Categorie archief: Literatur

Quarantaine-teksten 1: Grensovergang bij Belgrado

Omstreeks 1834 reisde Alexander William Kinglake naar het Nabije Oosten. Daarover vertelt hij in zijn boek Eothen (1844)—ἕωθεν is Grieks voor ‘‘s morgens vroeg’; ik denk dat het Cambridge-Grieks is voor ‘Uit het Morgenland’. Bij Belgrado ging hij de Turkse grens over, en dat was vrijwel een ijzeren gordijn, niet zozeer om militaire of politieke redenen, maar vanwege de strenge quarantaine-regels aan de Oostenrijks-Hongaarse kant. Niet vrij van racisme en oriëntalisme doet hij verslag van zijn grensovergang. De Engelse tekst staat geheel onderaan.
[Bij het snelvertalen merkte ik wel dat ik met Engels vertalen niet veel ervaring heb.]
.
‘De twee grenssteden liggen minder dan een kanonschot uit elkaar, en toch verkeren hun inwoners niet met elkaar. De Hongaarse aan de noordoever van de Sava en de Turkse en Servische aan de zuidoever liggen zo ver uiteen alsof er vijftig uitgestrekte provincies op het pad tussen hen beide lagen. Van de mensen die om mij heen krioelden in Semlin was er geen één, of misschien één, die ooit was overgestoken om het vreemde volk te gaan zien dat onder de muren van de burcht aan de overkant woonde. Het is de pest, en de angst voor de pest, die het ene ras van het andere scheiden. Ieder komen of gaan is verboden onder de terreur van de gele quarantainevlag. Als je de quarantainewetten breekt zul je verhoord worden met militaire haast: het hof zal je je vonnis toeroepen vanuit een tribunaal op vijftig meter afstand;  in plaats van de zoete hoop van de religie in je oor te fluisteren zal de priester je troosten op duelleer-afstand, en daarna zul je zorgvuldig doodgeschoten worden, en slordig begraven in de grond van het lazaret.
.
Toen alles gereed was voor ons vertrek liepen we naar de muren van de quarantaine-inrichting. Daar werden we opgewacht door een ‘gecompromitteerde’ officier van de Oostenrijkse regering, die in een staat van voortdurende excommunicatie leeft. De boten, met hun ‘gecompromitteerde’ roeiers, lagen ook klaar.
.
Na contact met enig schepsel of voorwerp dat tot het Ottomaanse Rijk behoorde zou het ons onmogelijk zijn terug te keren naar Oostenrijks gebied zonder een gevangenschap van veertien dagen in dat afschuwelijke lazaret. Daarom leek het ons belangrijk er van tevoren goed voor te zorgen dat we geen enkele van de afspraken die voor de reis noodzakelijk waren vergaten, en in onze bezorgdheid om zulk een malheur te vermijden regelden wij ons vertrek uit Semlin met bijna even grote ernst alsof we uit dit leven vertrokken. Enkele vriendelijke personen, die ons welwillend hadden ontvangen gedurende ons korte verblijf in die plaats, kwamen naar beneden om ons aan de oever vaarwel te zeggen, en nu we daar stonden op drie, vier meter afstand van de ‘gecompromitteerde’ officier, vroegen zij of we heel zeker wisten dat we al onze zaken in de christelijke wereld hadden afgesloten, en of we geen laatste verzoeken te doen hadden. Wij herhaalden de waarschuwingen tegenover onze bedienden, en maakten ons zorgen dat we mogelijk zouden worden afgesneden van het een of andere dierbare voorwerp — wisten zij heel zeker dat er niets was vergeten?—dat er geen welriekende kapdoos was met zijn goud afdwingende kredietbrieven waarvan we voor altijd zouden scheiden? Nee, al onze schatten lagen veilig opgepakt in de boot en wij waren bereid hen te volgen tot de uiteinden der aarde. Welaan dan, we schudden onze vrienden uit Semlin de hand; daarop weken zij onmiddellijk drie of vier stappen terug om ons midden in de ruimte tussen hen en de ‘gecompromitteerde’ officier achter te laten. Laatstgenoemde stapte toen naar voren en terwijl hij nogmaals vroeg of we werkelijk klaar waren met de beschaafde wereld strekte hij zijn hand uit. Ik gaf hem de mijne, en er kwam voor lange tijd een eind aan het christendom.
.
We naderden spoedig de zuidoever van de rivier, maar geen enkel geluid daalde neer vanaf de witte muren daarboven, en er was geen levende ziel die we konden zien, behalve één grote, rondcirkelende gier, laag en doelgericht rondvliegend boven de pestgeplaagde stad.
Maar nu kwam er uit een zijpoortje een groep menselijke wezens—wezens met een onsterfelijke ziel en misschien wat redelijke vermogens, maar voor mij was het belangrijkste dat zij heuse, substantiële, ontegenzeggelijke tulbanden droegen. Zij begaven zich naar het punt waar wij op af stuurden, en toen ik uiteindelijk aan land sprong hoorde ik, en zag ik mij zelf, voor het eerst omringd door mannen van Aziatisch bloed. Sindsdien ben ik door het land van de Osmanli’s gereden, van de Servische grens tot de Gouden Hoorn—van de Golf van Satalieh tot het graf van Achilles, maar ik nooit heb ik zulke ongemeen Turks uitziende kerels gezien als die mij aan de oever van de Sava ontvingen. Het waren mannen van het allerlaagste allooi, die onze boot kwamen opwachten in de hoop iets te verdienen door onze bagage naar de stad te dragen, maar al waren zij arm, het was duidelijk dat het Turken waren van de trotse, oude school, die de woeste, zorgeloze houding van hun ooit zegevierende ras nog niet hadden vergeten.’

