Categorie archief: Vroeger

Zijn geraniums soms niet goed genoeg?

Het werd een Albert Heijn boodschappentas vol gisteren, de reisgidsen, landkaarten, stadsplattegronden en VVV-brochures die naar het oud papier moeten. De aanleiding tot de zuiveringsactie was dat ik de reisgids van Iran zocht, om een vriendin cadeau te doen die binnenkort naar dat land gaat. Die heb ik inderdaad teruggevonden.
.
Maar achteraf denk ik dat het niet genoeg was. Er kan nog veel meer weg. Ik zal nóóit meer een 1:50.000 kaart van Oxford & surrounding area nodig hebben; zie dat maar onder ogen. Wat een prachtige kaarten hadden ze trouwens in Engeland, je ziet er zelfs de landhuizen en bijbehorende parken op, soms zo groot als twee dorpen, en rare Depots, van wat eigenlijk?, o, van militaire goederen, ik zie het al, doorschoten met treinrails. En al die grappige plaatsnamen, zoals Charlton-on-Otmoor en Horton-cum-Studley. Ook Didcot staat erop, bekend van het omroepbericht van de spoorwegen: change at Didcot. Maar ik zal er niet meer komen, en zeker niet te voet of met de fiets. Weg ermee.
.
Ook zal ik nooit meer Malta bezoeken, en beslist niet met een reisgids uit 1999, of het Beierse Woud met een wandelkaart. En al die niet of slechts eenmaal befietste delen van Duitsland: in de zak ermee. Waarom heb ik twee kaarten van het Nördlicher Odenwald? Ah, ze zijn niet hetzelfde zie ik. Maar eigenlijk kunnen ze allebei weg. Ze stammen nog uit mijn Frankforter fietstijd en ik ga echt geen heimweetochten maken om alles nog eens terug te zien.
.
Egypte mag blijven, for old time’s sake, en zeker de Baedeker van 1928 en Le Caire et Alexandrie, Hachette 1955. Die vallen niet meer onder reisgidsen, maar onder geschiedschrijving. Voor de Baedeker van Oostenrijk-Hongarije uit 1905 kan ik misschien nog geld krijgen; hoewel, vreemd genoeg sla ik dat ding nog wel eens op als ik iets over het verleden wil weten.

