Categorie archief: Vroeger

Oude woorden

Het oude Arabisch had een enorme woordenschat en vele eigenaardige woorden, die zonder uitvoerige omschrijving niet begrepen kunnen worden. Drie voorbeelden:

waḥama: ‘een dier slachten ter bevrediging van de zwangerschapslusten van een vrouw’. Als een zwangere vrouw uitroept dat ze ineens zo’n zin heeft in schaap, wat doet haar man dan? Juist.

djaza’a: ‘genoeg hebben aan groene planten of vers gras, en daarom geen behoefte hebben aan water.’ Gezegd van kamelen of wilde ezels, die grazen op grote afstand van een waterbron en hun behoefte aan vocht stillen met wat er in de planten zit. Als het gras verdord of op is, trekken ze naar een plaats waar water is.

aḥqab is een adjectief van het model ’aCCaCu, dat gereserveerd is voor kleuren en permanente lichamelijke kenmerken. Het betekent volgens Fischer1 ’an der Stelle, an der hinteren Sattelgurt (ḥaqab) besonders charakterisiert, d.h. weiß gefärbt’ en wordt uitsluitend gebruikt van wilde ezels.

Zulke bijzondere betekenissen staan in grote woordenboeken; de kleinere stellen vaak teleur. Tot mijn verrassing geeft het kleine woordenboek van Hava de betekenis van waḥḥama volledig, maar bij djaza’a schrijft hij: ‘to be satisfied (camel)’. En dat is niet genoeg om te begrijpen wat er aan de hand is. Bij aḥqab geeft Hava de betekenis ‘wild ass’. Hij verandert het adjectief dus in een substantief en laat ons de pracht van het dier helemaal niet zien. Daarom, o gij twee personen die nog oude Arabische poëzie leest, grijpt altijd meteen naar de grotere woordenboeken: Ullmann, Lane of Kazimirski! Bij ’aCCaCu,-woorden ook Fischer. En laat Wehr liever dicht; hoe vaak moet ik het nog zeggen?

1. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

.

Wilde ezel – Foto Rufus46 – Wikimedia Commons

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Studenten, Taal, Vroeger

Verleden

Vannacht droomde ik, dat ik directeur was van een museum in Wit-Rusland. Mijn taak was, ongewenste zaken uit het verleden buiten het zicht te houden.

Zo leert men zich zelf kennen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dromen, Vroeger

Mini-herinnering: dood vogeltje

Op de Lagere School had ik een vriendje dat Wim heette en bij wie ik vaak over huis kwam. Zijn moeder was een hartelijke vrouw die mooi kon vertellen, wat zij ook graag deed, bij voorbeeld als zij in de keuken bezig was of het wasgoed streek.

Bij hem thuis hadden ze een kanarie in een kooitje. Op een dag was die er niet meer. Zijn moeder verklaarde dat hij gestorven was en dat ze hem had weggegooid. Wim was erg gehecht aan die vogel en in zijn droefheid liep hij naar de vuilnisbak. Ik liep met hem mee, en daar zagen wij een papieren zakje waar het lijk inzat. Maar dat zakje had een cilindervormig, stevig gedraaid uiteinde: het was kennelijk om een buis gewikkeld geweest — een gasleiding? Of Wim dat ook zag? Ik heb zijn moeder daarna altijd als een moordenares beschouwd. Of was de kanarie oud geworden en was het een geval van euthanasie?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Vroeger

Mini-herinnering: kaviaar en socialisme

Kaviaar is lekker, maar ook erg duur. Om het onbekommerd te genieten ben ik lang niet rijk genoeg. Anders wordt het natuurlijk als je het niet zelf hoeft te betalen. Eind jaren zeventig heb ik driemaal de kerstvakantie bij E. in Stockholm doorgebracht. We waren dan op Oudejaarsavond te gast bij een echtpaar dat in een bescheiden villa op het eiland Lidingö woonde en in het moderne Nederland zeker tot de ‘extreemlinkse elite’ gerekend zou worden. Hij was directeur van een bekend museum in Parijs en kwam in de vakanties en met de feestdagen over. Zij was directrice van een cultureel instituut in Stockholm.

