Categorie archief: Vroeger

Ontferming

In 1964 hadden alleen echt rijke mensen nog inwonend huispersoneel. Twee ‘gewone’ gezinnen kende ik echter die nog een dienstmeisje hadden. Eén was in Amsterdam. Bij een klasgenoot hadden ze een Indonesisch meisje voor dag en nacht, een christin, die ze blijkbaar van familie uit Indië hadden doorgekregen. Ik had enigszins met haar te doen, want behalve haar werkgevers had ze niemand in Nederland. ‘Ze heeft verder niemand, wij hebben ons maar over haar ontfermd.’ Zou ze op haar vrije avond landgenoten zijn gaan opzoeken? Ik betwijfel het.
Op zekere avond zaten we met enkele klasgenoten bij elkaar en ik zou de betreffende jongen, met wie ik bevriend was, even opbellen. Hij was niet thuis en ik zei: dag juffrouw. De anderen moesten erom lachen: wie zei er nu juffrouw? Tegen zijn moeder of een eventuele zuster zou dat inderdaad niet gepast zijn geweest. Maar toen bleek dat ik met het dienstmeisje had gesproken vonden ze het wel in orde. Wat had je anders tegen haar moeten zeggen? Een mevrouw was toen nog iets heel anders.
.
Het andere gezin woonde in Duitsland; ik logeerde er regelmatig. Daar was Anna uit Oost-Pruisen: een aardige, hardwerkende, zeer bedeesde vrouw. Pas heel veel later heb ik begrepen hoe dat zat met die vluchtelingen uit het Oosten van Duitsland. Ook zij had niemand meer en mocht dankbaar zijn dat ze ergens terecht had gekund. Dat was ze ook naar behoren, en dat ze zich uit de naad moest werken en waarschijnlijk onderbetaald werd vond niemand gek.
Anna poetste ook de schoenen, die iedereen bij het slapengaan buiten de kamer op de gang zette. ’s Morgens stonden ze dan alweer glanzend te wachten, terwijl Anna het ontbijt bereidde. Later was zij er niet meer; toen werden haar functies in het gezin overgenomen door een keukenmachine en de beide dochters des huizes—die voortaan ook de schoenen poetsten.
.
Wij hadden thuis geen dienstmeisje, maar één maand per jaar toch wel een beetje. Toen ik nog klein was gingen we ’s zomers namelijk in juli naar Wijk aan Zee. In de buurt woonde een meisje van misschien zestien(?) wiens vader was overleden, zodat het gezin weinig inkomsten had. Met ons mocht ze een of twee keer mee op vakantie; dan had ze ook eens wat, het arme ding. Later heb ik begrepen, dat zij op deze manier wel een erg goedkoop kindermeisje annex dienstmeisje was voor mijn moeder.