3 reacties

Opgeslagen onder Fietsen, Persoonlijk, Reizen, Vroeger

Privilege

De zomer bracht ik als kind vaak bij mijn grootouders door. Op het dorp trad men mij met veel genegenheid, vleierij en zelfs onverdiend respect tegemoet, niet omdat ik zo’n bizonder ventje was of ze mij zo hoog hadden zitten, maar omdat ik de kleinzoon van mijn grootvader was. De enige nog wel, die later bij hem in de zaak zou komen; dat bazuinde opa tenminste graag rond. Opa had een bedrijf, had een stel werknemers en was rijk, al was daar ten gevolge van het Gereformeerde geloof niet veel van te merken.
(Andere kinderen van mijn leeftijd om mee te spelen waren daar niet in de buurt; anders had die bevoorrechte positie zich vanzelf wel afgevlakt.)
Eén geval van privilege, dat staat voor alle andere, zit nog op onaangename wijze in mijn geheugen. Oma stuurde mij wel eens om boodschappen. Op een keer — ik zal een jaar of elf, twaalf geweest zijn — kwam ik bij de kruidenier in de Hoofdstraat. Daar stonden wel zes klanten en ik zou dus moeten wachten. Maar ziedaar: ik werd het eerst geholpen! Dat is de kleinzoon van S., werd er om mij heen gemurmeld. Ik vond het onterecht, maar … liet het me welgevallen, zodat de boodschap snel gedaan was.
.
Mijn huisarts in Marburg is erg goed. Ze neemt de tijd voor iedere patiënt, stelt goede diagnoses, heeft goede contacten met de juiste specialisten, die zij maar hoeft op te bellen en je krijgt al een afspraak voor morgen. Daarom heeft zij ook veel patiënten en waren de wachttijden in haar wachtkamer absurd lang. Sinds kort is er ontspanning ingetreden, omdat er inmiddels nog twee andere artsen in de praktijk werken. Maar vroeger zaten de mensen soms wel twee, drie uur te wachten. Er werd onder de wachtenden flink over gejammerd; het wachten was soms erger dan de kwaal waaraan men leed. De meeste mensen namen het toch voor lief, omdat zij prijs stelden op een goede arts, en wie er niet tegen kon zocht zich een andere geneesheer of -dame.
Maar ik hoefde bijna nooit te wachten, want ik was Professor R. Nauwelijks zat ik in de wachtkamer met het nieuwe nummer van de Stern of de assistente kwam mij al oproepen, met naam en titel.
Ik ben geen professor en heb daar herhaaldelijk op gewezen. Eén maal heb ik er persoonlijk op toegezien dat die titel op mijn kaart werd doorgestreept, maar het heeft niet geholpen: ik ben nog steeds professor. Vermoedelijk is het een Duitse techniek om mij stiekem voor te trekken. Waarom ze dat doen weet ik niet; het is onrechtvaardig, maar … ik laat het me graag welgevallen, zodat niets meer een spoedige genezing in de weg staat.
.
Als student in Egypte (1971–72) genoot ik een Egyptische studiebeurs van £E 40,– in de maand, dat was £E 36,50 after tax. Het Pond, dat nu € 0,05 waard is, was toen officieel ƒ 8,20, op de zwarte markt ƒ 5,50. Dat was heel veel meer dan Egyptische studenten kregen. Ik had als buitenlandse student nog meer privileges. Door bemiddeling werd mij bij voorbeeld op het Ministerie van Binnenlandse Zaken een pasje uitgereikt waarop stond, dat ik doctor in de archeologie was en vrij toegang had tot alle monumenten in Egypte; zelfs die eigenlijk gesloten waren. Dit liet ik mij graag welgevallen. Dat ik een beetje jong was voor een doctorstitel hinderde blijkbaar niemand. Ook kreeg ik gratis een kortingkaart voor de stadsbussen, zodat ik in plaats van één piaster nog maar een halve hoefde te betalen voor een ritje in de tweede klas. Soms had ik geen zin in zo veel volk en nam ik de eerste; dat kostte dan wel meteen twee piaster.
De beurs moest maandelijks worden geïnd op het kantoor voor buitenlandse studenten in de straat bij het graf van Sa‘d Zaghlul, waar nu het metrostation is. Daartoe moest ik naar de tweede verdieping, en bij binnenkomst stond er al een portier gereed om de deur van de lift voor me open te houden. Op een keer merkte ik dat Soedanese studenten, die ook hun beurs kwamen afhalen, niet in de lift mochten. Dat vond ik akelig; voortaan nam ik ook de trap. Toch even een moment van solidariteit met de zwoegende en zuchtende mensheid; nou ja, kunst hoor: twee trappen oplopen.

N.B.: Een collega vertelde onlangs, dat die Soedanese studenten slecht £E 10,- in de maand kregen.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, De mens, Duitsland, Persoonlijk, Vroeger

