde de toenmalige Bondskanselier Kohl dat er in het Oosten ‘bloeiende landschappen’ zouden ontstaan. Welnu, met de hereniging is er van alles misgegaan, maar de landschappen zijn meestal wel in orde gekomen. Ongelooflijk smerige industriesteden als Bitterfeld zijn redelijk gesaneerd, al lijdt de bevolking nog altijd aan de gevolgen van chemische verontreinigingen in de bodem, fijnstof enzovoort. De mensen worden daar niet zo oud.

Maar de Lausitz bloeit nog niet, dat moet nog komen. Dat is een vrij groot gebied tegen de Poolse grens aan waar steen- en bruinkool in dagbouw gewonnen werden en worden. Het hele landschap is afgegraven door gigantische machines, enorme hoeveelheden grondwater zijn weggepompt; troosteloosheid en smerigheid alom. Misschien hebt u zoiets wel eens gezien: in Garzweiler bij Erkelenz vlak bij de Nederlandse grens wordt nog steeds zulke dagbouw bedreven. Gedachten aan de eindtijd en de hel laten zich daar moeilijk onderdrukken.

De overheid heeft al jaren geleden besloten dat het in de Lausitz anders moet en dat het landschap geherstructureerd zal worden. Zij wilde daarvoor flink in de zak tasten. Het mooie was, dat men ook aan de mensen dacht—wat vroeger bij de ontmanteling van het Ruhrgebiet blijkbaar minder het geval was. De mensen zouden natuurlijk uitkeringen krijgen en nieuwe woningen, maar ook zouden ze geholpen worden, hun leven opnieuw in te richten. Een sociaal plan: herscholingen, samen met de betrokkenen ander werk creëren enzovoort. Dat zal niet meevallen: de mijnwerkers hebben in die grijze biotoop een eigen leefwijze opgebouwd, ze hebben hun eigen trots en zijn ondanks de treurige leefomstandigheden aan hun dorpen gehecht. Veel jongelui willen de herstructurering niet afwachten en trekken uit zich zelf weg. Met hen zal het wel goed komen, maar voor en met de achterblijvers zal er iets moeten worden gedaan, en er is de wil dit aan te pakken.

Wat er van de mooie plannen terecht komt is af te wachten. Duitsland heeft onverwacht heel veel geld voor andere zaken moeten uitgeven en in de huidige energiecrisis is bruinkool misschien voorlopig nog nodig.

Maar er waren en zijn tenminste sociale plannen. Ik vraag me af of die er in Nederland ook zijn ten aanzien van de stikstofboeren. Er wordt heel veel geld uitgetrokken om die mensen uit te kopen, maar wat hebben ze aan geld? Stel je bent jong en geboren en opgegroeid op een zurig riekende varkensfabriek ergens in Oost-Brabant, wat heb je dan voor leven gehad, wat voor mens ben je geworden, wat anders dan zwijnerij kun je je dan voorstellen? Bij de ontsluiting van nieuwe leefmogelijkheden zou geholpen moeten worden, geestelijk, cultureel. Van plannen in die richting heb ik nog niets gehoord, en dat is jammer, want in de huidige crisis is er in veel bedrijfstakken een groot gebrek aan medewerkers. Werkeloos hoeft geen jonge industrieboer te worden, over geld zal hij sowieso beschikken, nu moeten hem alleen nog perspectieven worden getoond en omscholingsmogelijkheden worden aangeboden. Maar het is meteen duidelijk: in de asociaalstaat Nederland zal dat niet gebeuren. Er is immers nergens een perspectief.

Zie nu ook: Het Pishoy-kooster.

3 reacties

Opgeslagen onder De mens, Duitsland, Economie/Wirtschaft, Nederland, Politiek

Mini-herinnering: Misdaad en straf

Lang geleden heb ik eens een jurist ontmoet, een criminoloog zelfs, die abolitionist was. Dat wil zeggen: hij vond dat misdadigers geen gevangenisstraf moesten krijgen en niet meer uit de maatschappij moesten worden uitgesloten. Wat deed deze man in zijn vrije weekend? Hij liet zich bij voorkeur door een sado-meester in een kerker opsluiten en met een zweep afranselen. 

