Categorie archief: Islam

Mini-herinneringen: tentamens buitenlanders

Toen ik nog les gaf moest ik natuurlijk ook tentamens afnemen en scripties beoordelen, en ik herinner mij enkele gevallen met buitenlanders waarbij mijn beoordeling voor de betrokkenen ernstige gevolgen kon krijgen. Dat kwam door een omstandigheid buiten mij om: de overheid gaf buitenlanders soms een tijdelijk visum, dat verlengd zou worden bij succesvolle studie, en anders niet. Zo werd ik soms ongewild de autoriteit die over het verblijf in Duitsland besliste, en daarmee over iemands hele levensloop. Maar wat moest ik doen? Een slecht tentamen is een slecht tentamen; natuurlijk mochten ze het overdoen, maar als het dan niet beter werd ging ik toch niet zeggen dat het allemaal in orde was?

Nog in Frankfort: Een Koerdische student uit Iran, die een tekst had ingeleverd die werkelijk volledig waardeloos was heb ik dus afgewezen. Woede en teleurstelling bij hem, maar ik voelde mij er zelf natuurlijk ook niet lekker bij. Deze jongen wist zich echter te redden: hij ging naar de theologische faculteit en daar werd zijn scriptie met open armen ontvangen. Hij gered, ik verbaasd en een beetje kwaad. Hij heeft me nog jaren vuil aangekeken als ik hem in de stad tegenkwam.

Van een Georgische studente, die zeer sympathiek was en bij iedereen geliefd, werd ik nog treuriger. Ik had haar graag laten slagen, maar dat ging niet, tot twee keer toe was het echt onvoldoende. Tranen, een moeilijk parket, want haar zieke moeder was ook in Duitsland, en dan zou zíj terug moeten naar Georgië? Maar zij werd door haar studiegenoten gered. Die hebben haar ondersteund, bijlessen gegeven en keihard met haar gewerkt, zodat zij de stof toch nog onder de knie kreeg en bij de derde keer zelfs een zeven behaalde. Dat was een opluchting, ook voor mij. Weer tranen, maar nu van vreugde. En de overvloedige dankbetuigingen van een smekeling die wordt verhoord. Nee, nee, dat moest ik streng afwijzen: ze dankte haar slagen niet aan mij, maar aan haar harde werk en eventueel aan haar studiegenoten die haar geholpen hadden. Maar ik wilde best een glas Georgische wijn meedrinken.

Lastig was ook de beoordeling van scripties die door buitenlanders werden geschreven. Ik beoordeelde dan de inhoud, en niet het Duits waarin zij geschreven waren. Tenzij het Duits zo slecht was, dat er geen inhoud uit te distilleren viel. Als niet-Duitser die zelf geen perfect Duits schreef kon ik moeilijk anders. Maar wanneer iemand slecht Duits schreef en er dan ineens enkele perfecte zinnen opdoken, was even googelen meestal voldoende om te weten waaruit hij die had gecopieerd. Bij Duitse moedertaalsprekers beoordeelde ik overigens wél het Duits waarin ze geschreven waren, en dat schrijnde.

Ook de moedertaalsprekers pleegden natuurlijk plagiaat met behulp van het internet, maar dan was het niet zo makkelijk ze daarbij te betrappen. Ongeveer twee jaar voor mijn pensionering werd ik mij bewust van de omvang van de plagiaat-problematiek. Als je het goed deed zou het nakijken van een scriptie voortaan veel tijdrovender worden, want dan moest je het geschrift helemaal op plagiaat gaan uitvlooien. Daar bestond wel behulpzame software voor, maar ik had er geen zin in en dacht: dat moet een volgende generatie docenten maar opknappen. Ik ben er vrijwel zeker van dat ze dat niet gedaan hebben.