Joden in Kairo: miniherinneringen

In Oud-Cairo (Fustat) staat een synagoge, die beroemd geworden is omdat er in 1896 in een rommelkamertje een schat aan historische documenten uit de 9e-19e eeuw gevonden werd: de Cairo Geniza. Die synagoge ging ik eens met een studiegenoot bezichtigen en daar maakten we kennis met de bewaker/koster/gids van het gebouw: een onderdanig, onderworpen, schrikachtig mannetje: de vleesgeworden bede om hem daaruit te halen, maar we konden niets voor hem doen.
Onder het socialisme, ± 1959–60, waren de ongeveer 80.000 Joden van Egypte grotendeels het land uitgezet. Blijkbaar waren ze eerst ondergebracht in een doorgangskamp, dat zich uitstrekte achter die synagoge. Het stond nu leeg; alleen aan het begin waren nog twee, drie barakken bewoond. Misschien woonde die koster daar ook. We liepen even op en neer door de verlaten straatjes. Daar hoorden we ineens de harde stemmen van een stel Duitse toeristen. Hier wohnen noch welche, riep er een. Dat klonk niet prettig.
.
Over mevrouw F., de weduwe van een bekende filmster en zanger, heb ik al eens geschreven. Zij was de corpulente vrouw, die lichamelijk moeite had om het islamitische gebed te verrichten, maar daartoe door haar zoon gedwongen werd. Ja, zij was van huis uit Jodin, maar bekeerd tot de islam. Of dat op wens van wijlen haar man was gebeurd, of onder de aanstorm van het socialisme met zijn vreemdelingenhaat, of pas later onder druk van haar zoon kan ik niet nagaan. Vermoedelijk werd zij pas laat bekeerd, want er zijn ook corpulente moslima’s die het gebed moeiteloos verrichten: een kwestie van vroege training.
.
Mevrouw Weinstein dreef een winkeltje in kantoorbehoeften. Zij was Jodin gebleven. Misschien behoorde zij tot de kleine groep Renommierjuden die het regime nodig had om te getuigen hoe goed men in Egypte de Joden behandelde? Met hetzelfde doel werd de grote synagoge in de Adly-straat opengehouden, bewaakt, onderhouden en soms zelfs feestelijk verlicht: niets aan de hand.
.
En dan was er nog de kelner bij Groppi. Dat was een patisserie annex restaurant, voorheen van eerste kwaliteit, maar onder het socialisme in  verval geraakt, zoals alles. Je kon daar Europees eten, met wijn erbij. Soms hadden we daar even behoefte aan, hoewel het aanbod tamelijk erbarmelijk was.
Maar die kelner was nog uit de oude tijd; hij verstond zijn vak en oefende het met verve uit. Hij moet geleden hebben onder de kwaliteit van de wijn, die hij met alle strijkages kwam serveren. Servet over de arm, om de fles, kurk ruiken, laten proeven, alles met gebaren alsof hij in een grand hôtel werkte, en alsof die wijn wat voorstelde. Het was treurig te aanschouwen hoe hij dat eenheidsbocht uit de genationaliseerde wijngaarden behoedzaam decanteerde in een soort bloemenvaas. Misschien was dat omdat glazen flessen zeldzaam en duur waren en te vrezen was dat de klanten die mee naar huis zouden nemen?
Deze man zag er teleurgesteld en afgeleefd uit, hij zal niet veel ouder meer geworden zijn.
.
Een bekende Egyptische Jodin die na de verdrijving in Europa terecht is gekomen is Gisèle Littman, alias Bat Yeor (= Dochter van de Nijl). Een gifslang, die het verlies van haar rijke koloniale leventje nooit te boven is gekomen en sinds jaar en dag vuil spuit over de Islamitische wereld. Zij is degene die het begrip Eurabia heeft uitgevonden: een Europa waarin de tot fascisme neigende politieke leiders heimelijk toewerken naar de oprichting van een islamitisch kalifaat. Ook het begrip dhimmitude is uit haar pen gevloeid: niet-moslims zouden zich ten opzichte van moslims in een staat van onderworpenheid begeven.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Joden Joods joods, Kairo, Vroeger