Mensen zitten zo ingewikkeld in elkaar.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens

Oorzaak en gevolg

Bij brand: blussen

Bij overstroming: dijken verzwaren

Bij uitbraak ziekte: maatregelen afschalen???

Bij nummer één kun je niet veel anders doen. Bij overstromingen (1916, 1953) is het jammer, dat de dijken telkens pas achteraf werden verhoogd, maar goed, er is iets ondernomen. De gang van zaken bij nummer drie is voor mij volkomen onbegrijpelijk. In Oostenrijk moest de incidentie oplopen tot 3600 tot men de juist afgeschafte maatregelen weer invoerde. Moet het in Duitsland en Nederland ook zo lang duren? Alsof men het nooit eerder heeft meegemaakt …

1 reactie

Opgeslagen onder De mens, Gezondheid

Mini-herinnering: bloot in Cairo

‘Ah, u komt uit Nederland? Dan hebt u zeker wel een Candy voor me?’ vroeg de Egyptische ambtenaar. Hij bedoelde het porno-blaadje van die naam, dat in Nederland gemaakt werd. Ik had er geen, en dat stelde hem teleur. Hij gaf te kennen dat de ambtshandeling die ik hem gevraagd had te verrichten aanzienlijk versneld zou worden als ik hem een Candy leverde.

In Egypte bestond er geen pornografie; dat was verboden. Rijke mensen zullen wel toegang gehad hebben tot buitenlandse bladen, en misschien zal er onder de toonbank wel eens een bezoedeld exemplaar van de Playboy verkocht zijn, maar in principe bestond het niet. De behoefte was echter groot, dus men behielp zich. Het tijdschrift Al-Kawâkib moest de ergste nood lenigen: dat ging over filmsterren en dergelijke, een soort Privé. Ik weet niet meer hoe die sterren eruit zagen; ze zullen luchtige jurkjes hebben gedragen, maar een foto in badpak of bikini zal er niet in hebben gestaan. Ook het propagandablad van de Oostduitse ambassade voorzag in een behoefte, en dat was nog gratis ook. Daar stonden bij voorbeeld reportages in over sportprestaties van de DDR: vrouwen in minimale sportkleding! Ik herinner mij een nummer dat onder studenten erg populair was, met een struis gebouwde blonde jonge boerin op het omslag, die in een kort broekje en een mouwloos hemdje een tractor bestuurde. In Leipzig moeten ze wel hebben geweten wat ze aanrichtten in de Arabische Wereld.

Ik ging wel een films kijken die in de buitenlandse culturele instituten werden aangeboden. Ook die waren gratis, dus daar zaten ook Egyptische studenten. Egypte maakte zelf ook films, en die waren toentertijd niet slecht, maar die zaten heel anders in elkaar dan de onze, meer volkstoneel-achtig, dus ik wilde af en toe wel graag iets Europees zien. De Egyptenaren die daar zaten begrepen meestal niet veel van die films, of ze vonden er gewoon niets aan, wat ik me bij L’année dernière à Marienbad nog wel kan voorstellen. Maar er ging altijd een gejuich en gejoel op als er in zo’n Europese film een meisje of vrouw optrad met minder kleding dan men in Egypte gewend was, of met een ‘vrij’ gedrag. Terwijl die instituten echt wel opgepast zullen hebben dat ze geen films importeerden die als porno konden worden opgevat. Een Europeaan zal er niets bijzonders aan gezien hebben. Dat gejoel stoorde het kijkgenot soms, en gaf ook een miserabele indruk van Egypte.

