Categorie archief: Joden Joods joods

Macro-herinnering: mijn racisme (1)

Niemand wordt als racist geboren, maar de waarschijnlijkheid dat je het geworden bent in de loop van je opvoeding is zeer groot, zeker in mijn generatie. Te ontkennen dat je racist bent, zoals met name in Nederland momenteel gangbaar is, is niet zinvol; anderen voor racist uitschelden evenmin. Je moet het in je zelf onderkennen en er dan wat aan doen. Ja, dat moet echt, net zoals je af en toe even je eigen huid moet inspecteren of daar geen verdachte plekjes zijn, die kwaadaardig kunnen gaan woekeren. Er zijn ook mensen die hun racisme wel prima vinden of er zelfs trots op zijn, maar die ‘vergeten’ dan even hoeveel ellende het heeft aangericht en nog aanricht, ook in Nederland. Na de klimaatramp kon racisme wel eens het grootste probleem worden van de eeuw.

In mijn jonge jaren liepen er tamelijk veel ‘Indische mensen’ rond, zoals wij ze noemden.1 Deze varieerden in huidskleur van blank-met-vlekken, ongeveer zoals Wilders, tot diep donkerbruin. Ook zaten er wat hele of halve Chinezen uit Indië tussen, en een enkele Surinaamse. De aanwezigheid van al deze mensen sprak volkomen vanzelf; zij werden niet als vreemd ervaren, het waren gewoon onze mensen. Datzelfde gold overigens ook voor de enkele Joden die wij kenden. Heel veel later hoorde ik dat zowel Indische mensen als Joden in het naoorlogse Nederland wel degelijk onder discriminatie te lijden hadden, maar daarvan wist ik toen niets. De betrokkenen hielden blijkbaar hun tanden op elkaar en praatten daar niet over met ‘ons’, volbloed Nederlanders. Als ik in Indië was opgegroeid had ik waarschijnlijk meegedaan met de uitvoerige discriminatie van alle schakeringen van bruin, maar wat in de vijftiger jaren telde was blijkbaar alleen of ze bij Nederland hoorden of bij Soekarno. Japanners, díe waren erg, maar die waren niet in de buurt.

Véél belangrijker dan het verschil in huidskleur of ‘ras’ was in mijn jeugd het standsverschil. In die tijd had je nog standen in Nederland en ik ben opgegroeid met een fijn afgestelde antenne voor standsverschillen, niet voor rassen. Ik behoorde tot de elite,2 zo werd mij duidelijk gemaakt — maar tot welke dan? veel stelde het niet voor, en een lekkere smak geld heb ik er nooit aan overgehouden — en wist al gauw iemand in een kastje of kaste te plaatsen. Dat gebeurde op grond van taal, kleding en gedrag. Iemand hoefde maar drie woorden te zeggen en je wist welke stand en welke godsdienst hij had, welke krant hij las en wat zijn vader deed — bij wijze van spreken dan. Godsdienst was een secundair criterium ter onderscheiding: katholieken waren wel duidelijk minder, hoewel er ook nette katholieken waren. Ik denk dat het verschil in godsdienst voor mijn grootouders nog heel belangrijk was; voor mijn ouders en voor mij niet meer zo. Socialisten en communisten konden natuurlijk ook niet, maar nog voordat je aan hun overtuigingen toekwam waren die op grond van hun stand al afgekeurd.

Het aardige van vreemdelingen was juist dat zij buiten de rasters vielen. Tot de gastarbeiders kwamen golden mensen van buitenlandse afkomst niet als van lagere stand. Vanaf de jaren zeventig interesseerden standverschillen me steeds minder, ook omdat ik merkte dat in andere landen die ik leerde kennen (behalve Engeland natuurlijk) die standen niet zo’n rol speelden. In Duitsland had je alleen maar rijkere en armere mensen, zo leek het. Op de Balkan genoot ik van mensen die mooie muziek maakten en hartelijk waren; het kon me echt niet schelen dat zij in hun dagelijks leven misschien visser of monteur waren. Later merkte ik in Egypte en Griekenland dat mensen van hogere stand vaak zeer onaangenaam waren, want patserig, arrogant en corrupt.3

Het eerste buitenlandse wezen dat als ik vreemd ervoer was een donker en prachtig Hongaaars vluchtelingenmeisje dat in 1956 bij mij in de klas kwam. Ze was niet te verstaan, net zo min als de aanplakbiljetten in het Hongaars op de ruiten van de winkels. Je had leren lezen en dan zoiets: geen touw aan vast te knopen! Het meisje bleef niet lang, dus dat had geen vervolg. Qua huidskleur was ze niet donkerder dan vele van onze Indische mensen, maar ze gedroeg zich duidelijk ‘anders’.

