Categorie archief: Literatur

Nagelaten hulpverlening

Een kleine verandering in de inrichting van mijn werkkamer is niet geheel zonder betekenis. Naast mijn werkkruk is een plankje met woordenboeken. Ik bezit een groot Frans woordenboek, dat de laatste jaren niet op dat plankje stond, maar ergens waar het niet direct voor het grijpen was. Nu heb ik het dichterbij gehaald, en op zijn oude plek staat nu de dikke Oxford Arabic Dictionary.

Achterwaarts, Arabisch! moge Europa binnentreden! Ik zing volop in het Duits, Italiaans, Engels en Frans, en lees maar weinig Arabisch meer.

In de oude liederen die in een van mijn koren wordt ingestudeerd gaat het vaak over wrede vrouwen die een minnaar op afstand houden of zelfs kwellen. Bij voorbeeld in een gedicht van de kamerheer des konings Clément Marot (1497–­1544).1

MarotChanson$

Wij zingen alleen het eerste couplet, in een toonzetting van Andries Pevernage (1543–1591). In mijn onpoëtische vertaling luidt het:

Kom mij te hulp, Mevrouw, met liefdeblijken.
Zo niet, haalt weldra mij de dood.
Een ander kan geen hulp verlenen
Aan mijn vermoeide hart, dat sterven gaat.
Helaas, helaas, kom toch te hulp
dengeen die leeft voor U, in grote nood,
want van zijn hart zijt Gij de meesteres.

De dichter is doodziek van liefdesverdriet. Een zieke wendt zich natuurlijk tot een arts, en de enige arts die hem kan helpen is de geliefde. Maar helaas, die maakt geen aanstalten tot hulpverlening. Ze speelt wat met hem, maar de vele kussen die hij op haar mag veroveren maken de kwaal nog erger, terwijl veeleer een potje seks het effectieve geneesmiddel zou zijn: jouissance est ma médecine expresse.

Hiermee was ik onverwacht weer terug bij het Arabisch. Dit is namelijk allemaal al in het Arabisch gedicht, in de achtste eeuw en nog heel lang daarna. Dat de middeleeuwse troubadourslyriek veel te danken heeft aan de Arabische poëzie is wel bekend, maar dat nog vele eeuwen later Arabische motieven in Europa zo gangbaar waren wist ik niet.

Dat liefde een ziekte is wist iedere Arabische dichter sinds Madjnūn. In het grijze verleden dacht men misschien nog aan demonen die een minnaar ziek maakten:

Arts der djinns, genees mij toch, want met mijn kwaal
weet een arts van mensen geen raad.

Maar iets later, zo omstreeks 700, dichtte Djamīl Buthayna:

Ze zeggen: Hij is betoverd, djinns maken hem gek
omdat hij steeds aan haar denkt.
Ik zweer: Waaraan ik lijd is waanzin, geen toverij.

en

Slapende reismakkers, wordt wakker!
Ik vraag u: Doodt liefde een man?
Zij zeiden: Ja, die verbrijzelt zijn botten, laat hem achter
in verwarring en van verstand beroofd.

Een ziekte dus, niets bovennatuurlijks. ِEen belangrijk symptoom van de aandoening is extreme vermagering, vliegende tering. Je hoefde maar te kijken naar bij voorbeeld de dichter ‘Abbās ibn al-Ahnaf (gest. 808) — en dat had zijn geliefde ook kunnen doen, maar het interesseerde haar niet:

De liefde voor U heeft mijn gebeente tot tering veroordeeld …
Ik zag U aan, gezond nog, en mijn blikken deden mij van binnen wegteren.
Ziet Ge niet hoe vermagering mijn gebeente doorschijnend gemaakt heeft?

Deze ziekte voert dikwijls tot de dood. Genezing kan, behalve de Allerhoogste, alleen de arts bieden die de geliefde is. Daartoe moet de patiënt wel eerst zijn klacht uiten. Een adagium van Ibn Dāwūd al-Isbahānī (868–909) luidt: ‘Niet verstandig is degene, die nalaat de arts te beschrijven waaraan hij lijdt.’ Toch laat de lijder dit vaak na, uit verlegenheid, discretie of uit wanhoop. Want maar al te vaak wil uitgerekend deze arts hem niet genezen:

De arts was gierig met zijn medicijn voor de wegterende zieke.

of erger nog:

Waar haal ik het medicijn voor mijn pijn,
wanneer mijn ziekte de arts zelf is?

Soms kwelt de geliefde een minnaar tot de dood, en niet eens altijd met opzet. In de woorden van Fatḥ ibn Khāqān (817–861):

Gij maakte U meester van mijn ziel en besloot mij te doden,
nee, niet in ernst, maar de ziel gaat er wel aan kapot,
als een vogeltje in een kinderhand die het knijpt
tot het dood is, terwijl het kind alleen wil spelen.