Het allertreurigste geval met een buitenlandse studente was in Marburg: een Afghaanse, die er ook niets van terecht bracht, maar ook nog op merkwaardige wijze bedrog pleegde. Bij een schriftelijk tentamen had ze enige zinnen opgeschreven die uit mijn eigen syllabus stamden, compleet met mijn kleine eigenaardigheden in stijl en de taalfoutjes die ik in het Duits nog altijd maakte. Letterlijk overgeschreven dus. Zelfs al zou ze heel goed geweest zijn in memoriseren—wat ze niet was—die kleine details had ze dan toch niet mee onthouden? Gezakt, baksteen, verwijt van bedrog, verweer. De afdeling juridische zaken erbij. Deze gaf te kennen dat ze heel goed begreep hoe het zat, maar dat er vooral geen schandaal van moest komen en of ik haar maar wilde laten slagen. De directeur van ons instituut dacht er net zo over, en dat was wat mij treurig stemde. Die vrouw was namelijk een vrome muslima, van top tot teen in doeken gehuld, waarin natuurlijk makkelijk spiekbriefjes te verstoppen waren of zelfs hele syllabi, en wie zou haar gaan fouilleren? Het instituut was toen nog nieuw en streefde ernaar, een van de centra in Duitsland te worden waar moslims islamitische theologie konden studeren. Dan zou het erg ongelegen komen, meteen een vrome muslima af te wijzen, temeer daar de dame zeer luid klaagde en dreigde met haar broer, een brutale jongen die bij een radioprogramma voor buitenlanders werkte.

Met die studente liep het nog min of meer goed af. Ik heb haar toen voor dat tentamen natuurlijk een tien gegeven, die lol liet ik mij niet afnemen. Maar korte tijd later stond zij weer op de stoep: ze wilde het tentamen nog eens doen. Ze had zich tot God gewend, veel gebeden en begrepen dat ze fout geweest was, en nu had zij hard gewerkt en of ze het nog een keer mocht proberen. Dat mocht, en nu was het resultaat bevredigend. Daarna was ze ineens verdwenen; nooit meer iets van gehoord, wat ik helemaal niet erg vond.

De houding van onze directeur in deze affaire was mij zwaar tegengevallen. Gelukkig werd het om andere redenen niets met die islamitische theologie. Die belandde namelijk in Frankfurt, waar al een kern zat van twee door Turkije gefinancierde hoogleraren. Geen slechte lui, maar het gaat natuurlijk niet aan, zo’n studierichting vanuit het buitenland te laten financieren. Dat vond de minister aanvankelijk ook; maar op een dag, toen ze nog eens in haar portemonnee had gekeken, draaide ze om en liet de Turken in Frankfurt hun gang gaan. Ze doen het goed, op hun manier, maar ik wilde daar niets mee te maken hebben en was ook blij dat Marburg ervan verschoond bleef.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Afghanistan, Arabisch, Duitsland, Godsdienst, Islam, Onderwijs, Studenten, Taal

Snouck

Snouck, zo heet de onlangs verschenen zeer leesbare en degelijke biografie van Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936), geschreven door Wim van den Doel. Ik heb er erg van genoten en veel van geleerd, en beveel hem dan ook graag aan iedereen aan, en vooral aan arabisten en geïnteresseerden in de islam en Indonesië. Snouck was jarenlang adviseur van de regeringen van Nederlands-Indië en Nederland, en later ook hoogleraar te Leiden, o.a. Arabisch en islamwetenschap. De biografie portretteert de invloedrijke, wereldwijd bekende landgenoot in al zijn innerlijke tegenstrijdigheid en is ook een belangrijke bron van kennis over de Nederlandse koloniale politiek, dus ook Nederlanders die niet ‘van het vak’ zijn kunnen er veel aan hebben.
Ik ga niet het hele boek van ruim zeshonderd bladzijden bespreken, maar ik wil er enkele punten uitlichten.

