Categorie archief: Vroeger

Genot tijdens de oorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er geen koffie te krijgen en hebben de mensen surrogaat gedronken. Waarom heb ik nooit begrepen. In plaats van ellendige rommel kun je dan toch beter gewoon water drinken, zou ik denken. Of een kopje brandnetelthee. Maar ik ben er niet zeker van hoe ik me zelf gedragen zou hebben. Misschien werd dat bocht ook gedronken vanwege het rituele karakter van koffie drinken.

Nog onbegrijpelijker vind ik het roken. Roken op zich zelf kan ik met terugwerkende kracht wel begrijpen. Ik heb nooit sigaretten gerookt, maar wel pijp en sigaren, en ik herinner mij welk genot dat verschaft. Maar als het zó moeilijk was aan sigaretten te komen als in W.O. II zou ik denk ik gewoon gestopt zijn met roken. Ik ben juist W.F. Hermans, De tranen der acacia’s aan het herlezen, dat in 1944–45 speelt, en daar wordt vrijwel door iedereen gerookt of hevig naar sigaretten verlangd. Sigaretten zijn bijna even belangrijk als brood; beide artikelen worden ook vaak in een adem genoemd. Peuken worden hergebruikt. De sigaretten zullen niet meer zo lekker geweest zijn als voorheen, maar bovendien waren ze erg duur. Begin 1945 kostten sigaretten volgens dit boek tien gulden per stuk! Door met roken op te houden kon je dus veel geld besparen, dat dan in meel of aardappels kon worden omgezet, of misschien af en toe een ei. Maar nee, er moest en zou gepaft worden.

In de vroege jaren zestig heb ik iemand gekend, de vader van een vriend, die op zekere dag een sigaar opstak en zei: ‘Zo, dit is mijn laatste sigaar van voor de oorlog.’ De man had meteen bij het begin van de oorlog sigaren ingeslagen voor eigen gebruik, maar hij had nog extra gehamsterd omdat hij wel begreep dat er tijdens de bezetting vraag naar zou zijn. En inderdaad, in de moeilijke periode tegen het eind van de oorlog kon hij zich redden door regelmatig een of enkele sigaren te verkopen. Als een sigaret een tientje kostte moet een sigaar wel een veelvoud gedaan hebben. Hoe het zat met de conservering van de sigaren heeft hij niet verteld. Sigaren blijven immers niet eeuwig goed; ze kunnen uitdrogen. Maar hij zal wel een methode gevonden hebben.

2 reacties

Opgeslagen onder Eten en drinken, Oorlog, Vroeger

Mini-herinnering: de olieman

Het was eigenlijk een olieman en een olievrouw: een ouder echtpaar dat door de straten trok met een bestelwagen vol spullen. Zij reed meestal. In de buik van de wagen zat een tank, waaruit petroleum kon worden afgetapt — peterolie werd het genoemd. Er bestonden nog petroleumstellen en -kacheltjes, en de klanten kwamen naar de wagen toe met getuite blikken om die te laten vullen. Volgens mijn herinnering was de buitenkant van de wagen bekleed met de spullen die ze verder nog aanboden: wasmiddelen, bleekmiddelen, borstels, lijnen, sponzen, dweilen, koperpoets, gootsteenontstoppers, mattenkloppers, van alles. Maar die herinnering kan niet kloppen, want dan zou de waar bij regen nat geworden zijn; die moet wel binnen in de wagen gestapeld geweest zijn. Of waren er een soort kasten met vensters aan de buitenkant?

Op zekere leeftijd — maar welke? tien jaar misschien? — uitte ik de wens met de olieman mee te gaan om hem te helpen. Mijn moeder sprak met hem en hij vond het goed. Zo werd ik hulpje van de olieman. Ik belde bij de mensen aan en riep: ‘Hebt u nog iets nodig van de olieman?’ en nam dan de bestellingen op. Ik zal de spullen ook wel in de huizen gedragen hebben, maar afrekenen deden de olieman en zijn vrouw zelf. En peterolieblikken vullen deden ze ook zelf. Of ze echt wat aan mij hadden of dat ik alleen maar in de weg liep blijft onduidelijk.
Onbetaalde kinderarbeid dus, maar uit eigen begeerte, dus er was niets op tegen.