Dat seks genezend werkt wisten de oude Arabische dichters natuurlijk ook al. Op dit moment vind ik geen bewijsplaatsen, die houdt U nog te goed.

NOOT
1. De Fransen uit die tijd deden blijkbaar niet aan accenten. Veel moderne Fransen ook niet, omdat dat lastig is op een mobieltje.

1 reactie

Opgeslagen onder Arabisch, Literatur

Onweten 1

Er is er een jarig, hoera, hoera, dat kun je wel zien, dat is William Shakespeare. Vierhonderd jaar geleden gestorven, en wereldberoemd vanwege een prachtig oeuvre van toneelstukken en sonnetten, dat vraagt om een herdenking. Vandaar dat het nu Shakespeare-jaar is. Dat voert natuurlijk tot talloze opvoeringen van zijn stukken en dat is fijn.

Maar wie was William Shakespeare? De weinige harde feiten over de man die zo heette passen niet bij het grote en erudiete werk dat op zijn naam staat. Het onderzoek kort samengevat: we weten helemaal niets over hem, en dat al langer dan een eeuw.

Maar kort samenvatten is niets voor de radio, de televisie en de gedrukte media. In dit Shakespeare-jaar heb ik al zeker tien lange programma’s en artikelen langs zien komen waarin uitvoerig uit de doeken werd gedaan dat we helemaal niets weten over de auteur. En het is pas april!

Hoe beroemder iemand is, des te dringender het verlangen iets over hem te weten. In mijn vak kom ik dat tegen bij Mohammed. Nog zo iemand over wie maar snippers bekend zijn, maar over wie de mensen heel veel willen weten en dus eindelooos ouwehoeren. En echt niet alleen moslims.

Op kleinere schaal komt ik dit ongewenste onweten ook tegen bij mijn lectuur over de Rotskoepel in Jeruzalem. Een mooi en belangwekkend gebouw, maar waarom heeft kalief Abd al-Malik dat in 692 laten neerzetten? We weten het niet. En daar wil ik het dan maar bij laten.

1 reactie

Opgeslagen onder Geschiedschrijving, Literatur

Maisy de laan uit

What Maisy Knew hoef ik niet verder te weten. Drie weken geleden was ik begonnen deze roman van Henry James uit 1897 te lezen, maar ik ben niet verder gekomen dan een kwart ervan. Het is genoeg, ik leg het weg; het heeft me al die tijd afgehouden van andere lectuur.

Het gebeurt natuurlijk wel vaker dat ik een boek wegleg als het niet zo goed is. Vreemd is echter dat What Maisy Knew wel degelijk een goed boek is. Het is misschien wel héél goed: rijk taalgebruik om van te smullen, een perfecte opbouw, een thematiek die in die tijd zeker origineel en moeilijk moet zijn geweest: twee echtelieden die uit elkaar gaan en elkaar daarna voortdurend dwars zitten, een dochtertje van een jaar of tien dat tussen moeder en vader heen en weer wordt gestuurd en het slachtoffer wordt van de onmin. Beide ouders hebben een gouvernante ingehuurd; beiden hertrouwen ook, zodat er personages genoeg rondlopen, en ze worden allemaal zo goed ingevuld dat je ze duidelijk voor je ziet. De akelige en onbegrijpelijke lotgevallen van een scheidingskind van elkaar hatende ouders waren een eeuw geleden zeker niet algemeen en nog nauwelijks in romans verwerkt. Buitengewoon goed is dat de schrijver alles beschrijft vanuit het gezichtspunt van het kleine meisje, en met succes. Als dat geen prestatie is!

En toch, ik heb er geen zin meer in. Waarom begrijp ik niet.

5 reacties

Opgeslagen onder Literatur

Dewulf, Aan het water

In Antwerpen vond ik dit schone gedicht van Bernard Dewulf op een muur in Het Steen. Een Emigrant begrijpt dat wel.

 

Aan het water

Nu ik nooit van hier zal zijn
en dagelijks afkomstiger ben van elders,

nu ik hier dan toch in een bocht
aan het water een straat heb gelegd,

een vindplaats ingericht voor een kind,
een berk en wat rozen,

nu het kind over de latere voetpaden
met de jaren steeds meer afkomstig zal zijn

uit die straat aan het snelle water
tussen de oude berk en de rozen,

zal ik nooit meer van hier zijn dan nu.