Atjeh
In Noord-Sumatra ligt Atjeh (moderne spelling: Aceh), een gebied dat eind negentiende eeuw weigerde zich te onderwerpen aan het koloniale bestuur. Snouck was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de laatste fase van wat als de Atjeh-oorlog bekend staat (1873–1903). Zijn (toen nog) vriend Generaal van Heutsz deed het grove werk, Snouck droeg de ideeën aan. De bedoeling was, de rebellie snoeihard neer te slaan om daarna met gulle hand de zegeningen van het koloniale bestuur over het land te doen neerdalen. Volgens Snouck ging het er om, de bevolking te beschermen tegen de uitbuiting en willekeur van plaatselijke potentaatjes en fanatieke godgeleerden, die hij aanried ‘zeer gevoelig te slaan’. De eerste fase, met veel wreedheid, bloedvergieten en vernietiging, werd inderdaad verwezenlijkt, het is bekend. Dat hier iets niet klopte kwam bij Snouck blijkbaar niet op. Van die zegeningen is niet veel meer vernomen — wat hij een kwart eeuw later zelf ook inzag.

Ethisch kolonialisme
Snouck geloofde werkelijk dat het koloniale bestuur zegeningen bracht. Volkeren die lager stonden in beschaving konden immers veel leren van ontwikkelder volkeren, zodat ze op de (lange) duur op eigen benen konden staan. Dat Indië vooral een wingewest was, dat goed was voor een flink percentage van de Nederlandse staatsinkomsten, moet Snouck hebben geweten, maar uit dit boek blijkt niet dat hij daar ooit over tobde of het niet vanzelfsprekend vond. Wel vond hij dat er meer en beter onderwijs moest komen voor intelligente inlanders uit de hogere kringen, zodat dezen ook functies konden krijgen in het bestuur en de rechtspraak. Op den duur zou Indië zelfs door Nederlanders en inlanders samen bestuurd moeten worden. Daarin was Snouck veel ‘ethischer’ dan de bestuurders in Indië en het ministerie in Den Haag, die zich daar heftig tegen verzetten en de inlander juist liever klein hielden.

De islam
Snouck was niet bang voor de islam, want hij kende hem van binnen en van buiten. Hij had in Mekka gezeten, presenteerde zich als moslim, verkeerde op voet van gelijkheid met islamitische geleerden, leefde zo veel mogelijk ‘inlands’ en sloot twee maal een islamitisch huwelijk met een Sundase vrouw. Hij had een hekel aan het panislamisme, dat volgens hem vooral door het Ottomaanse Rijk werd verbreid. Maar over de islam in Indië maakt hij zich geen zorgen; integendeel. In 1913 werd op Java de Sarekat Islam opgericht, een islamitische vereniging ter behartiging van de belangen van moslims. Toen deze al gauw een enorme aanhang kreeg schrokken ondernemers en koloniale bestuurders zich wezenloos en wilden die vereniging onderdrukken, maar Snouck vond het juist een goed idee. Geef ze de ruimte en wat zelfstandigheid, dan worden ze niet opstandig. Hij had niet die koloniale schrik voor moslims, die berust op onwetendheid. Voor de machtsovername door de Wahhabieten in Arabië had hij wel waardering. Waarschijnlijk kon hij nog niet overzien wat voor ellende die zouden aanrichten. Zij brachten in elk geval rust en orde, en dat was goed voor de pelgrims uit Indië.

Racisme
Al tijdens zijn jaren in Indië (1888–1906) verkondigde Snouck steeds de mening dat vermeende raciale verschillen geen enkele rechtvaardiging boden om inlanders onderwijs en functies in bestuur of rechtspraak te onthouden. En na de barbarij van de Eerste Wereldoorlog in Europa kon zeker niemand meer in ernst beweren dat het blanke ras superieur was. Maar hier sprak Snouck met dubbele tong. Hij had vijf kinderen van zijn twee achtereenvolgende Sundase echtgenotes, die hij niet erkende. Hij stuurde af en toe wat geld en een briefje, maar wenste verder geen contact, en wilde zeker niet dat ze naar Nederland zouden komen. In Nederland trouwde hij opnieuw en kreeg een dochter. Hij had dus maar één kind.

