Categorie archief: Islam

Pijnen in de nek

Het racistische en anti-democratische geschreeuw van Wilders en zijn aanhang is bekend, maar dit wordt de laatste tijd ruimschoots overtroffen door dat van de FvD, eveneens in de Tweede Kamer. Eén van de kwaadaardigste schreeuwlelijken is een academicus, en waarschijnlijk niet zo’n flutstudentje als Th. B. Ik noem maar geen naam; anders krijg ik weer allerlei zoekmachines over me heen. 

Technisch bedrijfskunde heeft hij gestudeerd, zo lees ik, en wijsbegeerte van de economie. Bovendien nog een bachelor in de Japankunde. Zes jaar heeft hij in Japan gestudeerd, aan de stedelijke universiteit van Hiroshima (niet te verwarren met de prestigieuze Hiroshima University), waar hij ook is gepromoveerd. Wat zijn opleiding waard is kan ik niet inschatten; hij zal wel Japans kennen en was blijkbaar goed genoeg om te worden aangenomen als wetenschappelijk medewerker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, waar hij, lacht u niet, samen met twee anderen een kloek boek schreef over burgerparticipatie. Hij is dus intelligent, heeft wat van de wereld gezien, kent talen, is internationaal georiënteerd en heeft in Hiroshima jaren de gelegenheid gehad, te beseffen waar fascisme uiteindelijk toe leidt. Waar is het misgegaan met zo iemand? Ging de opleiding te veel over dingen en te weinig over mensen? Was het net niet de top, maar een niveau daaronder? Hebben de jaren bij het SCP bij hem een sterke kotsneiging opgewekt, omdat hij daar moest werken voor die huichelachtige ‘participatiesamenleving’ en moet daarom alles nu maar kapot? Ik weet dat natuurlijk niet, maar zou het willen weten en begrijpen.

Nog moeilijker te begrijpen vind ik twee arabisten, die ook in fascistisch vaarwater zijn beland. Een van hen was een Nederlander, die ik wel gekend heb. Een matig geleerde, maar een goede docent, naar men verzekert. Als student was hij nogal links. Ik heb hem in Egypte zijn eigen WC zien schoonmaken, omdat hij begaan was met de arme schoonmaakster die daarvoor was aangesteld. Dat was goed bedoeld, maar contraproductief; die vrouw begreep er niets van. Deed zij het niet goed, zou zij nu ontslagen worden? Anderzijds had hij een sadistische trek: ik heb hem eens een kat zien kwellen, en zijn vrouw en zoontje behandelde hij ook niet goed. Na een reeks normale publicaties kwam er op een dag een omslag; hij begon over de islam te kankeren, verspreidde giftige haat in allerlei media en werd islam-adviseur van Wilders. Men schrijft zijn kentering wel toe aan een tweetal door extreme moslims bedreven misdaden: de moorden op Anwar al-Sadat en Theo van Gogh. Kan zijn, maar verreweg de meeste collega’s zijn daardoor toch geen moslimhaters geworden. Zijn tweedelige deconstructie van de Mohammed-biografie vind ik niet slecht: ik heb daar zelf ook aan gewerkt. Maar hij deed het uit haat, ik vanuit de hoop dat duidelijkheid in ieders voordeel zou zijn. Bovendien had ik vooral appeltjes te schillen met oudere, starre collega’s; niet met moslims.

De andere arabist is in meer dan één opzicht extreem. Hij is/was? een extreem goede, nog jonge Duitse geleerde, die o.a. twee uitstekende studies heeft geschreven: een over de sharia en een andere over een bepaald genre koran-exegese. Daarmee had hij zeker hoogleraar kunnen worden; misschien zat het hem dwars dat hij dat niet werd? Maar tegenwoordig kom je niet meer zo makkelijk op zo’n post; de academische arbeidsmarkt is verstopt, zoiets kan jaren duren. In ieder geval zei hij de wetenschap vaarwel en werd politicus in het Oosten van Duitsland. Je hoort niet veel van hem, maar hij behoort tot meest rechtse vleugel van de AfD, en is partij-ideoloog over culturele zaken en dus ook de islam. Daarover moet hij dus voortdurend leugens uitkramen, hoewel hij eigenlijk véél beter weet. Hoe wordt iemand zo? Een teleurstelling in de carrière? Een inzicht dat universiteiten sowieso ten ondergang gedoemd zijn? Het maakt misschien wat uit dat hij uit de Duitse minderheid in Roemenië afkomstig is: veel contact met democratische ideeën zal hij in zijn jonge jaren niet gehad hebben. Hij is zo extreemrechts dat hij onder voortdurende observatie van de politie staat; die eer valt niet veel Duitsers te beurt.