Het ging er vrolijk toe, al beviel mij de muziek van de Chileense verzetszanger niet zo die, naar men verzekerde, niet om politieke redenen was gekozen maar juist omdat het zulke prachtige muziek was. De wat minder getalenteerde, misschien zelfs ronduit dommige dochter des huizes, werd nogal gekleineerd: die paste niet zo in dit intellectuele milieu. Dat ging al al aardig de kant op van Bergmans Herfstsonate. Wie daar overigens ook altijd zat was de schrijver annex filmer Peter Weiss, een min of meer politieke vluchteling uit West-Duitsland, met zijn vrouw Gunilla, beeldhouwster en decorontwerpster.

De kaviaar was aan de vrouw des huizes te danken. Zij onderhield uit hoofde van haar beroep goede contacten met verwante instellingen in Moskou en Leningrad, en reisde daar ook regelmatig naar toe. Zij deed dat graag met haar eigen auto, het was een leuke tocht, en in Rusland was alles zo keurig verzorgd: de hotels onderweg, de wegrestaurants enzovoort. Aan te nemen is dat zij toegang had gekregen tot dat dunne netwerk van luxe-voorzieningen die de extreemlinkse elite in de Sovjet Unie zich gunde. Na gedane zaken kreeg zij altijd wat cadeaux mee, waaronder een blik kaviaar. Een gróót blik, niet iets wat eruit zag als een blikje schoenpoets, zoals die hier wel eens aangeboden worden; nee, echt een vorstelijk blik, en daar kon het feestgezelschap ruim van opscheppen.

In Zweden was niemand extreem rijk geloof ik, de belastingen waren zeer hoog en de sociale voorzieningen dus uitstekend. De elite genoot privileges, en dat was veel handiger dan geld. Als je bij voorbeeld in een kasteel woont dat een rijksmonument is hoef je niet zelf het lekkende dak te laten repareren; als je halve leven bestaat uit betaalde dienstreizen en zakenlunches kom je ook aardig rond.

Ja, Zweden was politiek neutraal. Ik was werkelijk een beetje geschokt toen ik in Trelleborg aan land stapte en op de kade de vlaggen van de buurlanden zag wapperen. Ik zag twéé Duitse vlaggen! Zag ik dubbel, had ik teveel gedronken aan boord? O nee, ze waren niet hetzelfde, de ene had iets ronds in het midden; het was de vlag van de DDR, begreep ik ter plaatse. Die had ik in het NAVO-land Nederland nog nooit zien wapperen. Ook met de Sovjet-Unie bestonden er innige contacten. Al bleef het wat pijnlijk dat er soms Russische onderzeeërs opdoken tussen de eilanden vlak voor de kust.

1 reactie

Opgeslagen onder Vroeger, Zwedenreis

Macro-herinnering: mijn racisme (2)

Voortzetting van deel 1

Tegelijkertijd werd ik wel gevoed met akelige verhalen over Indië: de Bersiap-tijd, gewelddadige pelopors, de achterlijkheid van inlanders in het algemeen, luie en onbetrouwbare gasten, die niet op eigen benen konden staan en zeker nog niet rijp waren voor democratie, en dan had je nog de roverhoofdman Soekarno. Maar dat was een ander spoor dan het leven van alle dag: het bestond naast elkaar en dit soort praat had blijkbaar niets te maken met reëel bestaande mensen in de eigen omgeving. Volkomen vanzelfsprekend waren ook voor mij Sjors en Sjimmie, kinderboeken over negertjes, verhalen over zendelingen in Nieuw-Guinea en Suriname, waar de inheemsen steevast achterlijk en blijkbaar ook vuil waren (‘het gebruik van zeep is bij hen onbekend’), en die in hun taaltje niet eens een woord voor ‘dankuwel’ hadden, waarmee ze voor onze weldaden hadden kunnen bedanken. Het racisme begon eigenlijk al in Europa; knoflookvretende Fransen, spaghettivretende Italianen, criminele Balkanezen, door en door corrupte volkeren uit het Zuiden. Een extreem geval van zelfs binnenlands racisme was die rechtenstudent die in alle ernst meende dat mensen die met een zachte G spreken, uit Nijmegen en erger nog, structureel onbetrouwbaar en tot corruptie geneigd zijn. (Dat was familie van een nu om zijn racisme beruchte  ‘journalist’.) Terwijl dit discours binnen in mij geplant werd speelde het in het leven van alledag nog geen rol, maar wachtte op kansen om uit te breken.