Alexander William Kinglake, Eothen – Traces of Travel Brought Home from the East, London 1844, ch. 1 Online here.
At Semlin I still was encompassed by the scenes and the sounds of familiar life; the din of a busy world still vexed and cheered me; the unveiled faces of women still shone in the light of day.  Yet, whenever I chose to look southward, I saw the Ottoman’s fortress—austere, and darkly impending high over the vale of the Danube—historic Belgrade.  I had come, as it were, to the end of this wheel-going Europe, and now my eyes would see the splendour and havoc of the East.
The two frontier towns are less than a cannon-shot distant, and yet their people hold no communion.  The Hungarian on the north, and the Turk and Servian on the southern side of the Save are as much asunder as though there were fifty broad provinces that lay in the path between them.  Of the men that bustled around me in the streets of Semlin there was not, perhaps, one who had ever gone down to look upon the stranger race dwelling under the walls of that opposite castle.  It is the plague, and the dread of the plague, that divide the one people from the other.  All coming and going stands forbidden by the terrors of the yellow flag.  If you dare to break the laws of the quarantine, you will be tried with military haste; the court will scream out your sentence to you from a tribunal some fifty yards off; the priest, instead of gently whispering to you the sweet hopes of religion, will console you at duelling distance; and after that you will find yourself carefully shot, and carelessly buried in the ground of the lazaretto. When all was in order for our departure we walked down to the precincts of the quarantine establishment, and here awaited us a “compromised” officer of the Austrian Government, who lives in a state of perpetual excommunication.  The boats, with their “compromised” rowers, were also in readiness.
After coming in contact with any creature or thing belonging to the Ottoman Empire it would be impossible for us to return to the Austrian territory without undergoing an imprisonment of fourteen days in the odious lazaretto. We felt, therefore, that before we committed ourselves it was important to take care that none of the arrangements necessary for the journey had been forgotten; and in our anxiety to avoid such a misfortune, we managed the work of departure from Semlin with nearly as much solemnity as if we had been departing this life.  Some obliging persons, from whom we had received civilities during our short stay in the place, came down to say their farewell at the river’s side; and now, as we stood with them at the distance of three or four yards from the “compromised” officer, they asked if we were perfectly certain that we had wound up all our affairs in Christendom, and whether we had no parting requests to make.  We repeated the caution to our servants, and took anxious thought lest by any possibility we might be cut off from some cherished object of affection:—were they quite sure that nothing had been forgotten—that there was no fragrant dressing-case with its gold-compelling letters of credit from which we might be parting for ever?—No; all our treasures lay safely stowed in the boat, and we were ready to follow them to the ends of the earth.  Now, therefore, we shook hands with our Semlin friends, who immediately retreated for three or four paces, so as to leave us in the centre of a space between them and the “compromised” officer. The latter then advanced, and asking once more if we had done with the civilised world, held forth his hand.  I met it with mine, and there was an end to Christendom for many a day to come. 
We soon neared the southern bank of the river, but no sounds came down from the blank walls above, and there was no living thing that we could yet see, except one great hovering bird of the vulture race, flying low, and intent, and wheeling round and round over the pest-accursed city. But presently there issued from the postern a group of human beings—beings with immortal souls, and possibly some reasoning faculties; but to me the grand point was this, that they had real, substantial, and incontrovertible turbans.  They made for the point towards which we were steering, and when at last I sprang upon the shore, I heard, and saw myself now first surrounded by men of Asiatic blood.  I have since ridden through the land of the Osmanlees, from the Servian border to the Golden Horn—from the Gulf of Satalieh to the tomb of Achilles; but never have I seen such ultra-Turkish looking fellows as those who received me on the banks of the Save.  They were men in the humblest order of life, having come to meet our boat in the hope of earning something by carrying our luggage up to the city; but poor though they were, it was plain that they were Turks of the proud old school, and had not yet forgotten the fierce, careless bearing of their once victorious race.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Literatur, Quarantaine

