Categorie archief: Vroeger

Vroege Belgische herinneringen

Waar zijn ze toch gebleven, die klassieke Belgische plaatsnaamborden uit mijn jeugd? Telkens als je een nieuwe gemeente binnenfietste stond er een: Wuustwezel, bij voorbeeld. Onbegrijpelijk vond ik als vijftienjarige de teksten die in twee talen op de randen boven en onder de plaatsnamen gedrukt stonden: zoiets als ‘Gift van Englebert Banden’, of ‘Don du Pneu Michelin’. Die bordjes waren dus schenkingen, heb ik later begrepen; tegenwoordig moeten de Belgische belastingbetalers ervoor opdraaien.

Nog een raadsel uit die vroege fietstijd over de grens. Ik wilde in België mijn eerste biertje bestellen. Misschien mocht dat helemaal niet, maar ja, ik was groot voor mijn leeftijd en ik was in België, dus het moest kunnen. Op mijn bestelling antwoordde de waardin met een vraag: enkristallekenofenèneken? Ik begreep er niets van en vroeg om herhaling. Toen moet het woord Heineken me duidelijk zijn geworden. Met een air van vanzelfsprekendheid bestelde ik dat dus, wat achteraf geen slimme keus bleek te zijn. Duur importbier, tien kilometer over de grens! Europa was nog niet verenigd.

Een wat latere waarneming: In Poperinge (Wvl.) waren twee korsettenwinkels. Zij heetten Au Corset d’Or en In ’t Korsettenwijveken.

Op de Beurs van Brussel stond een lichtreclame: Passez vos vacances en Libye! En ze deden het, die Belgen. Toen ik zelf in 1967 in Libië kwam was daar een Belgisch echtpaar met een caravan achter de auto. Ze hadden het erg moeilijk.

3 reacties

Opgeslagen onder Vroeger

Vergeten reisje

TreinkaartjeZagazig3Bij het opruimen van een kast viel er een oud treinkaartje uit. Ik zal het nu weggooien, maar niet dan nadat ik het voor de komende paar jaar nog vereeuwigd heb. Een rit van 80 kilometer van Cairo naar Zagazig (spreek uit als Izza’azíe’) in de Nijldelta, op 1 mei 1976.
Mijn oude studievriend A. nodigde mij uit naar de stad waar hij vandaan kwam. In mijn studietijd (1971-72) mocht je als buitenlander in Egypte maar naar drie plekken reizen, dus nu was ieder tripje ergens anders heen zeer welkom. Niet dat het landschap en de stad erg mooi waren, maar het was toch spannend.
Plat, die delta; en boordevol lage nuttige gewassen. Zagazig was ook toen al een grote stad met misschien 200.000 inwoners en had een aanzienlijk station. Toch heerste er de rust van het platteland. Op het stationsplein stonden twee auto’s en vier rijtuigen. Ik had wel zin in een tochtje met zo’n rijtuig, maar dat kon natuurlijk niet: A. regelde meteen een taxi met een benzinemotor en daarmee reden we naar zijn ouderlijk huis. Wat opviel was de ruimte, zowel in de straten als in dat huis. Heel anders dan in Cairo. Moeder kookte middageten, daarna was het verplicht siësta en toen gingen we stad in. A. zag overal oude vrienden met wie hij wilde praten en met wie ik moest kennis maken. Dat vond ik ook leuk natuurlijk, maar het was een beetje veel achter elkaar. Ik herinner mij alleen een 22-jarige grondbezitter die al getrouwd was en volwassen. De studentjes in Cairo waren allemaal zo kinderachtig, en zo werden ze ook gehouden. Geld en huwelijk doen een man goed, dat bleek maar weer. Een bijzondere functie hadden die ontmoetingen ook nog: iedereen gaf brieven mee voor de hoofdstad, ook van familieleden. Het bericht had al de ronde gedaan dat A. kwam en deze werd nu tot postbode gebombardeerd. Dat was niet om postzegels uit te sparen, maar omdat de posterijen zo buitengewoon onbetrouwbaar waren.
Laat in de avond reisden we terug met een trein waar bijna niemand in zat. Ja, ook dat kon in Egypte. Dans le temps.