2 reacties

Opgeslagen onder Literatur

Lezen in Thailand

Een  boek dat ik in Thailand las was in het Nederlands: Peter Buwalda, Bokito Avenue. Nee, het heet: Bonita Avenue. Ik had het niet gekocht; iemand had het blijkbaar in het hotel laten liggen. Een groot en dik boek, waarschijnlijk geschreven om tijdens twaalfurige vliegreizen het lawaai van de motoren te overstemmen. Maar het hapt ook gemakkelijk weg aan de rand van een zwembad, terwijl een bediende op zachte voeten een opengesneden mango met bolletjes vanilleijs en kleefrijst langs brengt.

Ik moest niet voor niets aan Bokito denken. Het is een boek waarin alles grof en agressief en too much is. Het lijkt op bepaalde moderne industrieel vervaardigde voedingsmiddelen, bij voorbeeld aardbeiensaus waaraan nog eens extra aardbeienaroma en kleurstof zijn toegevoegd.

De hoofdpersoon: een door een ongeluk gemankeerde judoka van wereldklasse, vervolgens wiskundige van wereldklasse, vervolgens rector magnificus en minister geworden. Wat een vitaliteit, wat een kracht, wat een doorzettingsvermogen. Zijn misdadige tokkie van een zoon, een etterbak die al even agressief is als papa, maar in een gevecht nog van deze verliest en langzaam doodvriest terwijl zijn brute verwekker erbij staat. Zijn ontaarde (niet lijfelijke) dochter die als jong ding al ruim een miljoen bijverdient met internetporno en in Amerika op veel grotere schaal daarmee doorgaat. Haar brave vriendje, dat niet zo maar een beetje gek wordt, maar compleet wild psychotisch. Niet bewezen is dat het dáárvan kwam. Er moest ook nog een enorme knal in; daartoe werd de ontploffing van de vuurwerkfabriek in Enschede geleend.

Een detail dat me nog extra heeft gestoord: de rector wordt op zeker ogenblik verleid door een bloedjonge, immorele studente. Dat is een geadopteerd meisje uit Thailand, opgevoed in een degelijk Nederlands gezin. Blijkbaar zijn het haar Thaise genen die haar predestineren om het hoertje uit te hangen. Bah!

Vragen die even opkwamen maar bij al dat lawaai ook snel weer verdwenen: Is het erg, is het immoreel om in het internet porno te bedrijven met je eigen vriendje? Zitten misdadigheid en gewelddadigheid in de genen? De eigenschappen die de vader zo ver gebracht hadden pakten bij zoonlief totaal verkeerd uit. Wat ontbrak was een opvoeding; door vaders echtscheiding was daar niets van gekomen. Maar een jongen als deze zou altijd moeilijk opvoedbaar, zo niet totaal onopvoedbaar zijn geweest. Tenslotte blijkt toch ook de ware aard van de vader. Maar willen we dan liever lieverdjes als rector, als minister?

Niet mijn soort boek, ik heb me over mezelf geërgerd dat ik toch doorlas. Maar dat deed ik. Toegegeven, Buwalda kan wel heel goed een pen vasthouden en spanning opbouwen. Maar zodra ik de laatste bladzij achter mij had gelaten riep ik uit: ‘Wat een rotboek!’ — H. is mijn getuige — en zoiets doe ik anders nooit. Een hele zak met misselijk makend snoepgoed achter elkaar leeg eten, ja, dat doe ik een enkele keer. Het bekomt niet, kan ik u zeggen.

Zoals Harry Quebert een Amerikaans boek is dat in het Zwitsers is geschreven, zo is dit er een dat in het Nederlands is geschreven. Het valt ook niet mee om in een boekvijandige wereld als schrijver nog een beetje beroemd te worden. Maar wat een geluk dat er nog zovele boeken uit de oude wereld bestaan.

11 reacties

Opgeslagen onder Literatur, Nederland, Thailand

Zwitseller: De waarheid over de zaak Harry Quebert

Mijn vakantieboek voor dit jaar was La verité sur l’Affaire Harry Quebert, door de Zwitser Joël Dicker. Tot mijn irritatie moest ik het in het Duits lezen, omdat het origineel nergens te krijgen was, ook niet in het Duitstalige deel van Zwitserland. Misschien is dat niet erg, want de Franse recensies zeggen dat de stijl maar matig is. Het Duits was stilistisch in orde. In het Nederlands zal het ook verschijnen, onder de titel De waarheid over de zaak Harry Quebert. Het boek viel me niet mee, maar bij tijden geeft het wel wat te denken. Het fopt de lezer een poosje, en dat is kunst.