Een groep echte vreemdelingen in Amsterdam waren de Chinezen. Je kende ze niet, maar je wist dat ze er waren. Daar werd op afstand soms wel op gescholden: spleetoog; pinda, pinda poepchinees! Toen ik twaalf(?) was meende ik Chinees te moeten leren en daartoe begaf ik mij naar de Binnen-Bantammerstraat, waar een aantal Chinese restaurants en andere zaakjes zaten. Ik copieerde vlijtig de karakters op de uithangborden, nog niet beseffend dat dit al eens uitvoeriger door anderen was gedaan. Ik stelde vast dat er steeds twee dezelfde terugkwamen, die dus waarschijnlijk ‘restaurant’ moesten voorstellen. Aan de kelners in de restaurants vroeg ik wat het allemaal betekende. Zij waren heel vriendelijk en behulpzaam; zoveel belangstelling overkwam ze waarschijnlijk zelden. Maar door gebrekkige talenkennis, ook van hun kant, kwam het niet echt tot gesprekken, en wat moesten ze ook met zo’n snotjoch.

Naar deel 2

NOTEN
1. De benaming Indo heb ik in mijn jeugd nooit horen gebruiken. Eigenlijk weet ik tot op heden niet of dat nu een scheldwoord is of niet.
2. Alleen in ons dorp waren wij elite, omdat we tot de protestantse minderheid behoorden en dus netjes praatten, en omdat mijn grootvader een zeer succesvolle zakenman was.
3. Ineens zie ik die Griekse dame weer voor me, die geen zin had om in de rij voor de veerboot te wachten met haar witte Mercedes. Ze vond dat zij als eerste de boot op mocht, want zij reed een ‘Mercedè’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Joden Joods joods, Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Mini-herinnering: mijn antisemitisme

De herinnering kan mini blijven, want de periode van mijn antisemitisme heeft gelukkig maar kort geduurd.

Opgroeiend in Amsterdam kwam ik wel eens Joden tegen en ik kende er ook een paar. Op enkel puntjes verschilden zij van ‘ons’, maar ja, dat deden katholieken en socialisten ook en het maakte helemaal niets uit. De omgang was onproblematisch. 

Een mooie kennismaking had ik met een rabbijn. Ik studeerde Arabisch, maar die studie was ingebed in ‘Semitische Talen’ en daar zat ook Hebreeuws bij. Een studiegenoot en ik waren niet tevreden met de dorre manier waarop dat onderwezen werd en wij begaven ons naar een rabbijn met de vraag of hij niet wat met ons wilde lezen. Dat wilde hij en het werden heel mooie uren, met de lectuur van Hebreeuwse en ik denk ook Aramese bijbelcommenaren. Hij wekte die dode teksten echt tot leven. Op een dag vertrok de rabbijn naar elders en toen was het afgelopen. Het blijft een mooie herinnering.

Heel apart was mijn werk bij een Joodse firma. Als student had ik al verschillende bijbaantjes gehad. Mijn reizen naar het Midden-Oosten kostten geld en dat moest verdiend worden, in een hotel, bij de gemeente, bij een marketing bureau, bij een bank enzovoort. Op een dag kreeg ik een baantje als postjongen en manusje van alles bij een handelsfirma in … (uit discretie zeg ik maar niet waarin. Nee, diamanten waren het niet.) Het bleek een Joodse firma te zijn, en wel een wereldfirma. Afgezien van enkele monsters op een kastje was er van de verhandelde goederen nergens iets te bekennen, maar intussen werden ze wel op grote schaal verhandeld en verscheept: van Afrika naar Amerika, van Turkije naar Europa, van Bolivia naar Australië enzovoort. In dat bescheiden grachtenpand gingen werkelijk miljoen door de telefoon en de telex, — en miljoenen waren de miljarden van die tijd. Nooit heb ik ergens een prettiger werkklimaat gekend als daar. Hoewel de jongste en laagste in rang, en bovendien slechts tijdelijk aangesteld werd ik geheel voor vol aangezien en als gelijke behandeld. De bovenbazen spraken met mij gezellig en zonder enige barrière over dingen als kunst, muziek en theater. Sommigen speelden zelf ook een instrument, ze waren allemaal meertalig en belezen, hadden humor en reisden de halve wereld rond. Een totaal ander bedrijfsklimaat dan bij Nederlandse zakenlui van het type Verolme of mijn grootvader, met hun broodjes kaas en altijd maar druk-druk-druk. Toen een van de heren thuis een feestje gaf sprak het voor hem vanzelf dat ik ook zou komen, en zo kwam ik terecht in een van de weinige echt ruime huizen die Amsterdam Oud-Zuid rijk is. Ook met de dames en dochters was het erg prettig. 