5 reacties

Opgeslagen onder De mens, Duitsland, Nederland, Vroeger

Herinneringen: Vertaler

Toen ik nog in Nederland woonde, vroeger dus, schnabbelde ik wat bij als vertaler Arabisch. In de jaren zeventig was er nog bijna niemand die dat kon, dus er werd vet betaald. Ik kon het ook niet, maar dat gaf niet. Rijbewijzen, geboortebewijzen e.d. lukten altijd wel, evenals lijstjes met ingrediënten van levensmiddelen. Van Marokkaanse huwelijks- of verstotingsacten waren er voorbeelden; daarbij was vaak nog het moeilijkst de handschriften te ontcijferen en de namen te begrijpen. Voor vertalingen in het Arabisch riep ik de hulp in van een Egyptenaar, voor de helft van het geld.
.
Er kwamen ook wel eens lange juridische teksten uit Saoedi-Arabië, of erger nog Libië, waar veel Italiaans door het Arabisch gemengd was. In die tijd deed Nederland immers grof zaken met die landen; hele havens werden er gebouwd. Ik zei dan dat ik die teksten niet helemaal begreep, maar de opdrachtgevers smeekten handenwringend of ik het toch wilde doen, want ze hadden niemand anders. Soms gaven ze me een juriste in bruikleen, die beter gefundeerde vermoedens over de inhoud van de teksten had en bovendien het juiste juridische jargon in het Nederlands kende.
.
Bijsluiters voor medicijnen en chemische teksten weigerde ik te doen, om vergiftigingen en ontploffingen te voorkomen.
.
In de jaren tachtig kreeg ik mijn eerste computer. Die was handig voor de langdurige opdracht van de KLM: telkens de menu’s voor de eerste klasse in het Arabisch vertalen. Daar had ik geen hulp bij nodig en omdat er in grote lijnen steeds hetzelfde gegeten werd kon ik lekker copy-pasten. Nog steeds verbaas ik vriend en vijand als ik gerechten meteen in het Arabisch kan benoemen.
.
Het moeilijkst waren de reclameteksten, daarbij had ik echt hulp nodig om de juiste toon te treffen. Dat ging niet alleen om vertalen, het kwam vaak neer op herschrijven. De enthousiaste brochure over lichtmetalen jaloezieën bij voorbeeld legde grote nadruk op de exclusiviteit en de chic van het product. Maar in Saoedi-Arabië was dat onzin: er was daar niets exclusiefs aan zo’n alledaags gebruiksvoorwerp, dat niet eens van goud was; dus dan moesten we zelf wat verzinnen. Gelukkig was het reclamewezen in de Arabische wereld nog niet zo ontwikkeld, dus het was al gauw goed.
.
Een tekst over babymelk had de opdrachtgever zelf al aan de verschillende culturen aangepast. Hij leverde ter verduidelijking ook de vertalingen erbij die al in andere talen gemaakt waren. Daar stond o.a. in: ‘Uw babytje heeft per dag xx uur slaap nodig;’ welnu, het aantal uren benodigde slaap was in geen twee landen hetzelfde. De Nederlandse kinderen sliepen geloof ik het langst.
.
Een keer heb ik een serieuze en gegronde klacht gekregen. Een internationaal bekende fabrikant van kettingzagen vond dat er fouten in mijn tekst stonden, en hij had gelijk. Hopelijk zijn er door mijn fouten niet al te veel lichaamsdelen verloren gegaan. Ik vertaalde toen al zo lang dat ik dacht het ook wel zonder hulp van een native speaker af te kunnen; mis! Voordat er boze houthakkers op mijn stoep konden verschijnen ben ik toen naar Duitsland verhuisd.
.
Van de KLM heb ik ook een keer een klacht gekregen, maar die was ongegrond. Een Arabische KLM-passagier klaagde dat er lamsvlees op het menu stond, maar hij had schapenvlees te eten gekregen, ocharm. Dat kon ik echt niet helpen, daarvoor moest hij bij de catering zijn.

De Arabische teksten werden gedrukt bij de toen nog nog enige drukkerij in Nederland die dat kon. Heel praktisch dat die ook in Leiden zat, want er moesten dan ook nog drukproeven worden gecorrigeerd.
.
Waren er dan geen Arabieren die konden vertalen? Nu natuurlijk wel, maar in de jaren zeventig nog niet. Hun kennis van het Nederlands was meestal onvoldoende, maar die van het Arabisch ook, als ze schrijftaal niet voldoende beheersten. Vaak genoeg heb ik teksten van Arabieren moeten fatsoeneren: werkwoordsvormen, naamvallen, syntax en spelling. Maar dat is in de loop der jaren sterk verbeterd. En er zijn tegenwoordig veel meer migranten die goed Nederlands kennen dan Nederlanders die Arabisch kennen.
Er kwam nog bij dat de opdrachtgevers Arabieren vaak niet vertrouwden, zeker niet bij hush hush-opdrachten.
.
Waar is toch al dat extra geld gebleven? Gewoon, opgegaan aan het goede leven. Dure voorwerpen interesseerden me niet, wel reizen, uit eten gaan en diensten.
.
Toen ik naar Duitsland ging was het afgelopen met de commerciële vertalerij. Mijn Arabisch werd beter, maar mijn Duits was (en is) niet waterdicht en ik ben hier niet beëdigd.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie/Wirtschaft, Nabije Oosten, Nederland, Persoonlijk, Vroeger