Zwitsers is er niets in dit boek. Het is opgezet als een whodunnit die in de USA speelt, op (denkbeeldige?) locaties in een rustig en welvarend New England. Drieëndertig jaar na de verdwijning van de vijftienjarige Nola wordt haar lichaam gevonden bij het planten van hortensia’s in de tuin van de succesvolle schrijver Harry Quebert. Naast het lichaam bevindt zich het manuscript, met handgeschreven opdracht aan Nola, van de bestseller waarmee Quebert beroemd is geworden. De schrijver wordt gearresteerd en voor het gerecht gesleept, maar halverwege het boek weer vrijgelaten. De enige die van begin af aan in zijn onschuld gelooft is zijn leerling en vriend Marcus Goldman, die het schrijven van Quebert heeft geleerd en eveneens een bestseller heeft geschreven. Een tweede boek wil hem maar niet lukken (schrijversblok), maar het onderzoek naar de moord en een enorm voorschot bevleugelen hem en ook hij schrijft weer een bestseller. Hij vindt samen met een politieman inderdaad uit wie destijds die moord heeft gepleegd, en ook dat Quebert zijn meesterwerk niet zelf had geschreven.

Dat laatste had ik al halverwege de lectuur begrepen. Dat de handgeschreven opdracht op het manuscript in het graf niet van hem was, was me ook te vroeg duidelijk. De lezer wordt nodeloos aan het lijntje gehouden doordat het rapport van de grafoloog erg laat afkomt; was dat eerder gekomen, dan had het boek minstens honderd, misschien wel tweehonderd bladzijden korter kunnen zijn. Wie die moord gepleegd had kon me niet veel schelen; ik heb op dit ogenblik zelfs grote moeite me te herinneren wie het ook al weer was. Voor een detectiveroman zijn dat geen goede tekenen. Het interessante wat overblijft is het onderwerp ‘schrijven’, hoewel ook op dit gebied de lezer beetgenomen wordt.

In het boek komen als gezegd twee enorme bestsellers voor. Quebert is rijk en hoogleraar geworden met zijn liefdesroman De oorsprong van het kwaad. Goldman krijgt voor het verslag van zijn onderzoekingen meteen een miljoen dollar aangeboden, en daar komen de reclame- en televisierechten en een bewerking voor Hollywood nog bovenop. Na een poosje worden de boeken van Quebert én van Goldman nog eens tesamen in een fraaie cassette op de markt gebracht. Buiten de fictieve boeken is er nog een derde bestseller, namelijk het boek van Dicker zelf, want ook dat verkoopt geweldig en is al in vele talen vertaald. Gewone boeken, met een oplage van vijfduizend of dertigduizend exemplaren, komen in dit universum niet voor.

Zowel uit het boek van Quebert als dat van Goldman worden langere citaten gegeven. Quebert blijkt pulp over de liefde te zijn, Goldman is journalistiek over een schandaal. Zoiets zou je niet willen lezen, en het is erg onwaarschijnlijk dat deze boeken zulke ongelofelijke bestsellers werden. Of misschien juist toch? Wil Dicker de spot drijven met het Amerikaanse boek- en reclamewezen, waardoor ieder niemendalletje tot enorme proporties kan worden opgeblazen? Omdat in het grote Amerika de vliegtrajecten vaak lang zijn is daar blijkbaar enorme behoefte aan onbeduidende dikke boeken voor op reis. Ik neem ook geen serieuze lectuur mee in vliegtuigen; ook ik had Dickers boek gekocht voor de dode momenten op mijn vakantiereis.

Dicker heeft in Amerika gewoond en daar blijkbaar veel Amerikaanse boeken gelezen. Hij moet ook een handleiding van de soort Zelf schrijver worden in eenendertig lessen gekocht hebben, die hij met vrucht heeft gebruikt. Die lessen krijgt de lezer geleidelijk ook voorgezet. Dickers boek kun je lezen als een sterke uitvergroting van die handleiding, dus waar wacht U nog op? Schrijven is echt erg eenvoudig, zoals uit zijn verkoopsucces blijkt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Literatur, Schrijven, Zwitserland

Wegdoen

Van de tweeëndertig meter boek die ik wilde wegdoen zijn er pas zeven de deur uit. Zo schiet het niet op. Verkopen gaat bijna niet meer, nu zelfs bibliotheken liever boeken weggooien dan ze bewaren en het belangrijkste antiquariaat in Nederland tegenwoordig Polenta of Polisario heet of zoiets. Een paar meter moderne Arabische literatuur heb ik aan een bibliotheek in Keulen verkocht waarvan ik weet dat ze erin geïnteresseerd is en blijft. Andere boeken zijn op de graaitafel bij een instituut geland, waar geïnteresseerde studenten ze nog een tweede leven geven. Ja, boeken moeten een liefdevol en betrouwbaar onderdak krijgen, ook voor de toekomst, want hoe het internet zich ontwikkelt weet niemand. Het is zelfs nu al zo dat Europa minder toegang heeft tot electronische bibliotheken dan de USA.