Waarom wilde ik dat zo graag? Geen idee; was het misschien om iets nuttigs te doen, of om mee te doen met grote mensen? Tientallen jaren later zag ik in een taveerne op een Grieks eiland hoe een wel erg jong meisje de drankjes naar de tafels bracht. Een wrede eigenaar die zijn dochter uitbuitte? Nee, het meisje bleek bij een gezin te horen dat daar op vakantie was en ze had gevraagd of ze daar mocht werken; dat vond ze leuk. Het komt dus wel vaker voor.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Vroeger

Mini-herinnering: verzuilde straat

In 1949 moest mijn vader voor zijn werk naar Amsterdam verhuizen. Met mijn moeder en mij — ik was twee — trok hij eerst in bij kennissen uit het dorp, die in de Rivierenbuurt terecht waren gekomen. Er heerste nog volop woningnood. Toch konden we na korte tijd al een woning betrekken van de Chr. Woningstichting Patrimonium in de Watergraafsmeer, waar we meer dan twintig jaar bleven wonen. Waarschijnlijk had de werkgever van mijn vader voorrang geregeld. Onze straat was uiterst keurig, middle-middle class met bescheiden uitschieters naar boven en naar beneden. De Watergraafsmeer was duidelijk gegoeder dan de Afrikaanderbuurt, aan de overkant van de Ringvaart, om over de onzegbare Indische buurt maar te zwijgen. Onze straat was ook erg protestants. Dat was bij voorbeeld te zien in de verkiezingstijd, als voor vele ramen de paarse affiches van de ARP verschenen, de Anti Revolutionaire Partij, een voorloper van het CDA zaliger. Mijn ouders waren daar ook lid van en bezochten de vergaderingen. Een andere voorloper was de Christelijk Historische Unie; daar hingen een paar posters van, maar van de Katholieke Volkspartij was er niet één. Katholieken woonden geconcentreerd in de Linnaeushof, waar een grote kerk stond met huizen eromheen gedrapeerd. (Architectonisch een interessant geheel, van de architect die ook de Lammenschanskerk in Leiden heeft gebouwd; gaat U eens kijken als U in de buurt bent.) Vooral de overkant van waar wij woonden was helemaal ARP, en het kwam dan ook hard aan toen er, na jaren, een gezin introk dat van de PvdA was! De man moet wel zoiets als een arbeider geweest zijn: hij vertoonde zich graag in onderhemd en je zag hem wel eens flesjes bier dragen. Hij zoop dus, de rest van de straat wist het zeker, terwijl zijn del van een vrouw ook veel te weinig kleren droeg. Met het dochtertje kon je alleen medelijden hebben: ze was nog jong, maar zou in dat milieu onherroepelijk te gronde gaan. In werkelijkheid zal het wel meegevallen zijn, maar het gezin paste inderdaad niet zo in het geheel. Onze kant was wat minder homogeen. Ik herinner mij een mevrouw die schilderde: landschapjes enzo; beroemd zal ze niet geworden zijn. Twee huizen verder woonde een Joodse man; het bijzondere was dat hij daar (als het klopt wat er verteld werd) de hele oorlog door gewoond had, omdat hij getrouwd was met een Duitse vrouw. Van onze directe buren weet ik nog dat ze met de auto op vakantie gingen naar Noorwegen; dat was uitzonderlijk in de late jaren vijftig. Ze stuurden een ansichtkaart. En bijna aan het eind van de straat woonde een vrouw die graag in een jurkje van tijgerprint op de bank voor het raam lag te telefoneren. Nee, nee, zó erg was het niet; ze had blijkbaar alleen de behoefte om gezien te worden. 