Een fijne tijd dus; toch werd dit werkverblijf de aanleiding tot mijn antisemitische episode, en dat hadden ze werkelijk niet aan me verdiend. Toen ik daar weer weg was namelijk schoot de jaloezie in me. Waarom hadden zij zo‘n mooi leven terwijl ik vast zat in een bescheten, schraal mileu? Het ging niet eens om hun rijkdom, maar om hun vanzelfsprekende wereldburgerschap. Die jaloezie nam de vorm aan van jodenhaat— het zal in het voorloorlogse Duitsland net zo gegaan zijn.

De enige antisemitische actie die ik heb ondernomen was het schrijven van een gemene rotbrief aan een Franse schrijver. Ik hoop maar dat hij hem schouderophalend heeft weggegooid en geen pijn gevoeld heeft (ofschoon ik hem toen wél pijn wilde doen).

Mijn antisemitisme ging vanzelf weer over toen ik eigen wegen vond tot het worden van wereldburger. Ik ontdekte Europa: Brussel, Parijs, Münster, Salzburg, Athene en vooral Italië; later ook Cairo. Het is allemaal nog goedgekomen.

Het bovenstaande was voor mij niet zo prettig om op te schrijven. Toch geloof ik dat iedereen af en toe bij zich zelf moet nagaan of er geen rotte plekken in zijn ziel zitten, om die dan uit te snijden. Dit betrof mijn antisemitisme, een variant van racisme. Maar racisme is veel is ruimer: ook na te gaan is de verhouding tot andere volkeren. Dat komt in een volgende tekst.

3 reacties

Opgeslagen onder Joden Joods joods, Persoonlijk

Ongewenste burgers

Algemeen bekend is dat de Joden in Duitsland in de dertiger jaren van hun rechten beroofd werden en een vette J in hun pas gestempeld kregen. Ze waren ineens geen Duitsers meer, zelfs als ze in de Eerste Wereldoorlog een lintje hadden gekregen. Waar dat toe leidde is ook bekend. Nie wieder! riep iedereen na afloop, maar blijkbaar was het pas een begin.
.
In Groot-Brittannië waren er onlangs aanzetten tot een dergelijke handelwijze. Britse onderdanen afkomstig uit West-Indië, indertijd als arbeidskrachten gehaald, werden ineens van hun baan, woning en zorgverzekering beroofd, gevangengezet, bedreigd, en een aantal van hen werd het land uitgezet. Dat was Theresa May’s ‘hostile environment policy’. Illegalen wegpesten, illegalen die geen speciale verblijfsvergunning hadden, omdat ze eerst gewoon legaal waren geweest. Onder Johnson zal dit zeker nog veelvuldiger gebeuren.
.
In Nederland wordt in sommige kringen ook hardop gedacht over dit soort regels. Er zijn incidentele wreedheden bij uitzettingen, ook jegens kinderen. De toeslagenaffaire bij de belastingen had systeem, en die raakte gevestigde burgers.
.
In China zijn er al een miljoen islamitische inwoners van Xinjiang verdwenen in ‘heropvoedingskampen’, zeg maar concentratiekampen. Als (als!) mensen daaruit terugkomen zijn ze vaak geheel gebroken. Er zijn in Xinjiang nog tien miljoen Oeigoeren te gaan, en in de rest van China nog talloze andere moslims.
.
In Myanmar is er een miljoen Rohingya gepest, verkracht, uit hun huizen gezet en domweg over de grens gejaagd, omdat zij een andere taal en een andere godsdienst hebben dan de meerderheid. In het arme, toch al propvolle Bangladesh proberen die nu te overleven in vluchtelingenkampen.
.
In het Indiase Assam zijn er bij wijze van proefballonnetje twee miljoen moslims van hun burgerrechten beroofd, nadat eerst al het islamitische deel van Kashmir te grazen was genomen. Ze waren arm en analfabeet en hadden, zoals veel Indiërs, geen papieren. Nu worden ze geacht niet meer te bestaan en voortaan niet meer tot de Indiërs gerekend. Aan interneringskampen wordt gebouwd.
Als het aan Modi en zijn soortgenoten ligt worden álle moslims in India tot tweederangsburger verklaard. Al in de dertiger en veertiger jaren lieten extreme Hindoes zich inspireren door de omgang van de Nazi’s met de Joden.
India heeft een stuk of 180.000.000 moslim-inwoners. U leest het goed: honderdtachtig miljoen. Als het zo doorgaat zal India nog decennia bezig zijn hen te ontrechten, te interneren (maar dat is duur), te verjagen (maar waarheen?)—of worden ze gewoon vergast? De media interesseert dit blijkbaar niet zo; bovendien, hoeveel Europeanen zijn er niet die graag hetzelfde zouden doen met die schamele zestien miljoen moslims in de EU? Vermoedelijk schrikt de buitenwereld pas wakker als Modi de Taj Mahal laat slopen of tot een heilige koeienstal ombouwt.
Nu moet gezegd worden dat er in India ook veel weerstand tegen Modi’s plannen bestaat. Maar als eenmaal de verkeerde vent is gekozen is het heel moeilijk hem nog kwijt te raken; dat zien we ook bij ons in de buurt.