Gisteren was ik op bezoek bij iemand die mij zijn nieuwste aanwinst liet zien: een e-reader. Het duurde nog een paar uur voor het kwartje viel: als ik nou ook zo’n ding koop en het zou blijken te bevallen, dan kunnen in ieder geval de klassieken de deur uit. Shakespeare, Proust, Kleist, Goethe, Jean Paul, zulke dingen, die je niet kwijt wilt maar misschien niet altijd in gedrukte vorm moet hebben staan. Het zal een raar gevoel zijn ze te ontberen, maar het scheelt meters! Ik speculeer er dan op dat het toch nog tien jaar goed gaat met die apparaten. Die downloads zijn misschien allemaal wat vluchtig, maar ze hebben ook voordelen: ze zijn zo goed als gratis en je kunt ze overal lezen, op een onbewoond eiland, en zelfs in het verpleeghuis of in het graf, als je er zo’n LED-leeslampje bij neemt. En anders schrijf je zelf eindelijk maar eens een boek.

De restboekenkasten komen er dan wel raar uit te zien: alleen nog werken die te zeldzaam zijn om gescand te worden. En de vakboeken natuurlijk.

Het is trouwens lekker weggooiweer deze dagen. Overtollige papieren gooi ik gewoon weg. Ik meet ze niet op, maar het dunt al aardig uit.

5 reacties

Opgeslagen onder Literatur, Persoonlijk

Op vakantie 7a – Werken

Mijn vakantiehuisje staat achter het huis van de verhuurders, midden in hun grote tuin. Die tuin is prachtig, met veel liefde en zorg aangelegd en bijgehouden, en ik mag daarvan meegenieten. Zo’n tuin, dat betekent veel werk. Maar is dat werk? Voor de eigenaars niet, denk ik, want ze doen het in hun zogeheten vrije tijd, en wel omdat ze er kennelijk plezier in hebben. Uit economisch gezichtspunt is deze tuin bijhouden ook geen werk: het is geen moestuin, dus er is geen productie. Maar laat niemand zeggen dat het bijhouden van een tuin overbodig is. Al is het economisch nergens goed voor, menselijk is het zeer nodig. Alleen al de aanblik van die eeuwenoude tuinen in de oude stad van Marburg waar niemand meer iets aan doet is zo hartverscheurend dat het duidelijk is dat het moet gebeuren. Van een tuin word je een beter mens. Je erf laten verflodderen of met beton overgieten voor een parkeerplaats maakt je juist slechter. Maar daar begrijpt de markt niets van.
Ik heb geen tuin en ook geen paarden om te verzorgen, dus ik doe helemaal niets. Daar word ik welbeschouwd voor betaald. Maar het blijft een raar gevoel.

En dat fietsen, is dat werken dan? Nee, daarvoor is het veel te leuk. Ik heb echt weer de smaak te pakken en zou nu dagen achter elkaar doorgaan, als er niet intussen een natte herfst met een graad of twaalf was begonnen. Fietsen produceert ook niets. Behalve dat het genot geeft heeft het nog een functie, namelijk de verbetering van mijn conditie, die van de winter door ziekte nogal geleden had. Ik denk wel dat ik nu meerdaagse tochten in Duitsland aan kan.

En mijn gepruts aan oude Arabische teksten, bij voorbeeld aan de biografie van de profeet? Dat mag geen werken heten, anders zou ik er subiet mee ophouden. Maar eerlijk gezegd is er wel degelijk verschil tussen deze vakantie en de vrije tijd thuis, die ik toch grotendeels aan de schrijftafel doorbreng. Ik doe het niet helemaal voor mijzelf, zoals fietsen; het is wel degelijk de bedoeling dat anderen er kennis van nemen. Economisch is het zo op het eerst gezicht weer nergens goed voor, maar bij nader inzien is het dat wel degelijk. Het zijn immers oude teksten zoals de bijbel, de koran en nog van alles eromheen, die nog steeds erg bepalend zijn voor hoe mensen zich gedragen en hoe een maatschappij reilt en zeilt. Veel sociaal, politiek en economisch handelen geschiedt nog altijd op grond van zulke teksten. Maar die teksten te begrijpen en waar nodig de ontsteking eruit te trekken, nee, dat geldt als een bizarre en luxe vrijetijdsbesteding.