Mini-herinnering: Gelukkig zalig

Ook toen ik nog klein was kwamen er tegen Nieuwjaar al jeugdige krantenbezorgers langs de huizen om de beste wensen uit te spreken. De bedoeling was een fooitje op te halen, en een krent die niets gaf! Ze spaarden immers voor een brommer.
.
Maar wat te wensen? De overwegend katholieke bewoners van mijn dorp wensten elkaar een ‘Zalig Nieuwjaar’, de protestantse minderheid zei altijd ‘Gelukkig Nieuwjaar’. De verzuiling ging gelukkig niet zover, dat krantenbezorgers kaartenbakken bijhielden van wie tot welke gezindte behoorde, en lang niet in alle gevallen werd dit duidelijk uit de krant waarop de milde gevers geabonneerd waren. De praktische oplossing die de bezorgertjes vonden voor dit probleem was het uitspreken van de wens ‘Gelukkig zalig’, zonder verdere toevoeging.
.
Dikwijls ging de wens in vervulling: er waren vele gelukkige jaren. Zalig zou ik ze nooit noemen; dat woord gaat toch meer over lekkernijen en is denk ik vooral bij dames in gebruik. ‘Marrons glacés, die zijn gewoonweg zálig!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Nederland, Vroeger

Mini-herinnering: onrecht op school

Het was in de zesde klas van de lagere school. We moesten een som maken. Dat deed ik met inkt op het tafeltje waaraan ik zat, en toen ik de uitkomst had schreef ik die op en wiste de bewerking uit met spuug.
De meester bleek echter niet alleen geïnteresseerd in de uitkomst, maar ook in de bewerking, en die was er dus niet meer. Ik wilde niet toegeven dat ik die op het tafelblad had geschreven, in de aanname dat zoiets streng verboden was, en stond met de mond vol tanden.
Daarop meende de meester dat ik het antwoord van mijn bankgenoot Bob had overgeschreven, wat beslist niet waar was!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Nederland, Persoonlijk, Vroeger

Mini-herinnering: Amboneesjes

Met dat rare verkleinwoord werd bij ons de groep Molukkers aangeduid, die in 1951 naar Nederland werden overgebracht nadat de Republiek Indonesië zich meester had gemaakt van de Molukken. Zo schattig zullen ze niet geweest zijn, want het waren overwegend ervaren militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger. Hoe dan ook: bij ons werd gesproken over ‘Amboneesjes in huis nemen’. Deze mensen hadden snel een voorlopig onderdak nodig, voordat er een definitievere oplossing voor hen werd gevonden.
.
Ook mijn grootouders hadden enige tijd een Moluks gezin in huis: vader, moeder en een zoontje. Hoewel ik nog heel jong was heb ik er toch herinneringen aan: ik speelde met het jongetje, en vooral de vader heeft diepe indruk op me gemaakt, want die had een accordeon. Ik was niet bij hem weg te slaan als hij daarop speelde.