Winkels waren er ook: de bakker op de hoek, de slager op de andere hoek, waar af en toe een half rund naar binnen werd gedragen, dat hij dan verder verwerkte. De kruidenier van De Spar, die aan huis bezorgde, wat ook de melkboer deed, met zo’n metalen litermaatje voor de verse melk. Hij had later ook Bulgaarse yoghurt in een glazen potje, een zogenaamd bulletje; erg lekker. Een kippige oude jonge vrouw bedreef een zaakje in schrijfbehoeften en prullaria. Wij noemden haar Dai, omdat ze in plaats van ‘dag’ altijd ‘dai’ zei. En om de hoek was een winkelpand waar geen winkel meer in zat, maar een fietsenstalling. Niet iedereen had thuis plaats voor fietsen, en een fiets op straat laten staan, dat deed je niet. Was dat onfatsoenlijk, of was het riskant voor diefstal, of ging de fiets dan te veel roesten? Ik weet het niet. In de jaren tachtig verloederde de straat, maar hij is allang weer boven Jan. Met een beetje geluk ben je er voor zeven ton onder dak. Nu staan de fietsen wél op straat, en vrijwel niemand poetst meer iedere week de koperen klep van de brievenbus. Wat je gentrificatie noemt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Nederland, Vroeger

Mini-herinnering: dure dames

Op een dag omstreeks 1964 zette ik mijn fiets neer tegen het Hirsch-gebouw op het Amsterdamse Leidseplein. Daar was indertijd o.a. een corsettenwinkel in gevestigd, en zo viel door de etalageruit mijn oog op een corset met aangebouwde BH, als ik mij wel herinner, een setje of ensemble; het kernstuk was in elk geval een corset. Hoe het er precies uitzag weet ik niet meer; het artikel had niet mijn belangstelling. Wél herinner ik mij het prijskaartje: ƒ 900,- ! Dat was geld, in 1964. Het kostte dus véél geld om een dame in model te houden. Voor menigeen zal dat een maandloon geweest zijn, of nog meer.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie/Wirtschaft, Vroeger

Eindtijden

Wordt het niet weer eens tijd voor de Eindtijd? Of zitten we daar al midden in? Wanneer de Jongste Dag precies aanbreekt kunnen we niet weten: ‘gij weet den dag niet, noch de ure’. Maar grote gebeurtenissen werpen hun schaduw voor­uit en in de tijd kort ervoor zijn er duidelijke tekenen: hongersnoden, pestilentiën en aardbevingen, bloed en vuur en rookpilaren. Misschien komt er weer een reusachtige vulkaanuitbarsting in Oost-Indonesië? Als de aswolk heel hoog opgestoten wordt zal de hemel overal gelig zijn, zoals in 1816; dan is er weer een jaar geen zomer, en ziedaar uw hongersnood. Een pestilentie hebben we ook al, en natuurlijk ‘oorlogen, en geruchten van oorlogen’, evenals onderdrukking en vervolging. Aan valse profeten en verleidende geesten mangelt het evenmin; sommige komen in engelgedaante. Dit alles is pas het begin der weeën: er zijn nog meer  voortekenen, waaronder het optreden van de Antichrist, die duidelijk te herkennen is in Trump, Putin of Erdoğan, of als u van een andere politieke overtuiging bent: Biden, Merkel of Kaag. 

En als het dan werkelijk zo ver is klinkt het van den hemel: ‘Het is geschied’, er wordt op de bazuin geblazen en wij worden samengedreven voor den rechterstoel Gods.

De islamitische traditie heeft ook een Jongste Dag en een Eindtijd, al lijkt die laatste wat korter te duren. De voortekenen zijn in grote lijnen hetzelfde, inclusief een antichrist. Een paar opvallende tekenen licht ik er even uit: een slavin zal haar meester baren; er zal een Ethiopiër op de troon zitten; rivieren en zeeën vallen droog, de bergen vliegen weg als kluwens wol, de zon is verduisterd. Klopt allemaal.