Jaren later, in 1976 misschien, zag ik in Cairo de verfilming van Nagieb Mahfoez’ Café Karnak: een korte roman waarin de martelingen in Nassers gevangenissen en de machinaties van de geheime politie aan de orde werden gesteld. Dat was nog nooit gebeurd, en de meeste bioscoopbezoekers waren er beduusd en stil van. Maar bij een minderheid speelde toch de geilheid weer op, toen de actrice Suad Husni door een bewaker mishandeld en geslagen werd, waarbij haar jurk iets naar boven opschoof. Er werd een verkrachting gesuggereerd, maar die werd natuurlijk niet getoond; het bleef bij een stukje bovenbeen en de fantasie van de toeschouwers deed de rest.
Misschien zou zo’n land gebaat zijn bij toch wat aanbod van echte pornografie? Daar is de aardigheid namelijk snel vanaf, en dan kunnen ze weer aan iets anders denken.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, De mens

Bloesem van seringen…

… brengt herinneringen aan weleer. Maar daarvoor heb ik geen bloesem nodig. Hoe ouder ik word, des te meer mini-, macro- en maxi-herinneringen bij mij bovenkomen. Vroeger had ik dat niet. Soms, heel soms, schrijf ik hier zo’n mini-herinnering op, wanneer ik het herinnerde enigszins interessant vind en vermoed dat een ander er ook aardigheid in kan hebben. Maar er zijn zo oneindig veel meer herinneringen, dat loopt in de miljoenen! De meeste zijn totaal oninteressant: die rare keukeninrichting bij de familie F.; de in Nederland verbouwde knoflook, die naar Nederland smaakte; de sticker op een fiets; de treincoupé in Bulgarije die van buitenaf op slot werd gedaan; de electrische trein van Bob (ik had zelf een trein die je op moest winden: Hornby, The Great Western); hoe het buurmeisje in de vijver viel in de tuin van het herenhuis waar we helemaal niet mochten spelen; bezoek aan Woudrichem met T.; een vervallen huis in Zittau; een telefoonnummer in Rome dat niet meer bestaat; het loderijnflesje van oma; de ribbeltjes op een brugleuning; hoe J. en ik zelf de roeiriemen ter hand namen omdat de veerman het vertikte; kersen eten in een boomgaard in de Betuwe; hoe de mensen roken die wij als kinderen de ‘pis-mensen’ noemden: een ouder echtpaar, maar ik denk vooral hij (er waren toen nog geen Tena-broekjes); de brievenbussen die achter aan de trams hingen die naar het Centraal Station reden. 
Nee, dat alles is het opschrijven niet waard. Bovendien zijn heel veel herinneringen zo privé, dat ik ze hier zeker nooit zou opschrijven. En dan zijn er nog de grote herinneringen, die ook vaak erg privé zijn en bovendien veel werk om op te schrijven. 

Andere mensen hebben ook karrevrachten met herinneringen; die lopen tezamen in de 100.000.000.000n. En van al die herinneringen komt maar een fractie in de openbaarheid, onvermijdelijk sterk vertekend ook nog. Ook gaan er elke dag miljarden verloren, door dood of dementie of gebrek aan belangstelling. Dat is jammer voor de geschiedschrijving. Want als het mogelijk was, die talloze mini-herinneringen te bewaren zou je eindelijk grip op het verleden krijgen, minder afhankelijk worden van de constructies van historici. Gecombineerd met die van anderen zijn saaie herinneringen misschien toch niet oninteressant. 

En als er meer macro-herinneringen geconserveerd zouden worden, als bij voorbeeld honderdduizend mensen een eerlijke, niets-ontziende autobiografie zouden schrijven, bestaande uit hun meest persoonlijke, ook voor hen pijnlijke of schandelijke herinneringen— die eerlijkheid is dus alleen haalbaar als ze anoniem blijven —, ja, dan zou er toch iets duidelijk worden van wat voor raar wezen de mens eigenlijk is— of toch niet? of willen we dat eigenlijk niet weten?