Varia

Prachtig voorjaarsweer wordt het, maar ik zal vóór maandag niet gaan fietsen. In het weekend zijn er de laatste tijd op de anders zo stille paden veel te veel virusspugende mensen onderweg.  De noodzakelijke lichaamsbeweging heb ik vanmorgen vroeg al genomen, in de vorm van een boswandeling achter het huis. Knapperig weer, de laatste nachtvorst nog. Daar was nog niemand, behalve één joggerin/joggeres/jogster/jogger (v). Toen ik haar goedemorgen wenste keek ze mij verbijsterd aan en groette niet terug. Die had het social distancing al helemaal verinnerlijkt.
.
Wat te lezen tijdens de afzondering? Marlen Haushofer, De wand. Amin Maalouf, Le naufrage des civilisations. En De viris illustribus natuurlijk, of hebt U dat al uit?
.
Van pure corona zou je vergeten dat er ook nog andere dingen gebeuren. In Duitsland komen er meer aandacht en een nieuw stel regels voor fietsen. Meer fietspaden en -stroken, snelfietspaden, de mogelijkheid bij een rood stoplicht rechts af te slaan. Auto’s moeten twee meter afstand houden als zij een fiets inhalen.  (Dat was tot nu toe het vage: ‘voldoende afstand’.) En verrassend: de boetes gaan sterk omhoog. Fietsen op het trottoir en links rijden gaat 55 tot 100 Euro kosten. De regels moeten nog worden ingevoerd, en dan is de vraag of er gehandhaafd wordt, maar het is toch een ontwikkeling richting fiets.

2 reacties

Opgeslagen onder Fietsen, Gezondheid, Literatur

Mini-herinneringen: Stelling nemen

In de Frankfortse boekhandel annex café Ypsilon sprak eens de Libische auteur Ibrahim al-Koni, wiens werk ik zeer waardeer. Wat een luxe: een echte Arabische schrijver op loopafstand. Het werd een mooie avond, tot er een vragensteller begon te schuimbekken en de schrijver vroeg waarom hij in zijn boeken geen stelling nam tegen de slavernij. Al-Koni behoort namelijk tot de Touareg, een volk uit de Sahara en ook het Zuiden van Libye, en de Touareg hadden slaven; misschien hier en daar nog wel.
Tja. Een schrijver verwijten dat hij niet een ander boek geschreven heeft, of in dit geval een pamflet, is nooit zo zinvol. Al-Koni beschrijft zijn samenleving ongeveer zoals die was, zonder te kritiseren, maar zeker ook zonder te verheerlijken. Wel met een magische toets. In zijn Bloedende Steen, dat ik het beste ken en hier heb besproken, neemt hij, zo u wilt, wel stelling tegen de vernietiging van de natuur en het uitroeien van diersoorten door de jacht. Maar als een echte romanschrijver doet hij dat natuurlijk door die verschijnselen te tonen, niet door ze te bespreken of te veroordelen. In andere boeken toont hij de snel veranderende Touareg-samenleving en daarbij verdwijnt geleidelijk ook de slavernij; wat wil je nog meer?