De vloek van Snouck
Snouck was al in 1936 gestorven, maar toen ik na mijn kandidaatsexamen in 1968 aankwam in Leiden waarde zijn geest er nog rond. Om te beginnen werden de colleges Arabisch gegeven in zijn ruim bemeten huis aan het Rapenburg. De hoogleraar las voor uit het collegedictaat van Snouck. Als je boven naar de WC moest, belandde je in diens badkamer, waar zijn badkuip met leeuwenpoten stond. In de gang hing een portret van de illustere bewoner. Ja, die ogen: zelfs in het schemerdonker van het trappenhuis doorboorden ze je nog.
Snouck heeft met zeer harde hand een stel leerlingen gevormd, die hij veel bijbracht, maar die hij ook voortdurend kwetste en kleineerde. Bij sommigen leidde dit tot blijvend geestelijk letsel, dat zij nog doorgaven aan de volgende generatie. De lamheid van de Leidse arabistiek in de jaren zestig en de verpeste sfeer waren zonder twijfel een gevolg van de ‘vloek van Snouck’. Wie of wat kon na hem nog bestaan?

Als ik me aan een korte karakterisering mag wagen: Snouck was een groot geleerde, een harde man, ook voor zich zelf, die niet door innerlijke twijfels werd geplaagd en weinig geduld had met minder getalenteerden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Orient, Politiek, Racisme

Djahiliya, of: islamitische oudheidkunde

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam

Mohammeds geboorte- en sterfjaar

Leeswerk Arabisch en islam: Mohammeds geboorte- en sterfjaar

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Oudheid

Mini-herinneringen: hennin en hot pants

Het woord hennin kwam voorbij, zo’n puntmuts die dames in de Middeleeuwen droegen waarvan dan een lichte sluier afhing. Dat bracht mijn geheugen terug naar Egypte, het moet ongeveer 1978 geweest zijn. Vanuit Saoedi-Arabië kreeg het land die rare islamitische damesmode opgedrongen: hoofddoeken, sluiers, u kent het wel. Veel vrouwen hadden daar geen zin in, maar ja , ze moesten wel, want de Saoediërs financierden het halve land. In die tijd heb ik daar in de kiosken een tijdschrift gezien dat Az-Ziyy al-islami heette, ‘De islamitische mode’. Ik heb het niet gekocht; wat moest ik met een modetijdschrift? Maar het was wel interessant geweest voor de geschiedschrijving; nu is het waarschijnlijk nergens meer. Daar kon je namelijk foto’s van dames zien met een hennin op hun hoofd en de verplichte sluier, van fijne stoffen in mooie kleuren, die daarvan daarvan bevallig afhing. Zo meende men zich aan het sluiergebod te kunnen houden en er tegelijk toch aardig uit te zien. Het heeft niet lang geduurd: de religieuze autoriteiten lieten weten dat dit niet de bedoeling was, en dat vooral eenvoudige doeken in zwart, grijs of bruin met Gods smaak overeenkwamen—of met die van de Saoedische financiers. Maar het was een aardige poging.
.
Nog langer geleden studeerde ik een tijdje aan de universiteit van Cairo (1971–72). Dat was nog in de pre-islamitische tijd (djahiliya). Daar had je studentes die hot pants droegen: korte broekjes met daarop een hartje of een kusmondje geborduurd. Niemand gelooft me als ik dat vertel; ik heb er geen foto’s van; toch heb ik ze gezien.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Islam, Kleding