Zijn deze twee arabisten niet juist zo geworden omdat zij hebben gezien wat er in naam van een extreme islam is aangericht? Blijkbaar, en er is inderdaad heel wat ellende te zien geweest, maar het is toch vooral hun eenzijdige manier van kijken die hen tot moslimhaters en fascisten heeft gemaakt. Als je wat verder om je heen kijkt zie je dat ook in de islamitische wereld de secularisatie om zich heen grijpt, dat de godsdienst op vele plaatsen verbleekt, zoals dat eerder al bij de christenen in Europa het geval was, en dat moslims en christenen met dezelfde problematiek te maken krijgen: wat gaan we doen als de godsdienst zijn greep op de maatschappij verliest?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Duitsland, Islam, Nederland, Politiek, Racisme

Ontbijbeling

Zoals gezegd, het Leeswerk Arabisch en islam sluit ik af. Wel voeg ik nog elementen toe, die de toegankelijkheid en bruikbaarheid kunnen vergroten, zoals leestrajecten. Hier is er een over de ‘ontbijbeling’ van de islam:

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam

Pannenlap

Lang was nog in mijn bezit een heel flodderig gehaakte pannenlap, één van een stelletje. Hij deed denken aan het web van een spin die niet helemaal goed bij zijn hoofd was. Dit exemplaar was tot mij gekomen via mijn zuster. Het was een herinnering aan tante Jo, die bij haar leven veel tijd besteed had aan de nuttige handwerken: breien, haken, borduren enzovoort. Zij verblijdde onze familie met een schier oneindig aantal gehaakte pannenlappen. Maar daar bleef het niet bij: ook het Koninklijk Huis werd  door haar bedacht. Telkens als er een prinsje geboren werd maakte zij babykleertjes, die ze naar het paleis opstuurde. Steevast kreeg zij namens de koningin een vriendelijke bedankbrief.
Natuurlijk was haar haakwerk nooit flodderig; integendeel! Alleen die laatste pannenlap, dat was een rommeltje. Het was de aankondiging van haar dood, die spoedig daarop volgde.

Ik heb sinds 2011 stukjes over Arabisch en de islam geschreven in een blog, eerst alleen in het Nederlands, later ook in het Duits. In mijn onschuld meende ik toen nog dat informatie zou helpen tegen dom en kwaadaardig geleuter van Wilders en zijns gelijken. Na mijn pensionering kon ik daarin bovendien stof kwijt waarover ik jaren lang les had gegeven, zodat die niet verloren zou gaan. Het tijdschrift zenith wilde een aantal van die stukken graag publiceren, zodat ze nog in druk verschenen zonder dat ik daar extra moeite voor deed. En bovendien: als ik zin kreeg om een stukje te schrijven schreef ik er een, ongeacht wat er verder mee zou gebeuren. Maar de laatste tijd kwam er niet veel meer, en ik heb de indruk dat mijn haakwerk dunner, flodderiger geworden is. Daarom wil ik nu met die Arabisch-blogs ophouden, voordat er zo’n pannenlap ontstaat als die van tante Jo. De mij nog resterende energie wil ik enerzijds concentreren op zingen en verder op de uitgave van het boek over godsbewijzen van Jibril ibn Nuh. Het werken daaraan heeft me door de corona-tijd geholpen, maar het is nog lang niet klaar en ik hoop het nog te voltooien voordat ik in een Seniorenresidenz zal belanden.