Zelf kreeg ik eens een reactie van een schuimbekkende dame op een bespreking die ik had geschreven over Remke Kruks boek over vechtende vrouwen in het Nabije Oosten. Ik had dat geplaatst in een kader van andere literaire voorbeelden van strijd en rivaliteit tussen de geslachten, die soms door vrouwen gewonnen wordt, o.a. in Duizend en één Nacht. De reageerder nam bij voorbeeld aanstoot aan het idee uit een van die verhalen dat vrouwen listiger zijn dan mannen: list is immers een negatief begrip. En worden vrouwen niet altijd als óf listig óf verleidelijk voorgesteld? Of dat de rechter in dat verhaal een lelijke dochter had: een door en door mannelijke zienswijze.
Kan allemaal wezen, maar ik heb Duizend en één Nacht niet geschreven; ik gaf slechts weer wat ik daar gelezen had. Had ik dan een scheldkritiek op dat werk moeten schrijven? Nee, ik moedig U graag aan het oorspronkelijke werk te lezen. Dat de wereld er daarin niet zo uitziet als Europa nog tot voor kort, dat kunt U wel aan toch?

Dat soort reacties komt van het soort mensen die ook de koran willen ‘herschrijven’. Ongeletterden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Fictie, Literatur

Alba

Niet die oude Spaanse hertogin, die nu trouwens dood is, maar een Italiaanse alba—of in het Duits Tagelied—van Monteverdi: Non si levav’ ancor.
.
Na het concert is voor het concert, en omdat het carnavalsconcert al in februari valt wordt er meteen deze week al geoefend op het nieuwe programma. Het klinkt prachtig, als het door vakmensen gezongen wordt. Nu wij nog. Ik schrik meteen al van de hoge a’s die erin voorkomen, waarvan er een zelfs lang wordt aangehouden en ook nog forte moet zijn. Maar we moeten niet tobben: in de het vorige lied van Monteverdi kwam een reeks hoge g’s voor, die ik toen helemaal niet kon en nu wel. Wie weet wat er nog gebeurt tot februari. Iedereen die er verstand van heeft zegt dat ik die a wel heb, maar uit hoogtevrees mijn keel dichtknijp.
.
Eerst maar eens het besluit genomen het een toon lager in te studeren: om de stem te sparen en niet gedeprimeerd te raken. Het is nog hoog genoeg. De ene expert vindt dat een goede strategie, de andere vindt het contraproductief. Nu ja, niemand hoeft het te weten.
Ik zie net dat bovengenoemde geluidsopname ook een toon lager staat. Misschien kunnen we deze uitgave gebruiken, of gaan dan de sopranen jammeren omdat het zo laag is?
.
Dan de uitspraak van het Italiaans oefenen. Daarin moet ik sterk zijn, want die malle Duitsers hebben soms heel eigen opvattingen over de uitspaak van Italiaans en Latijn, en ze laten zich maar zelden corrigeren. Uitspraken als zanctus en zolo: gruwelijk. In Italiaanse liederen worden heel veel lettergrepen aan elkaar geplakt: gli augelli al wordt dan bij voorbeeld in de partituur gl’augell’al, maar volgens velen worden er toch noch twee i’s tussen geplakt, zodat je dan lettergrepen als gliau of lial krijgt.
.
Vervolgens wil ik weten wat ik zing. Een alba dus: Twee gelieven hebben de nacht in innige omhelzing doorgebracht, en omdat ze niet getrouwd zijn moeten ze uit elkaar gaan voordat het licht wordt. Ach, wat komt die ochtend vroeg!
.
Het Italiaans is niet zo heel moeilijk, maar toch meer dan vierhonderd jaar oud, en de bijgeleverde vertaling deugt niet erg. Ik probeer een werkvertaling.
.
Non si levav’ ancor l’alba novella.
ne spiegavan le piume
gl’ augell’ al novo lume,
ma fiammeggiava l’amorosa stella,
quand’i duo vaghi e leggiadrett’ amanti,
ch’ una felice notte aggiuns’insieme,
com’acanto si volge in vari giri,
divise il novo raggio e i dolci pianti
nell’ accoglienz’ estreme
mescolavan con baci e con sospiri
mille ardenti pensier, mille desiri.
Mille voglie non paghe
in quelle luci vaghe,
scopria quest’alma innamorata e quella.