1 reactie

Opgeslagen onder Islam, Joden Joods joods, Politiek, Racisme

Joden in Kairo: miniherinneringen

In Oud-Cairo (Fustat) staat een synagoge, die beroemd geworden is omdat er in 1896 in een rommelkamertje een schat aan historische documenten uit de 9e-19e eeuw gevonden werd: de Cairo Geniza. Die synagoge ging ik eens met een studiegenoot bezichtigen en daar maakten we kennis met de bewaker/koster/gids van het gebouw: een onderdanig, onderworpen, schrikachtig mannetje: de vleesgeworden bede om hem daaruit te halen, maar we konden niets voor hem doen.
Onder het socialisme, ± 1959–60, waren de ongeveer 80.000 Joden van Egypte grotendeels het land uitgezet. Blijkbaar waren ze eerst ondergebracht in een doorgangskamp, dat zich uitstrekte achter die synagoge. Het stond nu leeg; alleen aan het begin waren nog twee, drie barakken bewoond. Misschien woonde die koster daar ook. We liepen even op en neer door de verlaten straatjes. Daar hoorden we ineens de harde stemmen van een stel Duitse toeristen. Hier wohnen noch welche, riep er een. Dat klonk niet prettig.
.
Over mevrouw F., de weduwe van een bekende filmster en zanger, heb ik al eens geschreven. Zij was de corpulente vrouw, die lichamelijk moeite had om het islamitische gebed te verrichten, maar daartoe door haar zoon gedwongen werd. Ja, zij was van huis uit Jodin, maar bekeerd tot de islam. Of dat op wens van wijlen haar man was gebeurd, of onder de aanstorm van het socialisme met zijn vreemdelingenhaat, of pas later onder druk van haar zoon kan ik niet nagaan. Vermoedelijk werd zij pas laat bekeerd, want er zijn ook corpulente moslima’s die het gebed moeiteloos verrichten: een kwestie van vroege training.
.
Mevrouw Weinstein dreef een winkeltje in kantoorbehoeften. Zij was Jodin gebleven. Misschien behoorde zij tot de kleine groep Renommierjuden die het regime nodig had om te getuigen hoe goed men in Egypte de Joden behandelde? Met hetzelfde doel werd de grote synagoge in de Adly-straat opengehouden, bewaakt, onderhouden en soms zelfs feestelijk verlicht: niets aan de hand.
.
En dan was er nog de kelner bij Groppi. Dat was een patisserie annex restaurant, voorheen van eerste kwaliteit, maar onder het socialisme in  verval geraakt, zoals alles. Je kon daar Europees eten, met wijn erbij. Soms hadden we daar even behoefte aan, hoewel het aanbod tamelijk erbarmelijk was.
Maar die kelner was nog uit de oude tijd; hij verstond zijn vak en oefende het met verve uit. Hij moet geleden hebben onder de kwaliteit van de wijn, die hij met alle strijkages kwam serveren. Servet over de arm, om de fles, kurk ruiken, laten proeven, alles met gebaren alsof hij in een grand hôtel werkte, en alsof die wijn wat voorstelde. Het was treurig te aanschouwen hoe hij dat eenheidsbocht uit de genationaliseerde wijngaarden behoedzaam decanteerde in een soort bloemenvaas. Misschien was dat omdat glazen flessen zeldzaam en duur waren en te vrezen was dat de klanten die mee naar huis zouden nemen?
Deze man zag er teleurgesteld en afgeleefd uit, hij zal niet veel ouder meer geworden zijn.
.
Een bekende Egyptische Jodin die na de verdrijving in Europa terecht is gekomen is Gisèle Littman, alias Bat Yeor (= Dochter van de Nijl). Een gifslang, die het verlies van haar rijke koloniale leventje nooit te boven is gekomen en sinds jaar en dag vuil spuit over de Islamitische wereld. Zij is degene die het begrip Eurabia heeft uitgevonden: een Europa waarin de tot fascisme neigende politieke leiders heimelijk toewerken naar de oprichting van een islamitisch kalifaat. Ook het begrip dhimmitude is uit haar pen gevloeid: niet-moslims zouden zich ten opzichte van moslims in een staat van onderworpenheid begeven.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Joden Joods joods, Kairo, Vroeger