3 reacties

Opgeslagen onder De mens

Mensen te veel

Nederland is het dichtstbevolkte land van Europa. Als ik vanuit het betrekkelijk veilige Duitsland het Nederlandse corona-beleid gadesla krijg ik soms de indruk dat de uitdrukkelijke bedoeling is, die bevolkingsdichtheid wat te verkleinen. Geen afstand, verbod op FFP2 mondkapjes, desinformatie, nergens ventilatie, halve lockdowntjes alleen voor de vorm, dansen met Jansen, knuffelen, te laat vaccineren, afschalen van zorg: alles schijnt te zijn opgezet om corona de kans te geven. Maar ook vóór corona meende ik in Nederland soms al die neiging tot uitdunning waar te nemen. Afnemende zorg voor oude en chronisch zieke mensen en voor jongeren die hulp behoeven, geen erbarmen met armen of arm gemaakten. We zijn gewend Rutte als onbenul te beschouwen en zijn ministers als incompetent, maar echte schoften van zó groot kaliber zullen zij toch niet zijn? Of toch …?

Dat er regelmatig volkeren en volksgroepen uitdrukkelijk worden uitgeroeid is bekend: Indianen, Australische ‘aborigines’, Herero’s, Armeniërs, Joden, Rohingya’s, Oeigoeren, Indiase moslims en nog veel meer. Maar er is ook zoiets als het op de koop toe nemen van het sterven van mensen. In de voormalige koloniën was er behoefte aan arbeidskracht. Daarom liet men de inheemsen in leven, om als slaven, koelies of keuterboertjes te kunnen bijdragen tot het ‘batig slot’ van de overheersers. Tegenwoordig zijn inheemsen niet meer zo nodig. In o.a. de Amazonas, in Congo en op Nieuw-Guinea halen de grijparmen van geweldige machines de begeerde delfstoffen weg en inheemse bevolkingen lopen daarbij alleen maar in de weg. Ze worden soms uitgemoord, maar meestal niet; dan laat men ze gewoon verrekken. Passieve genocide.

Ook de grote hongersnood in Ierland werd indertijd in Londen verwelkomd. Er woonden te veel mensen in Ierland, die stonden de noodzakelijk geachte landbouwhervormingen in de weg. Dus toen de aardappelziekte toesloeg en de Ieren hongerden (1845–52) kwam dat mooi uit en werd er uitdrukkelijk geen hulp verleend. Anderhalf miljoen doden, twee miljoen verdrevenen waren het resultaat, en natuurlijk een land dat braak lag voor moderniseringen.

Hongersnoden in Brits Indië kostten tussen 1876–78 ongeveer acht miljoen doden. Het begon met droogte, maar de politiek van laissez faire deed de rest. Dat is sjiek Frans voor nagelaten hulpverlening. De export van levensmiddelen naar Groot-Brittannië ging gewoon door, net als tevoren uit Ierland. In 1943 stierven er nog een paar miljoen mensen in Bengalen, door de oorlogsomstandigheden, maar ook door koloniaal wanbeheer. De overheden ontkenden veelal dat er een hongersnood was; ook die truc is van elders bekend.

In Nederlands Indië vielen er van 1943–1946 minstens 2.500.000 doden door een hongersnood. Die was door de Japanse bezetters veroorzaakt, maar na de terugkeer van de Nederlanders had het voeden van de hongerigen, heel zacht gezegd, geen prioriteit. De inlanders werden nu als de vijand beschouwd, en van de weeromstuit werden ze dat ook nog. Hoe anders was het misschien gelopen als men ze gevoed had.

Ik bedoel maar: het hoeft niet altijd genocide te zijn. Wegpesten, het vernietigen van olijfbomen of andere levensvoorwaarden en/of nagelaten hulpverlening doen het ook. In het huidige Nederland zie ik daartoe ook een zekere, nog betrekkelijk lichte neiging.  We zijn er zeker niet te goed voor.

1 reactie

Opgeslagen onder De mens, Eten en drinken, Nederland