De nieuwe ochtend stond nog niet op,
de vogels spreidden hun veren nog niet
voor het nieuwe licht,
maar de ster van liefde vlamde nog,
toen de twee bekoorlijke, gracieuze geliefden,
vereend door een gelukkige nacht
als (een?) acanthus zich draaiend in allerlei windingen,
gescheiden werden door de nieuwe zonnestraal en de zoete
klachten in allerlaatste omarmingen
zich mengden met kussen en zuchten,
duizend gloeiende gedachten, duizend begeerten.
Duizend onvervulde wensen
ontdekt deze verliefde ziel
in die bekoorlijke ogen, en de andere evenzo.
.
Of is Acanthus de mythologische figuur? Maar die is toch niet bekend om zijn windingen? Ook syntactisch kom ik er niet helemaal uit. Het voelt net als vroeger, toen ik Arabische poëzie begon te lezen.
.
Het gedicht gaat nog verder, maar de rest slaan we blijkbaar over.
.
Nu het zingen zelf. Om te beginnen zing ik maar een paar keer mee met de geluidsopname.

NASCHRIFT 16 januari 2020: Een hoogleraar die gespecialiseerd is in oud Frans en Italiaans heeft gesproken. Die acanthus gaat eruit. De tekst moet luiden: Com’ a canto si volge in vari giri, en de vertaling is: Toen de eerste straal van de zon — die naast Venus in veranderlijke cirkelbanen draait — enz.

Lehti Paul had dus gelijk: ‘naast’ moet het zijn.

4 reacties

Opgeslagen onder Literatur, Zingen

Oh dear, oh dear, the End is near!

Gaat U op vakantie, maar wilt U het naderende einde in het oog houden? Degenen die naar Engeland gaan zal dat vanzelf wel lukken. De anderen geef ik graag een leestip door, die ik van een goede vriendin had gekregen: John Wyndham, The Kraken Wakes.
In dit boek van 1953 wordt het kwaad aangericht door geheimzinnige wezens uit de ruimte die zich diep in de oceanen nestelen. Hoewel ze aanvankelijk niets doen worden er absurde maatregelen getroffen om ze te bestrijden, waarbij een atoombom niet wordt geschuwd. Dat maakt de wezens kwaad en ze gaan terugvechten. Eerst maken ze de menselijke scheepvaart zo goed als onmogelijk. Vervolgens verschijnen ze met geheimzinnige tanks op de stranden, waar zij mensen ‘oogsten’. Tenslotte veranderen ze de golfstromen van de oceanen, zodat het ijs van de polen smelt, de zeespiegel snel stijgt en grote delen van Engeland onder water komen te staan—ja, ook Londen natuurlijk. En Nederland, niet te vergeten: wie de vloed overleeft vlucht naar Duitsland.
.
Er gebeurt wat in onze tijd ook gebeurt. Verstandige wetenschappelijke berichten over de verschijnselen worden door politici weggewuifd en de betreffende geleerden worden verdacht gemaakt of op een zijspoor gerangeerd. Met behulp van enkele onbenullige, onverstandige autoriteiten wordt er intussen verkondigd dat er geen reden is tot ongerustheid. De media zijn al even marktgericht bezig als tegenwoordig en neigen tot fake news. De bevolking schrikt na iedere ramp wel even op, maar vergeet snel, gaat lekker op weekend of drinkt nog wat.
.
Dit boek is natuurlijk geen informatiebron over klimaatverandering of zeespiegelstijging, maar het laat wel uitstekend en met veel humor zien hoe politiek, ambtenarij en journalistiek in tijden van crisis werken, hoe kort de aandachtsspanne van de mens is, hoe knullig en hulpeloos hij is. Vooral de ondergang van Londen wordt indringend beschreven, al krijgen we de talloze ronddrijvende lijken niet te zien. Uiteindelijk is er een straaltje hoop: na een aantal jaren vinden de Japanners een middel om de aliens te vernietigen en heeft de sterk uitgedunde mensheid weer een toekomst. Gelukkig maar; het is tenslotte vakantie. U kunt ook een Amerikaanse rampenfilm gaan zien, maar The Kraken Wakes is intelligenter. En het end is minder happy.