1 reactie

Opgeslagen onder Nederland, Vluchtelingen, Vroeger

Lekker kagum

‘Ik heb lekker kagum,’ zei men op het schoolplein van de lagere school, ‘en jij niet,’ werd er vaak bij gezegd, of anders gedacht.
.
Kauwgum bestond in twee vormen: als kauwgumbal, te trekken uit de automaat, of in pakjes, waarvan ik mij vooral het minderwaardige, stinkerige merk Bazooka herinner. Smerig spul was dat, maar het ging vooral om de bijgesloten plaatjes: een stripverhaaltje in miniatuur. Mijn vroegste herinnering aan de kauwgumbal was dat ik van mevrouw Wenzel, een vriendin van mijn moeder, een cent kreeg om een kauwgumbal te gaan trekken. Het moet omstreeks 1952 zijn geweest. Gauw naar de Hogeweg, waar een automaat hing, maar wat een teleurstelling: de cent paste er niet in! Bedrukt naar huis, en wat bleek? De cent die ik had gekregen was nog van koningin Wilhelmina, en die waren iets groter dan die van Juliana. De cent geruild en zo werd alles toch nog goed.
.
Dit herinnerde ik mij toen ik van de week aan het begin van mijn huidige woonstraat een opengebroken kauwgumballenautomaat zag. Ja, die bestaan hier nog; in Nederland misschien niet meer? Deze was strategisch opgesteld bij de ingang van een basisschool. Het was de boef blijkbaar niet om het snoepgoed te doen geweest, want dat zat er nog in. Maar het bakje waar het geld in zat was er met aanzienlijk geweld uitgesloopt. Bij een balprijs van 10 cent zal daar misschien wel vijf Euro te roven zijn geweest!
.
Heel verbaasd was ik toen daar al na drie(!) dagen een bestelwagentje stond en er twee mensen bezig waren een geheel nieuwe automaat aan te brengen. Nou ja, geheel nieuw: bij nader inzien bleken bepaalde onderdelen van een ouder exemplaar te stammen, maar toch: het ding glanst verlokkender dan ooit. Niet alleen kauwgumballen, ook ander snoep wordt er nu aangeboden, en voor huiveringwekkende prijzen: 10, 20 en 50 cent! Het openbreken is lonender dan ooit.

6 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Eten, Vroeger

Zijn geraniums soms niet goed genoeg?

Het werd een Albert Heijn boodschappentas vol gisteren, de reisgidsen, landkaarten, stadsplattegronden en VVV-brochures die naar het oud papier moeten. De aanleiding tot de zuiveringsactie was dat ik de reisgids van Iran zocht, om een vriendin cadeau te doen die binnenkort naar dat land gaat. Die heb ik inderdaad teruggevonden.
.
Maar achteraf denk ik dat het niet genoeg was. Er kan nog veel meer weg. Ik zal nóóit meer een 1:50.000 kaart van Oxford & surrounding area nodig hebben; zie dat maar onder ogen. Wat een prachtige kaarten hadden ze trouwens in Engeland, je ziet er zelfs de landhuizen en bijbehorende parken op, soms zo groot als twee dorpen, en rare Depots, van wat eigenlijk?, o, van militaire goederen, ik zie het al, doorschoten met treinrails. En al die grappige plaatsnamen, zoals Charlton-on-Otmoor en Horton-cum-Studley. Ook Didcot staat erop, bekend van het omroepbericht van de spoorwegen: change at Didcot. Maar ik zal er niet meer komen, en zeker niet te voet of met de fiets. Weg ermee.
.
Ook zal ik nooit meer Malta bezoeken, en beslist niet met een reisgids uit 1999, of het Beierse Woud met een wandelkaart. En al die niet of slechts eenmaal befietste delen van Duitsland: in de zak ermee. Waarom heb ik twee kaarten van het Nördlicher Odenwald? Ah, ze zijn niet hetzelfde zie ik. Maar eigenlijk kunnen ze allebei weg. Ze stammen nog uit mijn Frankforter fietstijd en ik ga echt geen heimweetochten maken om alles nog eens terug te zien.
.
Egypte mag blijven, for old time’s sake, en zeker de Baedeker van 1928 en Le Caire et Alexandrie, Hachette 1955. Die vallen niet meer onder reisgidsen, maar onder geschiedschrijving. Voor de Baedeker van Oostenrijk-Hongarije uit 1905 kan ik misschien nog geld krijgen; hoewel, vreemd genoeg sla ik dat ding nog wel eens op als ik iets over het verleden wil weten.