Die blogs over Arabisch en islam werden en worden behoorlijk gelezen. Naar de aard van het medium kom je wel te weten hoe vaak een stuk is aangeklikt, maar niet door wie. Soms bleek dat wel uit reacties. Ik was altijd blij met moslim-lezers, omdat mijn stukjes waar nodig wat lucht konden brengen in dat soms zo star geworden geloof. Er zullen ook lezers geweest zijn die mij knarsetandend naar de hel gewenst hebben. Mij best hoor, ik ga al. Het meest gelezen stuk was dat over het vermeende huwelijk van de profeet met de piepjonge Aisha, en ik heb werkelijk het idee dat ik die smerige mythe een flink eind heb kunnen aftakelen. Minder blij was ik met de hoge aanklikcijfers van het stuk over katten en honden van de profeet. Ja, ik heb dat geschreven en vind het nog steeds niet slecht en natuurlijk mag het gelezen worden, maar ik had eigenlijk geen lust om voor een moefti aangezien te worden, die moslims vertelde of ze van God een kat of hond mochten nemen. Dat gebeurde wel vaker: dat lezers dachten dat ik een imam was bij wie ze religieuze raad konden vragen. Hadden ze begrijpend kunnen lezen, dan hadden ze geweten dat dat niet zo was. Nee, dan waren mijn analytische stukken over de ezels en muilezels van de profeet veel aardiger. Eveneens populair was helaas mijn stuk over de bestraffing in het graf: een archaisch geloofsartikel van de islam, waarvan ik betreur dat zo veel moslims dat nog serieus nemen. 

Zo, nu heb ik dit spontaan opgeschreven, zoals ik vaker ’s ochtends mijn gedachten van de nacht op papier zet, en nu is het een feit, of moet het dat worden. Als zo dikwijls gaat een tekst aan de werkelijkheid vooraf. Een beetje moeilijk afscheid nemen is het toch wel. Ik zal de betreffende webpagina’s in elk geval nog een tijd open houden voor wie ze wil lezen. En mocht er ooit nog een keuteltje komen kan dat er nog in. Verder is denkbaar dat ik tussen mijn papieren iets vind dat al lang geleden tot stand kwam, met de frisheid van vroeger; dat kan dan ook zijn weg vinden. Het Emigrant-blog blijft overigens bestaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Persoonlijk, Schrijven

Ka‘ba gesloopt, koran verdwenen, islam opgeheven

Leeswerk Arabisch en islam: De Ka‘ba gesloopt, de koran verdwenen, de islam opgeheven

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam

Mohammed-onderzoek: ups en downs

Leeswerk Arabisch en islam: Het moderne Mohammed-onderzoek.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Islam

Mini-herinneringen: tentamens buitenlanders

Toen ik nog les gaf moest ik natuurlijk ook tentamens afnemen en scripties beoordelen, en er waren enkele gevallen met buitenlanders waarbij mijn beoordeling voor de betrokkenen ernstige gevolgen kon krijgen. Dat kwam door een omstandigheid buiten mij om: de overheid gaf buitenlanders soms een tijdelijk visum, dat verlengd zou worden bij succesvolle studie, en anders niet. Zo werd ik soms ongewild de autoriteit die over het verblijf in Duitsland besliste, en daarmee over iemands hele levensloop. Maar wat moest ik doen? Een slecht tentamen is een slecht tentamen; natuurlijk mochten ze het overdoen, maar als het dan niet beter werd ging ik toch niet zeggen dat het allemaal in orde was?

Nog in Frankfort: Een Koerdische student uit Iran, die een tekst had ingeleverd die werkelijk volledig waardeloos was heb ik dus afgewezen. Woede en teleurstelling bij hem, maar ik voelde mij er zelf natuurlijk ook niet lekker bij. Deze jongen wist zich echter te redden: hij ging naar de theologische faculteit en daar werd zijn scriptie met open armen ontvangen. Hij gered, ik verbaasd en een beetje kwaad. Hij heeft me nog jaren vuil aangekeken als ik hem in de stad tegenkwam.

Van een Georgische studente, die zeer sympathiek was en bij iedereen geliefd, werd ik nog treuriger. Ik had haar graag laten slagen, maar dat ging niet, tot twee keer toe was het echt onvoldoende. Tranen, een moeilijk parket, want haar zieke moeder was ook in Duitsland, en dan zou zíj terug moeten naar Georgië? Maar zij werd door haar studiegenoten gered. Die hebben haar ondersteund, bijlessen gegeven en keihard met haar gewerkt, zodat zij de stof toch nog onder de knie kreeg en bij de derde keer zelfs een zeven behaalde. Dat was een opluchting, ook voor mij. Weer tranen, maar nu van vreugde. En de overvloedige dankbetuigingen van een smekeling die wordt verhoord. Nee, nee, die moest ik streng afwijzen: ze dankte haar slagen niet aan mij, maar aan haar harde werk en eventueel aan haar studiegenoten die haar geholpen hadden. Maar ik wilde nu best een glas Georgische wijn meedrinken.