Anti wat?

Uitingen van antisemitisme nemen de laatste tijd sterk toe, zo zeer dat het zelfs autoriteiten verontrust. Angela Merkel en ettelijke anderen hebben gezegd dat het een schande is en dat het niet meer voor mag komen. Wat ze eraan gaan doen is dan nog vraag twee.
Er zijn bevolkingsgroepen die meteen klaar staan met de bewering dat het allemaal de schuld is van de moslims. Inderdaad zijn er immigranten en vluchtelingen uit het Nabije Oosten die grote bezwaren hebben tegen Joden en/of Israëlis en die ook geweld niet schuwen. Palestijnen hebben die bezwaren van huis uit; andere Arabieren, bijv. in Syrië en Saoedi-Arabië, krijgen op school aangeleerd dat Joden baarlijke duivels zijn. Zo’n Syrische schoolverlater van zestien die hier rondloopt heeft van zijn levensdagen nooit Joden gezien, maar hij weet wel dat hij ze moet haten.
Het idee dat de toename te wijten is aan de nieuwkomers uit het Midden-Oosten lijkt dus nog niet zo gek, maar onderzoeken in verschillende Europese landen hebben aangetoond dat het toch niet zo is, en dat de overweldigende meerderheid van antisemitische uitingen en incidenten nog steeds van Europeanen zelf komt (zie bijv. dit en dit). Bij nader inzien is dat helemaal niet verbazend, gezien de rijke traditie die Europa op dit gebied kent. Voor Duitsland had ik dat ook zonder wetenschappelijke rapporten wel begrepen; het is hier van de straat te scheppen.

  • In Nederland komt en kwam antisemitisme ook na 1945 voor. Ik wist dat vroeger niet, naïef en niet-Joods als ik was. Na vele jaren vond ik een oud-studiegenoot van me terug. Bij een etentje en een fles wijn vertelde hij me eens dat hij Jood was — wat ik nooit had geweten, maar zo hoort het ook — en in Nederland veel Jodenhaat had ondervonden. In de jaren zeventig dus, toen Nederland zich breed begon te maken als gidsland. De man had zo genoeg gekregen van dat Jood-zijn en het hele gedoe eromheen, dat hij naar een heel ver land was verhuisd en een vrouw van daarginds had getrouwd. Daar is hij geen Jood, hoogstens een Hollander. Probleem voor hem opgelost.

Mooi hoor, dat onze landen zo alert zijn op antisemitisme. Jammer alleen dat een deel van de bevolking het verschijnsel misbruikt als brandstof voor zijn moslimhaat. Maar nog veel treuriger is dat mensen die bezorgd zijn om antisemitisme onverschillig lijken te staan tegenover die moslimhaat, sterker nog: die soms heimelijk wel mooi vinden. Er is natuurlijk heel veel meer moslimhaat dan haat tegen joden; al was het alleen al omdat er zo veel meer moslims zijn.1 Dat lijkt dan ineens een heel ander kapittel te zijn, terwijl het in werkelijkheid toch precies hetzelfde is. Daarom geef ik toch niet zoveel om die bezorgdheid over het antisemitisme. Breng de beide soorten haat eerst maar eens onder dezelfde noemer en noem ze altijd en consequent in één adem.

NOOT
1. Gemakzuchtige schattingen: wereldwijd zijn er: 15.000.000 Joden en 1.500.000.000 moslims. Honderd maal meer moslims dus.
Voor Duitsland zijn deze cijfers: 200.000 Joden en 4.700.000 moslims. Ong. vierentwintig maal meer moslims.

1 reactie

Opgeslagen onder Duitsland, Europa, Islam, Joden Joods joods, Nederland, Vluchtelingen