2 reacties

Opgeslagen onder Kairo, Trein&tram, Vroeger

Zakenmannetje

Topsporter of pianist had ik best willen worden, maar het zat er niet in. Wat ik als jongen echter zeker niet wilde worden was zakenman. Goederen aan mensen verkopen voor meer dan ze waard waren, of erger nog: de klanten regelrecht besodemieteren, nee, dat vond ik onwaardig.

Dat was toen tenminste mijn officiële standpunt, maar in werkelijkheid waren er omstreeks mijn vijftiende toch aanzetten tot handeldrijven. Op de postzegelmarkt bij voorbeeld, waar ik zelfs bedrog niet schuwde. En de handel in jonge vis. Dat zat zo: ik kreeg bijlessen wiskunde van onze buurman, die wiskundeleraar was. In ruil daarvoor verzorgde ik zijn grote aquarium; waarschijnlijk was hij blij dat hij eraf was. Daarbij viel het me op dat de guppen af en toe jongen kregen, die dan gauw werden opgevroten, door de ouders of door andere vissen. Mijn zakenidee was nu, die jonkies het leven te redden en aan een dierenwinkel te verkopen. Dat dit mogelijk was wist ik: ik moet het ergens hebben gehoord of gelezen. En tegen een jongen in de klas had ik zelfs al over deze activiteit opgeschept voordat ik ze uitvoerde. Goed, het moest dus worden gedaan. Hoe ik dat kleine grut kon isoleren weet ik niet meer; met een zeef misschien? In ieder geval belandde het in een jampotje en ik toog ermee naar de dierenwinkel. Tot mijn verbazing kreeg ik er zeven gulden voor! Dat was geld in die tijd, voor een jongen. Het heeft zich zo nog twee of drie keer herhaald. De buurman heb ik geen winstaandeel gegeven; waarschijnlijk heb ik het hem niet eens verteld.

Dat had de basis van mijn investeringskapitaal kunnen worden; toen had ik me misschien in de richting van het zakenleven kunnen ontwikkelen. Dan was mijn leven misschien spannender geweest: statistieken met grote uitschieters naar boven en naar beneden, nu eens in een villa, dan weer in een doorzonwoning, een of twee faillissementen, een of twee echtscheidingen misschien. Maar zo is het niet gegaan, omdat dat rare intellect zich in die tijd al door mij heen begon te vreten, wat het nog steeds doet. Dat was vaak een last, maar na de pensionering …, well, it comes in handy. Een gepensioneerde zakenman verveelt zich misschien; ik nooit.

7 reacties

Opgeslagen onder Economie/Wirtschaft, Onzin, Persoonlijk, Vroeger

Iemand zijn

Nog een oneliner uit een ver verleden, begin jaren zeventig denk ik. Een man wordt voorgesteld aan een oude Oostenrijkse gravin. Als hij zich na het handen schudden en nog enkele woorden een paar stappen heeft verwijderd, hoort hij de gravin tegen haar assistente zeggen (waarschijnlijk luider dan bedoeld; zij is erg doof): Ist er wer, oder bezieht er Lohn? (Is het iemand, of is het een loontrekker?)

4 reacties

Opgeslagen onder Vroeger

Reine WC

Soms krijg je door een terloops zinnetje een inkijkje in het verleden. Een zeer oude mevrouw vertelde dat een vriendin en zij aan het winkelen waren — dat moet in de jaren dertig geweest zijn — en allebei ergens naar de WC gingen. Toen de eerste uit het hokje kwam vroeg de toiletjuffrouw: Soll ich wischen oder sind Sie verwandt? (Moet ik de bril schoonmaken, of bent u familie?)

2 reacties

Opgeslagen onder Deutschland, Duitsland, Vroeger

Over het paard getild

TePaardMet rijden is het daarna nooit meer iets geworden.

8 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk, Vroeger

Twee paleizen

Amsterdam vond ik als kind al klein en benauwd; je kon er je kont niet keren, fietsen stonden in de weg in halletjes of trappenhuizen, en dan die iele woninkies … . Dat was bij opa en oma in het dorp wel anders. Toen ik iets ouder was schaamde ik mij voor Amsterdam ten opzichte van Londen en zelfs Brussel. Maar er waren tenminste twee gebouwen die grandeur hadden: het Paleis op de Dam en het Tropenmuseum.