Lastig was ook de beoordeling van scripties die door buitenlanders werden geschreven. Ik beoordeelde dan de inhoud, en niet het Duits waarin zij geschreven waren. Tenzij het Duits zo slecht was, dat er geen inhoud uit te distilleren viel. Als niet-Duitser die zelf geen perfect Duits schreef kon ik moeilijk anders. Maar wanneer iemand slecht Duits schreef en er dan ineens enkele perfecte zinnen opdoken, was even googelen meestal voldoende om te weten waaruit hij die had gecopieerd. Bij Duitse moedertaalsprekers beoordeelde ik overigens wél het Duits waarin ze geschreven waren, en dat schrijnde.

Ook moedertaalsprekers pleegden soms natuurlijk plagiaat met behulp van het internet, maar dan was het niet zo makkelijk ze daarbij te betrappen. Ongeveer twee jaar voor mijn pensionering werd ik mij bewust van de omvang van de plagiaat-problematiek. Als je het goed deed zou het nakijken van een scriptie voortaan veel tijdrovender worden, want dan moest je het geschrift helemaal op plagiaat gaan uitvlooien. Daar bestond wel behulpzame software voor, maar ik had er geen zin in en dacht: dat moet een volgende generatie docenten maar opknappen. Ik ben er vrijwel zeker van dat ze dat niet gedaan hebben.

Het allertreurigste geval met een buitenlandse studente was in Marburg: een Afghaanse, die er ook niets van terecht bracht, maar ook nog op merkwaardige wijze bedrog pleegde. Bij een schriftelijk tentamen had ze enige zinnen opgeschreven die uit mijn eigen syllabus stamden, compleet met mijn kleine eigenaardigheden in stijl en de taalfoutjes die ik in het Duits nog altijd maakte. Letterlijk overgeschreven dus. Zelfs al zou ze heel goed geweest zijn in memoriseren—wat ze niet was—die kleine details had ze dan toch niet mee onthouden? Gezakt, baksteen, verwijt van bedrog, verweer. De afdeling juridische zaken erbij. Deze gaf te kennen dat ze heel goed begreep hoe het zat, maar dat er vooral geen schandaal van moest komen en of ik haar maar wilde laten slagen. De directeur van ons instituut dacht er net zo over, en dat was wat mij treurig stemde. Die vrouw was namelijk een vrome muslima, van top tot teen in doeken gehuld waarin natuurlijk makkelijk spiekbriefjes te verstoppen waren of zelfs hele syllabi, en wie zou haar gaan fouilleren? Het instituut was toen nog nieuw en streefde ernaar, een van de centra in Duitsland te worden waar moslims islamitische theologie konden studeren. Dan zou het erg ongelegen komen, meteen een vrome muslima af te wijzen, temeer daar de dame zeer luid klaagde en dreigde met haar broer, een brutale jongen die bij een radioprogramma voor buitenlanders werkte.

Met die studente liep het nog min of meer goed af. Ik heb haar toen voor dat tentamen natuurlijk een tien gegeven, die lol liet ik mij niet afnemen. Maar korte tijd later stond zij weer op de stoep: ze wilde het tentamen nog eens doen. Ze had zich tot God gewend, veel gebeden en begrepen dat ze fout geweest was, en nu had zij hard gewerkt en of ze het nog een keer mocht proberen. Dat mocht, en nu was het resultaat bevredigend. Daarna was ze ineens verdwenen; nooit meer iets van gehoord, wat ik helemaal niet erg vond.

De houding van onze directeur in deze affaire was mij zwaar tegengevallen. Gelukkig werd het om andere redenen niets met die islamitische theologie. Die belandde namelijk in Frankfurt, waar al een kern zat van twee door Turkije gefinancierde hoogleraren. Geen slechte lui, maar het gaat natuurlijk niet aan, zo’n studierichting vanuit het buitenland te laten financieren. Dat vond de minister aanvankelijk ook; maar op een dag, toen ze nog eens in haar portemonnee had gekeken, draaide ze om en liet de Turken in Frankfurt hun gang gaan. Ze doen het goed, op hun manier, maar ik wilde daar niets mee te maken hebben en was ook blij dat Marburg ervan verschoond bleef.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Afghanistan, Arabisch, Duitsland, Godsdienst, Islam, Onderwijs, Studenten, Taal