5 reacties

Opgeslagen onder De mens, Klimaat, Literatur, Media Medien

Camera Obscura

Bij het uitmesten van een boekenkast vond ik een exemplaar van Hildebrand, Camera Obscura terug. Had ik het zelf gekocht? Het was een Prisma-boek van ± 1960, destijds het goedkoopste wat je krijgen kon, en dienovereenkomstig benauwd gedrukt en moeilijk doorbladerbaar. De eerste druk dateert van 1839.
Ik dacht altijd dat Couperus’ De stille kracht het eerste literaire werk was dat ik las, behalve dan de verplichte nummers op school. Maar tot mijn verbazing herinnerde ik mij grote stukken uit dit boek, soms hele zinnen woordelijk, na er ruim een halve eeuw niet aan gedacht te hebben! Het schrijnende verhaal van Keesje, het diakenhuismannetje, dien men het vlijtig gespaarde geld voor een eigen doodshemd had afgenomen. ‘Hoe warm het was en hoe ver.’ ‘Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren,’ met de familie Stastok, Mietje met de Kalfsogen, Koosje van Naslaan en de heer Dorbeen, die werd gezegd een droogkomiek te zijn. ‘Een avondje vergulden,’ komt dat ook daaruit? Ik heb het nog niet teruggevonden, en weet ook niet meer wat vergulden is. En ja, het onvergetelijke gedicht dat mevrouw Dorbeen met zware klemtonen voordroeg, ik wist het ineens bijna woordelijk: ‘Zo rust dan eind’lijk, ’t ruwe noorden | Van hageljacht en stormgeloei, | En rolt de Rhijn weer langs zijn boorden, | Ontslagen van den winterboei.’
Het gezapige Nederlandse burgermansleven genadeloos gefileerd; dat was wel even leuk, evenals de informatie hoe men vroeger leefde: bij voorbeeld dat de kachel niet vóór november aanging, en dat er in diligences en trekschuiten vlijtig sigaren werden gerookt. Toch kan ik dit boek niet al te fascinerend vinden. Het kan alleen zo beroemd geweest zijn omdat er uit die tijd verder niet zo veel is. Iets later uit de eeuw herinner ik mij—maar die heb ik pas veel later leren kennen—alleen Klikspaan, Piet Paaltjens en Alexander Ver Huell, Zijn er zoo?, en dan kwamen de Tachtigers; toen werd het pas echt interessant. Tollens en van Lennep had je ook nog, maar die heb ik nooit gelezen.
Het kan echter ook zijn dat er in de vroege negentiende eeuw best wat geschreven werd, maar dat de erfenis niet is gecultiveerd. Lijkt me net iets voor Nederland, om zijn literatuur te vergeten. In de buurlanden is het volstrekt normaal, boeken uit de negentiende of zelfs de achttiende eeuw te lezen.
.
Vreemd, hoe zo’n teruggevonden boek heel veel weer terugbrengt in het geheugen. Zo bezien moet je misschien toch niet te veel weggooien.