Het Paleis was groot en stevig, en mooi vond ik het ook. In de loop der jaren kreeg ik er oog voor wat een uitzonderlijk gebouw dat was. Waar hadden ze de stenen vandaan? Ieder blok steen moest natuurlijk per praam van heel ver komen. En hoe hadden ze die steenkolos in de moerasgrond kunnen verankeren? Het was en is werkelijk groots. Wel staat het daar wat eigenaardig, temidden van het kleine grut.
Natuurlijk was ik er nooit in geweest; dat kon geloof ik vroeger niet, of het kwam niet bij me op. Pas ongeveer tien jaar geleden ben ik er eens binnen gaan kijken, en ik schrok. Dikke prots overal, wat een boel marmer! Een scherp contrast met de ook peperdure, maar toch sober overkomende buitenkant van het gebouw. Een paleis van opscheppers, die een ogenblik dachten dat zij de hele wereld regeerden. Wereldkaarten op de grond; de wereld aan je voeten, of liever eronder. Daar kon je blijkbaar een nieuwe factorij plannen.
Maar je wou toch iets grandioos? Jazeker, maar met dit paleis ben ik toch niet op mijn gemak. Dit is too much; een droom van kleine mensen die ineens te veel geld hadden. Het doet een beetje denken aan de Nederlandse eetcultuur van dit ogenblik. Na eeuwenlang draadjesvlees en spruitenprak nu een orgie van sterrenrestaurants waar niets vanzelfsprekends aan is.

Het Tropenmuseum, deel van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, was niet ver van waar ik woonde en ik was er vanaf mijn twaalfde vaak op zondagmiddag te vinden. Veel beter dan de verplichte kerkgang waren daar de voordrachten of voorstellingen die met Indië te maken hadden. Iemand las spannende oude Javaanse verhalen voor of er werden dansen uitgevoerd, en van het gamelanorkest was ik helemaal niet weg te slaan. De tentoongestelde dingen interesseerden mij pas jaren later, misschien ook omdat het toen nog een museum van een museum was: alles in bruine kasten met getypte kaartjes erbij, sepia foto’s met heren in tropenkostuum, zalen vol specimina van de nuttige gewassen van Nederlandsch-Indië. Later is dat radicaal gemoderniseerd, in verschillende fases, en wel zo goed dat Duitse kennissen die ik erheen stuur zonder uitzondering verrast en enthousiast zijn.
Een paleis dat ook gebouwd was door mensen die dachten dat zij de wereld, of althans Indië regeerden. Maar toen ik er aankwam was dat al niet meer zo. Dat we Indië niet meer ‘hadden’ en dat daar nu de demonische Soekarno heerste was mij al vaak uitgelegd; toch droomde ik weg bij die muziekuitvoeringen en stelde me voor hoe ik iedere nacht de gamelan zou horen, natuurlijk in de kraton van Mangkunegara in Solo. Voor minder deed ik het niet; dáár wilde ik heen.
Ook het Tropenmuseum had de hele wereld over de vloer, maar niet meer voor de heb. Het ging nu om kennis van die wereld, en daar had ik dringend behoefte aan, want Nederland was duidelijk te klein.
Voeg daarbij nog de museumboekhandel. Waar elders kon je bladeren in Pigeaud’s Woordenboek Javaans-Nederlands? Waar lezen in de mystieke teksten van Sjamsuddin van Pasai (inderdaad, ‘paasei,’ dacht ik nog in die tijd). Waarschijnlijk is mijn besluit oriëntalist te worden daar voorbereid.
Maar ook de omvang en grootsheid van het Tropenmuseum als gebouw overtuigden me. Nergens éénsteensmuurtjes of gipsplaten, en afmetingen die voor Nederland uitzonderlijk zijn. Het is stevig! Zelfs als je even naar de WC moest kwam je in een kamertje terecht met een hoge deur van massief eikenhout.
Het is blijkbaar té groot en stevig, dat Tropenmuseum. Niet voor mij, maar voor Nederland. Het moet nu gesloten worden heb ik gehoord. Terug het moeras in, niet meer naar de wereld kijken; waarom ook? Daar is immers niets meer te halen.
Dat zal het Paleis op de Dam nog niet zo snel overkomen, want daarvan loopt het groot onderhoud via het potje Koninklijk Huis.