Hoedendozen in alle maten

Bij het uitmesten van de boekenkasten was ik bij de letter P gekomen. Proust kon ik natuurlijk niet wegdoen; integendeel, ik ben hem aan het herlezen. In La prisonnière zitten mooie analyses van het verschijnsel jaloezie, maar ook wel taaie stukken. Prachtig vond ik in ieder geval de uitweiding over de straatroepen van de straatventers die de verteller in de ochtenduren door zijn raam heen hoort. Roepen van mosselverkopers, scharensliepen, groentevrouwen, geitenmelkboeren. Het is van belang dat zulke roepen herinnerd worden, anders denkt de jeugd nog dat alles altijd al in de supermarkt of in het internet gekocht werd.
.
Ik moest er even mijn best voor doen, maar al gauw herinnerde ik me ook de straatroepen uit mijn jeugd in Amsterdam, in de vroege jaren vijftig. Voddùùùh! was er een van: een man die met een handkar oude kleren kwam ophalen. De schillenboer, die met een auto kwam, had ook een roep: Schillùùùh! Het mooiste vond ik de man die hoedendozen verkocht. Hij kwam te voet met een heel bouwsel van ronde dozen om zich heen en riep: Hoédendozen in alle ma-tùùùn! Hij had een rare, doffe dictie, alsof hij een spraakgebrek had, maar daar weet ik het fijne niet van. Verder was er nog de man met een grijs fietskarretje, dat een beetje leek op dat van de ijscoman. Die riep volledig emotieloos: Stomen … verven! waarbij het tweede woord op een hogere toon geroepen werd dan het eerste. De ijsman riep niets, die had een bel, waar de ijslustige kinderen en volwassenen op af kwamen. Het melkijs zat in metalen cilinders, waarvan telkens een schijf werd afgesneden en tussen twee wafels werd gedaan, al naar gelang de dikte voor een stuiver, een dubbeltje of een kwartje. Je likte er dan rond omheen en drukte als de buitenlaag weg was de wafels naar elkaar toe, zodat je weer verder kon. (Voor de oorlog was het goedkoper geweest, getuige het nog voortlevende liedje: O kijk daar komt de ijsman aan, de ijsman van de buurt … van drie, van vijf, van tien…. En roept dan “IJs met slagroom!” Die roep, die ken je wel!)
.
Uit Kairo herinner ik me ook zulke roepen. Robavecchia! ‘vodden’. Dat was natuurlijk een Italiaans woord, maar allang in het Arabisch opgenomen. In de oude stad was een man die Bakhtek, bakhtek riep, ‘Uw geluk!’ Als je hem een muntje gaf liet hij een muis door een bak met zaagsel lopen die dan een papiertje oppikte waarop een geluk voorspellende tekst geschreven stond, of misschien ook wel een geldprijsje. En dan was er nog de ambulante lootjesverkoper, die riep Ya nasieb! maar ook wel La chance … de la vie! Waarom hij dat in het Frans riep weet ik niet; het was niet in een buurt waar buitenlanders woonden. Wie een lootje wilde kopen riep hem op zijn Arabisch toe Ya sjansi!, ‘chance-man!’, en dan kwam hij naar de klant toe.
.
Uit Griekenland herinner ik me alleen de roep Kareklia, kareklia!, ‘stoelen’. Of die man stoelen verkocht of alleen reparaties van rieten zittingen aanbood weet ik niet; ik hoorde hem ’s ochtends roepen vanuit mijn bed, net als de verteller van Proust.
.
Er moeten nog heel veel meer van die roepen geweest zijn, maar dit was mijn oogst van even terugdenken. Nog net op tijd aan de vergetelheid ontrukt.
.
Een heel oud verschijnsel natuurlijk, die roepen. Wie kent niet het liedje over sweet Molly Malone … crying cockles and mussels, alive, alive oh!

4 reacties

Opgeslagen onder Vroeger

Schuld

Op Hervormingsdag is het gepast even stil te staan bij de schuld van de mens.

Schuld 1
Er is veel gehakketak over het klimaat. Sommigen zeggen dat het klimaat helemaal niet verandert en gaan daarmee door tot het zeewater in hun golfschoenen sopt. Anderen zien wel dat het klimaat verandert, maar wijzen erop dat het altijd al aan schommelingen onderhevig is geweest en dat wij er niets aan kunnen doen. Nog anderen roepen juist dat het allemaal de schuld van de mens is, en wanneer we niet als de wiedeweerga dit-of-dat gaan doen het klimaat niet meer in de hand is te houden.

Het klimaat verandert, dat is nu de meesten wel duidelijk, maar onzeker blijft, hoe groot het aandeel van de mens daarin is. En het idee dat de mens het klimaat in de hand kan houden is grotesk. Dat maakt het betrekkelijk gemakkelijk, gewoon maar door te gaan met diesel rijden, kolenstook en dergelijke.