Oost west, thuis best

Toen ik nog over Mohammed en de vroege islam studeerde had ik nooit het gevoel iets onbelangrijks te doen. Immers, heel de wereld sprak tot kotsens toe over de islam? Het verstrekken van betrouwbare informatie over één van de stichters daarvan was dus van belang, ook al wilde vrijwel niemand die horen.
.
Na mijn pensionering wendde ik mij af van de arabistiek en concentreerde ik me meer op muziek. Dat kan ook nu: ik heb weer zangles, ik kan in mijn eentje zingen, maar koorzang zal nog lang onmogelijk zijn. Dat was in februari al duidelijk en ik heb meteen het roer omgegooid en mij gestort op een oud arabistisch onderzoeksproject, dat nooit af was gekomen: een negende-eeuwse christelijke tekst met ongeveer honderd christelijke teleologische godsbewijzen, die iets later met een islamitisch sausje werd overgoten. Dat is leuk werk, dat gepriegel en gepuzzel, net als vroeger, alleen bekruipt mij hierbij soms het idee dat het nergens goed voor is. Wat is het verschil met het patience leggen, dat mijn grootmoeder op haar oude dag regelmatig deed om het wachten op de dood te veraangenamen?
.
Ik moet mijzelf er af en toe uitdrukkelijk van overtuigen dat dit wel degelijk ergens goed voor is, en zelfs actueel, in verband met het hele white supremacy-gedoe. De tekst is namelijk een stukje in de legpuzzel van de geschiedenis van cultuuroverdracht en wetenschap—al is het maar een klein stukje. Die godsbewijzen interesseren me niet zo: heb je er tien gezien, kun je zelf de volgende twintig verzinnen, en God wordt er niet bestaander van. Maar het boekje wemelt van de citaten en verwijzingen naar oude Griekse, Latijnse en vroeg-christelijke auteurs, vertaald, zoals het voorwoord stelt, uit het Grieks in het Syrisch en Perzisch en nu ook in het Arabisch. Dat is dus een west-oost overdracht; de volgende fase werd de oost-west overdracht, verrijkt met Indische en Perzische elementen. Dacht U bij voorbeeld dat de grote christelijke theoloog Thomas van Aquino niet zwaar beïnvloed was door Arabische theologie en filosofie—en dus door ‘de islam’? Het cultuurgebied dat ik nu maar het ‘Westen’ zal noemen (in tegenstelling tot China, Japan, India) is altijd meer één geweest dan het wilde weten—en dan het nog steeds wil weten.
.
Ik las juist een boekrecensie uit de NRC van 20 april : Violet Moller, De zeven steden, een reis door duizend jaar geschiedenis. Volgens de recensie is het een enthousiast verhaal over die oost-west overdracht. Leuk dat er weer zo‘n boek is, dacht ik, vooral als het goed geschreven is. Maar mijn volgende gedachte was: alweer zo‘n boek! Dit is zo langzamerhand toch wel bekend? Nee, in brede kring is het nog steeds niet bekend, en als het al bekend was wordt het steeds weer ‘vergeten’ en ontkend. Het is net als met de geschiedenis van kolonialisme, racisme en slavernij: men weet het wel, maar wil het toch steeds weer niet weten. Een beetje drammen kan daarom geen kwaad, dat doen de o zo superieure white supremacists immers ook de hele tijd: die denken dat Europa rechtstreeks afstamt van de vikingen en de marmerblanke oude Grieken.
.
Overigens lijkt me een tekortkoming bij Moller—maar ik heb alleen de recensie gelezen!—dat de ‘Byzantijnse’ bijdrage niet ter sprake komt. Want toen in West-Europa de belangstelling voor de antieke wetenschap eenmaal opnieuw was gewekt, heeft men ook naarstig gezocht naar handschriften van die oude teksten in het Grieks, en men heeft er in Constantinopel en allerlei kloosters heel wat gevonden.
Ook de oosters-orthodoxe wereld kan wel wat rehabilitatie gebruiken. Want zoals Agatha Christie al schreef over een van haar superieure blanke personages: ‘In haar bevooroordeelde geest was een Griek bijna even erg als een Argentijn of een Turk.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Gezondheid, Griekenland, Islam, Nabije Oosten, Persoonlijk

Drakenvlees eten?