8 reacties

Opgeslagen onder Literatur, Nederland

Weg met die korans

En dat nog wel in Ramadan. Het gaat hierom: ik heb ruim een meter boeken alleen al over de korantekst en die wil ik wat uitdunnen. Weg kunnen een fraaie dundrukkoran met een goede tekstuitgave en op de tegenoverliggende bladzijde een wat pompeus-ouderwetse Engelse vertaling, bijv. 50:37: Lo! Therein verily is a reminder for him who hath a heart, or giveth ear with full intelligence. Engelse vertalingen had ik altijd nodig om af en toe eens uit te citeren, maar deze is niks. Die van Arberry, eveneens uit Wardour Street, kan ook weg: Surely in that there is a reminder to him who has a heart, or will give ear with a present mind. De modernere vertaling van Fakhry mag blijven: In that is a reminder to whoever has a heart or lends his ear, while he witnesses. De Franse vertaling van Blachère gaat eruit wegens overbodigheid. De Nederlandse van Leemhuis blijft. Die van Jaber & Jansen neemt veel plaats in, maar moet helaas blijven om de goede index. De Duitse vertaling van Paret houd ik nog, hoewel ik hem nooit gebruik; hij is gewoon verouderd. Nog ouder, maar juist wel weer aardig, is die van Rückert uit de 19e eeuw, de enige die erin slaagt de koran poëtisch te vertalen: soera 112 Sprich: Gott ist einer, ein ewig reiner, hat nicht gezeugt und ihn gezeugt hat keiner, und nicht ihm gleich ist einer. Waarop iedere moslim dadelijk zal roepen: ja, maar de koran is geen poëzie en de vertaling doet geen recht … enzovoort; jammer dan. Eigenlijk zijn de meeste van die vertalingen overbodig, want ze staan ook online, en nog meer dan de genoemde.
De inleidende boeken van Hofmann, Paret en Nagel kunnen weg, evenals Angelika Neuwirth, Studien zur Komposition der mekkanischen Suren: veel te moeilijk voor die kop van mij, die eerder aan decompositie toe is. De Nichtkanonische Koranlesarten im Muhtasab des Ibn Ginnī zal ik de komende dertig jaar ook niet lezen. Weg ermee.
.
Wat heeft een arabist in ruste nog nodig? De korantekst zelf natuurlijk, die staat goed afgedrukt in de vertaling van Leemhuis. Een concordantie op de Arabische tekst. Een woordenboek van het koranische Arabisch. De bruikbare inleidingen door Montgomery Watt, Michael Cook en Nicolai Sinai mogen blijven. Nöldeke-Schwally, Geschichte des Qorans krijgt nog uitstel van executie. Veel meer plaats nemen studies over de koran en korancommentaren in. Dat moet maar een volgende opruimronde worden. Hoewel, heel dapper van mezelf: de dertigdelige Tabari is al de deur uit, want die staat toch veel handiger in het internet. Als Trump ons binnenkort van het internet afsnijdt is natuurlijk alles afgelopen, maar dan zijn korankommentaren ook niet meer relevant.
.
De weg te doene boeken worden natuurlijk niet fysiek vernietigd. Ik leg ze op het graaikastje in het instituut hier aan de universiteit, dan zijn ze snel verdwenen. Weet je wat? ik schrijf mijn naam erin, dan kunnen volgende bezitters zeggen: Ach kijk eens, ja, dat was die.
.
Zo, en dan nu de keukenkastjes.

12 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Literatur, Orient

Wat te doen – vervolg

Vervolg op Wat te doen?

De zieken zullen wel weer beter worden, zodat er nog verder gezongen kan worden tot mijn stem het begeeft. En zelfs bij een totale instorting van WordPress of het Internet zijn er alternatieven te vinden voor mijn geschrijf, desnoods met een kroontjespen. Maar zo’n moment van stagnatie en twijfel geeft aanleiding tot even wat inhouden en bezinnen.
.
Zingen tot het niet meer gaat, dat is nogal eenvoudig, maar je niet laten verrassen als het ineens ophoudt.
.
Met het bloek doorgaan totdat dat niet meer kan, maar op een zacht pitje misschien. Ooit was ik ermee begonnen om mijn arme landgenoten wat tegeninformatie te bieden tegen het gezwatel over de islam van Wilders en de media, die inmiddels al vijftien jaar dezelfde onzin verkondigen, waar niemand ooit genoeg van lijkt te krijgen. In mijn onschuld meende ik toen nog dat kennis zou helpen en dat mensen graag iets meer zouden weten.
.
Eerder dan allerlei wetenswaardigheden over de oude Arabieren en moslims aan te bieden zou ik misschien moeten werken over wat Europa dwars zit: het onverwerkte verleden, in het geval van Nederland vooral Indië, de VOC en de WIC en de negentiende eeuw, en de omgang met het Buiteneuropese in het algemeen: oriëntalisme en oriëntalistiek. Rassenleer en migratiekunde zijn natuurlijk ook belangrijk, maar daar kan ik slecht over meepraten.
.
Er lijkt ook schot te komen in het opruimen van mijn boeken. Ik zou zo graag een lege woning hebben, maar zolang ik nog een beetje werk kan ik die vakliteratuur niet missen. Bovendien wil niemand die boeken hebben, voor geld niet en voor nop niet, en weggooien is ook zonde. Boeken weggooien kun je tegenwoordig beter aan bibliotheken overlaten. Maar nu was ik in contact gekomen met iemand van de Universiteitsbibliotheek in Mosul, Irak. Daar is de bibliotheek door de ‘Islamitische Staat’ volledig verwoest, en een aantal geëngageerde jonge onderzoekers spannen zich in om de restanten te redden en weer iets op te bouwen. Welnu, dát lijkt me nu de ideale bestemming voor mijn boeken. Er moet alleen nog een weg gevonden worden om het spul daarheen te krijgen, maar daar wordt aan gewerkt. Mocht het U interesseren kunt U eens hier kijken.
.
Het aardige is dat de persoon met wie ik in Mosul correspondeer, vroeger werkte aan de afdeling Oriëntalistiek van de universiteit. In Irak en Saoedi-Arabië waren/zijn er leerstoelen die de oriëntalistiek bestuderen, die gesticht zijn uit haat tegen mijn soort mensen. Maar dat is langzamerhand wel verleden tijd geloof ik. We kunnen elkaar gezellig een beetje pesten, bantering.