Echter, aan de vervuiling van de bodem en van de zee, inclusief de uitroeiing van de daarop en daarin levende dieren en micro-organismen, is de mens, die zich in zijn hovaardij homo sapiens noemt, voor de volle honderd procent schuldig. Daaraan wordt veel minder aandacht besteed, hoewel de gevolgen voor de voedselvoorziening even verwoestend kunnen zijn.

Maar er is aflaat noch vergeving voor deze schuld. Het lijkt eerder een gevalletje te worden van ‘Het kwaad straft zichzelf’.

Schuld 2
Nu is niet alleen president Francis Underwood aangeschoten, maar ook de acteur Kevin Spacey. Netflix zegt te willen stoppen met de serie House of Cards, omdat de president uit die serie in zijn echte leven eenendertig jaar geleden een veertienjarige jongen seksueel heeft lastig gevallen. Tja. Het is nogal een loos gebaar, want de zesde serie komt nog wél, naar ik begrijp, en daarna zou het hele spul waarschijnlijk een natuurlijke dood gestorven zijn. Presidenten zijn tegenwoordig immers zo heel anders.

Zo’n morele veroordeling door een filmfabriek lijkt misschien sympathiek, maar zo komen we naar ik vrees niet verder. Duizenden, honderdduizenden, miljoenen mensen hebben in hun biografie wel ergens een smerige vlek zitten. En met de moderne middelen is vrijwel ieders biografie op tafel te krijgen. Als je met terugwerkende kracht alle verrichtingen van die mensen voor besmet gaat verklaren, dan blijft er niet veel van de wereld over. Dan zouden, om met een kleinigheid te beginnen, ook de films van Woody Allen, Roman Polanski en Alfred Hitchcock uit de circulatie moeten worden gehaald; wie zou dat willen?

Bij veel schuld bestaat er ook de mogelijkheid tot vergeving, boetedoening, straf, verjaring. Anderzijds bestaat er schuld die zo groot is dat er van de kant van de mens alleen maar veroordeling mogelijk is, bij voorbeeld in het geval Adolf Hitler. Dan zou er dus steeds moeten worden afgewogen of iemands schuld nog voor vergeving, boetedoening enz. in aanmerking komt of niet meer, en tot hoe ver in het verleden. Maar wie gaan dat doen? De reeds zwaar overwerkte rechtbanken? De publieke opinie, die zelf zonder zonde is en altijd klaar staat met de eerste steen? Brrrr. In ieder geval moet worden meegewogen hoe zwaar het slachtoffer heeft geleden, of het kan vergeven of niet, en of de aanklacht misschien vooral uit kwaaiigheid voortkwam.

De mensheid staat dus nog heel veel be- en veroordelend werk te wachten. Grote kans dat de uiteindelijk goedgekeurde daden en werken alleen maar braaf en middelmatig zijn. Maar nog groter is de kans dat de soep niet zo heet gegeten zal worden.

Schuld 3
Onze voorouders hebben zich in de West schuldig gemaakt aan mensen verachtende plantageslavernij en handel in slaven. In de Oost hetzelfde op nog grotere schaal; daarenboven nog aan drugshandel (opiummonopolie).

Als daarop gewezen wordt is de reactie vaak woedend: in Indië werd iets groots verricht, de VOC was iets om trots op te zijn en waarom het eigen nest bevuilen? Misstanden reduceren tot incidenten, gauw in de doofpot, mantel der liefde eroverheen, klaar!

Een andere reactie is zich achteraf vreselijk schuldig te voelen. Wat waren wij slecht! De nazaten van de slaven, althans die uit de West, spelen daar graag op in; ja, wat waren jullie slecht!

Ook in het eerste geval is er veel schuldgevoel, maar dat wordt onderdrukt. De afschaffing van ex-koloniale instituten en bibliotheken heeft daar kennelijk ook mee te maken: er moet zo min mogelijk over Indië geweten worden.