3 reacties

Opgeslagen onder Fietsen, Persoonlijk, Reizen, Vroeger

Privilege

De zomer bracht ik als kind vaak bij mijn grootouders door. Op het dorp trad men mij met veel genegenheid, vleierij en zelfs onverdiend respect tegemoet, niet omdat ik zo’n bijzonder ventje was of ze mij zo hoog hadden zitten, maar omdat ik de kleinzoon van mijn grootvader was. De enige nog wel, die later bij hem in de zaak zou komen; dat bazuinde opa tenminste graag rond. Opa had een bedrijf, had een stel werknemers en was rijk, al was daar ten gevolge van het Gereformeerde geloof niet veel van te merken.
(Andere kinderen van mijn leeftijd om mee te spelen waren daar niet in de buurt; anders had die bevoorrechte positie zich vanzelf wel afgevlakt.)
Eén geval van privilege, dat staat voor alle andere, zit nog op onaangename wijze in mijn geheugen. Oma stuurde mij wel eens om boodschappen. Op een keer — ik zal een jaar of tien, elf geweest zijn — kwam ik bij de kruidenier in de Hoofdstraat. Daar stonden wel zes klanten en ik zou dus moeten wachten. Maar ziedaar: ik werd het eerst geholpen! Dat is de kleinzoon van S., werd er om mij heen gemurmeld. Ik vond het onterecht, maar … liet het me welgevallen, zodat de boodschap snel gedaan was.
.
Mijn huisarts in Marburg is erg goed. Ze neemt de tijd voor iedere patiënt, stelt goede diagnoses, heeft goede contacten met de juiste specialisten, die zij maar hoeft op te bellen en je krijgt al een afspraak voor morgen. Daarom heeft zij ook veel patiënten en waren de wachttijden in haar wachtkamer absurd lang. Sinds kort is er ontspanning ingetreden, omdat er inmiddels nog twee andere artsen in de praktijk werken. Maar vroeger zaten de mensen soms wel twee, drie uur te wachten. Er werd onder de wachtenden flink over gejammerd; het wachten was soms erger dan de kwaal waaraan men leed. De meeste mensen namen het toch voor lief, omdat zij prijs stelden op een goede arts, en wie er niet tegen kon zocht zich een andere geneesheer of -dame.
Maar ik hoefde bijna nooit te wachten, want ik was Professor R. Nauwelijks zat ik in de wachtkamer met het nieuwe nummer van de Stern of de assistente kwam mij al oproepen, met naam en titel.
Ik ben geen professor en heb daar herhaaldelijk op gewezen. Eén maal heb ik er persoonlijk op toegezien dat die titel op mijn kaart werd doorgestreept, maar het heeft niet geholpen: ik ben nog steeds professor. Vermoedelijk is het een Duitse techniek om mij stiekem voor te trekken. Waarom ze dat doen weet ik niet; het is onrechtvaardig, maar … ik laat het me graag welgevallen, zodat niets meer een spoedige genezing in de weg staat.
.
Als student in Egypte (1971–72) genoot ik een Egyptische studiebeurs van £E 40,– in de maand, dat was £E 36,50 after tax. Het Pond, dat nu € 0,05 waard is, was toen officieel ƒ 8,20, op de zwarte markt ƒ 5,50. Dat was heel veel meer dan Egyptische studenten kregen. Ik had als buitenlandse student nog meer privileges. Door bemiddeling werd mij bij voorbeeld op het Ministerie van Binnenlandse Zaken een pasje uitgereikt waarop stond, dat ik doctor in de archeologie was en vrij toegang had tot alle monumenten in Egypte; zelfs die eigenlijk gesloten waren. Dit liet ik mij graag welgevallen. Dat ik een beetje jong was voor een doctorstitel hinderde blijkbaar niemand. Ook kreeg ik gratis een kortingkaart voor de stadsbussen, zodat ik in plaats van één piaster nog maar een halve hoefde te betalen voor een ritje in de tweede klas. Soms had ik geen zin in zo veel volk en nam ik de eerste; dat kostte dan wel meteen twee piaster.
De beurs moest maandelijks worden geïnd op het kantoor voor buitenlandse studenten in de straat bij het graf van Sa‘d Zaghlul, waar nu het metrostation is. Daartoe moest ik naar de tweede verdieping, en bij binnenkomst stond er al een portier gereed om de deur van de lift voor me open te houden. Op een keer merkte ik dat Soedanese studenten, die ook hun beurs kwamen afhalen, niet in de lift mochten. Dat vond ik akelig; voortaan nam ik ook de trap. Toch even een moment van solidariteit met de zwoegende en zuchtende mensheid; nou ja, kunst hoor: twee trappen oplopen.
.
N.B.: Een collega vertelde onlangs, dat die Soedanese studenten slechts £E 10,- in de maand kregen.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, De mens, Duitsland, Persoonlijk, Vroeger