Naschrift 4 mei 2018: Die persoon komt nu naar Marburg! Zie hier.

1 reactie

Opgeslagen onder Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk, Universiteit

Nee, dank u

Star Wars, Wagner, Olympische Spelen, popmuziek, disco, Harry Potter, motorfietsen, gedoe met dinosauriërs, Tolkien, electronische muziek, fascisme, Disneyland, science fiction.
.
Wat hebben al deze cultuuruitingen met elkaar gemeen? Dat ik er niets van moet hebben. Gelukkig blijft er nog heel veel over.

6 reacties

Opgeslagen onder Kunst, Literatur, Muziek

Overtocht geweigerd

De radio zegt dat we binnen moeten blijven vanwege de orkaan. De vorige orkaan viel nogal mee, maar goed, ik zal verstandig zijn, wil tenslotte geen boom op mijn kop of deuk in de auto. Dan is er nu even tijd om te kijken naar die aardige dialoog in sonnetvorm van Ronsard (1524–85), in de toonzetting van Antoine de Bertrand († 1581), die wij op het ogenblik zingen.
Er zijn sonnetten van Ronsard in poëtisch Nederlands vertaald; zie hier. Ik kan dat niet, maar wil het gedicht toch laten zien. Dan maar in proza.
Een verliefde, die aan liefde sterft wil door de veerman Charon over de Styx worden overgezet naar de onderwereld. Maar die wil met de Liebestod niets te maken hebben; dat is immers een zaak van de Meester der Goden (= Amor).

Hola, Caron, Caron, nautonnier infernal!
Qui est cest importun, qui si pressé m’appelle?
C’est l’esprit espleuré d’un amoureux fidelle
Lequel pour bien aymer n’eust jamais que du mal

Que cherche tu de moy? Le passage fatal.
Qui est ton homicide? Ô demande cruelle!
Amour m’a faict mourir. Jamais en ma nacelle
nul qui meure d’amour je ne conduis à val.

Et de grace, Caron, reçoy-moy en ta barque!
Cherche un autre nocher, car ny moy ny la Parque
n’entreprenons jamais sur le maistre des dieux.

J’iray donc maugré toy, car j’ay dedans mon âme
Tant de traiz amoureux et de larmes aux yeux

Que j’en feray le fleuve, et la barque, et la rame.

Ziel: Hé, Charon, veerman naar de onderwereld!
Charon: Wie is die drammer die zo haastig om mij roept?
Z.: De ontroostbare geest van een trouwe minnaar,
dien zijn oprechte liefde niets dan leed heeft gebracht.
.
Ch.: Wat wil je van mij? – Z.: De dodelijke overtocht.
Ch.: Wie heeft je gedood? – Z.: O wrede vraag!
Liefde heeft mij omgebracht. Ch.: Nooit heb ik in mijn schuit
iemand die sterft van liefde naar beneden gebracht.
.
Z.: Ach toe, Charon, laat mij in je boot stappen!
Ch.: Zoek jij maar een andere schipper, want ik noch de Parce
mengen ons in de zaken van de Meester der Goden.
.
Z.: Overvaren doe ik toch, want ik heb in mijn ziel
zo veel liefdespijlen, en in mijn ogen zo veel tranen,
dat ik er rivier, boot en roeispaan van kan maken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Literatur, Muziek