Beide varianten van dit schuldgevoel zijn ongezond en niet nodig. Onze voorouders waren slecht, geen reden om dat te ontkennen, maar schuld is niet erfelijk. Aan wat zij hebben gedaan zij wij niet schuldig. We moeten het wel heel goed en in detail weten, zodat wij, nu, niet nog eens hetzelfde doen, en ons ook niet beter of specialer voelen dan ander boeventuig. Zijn we meteen van dat malle nationalisme af. Graag méér studie dus, meer bibliotheken over ‘ons’ Indië en de West, en het koloniale verleden opnemen in het schoolonderwijs.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Klimaat, Vroeger

Vroege Belgische herinneringen

Waar zijn ze toch gebleven, die klassieke Belgische plaatsnaamborden uit mijn jeugd? Telkens als je een nieuwe gemeente binnenfietste stond er een: Wuustwezel, bij voorbeeld. Onbegrijpelijk vond ik als vijftienjarige de teksten die in twee talen op de randen boven en onder de plaatsnamen gedrukt stonden: zoiets als ‘Gift van Englebert Banden’, of ‘Don du Pneu Michelin’. Die bordjes waren dus schenkingen, heb ik later begrepen; tegenwoordig moeten de Belgische belastingbetalers ervoor opdraaien.

Nog een raadsel uit die vroege fietstijd over de grens. Ik wilde in België mijn eerste biertje bestellen. Misschien mocht dat helemaal niet, maar ja, ik was groot voor mijn leeftijd en ik was in België, dus het moest kunnen. Op mijn bestelling antwoordde de waardin met een vraag: enkristallekenofenèneken? Ik begreep er niets van en vroeg om herhaling. Toen moet het woord Heineken me duidelijk zijn geworden. Met een air van vanzelfsprekendheid bestelde ik dat dus, wat achteraf geen slimme keus bleek te zijn. Duur importbier, tien kilometer over de grens! Europa was nog niet verenigd.

Een wat latere waarneming: In Poperinge (Wvl.) waren twee korsettenwinkels. Zij heetten Au Corset d’Or en In ’t Korsettenwijveken.

Op de Beurs van Brussel stond een lichtreclame: Passez vos vacances en Libye! En ze deden het, die Belgen. Toen ik zelf in 1967 in Libië kwam was daar een Belgisch echtpaar met een caravan achter de auto. Ze hadden het erg moeilijk.

3 reacties

Opgeslagen onder Vroeger

Vergeten reisje

TreinkaartjeZagazig3Bij het opruimen van een kast viel er een oud treinkaartje uit. Ik zal het nu weggooien, maar niet dan nadat ik het voor de komende paar jaar nog vereeuwigd heb. Een rit van 80 kilometer van Cairo naar Zagazig (spreek uit als Izza’azíe’) in de Nijldelta, op 1 mei 1976.
Mijn oude studievriend A. nodigde mij uit naar de stad waar hij vandaan kwam. In mijn studietijd (1971-72) mocht je als buitenlander in Egypte maar naar drie plekken reizen, dus nu was ieder tripje ergens anders heen zeer welkom. Niet dat het landschap en de stad erg mooi waren, maar het was toch spannend.
Plat, die delta; en boordevol lage nuttige gewassen. Zagazig was ook toen al een grote stad met misschien 200.000 inwoners en had een aanzienlijk station. Toch heerste er de rust van het platteland. Op het stationsplein stonden twee auto’s en vier rijtuigen. Ik had wel zin in een tochtje met zo’n rijtuig, maar dat kon natuurlijk niet: A. regelde meteen een taxi met een benzinemotor en daarmee reden we naar zijn ouderlijk huis. Wat opviel was de ruimte, zowel in de straten als in dat huis. Heel anders dan in Cairo. Moeder kookte middageten, daarna was het verplicht siësta en toen gingen we stad in. A. zag overal oude vrienden met wie hij wilde praten en met wie ik moest kennis maken. Dat vond ik ook leuk natuurlijk, maar het was een beetje veel achter elkaar. Ik herinner mij alleen een 22-jarige grondbezitter die al getrouwd was en volwassen. De studentjes in Cairo waren allemaal zo kinderachtig, en zo werden ze ook gehouden. Geld en huwelijk doen een man goed, dat bleek maar weer. Een bijzondere functie hadden die ontmoetingen ook nog: iedereen gaf brieven mee voor de hoofdstad, ook van familieleden. Het bericht had al de ronde gedaan dat A. kwam en deze werd nu tot postbode gebombardeerd. Dat was niet om postzegels uit te sparen, maar omdat de posterijen zo buitengewoon onbetrouwbaar waren.
Laat in de avond reisden we terug met een trein waar bijna niemand in zat. Ja, ook dat kon in Egypte. Dans le temps.