Door de eeuwen heen hebben mensen die tekenen herkend en hun eigen eindtijd en ondergang beleefd. Oorlogen zijn er zolang er mensen zijn, pestilentiën en natuurrampen ook. De antichrist te herkennen in een of andere kwalijke heerser was nooit moeilijk: Nero, de paus, Philips II, Napoleon, Hitler of Stalin, keus genoeg. In de beschavingen van het Westen is de ondergang van de wereld sinds ruim tweeduizend jaar voorgeprogrammeerd. Dat de wereld eeuwig is, zoals de oude Grieken dachten, kunnen christenen noch moslims geloven. 

Maar de ondergang die wij nu meemaken is toch wereldwijd, en veel definitiever dan die in het verleden, zegt u? Dat is zeker waar, maar dat konden de mensen van vroeger niet weten. Zij zullen hun ondergang als net zo globaal en definitief hebben ervaren als wij nu de onze.

Als het goed gaat hoor je niet over de Eindtijd. Als het slecht gaat worden de verhalen daarover weer opgediept. Wat gaan we zingen als onze Titanic zinkt? Nearer to thee nog een keer? Misschien wordt het tijd voor een godverlatener lied. Non, je ne regrette rien, is dat wat?

4 reacties

Opgeslagen onder Eindtijd, Godsdienst, Oorlog, Vroeger

Oude woorden

Het oude Arabisch had een enorme woordenschat en vele eigenaardige woorden, die zonder uitvoerige omschrijving niet begrepen kunnen worden. Drie voorbeelden:

waḥama: ‘een dier slachten ter bevrediging van de zwangerschapslusten van een vrouw’. Als een zwangere vrouw uitroept dat ze ineens zo’n zin heeft in schaap, wat doet haar man dan? Juist.

djaza’a: ‘genoeg hebben aan groene planten of vers gras, en daarom geen behoefte hebben aan water.’ Gezegd van kamelen of wilde ezels, die grazen op grote afstand van een waterbron en hun behoefte aan vocht stillen met wat er in de planten zit. Als het gras verdord of op is, trekken ze naar een plaats waar water is.

aḥqab is een adjectief van het model ’aCCaCu, dat gereserveerd is voor kleuren en permanente lichamelijke kenmerken. Het betekent volgens Fischer1 ’an der Stelle, an der hinteren Sattelgurt (ḥaqab) besonders charakterisiert, d.h. weiß gefärbt’ en wordt uitsluitend gebruikt van wilde ezels.

Zulke bijzondere betekenissen staan in grote woordenboeken; de kleinere stellen vaak teleur. Tot mijn verrassing geeft het kleine woordenboek van Hava de betekenis van waḥḥama volledig, maar bij djaza’a schrijft hij: ‘to be satisfied (camel)’. En dat is niet genoeg om te begrijpen wat er aan de hand is. Bij aḥqab geeft Hava de betekenis ‘wild ass’. Hij verandert het adjectief dus in een substantief en laat ons de pracht van het dier helemaal niet zien. Daarom, o gij twee personen die nog oude Arabische poëzie leest, grijpt altijd meteen naar de grotere woordenboeken: Ullmann, Lane of Kazimirski! Bij ’aCCaCu,-woorden ook Fischer. En laat Wehr liever dicht; hoe vaak moet ik het nog zeggen?

1. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

.

Wilde ezel – Foto Rufus46 – Wikimedia Commons

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Studenten, Taal, Vroeger

Verleden

Vannacht droomde ik, dat ik directeur was van een museum in Wit-Rusland. Mijn taak was, ongewenste zaken uit het verleden buiten het zicht te houden.

Zo leert men zich zelf kennen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dromen, Vroeger

Mini-herinnering: dood vogeltje

Op de Lagere School had ik een vriendje dat Wim heette en bij wie ik vaak over huis kwam. Zijn moeder was een hartelijke vrouw die mooi kon vertellen, wat zij ook graag deed, bij voorbeeld als zij in de keuken bezig was of het wasgoed streek.