Joden in Kairo: miniherinneringen

In Oud-Cairo (Fustat) staat een synagoge, die beroemd geworden is omdat er in 1896 in een rommelkamertje een schat aan historische documenten uit de 9e-19e eeuw gevonden werd: de Cairo Geniza. Die synagoge ging ik eens met een studiegenoot bezichtigen en daar maakten we kennis met de bewaker/koster/gids van het gebouw: een onderdanig, onderworpen, schrikachtig mannetje: de vleesgeworden bede om hem daaruit te halen, maar we konden niets voor hem doen.
Onder het socialisme, ± 1959–60, waren de ongeveer 80.000 Joden van Egypte grotendeels het land uitgezet. Blijkbaar waren ze eerst ondergebracht in een doorgangskamp, dat zich uitstrekte achter die synagoge. Het stond nu leeg; alleen aan het begin waren nog twee, drie barakken bewoond. Misschien woonde die koster daar ook. We liepen even op en neer door de verlaten straatjes. Daar hoorden we ineens de harde stemmen van een stel Duitse toeristen. Hier wohnen noch welche, riep er een. Dat klonk niet prettig.
.
Over mevrouw F., de weduwe van een bekende filmster en zanger, heb ik al eens geschreven. Zij was de corpulente vrouw, die lichamelijk moeite had om het islamitische gebed te verrichten, maar daartoe door haar zoon gedwongen werd. Ja, zij was van huis uit Jodin, maar bekeerd tot de islam. Of dat op wens van wijlen haar man was gebeurd, of onder de aanstorm van het socialisme met zijn vreemdelingenhaat, of pas later onder druk van haar zoon kan ik niet nagaan. Vermoedelijk werd zij pas laat bekeerd, want er zijn ook corpulente moslima’s die het gebed moeiteloos verrichten: een kwestie van vroege training.
.
Mevrouw Weinstein dreef een winkeltje in kantoorbehoeften. Zij was Jodin gebleven. Misschien behoorde zij tot de kleine groep Renommierjuden die het regime nodig had om te getuigen hoe goed men in Egypte de Joden behandelde? Met hetzelfde doel werd de grote synagoge in de Adly-straat opengehouden, bewaakt, onderhouden en soms zelfs feestelijk verlicht: niets aan de hand.
.
En dan was er nog de kelner bij Groppi. Dat was een patisserie annex restaurant, voorheen van eerste kwaliteit, maar onder het socialisme in  verval geraakt, zoals alles. Je kon daar Europees eten, met wijn erbij. Soms hadden we daar even behoefte aan, hoewel het aanbod tamelijk erbarmelijk was.
Maar die kelner was nog uit de oude tijd; hij verstond zijn vak en oefende het met verve uit. Hij moet geleden hebben onder de kwaliteit van de wijn, die hij met alle strijkages kwam serveren. Servet over de arm, om de fles, kurk ruiken, laten proeven, alles met gebaren alsof hij in een grand hôtel werkte, en alsof die wijn wat voorstelde. Het was treurig te aanschouwen hoe hij dat eenheidsbocht uit de genationaliseerde wijngaarden behoedzaam decanteerde in een soort bloemenvaas. Misschien was dat omdat glazen flessen zeldzaam en duur waren en te vrezen was dat de klanten die mee naar huis zouden nemen?
Deze man zag er teleurgesteld en afgeleefd uit, hij zal niet veel ouder meer geworden zijn.
.
Een bekende Egyptische Jodin die na de verdrijving in Europa terecht is gekomen is Gisèle Littman, alias Bat Yeor (= Dochter van de Nijl). Een gifslang, die het verlies van haar rijke koloniale leventje nooit te boven is gekomen en sinds jaar en dag vuil spuit over de Islamitische wereld. Zij is degene die het begrip Eurabia heeft uitgevonden: een Europa waarin de tot fascisme neigende politieke leiders heimelijk toewerken naar de oprichting van een islamitisch kalifaat. Ook het begrip dhimmitude is uit haar pen gevloeid: niet-moslims zouden zich ten opzichte van moslims in een staat van onderworpenheid begeven.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Joden Joods joods, Kairo, Vroeger