2 reacties

Opgeslagen onder Kairo, Trein&tram, Vroeger

Zakenmannetje

Topsporter of pianist had ik best willen worden, maar het zat er niet in. Wat ik als jongen echter zeker niet wilde worden was zakenman. Goederen aan mensen verkopen voor meer dan ze waard waren, of erger nog: de klanten regelrecht besodemieteren, nee, dat vond ik onwaardig.

Dat was toen tenminste mijn officiële standpunt, maar in werkelijkheid waren er omstreeks mijn vijftiende toch aanzetten tot handeldrijven. Op de postzegelmarkt bij voorbeeld, waar ik zelfs bedrog niet schuwde. En de handel in jonge vis. Dat zat zo: ik kreeg bijlessen wiskunde van onze buurman, die wiskundeleraar was. In ruil daarvoor verzorgde ik zijn grote aquarium; waarschijnlijk was hij blij dat hij eraf was. Daarbij viel het me op dat de guppen af en toe jongen kregen, die dan gauw werden opgevroten, door de ouders of door andere vissen. Mijn zakenidee was nu, die jonkies het leven te redden en aan een dierenwinkel te verkopen. Dat dit mogelijk was wist ik: ik moet het ergens hebben gehoord of gelezen. En tegen een jongen in de klas had ik zelfs al over deze activiteit opgeschept voordat ik ze uitvoerde. Goed, het moest dus worden gedaan. Hoe ik dat kleine grut kon isoleren weet ik niet meer; met een zeef misschien? In ieder geval belandde het in een jampotje en ik toog ermee naar de dierenwinkel. Tot mijn verbazing kreeg ik er zeven gulden voor! Dat was geld in die tijd, voor een jongen. Het heeft zich zo nog twee of drie keer herhaald. De buurman heb ik geen winstaandeel gegeven; waarschijnlijk heb ik het hem niet eens verteld.

Dat had de basis van mijn investeringskapitaal kunnen worden; toen had ik me misschien in de richting van het zakenleven kunnen ontwikkelen. Dan was mijn leven misschien spannender geweest: statistieken met grote uitschieters naar boven en naar beneden, nu eens in een villa, dan weer in een doorzonwoning, een of twee faillissementen, een of twee echtscheidingen misschien. Maar zo is het niet gegaan, omdat dat rare intellect zich in die tijd al door mij heen begon te vreten, wat het nog steeds doet. Dat was vaak een last, maar na de pensionering …, well, it comes in handy. Een gepensioneerde zakenman verveelt zich misschien; ik nooit.

7 reacties

Opgeslagen onder Economie/Wirtschaft, Onzin, Persoonlijk, Vroeger

Iemand zijn

Nog een oneliner uit een ver verleden, begin jaren zeventig denk ik. Een man wordt voorgesteld aan een oude Oostenrijkse gravin. Als hij zich na het handen schudden en nog enkele woorden een paar stappen heeft verwijderd, hoort hij de gravin tegen haar assistente zeggen (waarschijnlijk luider dan bedoeld; zij is erg doof): Ist er wer, oder bezieht er Lohn? (Is het iemand, of is het een loontrekker?)

4 reacties

Opgeslagen onder Vroeger

Reine WC

Soms krijg je door een terloops zinnetje een inkijkje in het verleden. Een zeer oude mevrouw vertelde dat een vriendin en zij aan het winkelen waren — dat moet in de jaren dertig geweest zijn — en allebei ergens naar de WC gingen. Toen de eerste uit het hokje kwam vroeg de toiletjuffrouw: Soll ich wischen oder sind Sie verwandt? (Moet ik de bril schoonmaken, of bent u familie?)

2 reacties

Opgeslagen onder Deutschland, Duitsland, Vroeger