Bij hem thuis hadden ze een kanarie in een kooitje. Op een dag was die er niet meer. Zijn moeder verklaarde dat hij gestorven was en dat ze hem had weggegooid. Wim was erg gehecht aan die vogel en in zijn droefheid liep hij naar de vuilnisbak. Ik liep met hem mee, en daar zagen wij een papieren zakje waar het lijk inzat. Maar dat zakje had een cilindervormig, stevig gedraaid uiteinde: het was kennelijk om een buis gewikkeld geweest — een gasleiding? Of Wim dat ook zag? Ik heb zijn moeder daarna altijd als een moordenares beschouwd. Of was de kanarie oud geworden en was het een geval van euthanasie?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Vroeger

Mini-herinnering: kaviaar en socialisme

Kaviaar is lekker, maar ook erg duur. Om het onbekommerd te genieten ben ik lang niet rijk genoeg. Anders wordt het natuurlijk als je het niet zelf hoeft te betalen. Eind jaren zeventig heb ik driemaal de kerstvakantie bij E. in Stockholm doorgebracht. We waren dan op Oudejaarsavond te gast bij een echtpaar dat in een bescheiden villa op het eiland Lidingö woonde en in het moderne Nederland zeker tot de ‘extreemlinkse elite’ gerekend zou worden. Hij was directeur van een bekend museum in Parijs en kwam in de vakanties en met de feestdagen over. Zij was directrice van een cultureel instituut in Stockholm.

Het ging er vrolijk toe, al beviel mij de muziek van de Chileense verzetszanger niet zo die, naar men verzekerde, niet om politieke redenen was gekozen maar juist omdat het zulke prachtige muziek was. De wat minder getalenteerde, misschien zelfs ronduit dommige dochter des huizes, werd nogal gekleineerd: die paste niet zo in dit intellectuele milieu. Dat ging al al aardig de kant op van Bergmans Herfstsonate. Wie daar overigens ook altijd zat was de schrijver annex filmer Peter Weiss, een min of meer politieke vluchteling uit West-Duitsland, met zijn vrouw Gunilla, beeldhouwster en decorontwerpster.

De kaviaar was aan de vrouw des huizes te danken. Zij onderhield uit hoofde van haar beroep goede contacten met verwante instellingen in Moskou en Leningrad, en reisde daar ook regelmatig naar toe. Zij deed dat graag met haar eigen auto, het was een leuke tocht, en in Rusland was alles zo keurig verzorgd: de hotels onderweg, de wegrestaurants enzovoort. Aan te nemen is dat zij toegang had gekregen tot dat dunne netwerk van luxe-voorzieningen die de extreemlinkse elite in de Sovjet Unie zich gunde. Na gedane zaken kreeg zij altijd wat cadeaux mee, waaronder een blik kaviaar. Een gróót blik, niet iets wat eruit zag als een blikje schoenpoets, zoals die hier wel eens aangeboden worden; nee, echt een vorstelijk blik, en daar kon het feestgezelschap ruim van opscheppen.

In Zweden was niemand extreem rijk geloof ik, de belastingen waren zeer hoog en de sociale voorzieningen dus uitstekend. De elite genoot privileges, en dat was veel handiger dan geld. Als je bij voorbeeld in een kasteel woont dat een rijksmonument is hoef je niet zelf het lekkende dak te laten repareren; als je halve leven bestaat uit betaalde dienstreizen en zakenlunches kom je ook aardig rond.

Ja, Zweden was politiek neutraal. Ik was werkelijk een beetje geschokt toen ik in Trelleborg aan land stapte en op de kade de vlaggen van de buurlanden zag wapperen. Ik zag twéé Duitse vlaggen! Zag ik dubbel, had ik teveel gedronken aan boord? O nee, ze waren niet hetzelfde, de ene had iets ronds in het midden; het was de vlag van de DDR, begreep ik ter plaatse. Die had ik in het NAVO-land Nederland nog nooit zien wapperen. Ook met de Sovjet-Unie bestonden er innige contacten. Al bleef het wat pijnlijk dat er soms Russische onderzeeërs opdoken tussen de eilanden vlak voor de kust.