Bij al-Damīrī (1341–1405) las ik twee juridische meningen van shariageleerden over de vraag of het ḥalāl is om drakenvlees te eten. Nee, luidt het antwoord: in geen geval, omdat de draak tot de slangen behoort; of juist eerder tot de vissen die schade aanrichten met hun hoektanden, en die zijn duidelijk ḥarām, net als de krokodil.
.
Voor de praktijk van een islamitisch leven heeft dit weinig relevantie, omdat de vraag naar drakenvlees al even gering is als het aanbod ervan.
Voor niet-moslims kan deze kwestie echter leerzaam zijn. Er wordt onder hen immers zo vaak getobd over die verschrikkelijke, beangstigende sharia. Welnu, hier treedt een aardig trekje daarvan aan de dag. De geleerden hebben alle mogelijke vragen doorgeëxerceerd, maar zijn slechts beperkt geïnteresseerd in de praktische problemen van het alledaagse leven! Daarin onderscheiden zij zich overigens niet zeer van de joodse wetgeleerden.
.
De ‘invoering van de sharia’ of het ‘praktiseren van de sharia’, die door sommige moslims wordt gewenst en door alle islamofoben wordt gevreesd, is alleen al volslagen onmogelijk door het wereldvreemde karakter van dit soort rechtsdenken.
==============
Het loont voor een man echter de moeite, toch af en toe drakenvlees te eten, ḥarām of niet—ook om zijn vrouw een plezier te doen. Want op dezelfde bladzijde wordt gezegd—maar deze uitspraak stamt niet van een rechtsgeleerde:
‘Men beweert dat het eten van drakenvlees moedig maakt, en dat wie drakenbloed op zijn geslachtsdeel smeert en dan gemeenschap heeft met zijn vrouw haar een enorm genot bereidt.’
Dus, heren, pakt uw lansen en gaat op jacht!

BRON:
Kamāl al-Dīn Muḥammad ibn Musā al-Damīrī, Ḥayāt al-Ḥayawān al-Kubrā, uitg. Ibrāhīm Ṣāliḥ, 4 dln., Damascus 2005, i, 543

فعلى ما قال القزويني: أكله حرام، لكونه من جنس الحيات، وعلى أنه سمك يؤذي بنابه فالظاهر التحريم أيضا كالتمساح.
زعموا ان أكل لحمه يورث الشجاعة، ودمه إذا طلي به على الذكر وجامع امرأته حصل لها لذة عظيمة.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dieren, Islam, Nabije Oosten

Ongewenste burgers

Algemeen bekend is dat de Joden in Duitsland in de dertiger jaren van hun rechten beroofd werden en een vette J in hun pas gestempeld kregen. Ze waren ineens geen Duitsers meer, zelfs als ze in de Eerste Wereldoorlog een lintje hadden gekregen. Waar dat toe leidde is ook bekend. Nie wieder! riep iedereen na afloop, maar blijkbaar was het pas een begin.
.
In Groot-Brittannië waren er onlangs aanzetten tot een dergelijke handelwijze. Britse onderdanen afkomstig uit West-Indië, indertijd als arbeidskrachten gehaald, werden ineens van hun baan, woning en zorgverzekering beroofd, gevangengezet, bedreigd, en een aantal van hen werd het land uitgezet. Dat was Theresa May’s ‘hostile environment policy’. Illegalen wegpesten, illegalen die geen speciale verblijfsvergunning hadden, omdat ze eerst gewoon legaal waren geweest. Onder Johnson zal dit zeker nog veelvuldiger gebeuren.
.
In Nederland wordt in sommige kringen ook hardop gedacht over dit soort regels. Er zijn incidentele wreedheden bij uitzettingen, ook jegens kinderen. De toeslagenaffaire bij de belastingen had systeem, en die raakte gevestigde burgers.
.
In China zijn er al een miljoen islamitische inwoners van Xinjiang verdwenen in ‘heropvoedingskampen’, zeg maar concentratiekampen. Als (als!) mensen daaruit terugkomen zijn ze vaak geheel gebroken. Er zijn in Xinjiang nog tien miljoen Oeigoeren te gaan, en in de rest van China nog talloze andere moslims.
.
In Myanmar is er een miljoen Rohingya gepest, verkracht, uit hun huizen gezet en domweg over de grens gejaagd, omdat zij een andere taal en een andere godsdienst hebben dan de meerderheid. In het arme, toch al propvolle Bangladesh proberen die nu te overleven in vluchtelingenkampen.
.
In het Indiase Assam zijn er bij wijze van proefballonnetje twee miljoen moslims van hun burgerrechten beroofd, nadat eerst al het islamitische deel van Kashmir te grazen was genomen. Ze waren arm en analfabeet en hadden, zoals veel Indiërs, geen papieren. Nu worden ze geacht niet meer te bestaan en voortaan niet meer tot de Indiërs gerekend. Aan interneringskampen wordt gebouwd.
Als het aan Modi en zijn soortgenoten ligt worden álle moslims in India tot tweederangsburger verklaard. Al in de dertiger en veertiger jaren lieten extreme Hindoes zich inspireren door de omgang van de Nazi’s met de Joden.
India heeft een stuk of 180.000.000 moslim-inwoners. U leest het goed: honderdtachtig miljoen. Als het zo doorgaat zal India nog decennia bezig zijn hen te ontrechten, te interneren (maar dat is duur), te verjagen (maar waarheen?)—of worden ze gewoon vergast? De media interesseert dit blijkbaar niet zo; bovendien, hoeveel Europeanen zijn er niet die graag hetzelfde zouden doen met die schamele zestien miljoen moslims in de EU? Vermoedelijk schrikt de buitenwereld pas wakker als Modi de Taj Mahal laat slopen of tot een heilige koeienstal ombouwt.
Nu moet gezegd worden dat er in India ook veel weerstand tegen Modi’s plannen bestaat. Maar als eenmaal de verkeerde vent is gekozen is het heel moeilijk hem nog kwijt te raken; dat zien we ook bij ons in de buurt.