Kuifje. Goud-Elsje. Joe Speedboot. Batman. Publieke werken. Harry Potter. Robinson Crusoë. Bonita Avenue, en bovendien nog al die doktersromans, cowboy romans en SF, wat hebben die met elkaar gemeen? Wie deze of dergelijke boeken leest weet het meteen: zij vertellen verhalen die niet echt gebeurd zijn. Het is fictie. Om dat te weten is geen opleiding in de literatuurwetenschap nodig.
Maar van de verhalen over Mozes, Jezus of Mohammed denken de meeste mensen dat ze echt gebeurd zijn. Okay, de opstanding uit de doden, de verschijning van God zelf of van engelen, wonderbare genezingen e.d., die accepteert niet iedereen, maar de rest van die verhalen wordt vaak wel voor zoete koek geslikt.
Omdat die teksten erg oud zijn en dus uit een andere cultuur stammen is het minder makkelijk om op grond van de verschijningsvorm te zien dat het fictie is. Daar komt nog bij dat ze zijn omgeven met een aureool van heiligheid. De verhalen over Jezus staan zelfs in de Evangeliën, de kern van de Heilige Schrift van de christenen. Zij moeten dus per definitie waar zijn. Het leven van Mohammed staat niet in de koran en is dus wat minder heilig, maar is voor moslims toch zeer onmisbaar, en daardoor heilig geworden. Zonder een waar gebeurd verhaal over de profeet zou niemand moslim kunnen zijn.
Van die heilige verhalen moet dus geloofd worden dat zij geen fictie zijn. Maar de heiligheid bestaat alleen voor de betreffende gelovigen; voor (ex-)christenen bij voorbeeld zouden er geen remmingen hoeven bestaan om in de teksten over Mohammed fictie te herkennen. Toch gebeurt dat uiterst zelden. Er vinden verhitte discussies plaats op grond van vermeende feitelijkheden: Mohammed was getrouwd met een kind. Hij was heel aardig voor vrouwen. Hij had een gewelddadig karakter. Hij was oorlogszuchtig. Hij was vredelievend. Hij was de goedheid zelve. Hij heeft de joden uitgeroeid. Hij was een voorstander van sociale gelijkheid, enzovoort. Op grond van een keuze uit zeer vele, meest slecht begrepen teksten bakt iedereen zijn eigen profeet, die dan werkelijk zo geweest moet zijn.
Ik zal het U vast verklappen: wat de echte Mohammed in werkelijkheid deed of zei is niet bekend. Misschien zijn er een paar kleine snippers over hem die voor de geschiedschrijving bruikbaar zijn, maar meer niet. De rest van die tienduizend bladzijden is fictie, resp. mythologie.1

Salafisten en andere bible belters kan ik niet van hun geloof afhelpen. Niet alleen omdat zij ongeletterd zijn, maar ook omdat zij net zo in elkaar zitten als sectariërs en/of fascisten. Hun geloof is erin geramd. Om zulke mensen te deprogrammeren heb je een psychiater nodig. Maar wie weet leren hun kinderen ooit lezen en vragen te stellen.
Gewone gelovigen wil ik zelfs niet van hun geloof afhelpen. Dat geloof is hun zaak, daar blijf ik af. Ik begrijp heel goed dat zij een waar verhaal nodig hebben.
Maar er zou al wat gewonnen zijn als tenminste niet-moslims en vrijzinnige moslims een blik ontwikkelden voor zulke teksten. Dan zou dat vervelende islamgezeur eens kunnen ophouden en zou het leven wat normaler worden in Nederland. Daarom beeld ik mij in dat mijn geknutsel ergens goed voor zou kunnen zijn. Mooi zou het zijn als het tot een boekje gestructureerd werd, maar voorlopig fragmenteer ik maar wat aan. Het mag geen werken worden tenslotte.

NOOT
1. Bij dat oude spul komen natuurlijk allerlei vragen op. Konden auteurs, die nog helemaal niet wisten wat fictie is, wel fictie schrijven? Of moet het anders heten?

21.5.2013

5 reacties

Opgeslagen onder Godsdienst, Islam, Literatur, Persoonlijk, Schrijven

Tourette in Nederland

Dezer dagen heb ik de roman Euforie van Christiaan Weijts gelezen. Ik vond het niet helemaal een meesterwerk. De personages kwamen niet erg uit de verf. Maar de beschouwingen over architectuur zijn interessant, en ook het inkijkje in het moderne leven in Nederland, waarvan ik door leeftijd en lange afwezigheid langzamerhand vervreemd ben.
Ik ga het boek hier niet bespreken. Daarvoor verwijs ik U liever naar Carel Peeters, die dat juist in Nr. 447 van TIRADE heeft gedaan, onder de titel Gedeserteerd uit het pandemonium. Ik struikelde bij Peeters echter over de volgende zin:

Afgezien van Vermeers doorlopende sarcastische commentaar op alles, weeft Weijts door de hele roman ook nog cursief gedrukte zinnen die rechtstreeks uit Vermeers onderbewuste omhoog komen: alsof hij een gilles-de-la-tourette patiënt is die lucht geeft aan zijn gemoed, maar dan geluidloos, van binnen vloekend, in gedachten.