Snouck

Snouck, zo heet de onlangs verschenen zeer leesbare en degelijke biografie van Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936), geschreven door Wim van den Doel. Ik heb er erg van genoten en veel van geleerd, en beveel hem dan ook graag aan iedereen aan, en vooral aan arabisten en geïnteresseerden in de islam en Indonesië. Snouck was jarenlang adviseur van de regeringen van Nederlands-Indië en Nederland, en later ook hoogleraar te Leiden, o.a. Arabisch en islamwetenschap. De biografie portretteert de invloedrijke, wereldwijd bekende landgenoot in al zijn innerlijke tegenstrijdigheid en is ook een belangrijke bron van kennis over de Nederlandse koloniale politiek, dus ook Nederlanders die niet ‘van het vak’ zijn kunnen er veel aan hebben.
Ik ga niet het hele boek van ruim zeshonderd bladzijden bespreken, maar ik wil er enkele punten uitlichten.

Atjeh
In Noord-Sumatra ligt Atjeh (moderne spelling: Aceh), een gebied dat eind negentiende eeuw weigerde zich te onderwerpen aan het koloniale bestuur. Snouck was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de laatste fase van wat als de Atjeh-oorlog bekend staat (1873–1903). Zijn (toen nog) vriend Generaal van Heutsz deed het grove werk, Snouck droeg de ideeën aan. De bedoeling was, de rebellie snoeihard neer te slaan om daarna met gulle hand de zegeningen van het koloniale bestuur over het land te doen neerdalen. Volgens Snouck ging het er om, de bevolking te beschermen tegen de uitbuiting en willekeur van plaatselijke potentaatjes en fanatieke godgeleerden, die hij aanried ‘zeer gevoelig te slaan’. De eerste fase, met veel wreedheid, bloedvergieten en vernietiging, werd inderdaad verwezenlijkt, het is bekend. Dat hier iets niet klopte kwam bij Snouck blijkbaar niet op. Van die zegeningen is niet veel meer vernomen — wat hij een kwart eeuw later zelf ook inzag.

Ethisch kolonialisme
Snouck geloofde werkelijk dat het koloniale bestuur zegeningen bracht. Volkeren die lager stonden in beschaving konden immers veel leren van ontwikkelder volkeren, zodat ze op de (lange) duur op eigen benen konden staan. Dat Indië vooral een wingewest was, dat goed was voor een flink percentage van de Nederlandse staatsinkomsten, moet Snouck hebben geweten, maar uit dit boek blijkt niet dat hij daar ooit over tobde of het niet vanzelfsprekend vond. Wel vond hij dat er meer en beter onderwijs moest komen voor intelligente inlanders uit de hogere kringen, zodat dezen ook functies konden krijgen in het bestuur en de rechtspraak. Op den duur zou Indië zelfs door Nederlanders en inlanders samen bestuurd moeten worden. Daarin was Snouck veel ‘ethischer’ dan de bestuurders in Indië en het ministerie in Den Haag, die zich daar heftig tegen verzetten en de inlander juist liever klein hielden.

De islam
Snouck was niet bang voor de islam, want hij kende hem van binnen en van buiten. Hij had in Mekka gezeten, presenteerde zich als moslim, verkeerde op voet van gelijkheid met islamitische geleerden, leefde zo veel mogelijk ‘inlands’ en sloot twee maal een islamitisch huwelijk met een Sundase vrouw. Hij had een hekel aan het panislamisme, dat volgens hem vooral door het Ottomaanse Rijk werd verbreid. Maar over de islam in Indië maakt hij zich geen zorgen; integendeel. In 1913 werd op Java de Sarekat Islam opgericht, een islamitische vereniging ter behartiging van de belangen van moslims. Toen deze al gauw een enorme aanhang kreeg schrokken ondernemers en koloniale bestuurders zich wezenloos en wilden die vereniging onderdrukken, maar Snouck vond het juist een goed idee. Geef ze de ruimte en wat zelfstandigheid, dan worden ze niet opstandig. Hij had niet die koloniale schrik voor moslims, die berust op onwetendheid. Voor de machtsovername door de Wahhabieten in Arabië had hij wel waardering. Waarschijnlijk kon hij nog niet overzien wat voor ellende die zouden aanrichten. Zij brachten in elk geval rust en orde, en dat was goed voor de pelgrims uit Indië.