1 reactie

Opgeslagen onder Islam, Joden Joods joods, Politiek, Racisme

Zingende moslim

De komst van een nieuwe zanger in ons koor werd aangekondigd. Een Iraniër genaamd Said. Er waren verschillende koorleden die zich serieus afvroegen of deze man, kennelijk een moslim, de muziek van Schein en Franck op Psalm 116 wel zou willen meezingen.
Intussen was Said op de repetitie, hij zingt goed en zong uiteraard genoemde muziek van harte mee. De Psalmen Davids zijn in het Midden-Oosten bekender en worden meer gerespecteerd dan de koran bij ons.
Wat een vreemde voorstellingen hebben mensen soms van moslims. Er zijn er wel van de heel strenge soort, die tegen muziek zijn, maar dat zijn er niet veel. Die zingen niet en zouden nooit bij een koor als het onze willen. Net zo min als heel strenge christenen.
Tientallen jaren islamgeleuter heeft zelfs in tolerante kringen zijn sporen nagelaten. Moslims worden blijkbaar geacht heel rare mensen te zijn, die niet zulke dingen doen of willen als ‘wij’.
Een Iraniër die geïnteresseerd is in Europese cultuur is niets bijzonders. Een paar Arabieren zou ik er nog wel graag bij zien in onze muziekpraktijk; die zijn wat ondervertegenwoordigd. In Frankrijk is dat beter.

2 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Iran, Islam, Muziek, Niks

Een vroom accessoire: de bidvlek

Van de Straatsburgse terrorist Chérif Chekatt circuleren er twee foto’s. Op de meest recente springt de plek op zijn voorhoofd in het oog, de zg. zabība of bidvlek, ook genoemd bidplek of bideelt. Die ontstaat door bij het bidden veelvuldig met het voorhoofd de vloer te beroeren. Op de foto rechts, die uit zijn eerste gevangenschap in 2008 moet dateren, ontbreekt die vlek.
Als zoveel jongens van Arabische herkomst kan hij in de gevangenis door contact met predikers en propagandisten zijn ‘geradicaliseerd’ en zich vervolgens suf hebben gebeden. Gevangenissen zijn immers de broedplekken waarin Europa zijn terroristen kweekt.
Het is echter ook denkbaar dat die bidvlek niet echt is, maar alleen met kleurstof op het voorhoofd is aangebracht. Een bekende truc bij mensen die vromer willen lijken dan ze zijn, bij voorbeeld wijlen president Sadat van Egypte. Van zulke beroemde personen is er altijd wel ergens een foto zonder vlek te vinden.

3 reacties

Opgeslagen onder De mens, Islam, Religion