Hier klopt iets niet. Eén van de symptomen van het Tourette-syndroom is het onvrijwillig uiten van schokkende woorden, zoals vloeken, obscene, sekstistische of racistische taal. Maar Vermeer, de hoofdpersoon van de roman, houdt juist alles keurig binnen. Misschien was hij succesvoller geweest als hij er wat meer had uitgegooid, als hij af en toe had meegeschreeuwd in het koor van de vlotte Hollandse jongens. Dan had het door hem begeerde meisje hem misschien ook zien staan. Nu eindigt hij als een binnenvetter die voor zich zelf wat zit te tekenen en filosoferen, maar zich nooit meer in het openbaar zal laten gelden.

Twee voorbeelden van die cursief gedrukte zinnen:

Halverwege het Voorhout ziet hij Olivier en Kasper al voor Hotel des Indes staan. Een voor een mogen de gegadigde bureaus  zich bij dit intimiderend opgedirkte pand melden. Om een paar uur lang de reet te likken van Visserlink en z’n bestuursvriendjes. Het is Vermeer opgevallen … enz.

Sommige fotografen staan, tegen de regels, op om de gezichten van de regeringsleden onder vuur te nemen. Recht in hun bek flitsen. Precies als ze struikelen, die kutmongolen.

Het is even slikken misschien, vooral voor oudere mensen. Vermeers onderbewuste heeft een grof taalgebruik, en zoals hierboven gaat dat het hele boek door. Maar een Tourette-symptoom is het in geen velden of wegen. Hier wordt gewoon het onderbewuste boven tafel gebracht, zoals dat in de literatuur al vaker was gebeurd.

Ik heb zelf ook zo’n binnendiscours dat niemand hoort, en ik heb het sterke vermoeden dat iederéén dat heeft. Maar de taal van het onderbewuste is een andere geworden. Bij een keurig net persoon uit de jaren vijftig zag de cursieve ondertekst er misschien zo uit: ‘Nou moe!’ ‘Zeg, ben je nou helemaal betoeterd?‘ ‘Kan je niet uitkijken, sukkel?’ Hoewel er natuurlijk ook toen onder zeelui, classificeerders en vele anderen een grover taalgebruik bestond. Mijn huidige niveau is ongeveer: ‘Klootzak, krijg de klere!’ Dat klinkt intussen natuurlijk ook sterk verouderd, maar niemand krijgt het toch ooit te horen. Bij Vermeer is het nog een graadje erger. Dat ligt niet aan hem, maar aan de algemene vergroving van het openbare taalgebruik, die met Gerard Reve is begonnen, door Theo van Gogh wijd is verbreid en sindsdien in de lawaaimedia, in blogs en in reacties bij blogs gemeengoed is geworden, onder de motto’s: van je hart geen moordkuil maken, en vooral: geen stijl. Daar wordt de rottigheid  allang niet meer binnengehouden; het wordt er allemaal uitgegooid. Dáár is, naast verdere tics, dit Tourette-symptoom te vinden; niet bij Weijts’ romanfiguur. Vermeer spreekt nog als een ontwikkeld mens oude stijl, terwijl zijn onderbewuste zich bedient van de taal van die moderne media.

3 reacties

Opgeslagen onder Literatur

Bij Couperus, ‘De Stille kracht’ 3

Fanatieke Javanen?

Over de regent, met wie resident Van Oudijck latent overhoop ligt, en wiens uiterlijk in aflevering 2 is beschreven, wordt in één fragment maar liefst drie maal het woord ‘fanatiek’ gebruikt (cursiveringen van mij):

Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon hij niet vatten, niet doorpeilen – dit bekende hij zich slechts stilzwijgend -; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den rezident, alsof hij – prins – neêrzag op hem – Hollandschen burgerman; en daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven, zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens de etiquette zijn ‘jongere broeder’, maar altijd medebestuurder van zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche gommeux! (SK 34-5)

Fanatiek betekent volgens van Dale’s Groot Woordenboek: door een blinde ijver (voor een geloof of idee) gedreven. Het is een cliché dat Europeanen graag gebruikten en nog steeds gebruiken wanneer het over moslims gaat: ‘fanatieke moslims’. Het betekent niet veel, en op het Java van toen was het buitengewoon slecht van toepassing. Dat eiland was honderd jaar geleden wel islamitisch, maar juist niet fanatiek. Het was eigenlijk maar half geïslamiseerd; veel moslims van elders zouden in die tijd de godsdienst ter plaatse ternauwernood als islamitisch hebben erkend. Zelfs over de Madoerezen, die in de koloniale tijd als fanatieker golden dan de Javanen, lezen we bij Couperus dat ze zoiets onislamitisch deden als kleine offers brengen aan de geesten:

De zeegeesten waren nu om… Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest… Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren… (SK 11)