Racisme
Al tijdens zijn jaren in Indië (1888–1906) verkondigde Snouck steeds de mening dat vermeende raciale verschillen geen enkele rechtvaardiging boden om inlanders onderwijs en functies in bestuur of rechtspraak te onthouden. En na de barbarij van de Eerste Wereldoorlog in Europa kon zeker niemand meer in ernst beweren dat het blanke ras superieur was. Maar hier sprak Snouck met dubbele tong. Hij had vijf kinderen van zijn twee achtereenvolgende Sundase echtgenotes, die hij niet erkende. Hij stuurde af en toe wat geld en een briefje, maar wenste verder geen contact, en wilde zeker niet dat ze naar Nederland zouden komen. In Nederland trouwde hij opnieuw en kreeg een dochter. Hij had dus maar één kind.

De vloek van Snouck
Snouck was al in 1936 gestorven, maar toen ik na mijn kandidaatsexamen in 1968 aankwam in Leiden waarde zijn geest er nog rond. Om te beginnen werden de colleges Arabisch gegeven in zijn ruim bemeten huis aan het Rapenburg. De hoogleraar las voor uit het collegedictaat van Snouck. Als je boven naar de WC moest, belandde je in diens badkamer, waar zijn badkuip met leeuwenpoten stond. In de gang hing een portret van de illustere bewoner. Ja, die ogen: zelfs in het schemerdonker van het trappenhuis doorboorden ze je nog.
Snouck heeft met zeer harde hand een stel leerlingen gevormd, die hij veel bijbracht, maar die hij ook voortdurend kwetste en kleineerde. Bij sommigen leidde dit tot blijvend geestelijk letsel, dat zij nog doorgaven aan de volgende generatie. De lamheid van de Leidse arabistiek in de jaren zestig en de verpeste sfeer waren zonder twijfel een gevolg van de ‘vloek van Snouck’. Wie of wat kon na hem nog bestaan?

Als ik me aan een korte karakterisering mag wagen: Snouck was een groot geleerde, een harde man, ook voor zich zelf, die niet door innerlijke twijfels werd geplaagd en weinig geduld had met minder getalenteerden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Orient, Politiek, Racisme

Djahiliya, of: islamitische oudheidkunde

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam

Mohammeds geboorte- en sterfjaar

Leeswerk Arabisch en islam: Mohammeds geboorte- en sterfjaar

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Oudheid

Mini-herinneringen: hennin en hot pants

Het woord hennin kwam voorbij, zo’n puntmuts die dames in de Middeleeuwen droegen waarvan dan een lichte sluier afhing. Dat bracht mijn geheugen terug naar Egypte, het moet ongeveer 1978 geweest zijn. Vanuit Saoedi-Arabië kreeg het land die rare islamitische damesmode opgedrongen: hoofddoeken, sluiers, u kent het wel. Veel vrouwen hadden daar geen zin in, maar ja , ze moesten wel, want de Saoediërs financierden het halve land. In die tijd heb ik daar in de kiosken een tijdschrift gezien dat Az-Ziyy al-islami heette, ‘De islamitische mode’. Ik heb het niet gekocht; wat moest ik met een modetijdschrift? Maar het was wel interessant geweest voor de geschiedschrijving; nu is het waarschijnlijk nergens meer. Daar kon je namelijk foto’s van dames zien met een hennin op hun hoofd en de verplichte sluier, van fijne stoffen in mooie kleuren, die daarvan daarvan bevallig afhing. Zo meende men zich aan het sluiergebod te kunnen houden en er tegelijk toch aardig uit te zien. Het heeft niet lang geduurd: de religieuze autoriteiten lieten weten dat dit niet de bedoeling was, en dat vooral eenvoudige doeken in zwart, grijs of bruin met Gods smaak overeenkwamen—of met die van de Saoedische financiers. Maar het was een aardige poging.
.
Nog langer geleden studeerde ik een tijdje aan de universiteit van Cairo (1971–72). Dat was nog in de pre-islamitische tijd (djahiliya). Daar had je studentes die hot pants droegen: korte broekjes met daarop een hartje of een kusmondje geborduurd. Niemand gelooft me als ik dat vertel; ik heb er geen foto’s van; toch heb ik ze gezien.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Islam, Kleding