6 reacties

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Vroeger

Taalverdwijning

Een van de grote nadelen van emigratie was voor mij het verlies van de dagelijkse omgang met de moedertaal, en de noodzaak de hele dag een andere taal te spreken. Bij mijn overwegingen of ik ooit naar Nederland zal teruggaan speelt de taal dan ook een belangrijke rol. Maar langzamerhand wordt het contact met de moedertaal smartelijker dan het ontbreken daarvan. Groningen en haar Martinitoren, een meisje die in de bos loopt, ejg lekker, kaaik aut: dat zijn klappen die je voelt als emigrant.
Natuurlijk zijn er nog veel mooie teksten, ook nieuwe. Vooral in de literatuur, die tot mijn vreugde niet alleen door geboren Nederlanders word volgeschreven. Misschien zijn schrijvers altijd een beetje conservatief, en anders hun uitgevers wel. Maar eertijds nette kranten schrijven tegenwoordig blubber en de televisie is om meer dan een reden niet om aan te horen.
Taalverandering is vanzelfsprekend en nodig; ik ben voldoende taalkundig geschoold om dat te weten en te begrijpen. Dat neemt echter niet weg dat ik persoonlijk lijd onder het verdwijnen van mijn Nederlands. Naarmate de tijd verstrijkt zal ik dat slechts delen met een gestaag afnemend aantal bejaarden. Omdat ik goed gezond ben zal ik misschien een van de laatste sprekers zijn.
Treuren om een verdwijnende moedertaal die wordt overschreeuwd door allerlei SBS6-types heeft weinig zin.
Maar dan kan ik net zo goed hier blijven. Wat er met het Duits gebeurt stoort me namelijk helemaal niet; het is immers niet mijn taal.
Als ik 92 ben vergeet ik waarschijnlijk mijn Duits, maar dat merk ik dan niet meer. Terwijl alle dames en die paar heren in het zanggroepje van het tehuis Hoch auf dem gelben Wagen instuderen, kraai ik er dwars doorheen: Altijd is Kortjakje ziek. En niemand die er aanstoot aan neemt. Toch? (Oeps – een modernisme! Hé, nog een!)

36 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Nederland, Persoonlijk, Vroeger

Continuity

Bij het zappen kwam er een fragment langs van Sunday in New York (1963). Twee heren zitten in een restaurant met een dame en krijgen een meningsverschil, ik neem aan over haar. De ene man slaat de andere neer, einfach so.
Het opmerkelijke is dat beide heren iets rookten: de aanvaller een sigaar, zijn slachtoffer een sigaret. En beiden hadden een seconde later hun rokertje nog in de hand/mond. De neergeslagene moet zijn sigaret goed hebben vastgehouden en tijdens het opkrabbelen meteen weer een trekje genomen hebben. Hij was zeker even buiten adem geraakt.

5 reacties

Opgeslagen onder Vroeger

Op de divan bij opa en oma

Ik had iets te doen in Hilversum en er was een hotelkamer voor me geboekt. Toen ik bij het hotel aankwam bekroop me al meteen een raar gevoel. In de kamer zelf duurde het nog even voor ik het zag, daarna kostte het nog wat tijd voordat ik het wilde geloven: ik bevond mij in de kamer die ooit door mijn grootouders bewoond was geweest! Ja, het adres klopte ook. Mijn grootouders waren naar Hilversum getrokken om daar hun oude dag door te brengen. Dat is meer dan vijftig jaar geleden. Toentertijd waren er nog geen bejaardenhuizen; men ging ‘in pension’. Ze hadden daar twee kamers, en precies in hun toenmalige woonkamer was ik nu terecht gekomen. Alles viel op zijn plaats, ik zag hun meubilair als het ware weer staan, en ook de divan waarop ik sliep als ik als jongen bij hen logeerde.

Een toeval of bestiering? Maar indien het laatste: waartoe?

7 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk, Vroeger