Zo er al fanatieke moslims waren op Java dan waren het er maar weinig, en de adel behoorde daar zeker niet toe. Als overal is fanatisme eerder een kenmerk van de lagere standen.
Langs de Noordkust van Java woonden wel Arabieren, oorspronkelijk afkomstig uit Hadramawt. Over hun graad van ‘fanatisme’ is mij niets bekend, maar zij zullen in elk geval een stoere Arabische islam gepractiseerd hebben:

[…] want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed – huizen als andere, maar somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig achtervolgende – scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond… (SK 39)

Hier zien we meteen het andere cliché dat altijd in verband wordt gebracht met de islam: fataal, fatalisme. Bovendien merken we op dat het voor nuchtere Nederlanders ondoorgrondelijke mysterie van Indonesië voor Couperus nauw verwant is, zo niet samenvalt met de islam.
Vroom was op Java het ‘witte volkske’, de wong poetihan, zeg maar de zwarte-kousen-moslims, die de regels nauwgezet vervulden. Vaak waren zij naar Mekka geweest en dus hadji. De stoomvaart maakte het mogelijk dat er meer pelgrims naar Mekka trokken dan ooit tevoren. Die bleven daar maanden, soms jaren hangen; sommigen van hen leerden goed Arabisch en bestudeerden Arabische werken over godgeleerdheid en sharia. In Arabië hadden in die tijd niet de Wahhabieten het voor het zeggen, maar het Ottomaanse rijk, dat in religieus opzicht erg ontspannen was. Toch waren er in Mekka natuurlijk wel omgevingen waar serieus de islam bestudeerd en gepraktiseerd werd. In ieder geval kwamen de hadji’s min of meer gearabiseerd terug; bovendien waren zij in contact gekomen met moslims uit heel andere gebieden. Er bestond toentertijd het idee van een soort globale islam: het panislamisme, dat door koloniale ambtenaren, inclusief van Ouddijck, met enige bezorgdheid werd gadegeslagen.
Hadji’s genoten een geweldig prestige bij degenen die de reis naar Mekka niet hadden kunnen maken:

– Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche Mekka-gangers…
De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig, langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte, bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons… De hadji’s, plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s, laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zien, waren als voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand, overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam. (SK 224)

In De stille kracht verschijnt meermaals een witte hadji als een verwijzing naar het dreigende, zacht aandonzende mysterie en alles wat Nederlanders niet begrijpen, en zeker ook van schuld, in de Nederlands-protestantse zin. Het jonge meisje Doddy heeft twee maal een witte hadji menen te zien lopen; niet toevallig toen zij met de vrouwengek Addy wandelde en haar maagdelijkheid gevaar liep. Maar Leonie’s inlandse lijfmeid Oerip begrijpt wel dat de witte hadji die Doddy heeft gezien geen ‘goede hadji’ is, maar een spook. Ook de tot occultisme geneigde Ida meent een hadji te zien, maar zij herstelt zich: ‘Het is niets: de maneschijn …’. Het lijkt wel of de hadji zich vooral dan vertoont wanneer de Hollanders aan het zondigen zijn of op het punt staan dat te gaan doen. Een aardig motief, maar met echte hadji’s heeft het natuurlijk niets te maken. Die zullen zich niet voor de zonden van de koloniale dames en heren hebben geïnteresseerd. Dat ze met hun witte kleding door sommigen in slecht verlichte tropennachten als spoken worden opgevat, daar kunnen zij zelf niets aan doen. Occulte krachten, bovennatuurlijke gebeurtenissen, de geest die zich meldt in spiritistische seances: dat heeft allemaal niets met de islam te maken, maar voor Couperus is het een pot nat. Dat is een zwakte in de roman.

Een Javaanse regent zal heel misschien fanatiek zijn geweest in zijn afkeer van Nederlanders. Maar misschien ook niet: hij werd toch vorstelijk door hen betaald, hij collaboreerde toch? De instrumentalisering van de godsdienst bij het verzet tegen de koloniale machthebbers, die in de Atjeh-oorlog (1873–1903) juist actueel was, behoorde op Java al haast driekwart eeuw tot het verleden. De Atjehers waren hoe dan ook een stuk vromer dan de Javanen, die men toentertijd met de beste wil niet fanatiek religieus kon noemen.

Couperus’ islam stelt niet veel voor, hij heeft er weinig over geweten en van begrepen. Kennelijk heeft hij de bestuursambtenaren, waarvan het in zijn familie wemelde, gewoon nagepraat en op grond van hun cliché’s een vage islam een plekje gegeven als één van de vijandige krachten die de Nederlanders uit Indië willen verdrijven. Het weer beschrijft hij veel indrukwekkender.

SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989.De roman is ook online te lezen.

2 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Islam, Literatur, Nederland, Ostwestliches