1 reactie

Opgeslagen onder Vroeger, Zwedenreis

Macro-herinnering: mijn racisme (2)

Voortzetting van deel 1

Tegelijkertijd werd ik wel gevoed met akelige verhalen over Indië: de Bersiap-tijd, gewelddadige pelopors, de achterlijkheid van inlanders in het algemeen, luie en onbetrouwbare gasten, die niet op eigen benen konden staan en zeker nog niet rijp waren voor democratie, en dan had je nog de roverhoofdman Soekarno. Maar dat was een ander spoor dan het leven van alle dag: het bestond naast elkaar en dit soort praat had blijkbaar niets te maken met reëel bestaande mensen in de eigen omgeving. Volkomen vanzelfsprekend waren ook voor mij Sjors en Sjimmie, kinderboeken over negertjes, verhalen over zendelingen in Nieuw-Guinea en Suriname, waar de inheemsen steevast achterlijk en blijkbaar ook vuil waren (‘het gebruik van zeep is bij hen onbekend’), en die in hun taaltje niet eens een woord voor ‘dankuwel’ hadden, waarmee ze voor onze weldaden hadden kunnen bedanken. Het racisme begon eigenlijk al in Europa; knoflookvretende Fransen, spaghettivretende Italianen, criminele Balkanezen, door en door corrupte volkeren uit het Zuiden. Een extreem geval van zelfs binnenlands racisme was die rechtenstudent die in alle ernst meende dat mensen die met een zachte G spreken, uit Nijmegen en erger nog, structureel onbetrouwbaar en tot corruptie geneigd zijn. (Dat was familie van een nu om zijn racisme beruchte  ‘journalist’.) Terwijl dit discours binnen in mij geplant werd speelde het in het leven van alledag nog geen rol, maar wachtte op kansen om uit te breken.

Door mijn studie heb ik Arabieren en Turken nooit vreemd kunnen vinden. In 1967 waren er twaalf Arabieren in Amsterdam, — allemaal in de gaten gehouden door de politie — waarvan ik er drie kende. Met een ervan raakte ik bevriend; een arts, vijftien jaar ouder dan ik, maar dat gaf niet. Ik leerde Arabisch en Arabische cultuur van hem, hij werd door mij nader ingeleid in Nederland en het Nederlands. In Turkije kon ik me niet verstaanbaar maken, maar ik voelde me er kiplekker. Tijdens mijn studieverblijf in Egypte heb ik wel veel mensen veracht, maar dat was omdat ze óf dom en slecht opgeleid waren óf corrupt en vals; niet omdat ze Egyptenaren waren. Tijdens latere verblijven werd het wel moeilijk met mijn vrienden daar om te gaan, die inmiddels tien of dertig maal minder verdienden dan ik zelf. Dat was eerder beschamend. 

Op welke vormen van racisme heb ik me zelf kunnen betrappen? 

Op algemene cliché’s:
– Natuurlijk is men in X-land corrupt, worden vrouwen gediscrimineerd in land Y, terwijl Z-stan geen rechtstaat is. Intussen weten we dat het bij ons ook steeds meer de foute kant uitgaat.
– Op een algemene afkeer van hele bevolkingsgroepen. Toen er eind jaren zeventig ineens véél Surinamers door Amsterdam liepen bij voorbeeld. Het was echt een moment van vervreemding, toen ik op zekere Koninginnedag het Damplein opliep. Dat zag ineens zwart van de Surinamers, allemaal trouwe aanhangers van onze vorstin blijkbaar. Toen dacht ik even: nee, dit niet! Aan die vele Surinamers moest ik inderdaad wennen; ze hadden een andere lichaamstaal, andere gebaren, stelden zich anders op in het landschap. Maar na een poosje gingen zij zich ook als Nederlanders gedragen, met gebaren en al, dus toen werden ze gewoon. Hun accent in het Nederlands kende ik al van vroeger; dat had me nooit gestoord.  
– En toen er, na een heel stel Tamils, ook nog Vietnamese bootvluchtelingen kwamen aanzetten was ik geïrriteerd en vond ik het te veel worden. Maar ik heb nooit last gehad van die mensen en ben er maar heel weinig tegen gekomen.
– Bij de verkiezingen voor het waterschap of hoe dat heette, kort voordat ik Nederland verliet, toen er Turkse en Pakistaanse namen op de kandidatenlijst voorkwamen. Dáár moeten ze toch vanaf blijven! Onze dijken, onze afwatering, niets mee te maken jullie! Maar waarom eigenlijk niet? Als ze verstand hebben van water en dijken, dan is het in orde. Misschien hebben ze wel in Delft waterbouwkunde gestudeerd en weten er meer van dan boer Krelis.
Dit soort dingen slijt na enige tijd door gewenning, óf je moet er even verstandelijk tegenin gaan.