Hoedendozen in alle maten

Bij het uitmesten van de boekenkasten was ik bij de letter P gekomen. Proust kon ik natuurlijk niet wegdoen; integendeel, ik ben hem aan het herlezen. In La prisonnière zitten mooie analyses van het verschijnsel jaloezie, maar ook wel taaie stukken. Prachtig vond ik in ieder geval de uitweiding over de straatroepen van de straatventers die de verteller in de ochtenduren door zijn raam heen hoort. Roepen van mosselverkopers, scharensliepen, groentevrouwen, geitenmelkboeren. Het is van belang dat zulke roepen herinnerd worden, anders denkt de jeugd nog dat alles altijd al in de supermarkt of in het internet gekocht werd.
.
Ik moest er even mijn best voor doen, maar al gauw herinnerde ik me ook de straatroepen uit mijn jeugd in Amsterdam, in de vroege jaren vijftig. Voddùùùh! was er een van: een man die met een handkar oude kleren kwam ophalen. De schillenboer, die met een auto kwam, had ook een roep: Schillùùùh! Het mooiste vond ik de man die hoedendozen verkocht. Hij kwam te voet met een heel bouwsel van ronde dozen om zich heen en riep: Hoédendozen in alle ma-tùùùn! Hij had een rare, doffe dictie, alsof hij een spraakgebrek had, maar daar weet ik het fijne niet van. Verder was er nog de man met een grijs fietskarretje, dat een beetje leek op dat van de ijscoman. Die riep volledig emotieloos: Stomen … verven! waarbij het tweede woord op een hogere toon geroepen werd dan het eerste. De ijsman riep niets, die had een bel, waar de ijslustige kinderen en volwassenen op af kwamen. Het melkijs zat in metalen cilinders, waarvan telkens een schijf werd afgesneden en tussen twee wafels werd gedaan, al naar gelang de dikte voor een stuiver, een dubbeltje of een kwartje. Je likte er dan rond omheen en drukte als de buitenlaag weg was de wafels naar elkaar toe, zodat je weer verder kon. (Voor de oorlog was het goedkoper geweest, getuige het nog voortlevende liedje: O kijk daar komt de ijsman aan, de ijsman van de buurt … van drie, van vijf, van tien…. En roept dan “IJs met slagroom!” Die roep, die ken je wel!)
.
Uit Kairo herinner ik me ook zulke roepen. Robavecchia! ‘vodden’. Dat was natuurlijk een Italiaans woord, maar allang in het Arabisch opgenomen. In de oude stad was een man die Bakhtek, bakhtek riep, ‘Uw geluk!’ Als je hem een muntje gaf liet hij een muis door een bak met zaagsel lopen die dan een papiertje oppikte waarop een geluk voorspellende tekst geschreven stond, of misschien ook wel een geldprijsje. En dan was er nog de ambulante lootjesverkoper, die riep Ya nasieb! maar ook wel La chance … de la vie! Waarom hij dat in het Frans riep weet ik niet; het was niet in een buurt waar buitenlanders woonden. Wie een lootje wilde kopen riep hem op zijn Arabisch toe Ya sjansi!, ‘chance-man!’, en dan kwam hij naar de klant toe.
.
Uit Griekenland herinner ik me alleen de roep Kareklia, kareklia!, ‘stoelen’. Of die man stoelen verkocht of alleen reparaties van rieten zittingen aanbood weet ik niet; ik hoorde hem ’s ochtends roepen vanuit mijn bed, net als de verteller van Proust.
.
Er moeten nog heel veel meer van die roepen geweest zijn, maar dit was mijn oogst van even terugdenken. Nog net op tijd aan de vergetelheid ontrukt.
.
Een heel oud verschijnsel natuurlijk, die roepen. Wie kent niet het liedje over sweet Molly Malone … crying cockles and mussels, alive, alive oh!

4 reacties

Opgeslagen onder Vroeger