Door mijn studie heb ik Arabieren en Turken nooit vreemd kunnen vinden. In 1967 waren er twaalf Arabieren in Amsterdam, — allemaal in de gaten gehouden door de politie — waarvan ik er drie kende. Met een ervan raakte ik bevriend; een arts, vijftien jaar ouder dan ik, maar dat gaf niet. Ik leerde Arabisch en Arabische cultuur van hem, hij werd door mij nader ingeleid in Nederland en het Nederlands. In Turkije kon ik me niet verstaanbaar maken, maar ik voelde me er kiplekker. Tijdens mijn studieverblijf in Egypte heb ik wel veel mensen veracht, maar dat was omdat ze óf dom en slecht opgeleid waren óf corrupt en vals; niet omdat ze Egyptenaren waren. Tijdens latere verblijven werd het wel moeilijk met mijn vrienden daar om te gaan, die inmiddels tien of dertig maal minder verdienden dan ik zelf. Dat was eerder beschamend. 

Op welke vormen van racisme heb ik me zelf kunnen betrappen? 

Op algemene cliché’s:
– Natuurlijk is men in X-land corrupt, worden vrouwen gediscrimineerd in land Y, terwijl Z-stan geen rechtstaat is. Intussen weten we dat het bij ons ook steeds meer de foute kant uitgaat.
– Op een algemene afkeer van hele bevolkingsgroepen. Toen er eind jaren zeventig ineens véél Surinamers door Amsterdam liepen bij voorbeeld. Het was echt een moment van vervreemding, toen ik op zekere Koninginnedag het Damplein opliep. Dat zag ineens zwart van de Surinamers, allemaal trouwe aanhangers van onze vorstin blijkbaar. Toen dacht ik even: nee, dit niet! Aan die vele Surinamers moest ik inderdaad wennen; ze hadden een andere lichaamstaal, andere gebaren, stelden zich anders op in het landschap. Maar na een poosje gingen zij zich ook als Nederlanders gedragen, met gebaren en al, dus toen werden ze gewoon. Hun accent in het Nederlands kende ik al van vroeger; dat had me nooit gestoord.  
– En toen er, na een heel stel Tamils, ook nog Vietnamese bootvluchtelingen kwamen aanzetten was ik geïrriteerd en vond ik het te veel worden. Maar ik heb nooit last gehad van die mensen en ben er maar heel weinig tegen gekomen.
– Bij de verkiezingen voor het waterschap of hoe dat heette, kort voordat ik Nederland verliet, toen er Turkse en Pakistaanse namen op de kandidatenlijst voorkwamen. Dáár moeten ze toch vanaf blijven! Onze dijken, onze afwatering, niets mee te maken jullie! Maar waarom eigenlijk niet? Als ze verstand hebben van water en dijken, dan is het in orde. Misschien hebben ze wel in Delft waterbouwkunde gestudeerd en weten er meer van dan boer Krelis.
Dit soort dingen slijt na enige tijd door gewenning, óf je moet er even verstandelijk tegenin gaan.

Bij persoonlijke ontmoetingen: 
– In de jaren zeventig, toen er veel Surinamers naar Nederland waren gekomen, vroeg op een avond in een stille straat een zwarte man of ik een rijksdaalder kon wisselen. Een moment van schrik: deze vent wil mij natuurlijk in elkaar slaan en beroven. Wat te doen? Kalm bijven, zéér op mijn hoede zijn, rustig een rijksdaalder wisselen en verder … niets. De man bedankte en verdween in een telefooncel, hij wilde blijkbaar even bellen, dat was alles. Was het een blanke man geweest dan had ik geen enkele verdenking gehad. 
– Veel zelfbetrappinkjes waren van de soort: wat doet die hier, dat is toch niets voor hem/haar? Dat hoor  je tegenwoordig veel van gekleurde mensen: leraressen die op grond van hun huidskleur voor de werkster worden gehouden enzovoort, en inderdaad, dat heb ik ook gedaan:
– Toen een zwarte man de ruimte in de Leidse UB betrad waar ik toen werkte, was mijn eerste gedachte: wat heeft die hier te zoeken? Het bleek een geleerde uit de VS te zijn, die daar inderdaad iets te zoeken had, maar er was toch even dat moment.
– Op het werk: een zwarte man in de personeelsafdeling. Weer zo’n ogenblik van verwondering: wat deed die hier? Nou, gewoon werken natuurlijk. 
– Wat deden die pikzwarte Afrikanen bij ons klassieke concert? Luisteren dus, ze hielden blijkbaar van dit soort muziek; leuk toch? Dat was overigens in Parijs; in Nederland of Duitsland zie ik nog steeds nauwelijks zwarten bij klassieke concerten.
Zulke ontmoetinkjes verliepen ondramatisch, maar er was toch telkens éven een moment van schrik, afwijzing of verbazing, en te vrezen is dat de betreffende personen dat merkten. Je zou willen van niet, maar het gebeurde.

De meeste van mijn racistische gedragingen zal ik zelf helemaal niet gemerkt hebben, en dat is nog het meest verontrustend. Vaak zijn de betrokkenen te beschaafd om van hun ongenoegen blijk te geven. 

Dat mensen van buitenlandse herkomst, ook al zijn ze nog zo geboren en getogen in Nederland, moeite hebben met het vinden van een huis of een baan is inmiddels wel bekend. Het is denkbaar dat ook ik, als ik woningen of banen te verdelen had gehad, zonder het te beseffen de voorkeur had gegeven aan een blanke boven een gekleurde. Hoewel, dat viel mee: ik heb ooit een Marokkaan en een Iraniër aan een job geholpen. Maar dat was wel op mijn zeer specifieke vakgebied, waar ze uiteraard op hun plaats waren.

Mijn taak: zulke dingen voortaan voorkomen. Je eigen racisme moet je niet ontkennen, maar bestrijden. Het wordt al veel minder trouwens, nu er op allerlei plaatsen zo veel donkere mensen rondlopen.

Wanneer is iemand eigenlijk zwart? Neem president Obama: ja, die was zwart, of althans donker, dat was te zien en werd in het begin steeds benadrukt: de eerste zwarte president, enzovoort. Maar na korte tijd merkte je dat niet meer. Ik heb Obama heel zijn regeringsperiode niet als een zwarte man waargenomen, en zo gaat het met al die andere ‘people of colour’ ook. Geen aandacht aan schenken aan kleurtjes lijkt het beste — behalve daar waar het nog nodig is om dat verrotte racisme te bestrijden. 

1 reactie

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Macro-herinnering: mijn racisme (1)

Niemand wordt als racist geboren, maar de waarschijnlijkheid dat je het geworden bent in de loop van je opvoeding is zeer groot, zeker in mijn generatie. Te ontkennen dat je racist bent, zoals met name in Nederland momenteel gangbaar is, is niet zinvol; anderen voor racist uitschelden evenmin. Je moet het in je zelf onderkennen en er dan wat aan doen. Ja, dat moet echt, net zoals je af en toe even je eigen huid moet inspecteren of daar geen verdachte plekjes zijn, die kwaadaardig kunnen gaan woekeren. Er zijn ook mensen die hun racisme wel prima vinden of er zelfs trots op zijn, maar die ‘vergeten’ dan even hoeveel ellende het heeft aangericht en nog aanricht, ook in Nederland. Na de klimaatramp kon racisme wel eens het grootste probleem worden van de eeuw.

In mijn jonge jaren liepen er tamelijk veel ‘Indische mensen’ rond, zoals wij ze noemden.1 Deze varieerden in huidskleur van blank-met-vlekken, ongeveer zoals Wilders, tot diep donkerbruin. Ook zaten er wat hele of halve Chinezen uit Indië tussen, en een enkele Surinaamse. De aanwezigheid van al deze mensen sprak volkomen vanzelf; zij werden niet als vreemd ervaren, het waren gewoon onze mensen. Datzelfde gold overigens ook voor de enkele Joden die wij kenden. Heel veel later hoorde ik dat zowel Indische mensen als Joden in het naoorlogse Nederland wel degelijk onder discriminatie te lijden hadden, maar daarvan wist ik toen niets. De betrokkenen hielden blijkbaar hun tanden op elkaar en praatten daar niet over met ‘ons’, volbloed Nederlanders. Als ik in Indië was opgegroeid had ik waarschijnlijk meegedaan met de uitvoerige discriminatie van alle schakeringen van bruin, maar wat in de vijftiger jaren telde was blijkbaar alleen of ze bij Nederland hoorden of bij Soekarno. Japanners, díe waren erg, maar die waren niet in de buurt.

Véél belangrijker dan het verschil in huidskleur of ‘ras’ was in mijn jeugd het standsverschil. In die tijd had je nog standen in Nederland en ik ben opgegroeid met een fijn afgestelde antenne voor standsverschillen, niet voor rassen. Ik behoorde tot de elite,2 zo werd mij duidelijk gemaakt — maar tot welke dan? veel stelde het niet voor, en een lekkere smak geld heb ik er nooit aan overgehouden — en wist al gauw iemand in een kastje of kaste te plaatsen. Dat gebeurde op grond van taal, kleding en gedrag. Iemand hoefde maar drie woorden te zeggen en je wist welke stand en welke godsdienst hij had, welke krant hij las en wat zijn vader deed — bij wijze van spreken dan. Godsdienst was een secundair criterium ter onderscheiding: katholieken waren wel duidelijk minder, hoewel er ook nette katholieken waren. Ik denk dat het verschil in godsdienst voor mijn grootouders nog heel belangrijk was; voor mijn ouders en voor mij niet meer zo. Socialisten en communisten konden natuurlijk ook niet, maar nog voordat je aan hun overtuigingen toekwam waren die op grond van hun stand al afgekeurd.

Het aardige van vreemdelingen was juist dat zij buiten de rasters vielen. Tot de gastarbeiders kwamen golden mensen van buitenlandse afkomst niet als van lagere stand. Vanaf de jaren zeventig interesseerden standverschillen me steeds minder, ook omdat ik merkte dat in andere landen die ik leerde kennen (behalve Engeland natuurlijk) die standen niet zo’n rol speelden. In Duitsland had je alleen maar rijkere en armere mensen, zo leek het. Op de Balkan genoot ik van mensen die mooie muziek maakten en hartelijk waren; het kon me echt niet schelen dat zij in hun dagelijks leven misschien visser of monteur waren. Later merkte ik in Egypte en Griekenland dat mensen van hogere stand vaak zeer onaangenaam waren, want patserig, arrogant en corrupt.3

Het eerste buitenlandse wezen dat als ik vreemd ervoer was een donker en prachtig Hongaaars vluchtelingenmeisje dat in 1956 bij mij in de klas kwam. Ze was niet te verstaan, net zo min als de aanplakbiljetten in het Hongaars op de ruiten van de winkels. Je had leren lezen en dan zoiets: geen touw aan vast te knopen! Het meisje bleef niet lang, dus dat had geen vervolg. Qua huidskleur was ze niet donkerder dan vele van onze Indische mensen, maar ze gedroeg zich duidelijk ‘anders’.

Een groep echte vreemdelingen in Amsterdam waren de Chinezen. Je kende ze niet, maar je wist dat ze er waren. Daar werd op afstand soms wel op gescholden: spleetoog; pinda, pinda poepchinees! Toen ik twaalf(?) was meende ik Chinees te moeten leren en daartoe begaf ik mij naar de Binnen-Bantammerstraat, waar een aantal Chinese restaurants en andere zaakjes zaten. Ik copieerde vlijtig de karakters op de uithangborden, nog niet beseffend dat dit al eens uitvoeriger door anderen was gedaan. Ik stelde vast dat er steeds twee dezelfde terugkwamen, die dus waarschijnlijk ‘restaurant’ moesten voorstellen. Aan de kelners in de restaurants vroeg ik wat het allemaal betekende. Zij waren heel vriendelijk en behulpzaam; zoveel belangstelling overkwam ze waarschijnlijk zelden. Maar door gebrekkige talenkennis, ook van hun kant, kwam het niet echt tot gesprekken, en wat moesten ze ook met zo’n snotjoch.

Naar deel 2

NOTEN
1. De benaming Indo heb ik in mijn jeugd nooit horen gebruiken. Eigenlijk weet ik tot op heden niet of dat nu een scheldwoord is of niet.
2. Alleen in ons dorp waren wij elite, omdat we tot de protestantse minderheid behoorden en dus netjes praatten, en omdat mijn grootvader een zeer succesvolle zakenman was.
3. Ineens zie ik die Griekse dame weer voor me, die geen zin had om in de rij voor de veerboot te wachten met haar witte Mercedes. Ze vond dat zij als eerste de boot op mocht, want zij reed een ‘Mercedè’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Joden Joods joods, Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Mini-herinnering: Frau Fischer

Frau Fischer was een buurvrouw in Frankfort, die mij enige malen berispend heeft toegesproken omdat ik mijn fiets scheef wegzette op de binnenplaats. Haar zoon – een man van een jaar of vijfenveertig die nog bij haar woonde — haar zoon deed dat nooit, dat zag ik toch zelf ook?
De binnenplaats was ruim bemeten en zelfs een nog veel schever weggezette fiets had niemand ongemak opgeleverd. Maar ja, zij keek door haar raam uit op de binnenplaats en had graag dat het er een beetje netjes uitzag.

Frau Fischer vond dat het slot van de centrale voordeur van het woongebouw nogal stroef ging. Zij ‘verhielp’ dat door er olie in te gieten. Daardoor ging het slot na een poosje helemaal niet meer en moest de deur altijd open blijven staan, wat in een stad als Frankfort niet zo prettig was. Dan moest er weer iemand komen om het slot uit elkaar te halen en schoon te maken en om Frau Fischer berispend toe te spreken. Ze stapte over van slaolie op olijfolie, maar ook dat hielp niet. Grafiet moest erin. Grafiet? Daar had ze nog nooit van gehoord.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Vroeger

Correspondenties

Daar zat ik dan ineens met die enorme doos waarvan het deksel niet meer dicht kon naast mijn stoel, en ik geraakte behoorlijk van slag. De bedoeling was het ding eens te saneren en de inhoud waar mogelijk flink uit te dunnen.

De doos bevat brieven van bijna zestig jaren. Brieven van vrienden en familieleden, met wie ik nog altijd zeer verbonden ben; dat wist ik wel, al heb ik hun brieven ook jaren lang niet meer gelezen. Maar ook veel omvangrijke correspondenties met mensen van wie ik mij nu hoogstens een detail of een situatie herinner, maar met wie ik toen gedurende een langere periode uitvoerig schreef. Email bestond nog niet, opbellen naar het buitenland was duur en moeizaam en in het binnenland ook niet prettig, want een telefoongesprek vervluchtigt zo snel. Je schreef dus. De uitvoerigste correspondenties zijn uit de jaren zeventig t/m negentig, met personen in verscheidene landen, ook over diepgravende en intieme onderwerpen. Het zijn natuurlijk alleen hun brieven; de mijne liggen bij hen of al jaren in een papierbak.

Zo’n onverwachte confrontatie met tientallen jaren verleden gaan niet ongemerkt aan me voorbij; het leidt tot een verhoogde hartslag. Ik weet nu even niet wat ik hiermee aan moet. Veel weggooien zal ik niet kunnen, want waarom de ene persoon wel en de andere niet? Waarschijnlijk zal ik van iedere persoon het hele stapeltje gaan doorlezen, om de betrokkene terug te brengen in mijn herinnering. Als iemand helemaal niets (meer) voor me betekent zou hij of zij alsnog weg kunnen. Zoals Dominique G., geen idee wie dat was, kennelijk ooit ontmoet in Venetië, blijkt volgens Google nu een romanschrijver in Frankrijk te zijn. Of J., een Portugees, die eerst in Rome, later in Groningen woonde, mij verder onbekend. En zo zijn er minstens nog tien onbekenden.

Opvallend is dat al die mensen mij zo’n warm hart toedroegen. Was dat omgekeerd ook het geval? Ik kan het me nauwelijks voorstellen, heb mezelf nooit als een aardig mens gezien.

Dat verlangen om weg te gooien is op zich niet onredelijk: als ik het niet doe moet mijn zuster het doen, als ik later dood ben. Maar om bij leven iets af te snijden wat toch ook je leven was, dat is misschien geen goed idee. Het uitdunnen zou kunnen gebeuren door het weggooien van ansichtkaarten en kerstkaarten waar alleen een simpele groet op staat.

5 reacties

Opgeslagen onder Schrijven, Vroeger

Zegeltjes

Soms is het leven net als vroeger. Tot dit wijze inzicht kwam ik bij het zegeltjes plakken. De zegeltjes van de kruidenier namelijk, de Treuepunkte. Als je daarmee een kaart hebt volgeplakt krijg je serviesgoed. Ik heb al een setje grote borden, deze week krijg ik een kaartje vol voor de ontbijtborden, later in december komen de soepborden erbij en in januari, als kroon op het plakwerk, de slabak— maar daar moet je dan wel € 2,99 voor bijbetalen. Vraagt u nu niet waar ik tot nu toe altijd van gegeten heb. Der Trend geht zum Zweitservice.
Ik heb ook al wijnglazen, een koekenpan en een haarscherp keukenmes van de zegeltjes. Geen kermiswaar, alles heel goede kwaliteit.

Toch is het niet helemaal als vroeger. Als kind mocht ik ook altijd  de zegeltjes plakken voor moeder, maar daar moest je aan likken, net als aan postzegels. Tegenwoordig zijn ze zelfklevend.

1 reactie

Opgeslagen onder Economie/Wirtschaft, Einkaufen, Vroeger

Mini-herinnering: gevallen arts

Een herinnering niet van mij zelf, maar uit een overlevering van mijn grootmoeder. Zij en haar twee zusters hadden geconstateerd dat de arts van het dorp op straat soms met een niet-medische blik naar hen keek en besloten de man eens te pakken te nemen. In die tijd, het zal omstreeks 1910 geweest zijn, droegen vrouwen en meisjes een lange rok tot de enkels en daaronder blijkbaar een even lange onderbroek.
De dokter verplaatste zich per fiets en reed vaak over een heel smal dijkje. De meiden wachtten tot hij weer eens aan kwam rijden, sprongen tevoorschijn en tilden hun rokken een eindje op, zodat de onderbroeken zichtbaar werden, terwijl zij uitriepen: ‘Ooooh! Je ziet mijn broek toch niet?’
De opzet slaagde: de arts raakte zo van de wijs dat hij de macht over het stuur verloor en van het dijkje stortte.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Vroeger