Bij persoonlijke ontmoetingen: 
– In de jaren zeventig, toen er veel Surinamers naar Nederland waren gekomen, vroeg op een avond in een stille straat een zwarte man of ik een rijksdaalder kon wisselen. Een moment van schrik: deze vent wil mij natuurlijk in elkaar slaan en beroven. Wat te doen? Kalm bijven, zéér op mijn hoede zijn, rustig een rijksdaalder wisselen en verder … niets. De man bedankte en verdween in een telefooncel, hij wilde blijkbaar even bellen, dat was alles. Was het een blanke man geweest dan had ik geen enkele verdenking gehad. 
– Veel zelfbetrappinkjes waren van de soort: wat doet die hier, dat is toch niets voor hem/haar? Dat hoor  je tegenwoordig veel van gekleurde mensen: leraressen die op grond van hun huidskleur voor de werkster worden gehouden enzovoort, en inderdaad, dat heb ik ook gedaan:
– Toen een zwarte man de ruimte in de Leidse UB betrad waar ik toen werkte, was mijn eerste gedachte: wat heeft die hier te zoeken? Het bleek een geleerde uit de VS te zijn, die daar inderdaad iets te zoeken had, maar er was toch even dat moment.
– Op het werk: een zwarte man in de personeelsafdeling. Weer zo’n ogenblik van verwondering: wat deed die hier? Nou, gewoon werken natuurlijk. 
– Wat deden die pikzwarte Afrikanen bij ons klassieke concert? Luisteren dus, ze hielden blijkbaar van dit soort muziek; leuk toch? Dat was overigens in Parijs; in Nederland of Duitsland zie ik nog steeds nauwelijks zwarten bij klassieke concerten.
Zulke ontmoetinkjes verliepen ondramatisch, maar er was toch telkens éven een moment van schrik, afwijzing of verbazing, en te vrezen is dat de betreffende personen dat merkten. Je zou willen van niet, maar het gebeurde.

De meeste van mijn racistische gedragingen zal ik zelf helemaal niet gemerkt hebben, en dat is nog het meest verontrustend. Vaak zijn de betrokkenen te beschaafd om van hun ongenoegen blijk te geven. 

Dat mensen van buitenlandse herkomst, ook al zijn ze nog zo geboren en getogen in Nederland, moeite hebben met het vinden van een huis of een baan is inmiddels wel bekend. Het is denkbaar dat ook ik, als ik woningen of banen te verdelen had gehad, zonder het te beseffen de voorkeur had gegeven aan een blanke boven een gekleurde. Hoewel, dat viel mee: ik heb ooit een Marokkaan en een Iraniër aan een job geholpen. Maar dat was wel op mijn zeer specifieke vakgebied, waar ze uiteraard op hun plaats waren.

Mijn taak: zulke dingen voortaan voorkomen. Je eigen racisme moet je niet ontkennen, maar bestrijden. Het wordt al veel minder trouwens, nu er op allerlei plaatsen zo veel donkere mensen rondlopen.

Wanneer is iemand eigenlijk zwart? Neem president Obama: ja, die was zwart, of althans donker, dat was te zien en werd in het begin steeds benadrukt: de eerste zwarte president, enzovoort. Maar na korte tijd merkte je dat niet meer. Ik heb Obama heel zijn regeringsperiode niet als een zwarte man waargenomen, en zo gaat het met al die andere ‘people of colour’ ook. Geen aandacht schenken aan kleurtjes lijkt het beste — behalve daar waar het nog nodig is om dat verrotte racisme te bestrijden. 

1 reactie

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger