Categorie archief: Literatur

Weg met die korans

En dat nog wel in Ramadan. Het gaat hierom: ik heb ruim een meter boeken alleen al over de korantekst en die wil ik wat uitdunnen. Weg kunnen een fraaie dundrukkoran met een goede tekstuitgave en op de tegenoverliggende bladzijde een wat pompeus-ouderwetse Engelse vertaling, bijv. 50:37: Lo! Therein verily is a reminder for him who hath a heart, or giveth ear with full intelligence. Engelse vertalingen had ik altijd nodig om af en toe eens uit te citeren, maar deze is niks. Die van Arberry, eveneens uit Wardour Street, kan ook weg: Surely in that there is a reminder to him who has a heart, or will give ear with a present mind. De modernere vertaling van Fakhry mag blijven: In that is a reminder to whoever has a heart or lends his ear, while he witnesses. De Franse vertaling van Blachère gaat eruit wegens overbodigheid. De Nederlandse van Leemhuis blijft. Die van Jaber & Jansen neemt veel plaats in, maar moet helaas blijven om de goede index. De Duitse vertaling van Paret houd ik nog, hoewel ik hem nooit gebruik; hij is gewoon verouderd. Nog ouder, maar juist wel weer aardig, is die van Rückert uit de 19e eeuw, de enige die erin slaagt de koran poëtisch te vertalen: soera 112 Sprich: Gott ist einer, ein ewig reiner, hat nicht gezeugt und ihn gezeugt hat keiner, und nicht ihm gleich ist einer. Waarop iedere moslim dadelijk zal roepen: ja, maar de koran is geen poëzie en de vertaling doet geen recht … enzovoort; jammer dan. Eigenlijk zijn de meeste van die vertalingen overbodig, want ze staan ook online, en nog meer dan de genoemde.
De inleidende boeken van Hofmann, Paret en Nagel kunnen weg, evenals Angelika Neuwirth, Studien zur Komposition der mekkanischen Suren: veel te moeilijk voor die kop van mij, die eerder aan decompositie toe is. De Nichtkanonische Koranlesarten im Muhtasab des Ibn Ginnī zal ik de komende dertig jaar ook niet lezen. Weg ermee.
.
Wat heeft een arabist in ruste nog nodig? De korantekst zelf natuurlijk, die staat goed afgedrukt in de vertaling van Leemhuis. Een concordantie op de Arabische tekst. Een woordenboek van het koranische Arabisch. De bruikbare inleidingen door Montgomery Watt, Michael Cook en Nicolai Sinai mogen blijven. Nöldeke-Schwally, Geschichte des Qorans krijgt nog uitstel van executie. Veel meer plaats nemen studies over de koran en korancommentaren in. Dat moet maar een volgende opruimronde worden. Hoewel, heel dapper van mezelf: de dertigdelige Tabari is al de deur uit, want die staat toch veel handiger in het internet. Als Trump ons binnenkort van het internet afsnijdt is natuurlijk alles afgelopen, maar dan zijn korankommentaren ook niet meer relevant.
.
De weg te doene boeken worden natuurlijk niet fysiek vernietigd. Ik leg ze op het graaikastje in het instituut hier aan de universiteit, dan zijn ze snel verdwenen. Weet je wat? ik schrijf mijn naam erin, dan kunnen volgende bezitters zeggen: Ach kijk eens, ja, dat was die.
.
Zo, en dan nu de keukenkastjes.

12 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Literatur, Orient

Wat te doen – vervolg

Vervolg op Wat te doen?

De zieken zullen wel weer beter worden, zodat er nog verder gezongen kan worden tot mijn stem het begeeft. En zelfs bij een totale instorting van WordPress of het Internet zijn er alternatieven te vinden voor mijn geschrijf, desnoods met een kroontjespen. Maar zo’n moment van stagnatie en twijfel geeft aanleiding tot even wat inhouden en bezinnen.
.
Zingen tot het niet meer gaat, dat is nogal eenvoudig, maar je niet laten verrassen als het ineens ophoudt.
.
Met het bloek doorgaan totdat dat niet meer kan, maar op een zacht pitje misschien. Ooit was ik ermee begonnen om mijn arme landgenoten wat tegeninformatie te bieden tegen het gezwatel over de islam van Wilders en de media, die inmiddels al vijftien jaar dezelfde onzin verkondigen, waar niemand ooit genoeg van lijkt te krijgen. In mijn onschuld meende ik toen nog dat kennis zou helpen en dat mensen graag iets meer zouden weten.
.
Eerder dan allerlei wetenswaardigheden over de oude Arabieren en moslims aan te bieden zou ik misschien moeten werken over wat Europa dwars zit: het onverwerkte verleden, in het geval van Nederland vooral Indië, de VOC en de WIC en de negentiende eeuw, en de omgang met het Buiteneuropese in het algemeen: oriëntalisme en oriëntalistiek. Rassenleer en migratiekunde zijn natuurlijk ook belangrijk, maar daar kan ik slecht over meepraten.
.
Er lijkt ook schot te komen in het opruimen van mijn boeken. Ik zou zo graag een lege woning hebben, maar zolang ik nog een beetje werk kan ik die vakliteratuur niet missen. Bovendien wil niemand die boeken hebben, voor geld niet en voor nop niet, en weggooien is ook zonde. Boeken weggooien kun je tegenwoordig beter aan bibliotheken overlaten. Maar nu was ik in contact gekomen met iemand van de Universiteitsbibliotheek in Mosul, Irak. Daar is de bibliotheek door de ‘Islamitische Staat’ volledig verwoest, en een aantal geëngageerde jonge onderzoekers spannen zich in om de restanten te redden en weer iets op te bouwen. Welnu, dát lijkt me nu de ideale bestemming voor mijn boeken. Er moet alleen nog een weg gevonden worden om het spul daarheen te krijgen, maar daar wordt aan gewerkt. Mocht het U interesseren kunt U eens hier kijken.
.
Het aardige is dat de persoon met wie ik in Mosul correspondeer, vroeger werkte aan de afdeling Oriëntalistiek van de universiteit. In Irak en Saoedi-Arabië waren/zijn er leerstoelen die de oriëntalistiek bestuderen, die gesticht zijn uit haat tegen mijn soort mensen. Maar dat is langzamerhand wel verleden tijd geloof ik. We kunnen elkaar gezellig een beetje pesten, bantering.

Naschrift 4 mei 2018: Die persoon komt nu naar Marburg! Zie hier.

1 reactie

Opgeslagen onder Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk, Universiteit

Nee, dank u

Star Wars, Wagner, Olympische Spelen, popmuziek, disco, Harry Potter, motorfietsen, gedoe met dinosauriërs, Tolkien, electronische muziek, fascisme, Disneyland, science fiction.
.
Wat hebben al deze cultuuruitingen met elkaar gemeen? Dat ik er niets van moet hebben. Gelukkig blijft er nog heel veel over.

6 reacties

Opgeslagen onder Kunst, Literatur, Muziek

Overtocht geweigerd

De radio zegt dat we binnen moeten blijven vanwege de orkaan. De vorige orkaan viel nogal mee, maar goed, ik zal verstandig zijn, wil tenslotte geen boom op mijn kop of deuk in de auto. Dan is er nu even tijd om te kijken naar die aardige dialoog in sonnetvorm van Ronsard (1524–85), in de toonzetting van Antoine de Bertrand († 1581), die wij op het ogenblik zingen.
Er zijn sonnetten van Ronsard in poëtisch Nederlands vertaald; zie hier. Ik kan dat niet, maar wil het gedicht toch laten zien. Dan maar in proza.
Een verliefde, die aan liefde sterft wil door de veerman Charon over de Styx worden overgezet naar de onderwereld. Maar die wil met de Liebestod niets te maken hebben; dat is immers een zaak van de Meester der Goden (= Amor).

Hola, Caron, Caron, nautonnier infernal!
Qui est cest importun, qui si pressé m’appelle?
C’est l’esprit espleuré d’un amoureux fidelle
Lequel pour bien aymer n’eust jamais que du mal

Que cherche tu de moy? Le passage fatal.
Qui est ton homicide? Ô demande cruelle!
Amour m’a faict mourir. Jamais en ma nacelle
nul qui meure d’amour je ne conduis à val.

Et de grace, Caron, reçoy-moy en ta barque!
Cherche un autre nocher, car ny moy ny la Parque
n’entreprenons jamais sur le maistre des dieux.

J’iray donc maugré toy, car j’ay dedans mon âme
Tant de traiz amoureux et de larmes aux yeux

Que j’en feray le fleuve, et la barque, et la rame.

Ziel: Hé, Charon, veerman naar de onderwereld!
Charon: Wie is die drammer die zo haastig om mij roept?
Z.: De ontroostbare geest van een trouwe minnaar,
dien zijn oprechte liefde niets dan leed heeft gebracht.
.
Ch.: Wat wil je van mij? – Z.: De dodelijke overtocht.
Ch.: Wie heeft je gedood? – Z.: O wrede vraag!
Liefde heeft mij omgebracht. Ch.: Nooit heb ik in mijn schuit
iemand die sterft van liefde naar beneden gebracht.
.
Z.: Ach toe, Charon, laat mij in je boot stappen!
Ch.: Zoek jij maar een andere schipper, want ik noch de Parce
mengen ons in de zaken van de Meester der Goden.
.
Z.: Overvaren doe ik toch, want ik heb in mijn ziel
zo veel liefdespijlen, en in mijn ogen zo veel tranen,
dat ik er rivier, boot en roeispaan van kan maken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Literatur, Muziek

Arabisch lezen

Ruim vijf jaar geleden werd ik gepensioneerd als universitair docent arabische taal- en literatuur en islam, en sindsdien heb ik nauwelijks meer modern Arabisch gelezen. Ouder Arabisch wél, alleen al voor het Leeswerk Arabisch dat ik nog schrijf; ook wel eens een nieuwsbulletin of zo, maar moderne literatuur niet. Tot 2007 deed ik dat nog regelmatig, omdat ik er zowel in Amsterdam als in Frankfort onderwijs over moest geven, en ook recensies van uit het Arabisch vertaalde literatuur schreef voor NRC-Handelsblad. (Ongelooflijk eigenlijk, dat Nederlanders zoiets vroeger lazen, en dat er kwaliteitskranten bestonden die daar besprekingen van wilden.) In Marburg waren er aparte docenten voor moderne Arabische letterkunde en ben ik er geleidelijk mee opgehouden. Blijkbaar had ik er geen zin meer in, en omdat het niet meer moest was dat goed zo.
.
Wel bedacht ik onlangs: als je een taal niet gebruikt vergeet je hem, en dat zou wel een ingrijpende zaak zijn. Het Arabisch was immers mijn vak en heeft een groot deel van mijn leven gevuld. Als je later dood bent is die kennis ook weg, maar het is niet zinvol, daarop vooruit te lopen. Daarom dwong ik mij tot de lectuur van wat modern Arabisch, maar het wilde niet erg vlotten. Eerst een geruststelling: ik bleek het nog goed te kunnen lezen. Ik moest wel wat meer woorden opzoeken, maar dat zou ik bij Engels of Frans ook moeten. En dat doe ik natuurlijk nooit: ik laat de woorden vanuit de context opkomen, en als dat niet lukt is het jammer. Alleen als er kernwoorden ontbreken sla ik ze na. In de problemen kom ik alleen bij speciale jargons: landbouwwerktuigen, scheeps- of walvisterminologie, dat soort dingen. Dan zoek ik liever een vertaling, zoals bij voorbeeld van Moby Dick.
Maar, maar … die moderne Arabische romans en korte verhalen stonden ineens zover van me af; ik kreeg er geen contact mee. Ze waren niet te moeilijk, eerder integendeel; en ook niet te exotisch; de tijd dat Arabische auteurs anders schreven dan westerlingen is al heel lang voorbij. Nee, ik vond ze gewoon vervelend. Wat ik voor mijn privé genoegen lees uit Europa, de beide Amerika’s of Japan, al dan niet in vertaling, interesseert me veel meer, dus waarom zou ik mezelf modern Arabisch aandoen? Daarmee wil ik niet zeggen dat moderne Arabische auteurs slecht schrijven; er is echt wel wat goeds te vinden, steeds meer zelfs; ik heb er alleen geen zin meer in. Hoeft ook niet; gepensioneerd weet U wel.
.
De redding verscheen in de vorm van negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse geschriften, waarvan de literaire waarde maar al te vaak gering is, maar waar ik ineens wél zin in heb; vraag me niet waarom. Misschien omdat ik in mijn hart zelf een negentiende-eeuwer ben, een crypto-Ottomaan misschien, of een ouwe koloniaal? Ik houd van die tijd; ik vond het jaarabonnement van Nubar Pasha in het spoorwegmuseum te Cairo ook fijn om te zien.
Ik denk dus wat te gaan lezen uit die tijd, vooral uit Egypte. In Syrië, inclusief Libanon, gebeurde er misschien meer, maar dat ligt buiten mijn horizon en daar laat ik het maar.
.
Hier is al een klein leeslijstje:

  • Nakhla Salih, Fu’ād en Rifqa (1872), een prulletje, maar wél de oudste Egyptische roman; daar zal ik dezer dagen een stukje over schrijven.
  • ‘Alī Pasha Mubārak, ‘Alam al-dīn (1882), een zeer dik werk, dat hier en daar trekken van een roman vertoont, en ook zijn biografische lexicon, Al-Khitat al-tawfīqīya (1888–89), een nog veel dikker werk (20 dln.). Hierover hebben twee Duitse geleerden al behoorlijk wat geschreven, zodat ik in dit geval alleen consument hoef te zijn, en natuurlijk alleen van een paar hoofdstukken. Ik ben de trotse bezitter van een eerste druk van ‘Alam al-dīn, waarschijnlijk de enige in wijde omgeving.
  • Bij al-Manfalūṭī (1876–1924) wilde ik altijd nog eens kijken hoe hij Franse romans aan de lezerswensen van het Egyptische publiek aanpaste: daar kan ik eventueel wat over schrijven. Dat is wel werk, want ik zal dan stukken Arabisch én stukken Frans moeten vertalen, ter vergelijking. Die lezerswensen hadden vooral betrekking op de onmogelijkheid van liefdesaffaires. Als in een roman een jongen zijn aanbedene ontmoette moest dat in het Arabisch neef en nicht worden, enzovoort.
  • Helemaal voor mijn eigen plezier kan ik lezen al-Māzinī, Ibrāhīm al-kātib. Dat heb ik vroeger al eens gelezen, maar dat kan best nog een keer. Niet een gaaf literair werk; veel losse eindjes, maar die auteur is mij zeer sympathiek. Modern, voor 1924.

En onlangs had ik op één dag twee interessante ontmoetingen hier ter stede. Een jonge geleerde die onderzoek doet over (Ahmad) Fāris al-Shidyāq, ofwel Farès Chidiac, Sāq ‘alā sāq, en in het gesprek met hem zag ik het ineens: Ja! Dát zou interessant kunnen zijn om te lezen. In ieder geval voor de ontstaanstijd (1855) is dat een werk van echt grote kwaliteit. De auteur is geboren als christelijke Libanees, werd protestant in het Egypte, waar hij twintig jaar gewoond heeft, vertrok naar Oxford, waar hij de Bijbel in het Arabisch vertaalde, en woonde later nog in Parijs, Tunis en Constantinopel. Laat in zijn leven werd hij moslim. Zijn boek is iets tussen een Bildungsroman en een reisverhaal in, moeilijk van taal, maar lichtvoetig van geest. Het werk bevat ook vele woordenlijsten: de auteur was immers bezig het Arabisch te herontdekken, dat in het Ottomaanse Rijk zo lang was verwaarloosd. Maar die lijsten kun je overslaan. Er is net een tweetalige uitgave Arabisch–Engels van verschenen. Die zou het tevens mogelijk maken wat meer leessnelheid in die oudere taal op te bouwen. Onderwerpen: o.a. de sociale misstanden in Engeland. Als dát niet actueel is.
.
Diezelfde dag heb ik geluncht met een vriendin/collega die ik al jaren ken. Ik vertelde haar dat ik wel zin had om een kort verhaal van Mahmūd Taymūr te vertalen, maar dat ik dat in het Duits niet kon. Zij stelde het voor de hand liggende voor: dat we het samen zouden doen! Daar was ik nog niet op gekomen. Ik zal het eerst in het Nederlands vertalen—aangenomen dat ik het origineel nog kan vinden, dat ergens in mijn chaotische stapels moet liggen. Baas Shehata vraagt om zijn loon is een immoreel verhaaltje uit 1926. Bij een dame wordt voor de zoveelste maal aan de deur geklopt door een koetsier, met wie mevrouw vier, vijf ritten heeft gemaakt, die echter nog niet betaald zijn. Hij laat zich ditmaal niet afschepen door het dienstmeisje, stapt het huis binnen en vraagt mevrouw om zijn geld. Mevrouw is in negligé, noodt hem in haar slaapkamer en betaalt hem in natura. Haar zoontje kijkt door een kier en is er onbedoeld getuige van. Ongelooflijk, dat zoiets toen in Egypte gepubliceerd kon worden. Literair geen hoogvlieger, maar wel grappig.
.
Ja ja, dat is een hoop enthousiasme ineens, maar als zovele bejaarden heb ik de neiging mezelf te verzetteln. Eens zien wat er van komt.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Kairo, Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk

Lectuur voor de winter

De lucht is grauw en vochtig, de boombladeren zijn opgezogen; het wordt tijd me te installeren bij een knapperende radiator met een pot thee en goede boeken. Ik heb een stapeltje in huis gehaald, dat genoeg moet zijn tot kerst.
.
Judith Zeh, Unterleuten. Nederlandse vertaling: Ons soort mensen
Hiervan heb ik al een derde gelezen. Unterleuten is een treurig boerengat in de ex-DDR (maar U mag geloof ik stiekem aan Untermenschen denken), waar de agrarische Produktionsgenossenschaft weer in handen is gekomen van de vroegere grootgrondbezitter en waar op zoek naar rust, natuur en goedkope huizen ook enkele Wessi’s zijn neergestreken. De contacten van de nieuwkomers met de oude ingezetenen lopen maar stroef en nu er een bedrijf grote windmolens wil gaan neerzetten spitst de situatie zich toe … gauw verder lezen, het boek is vrijwel unputdownable. Zeh fileert genadeloos de gedragingen en overtuigingen van alle medespelers in deze bittere tragedie—ik neem tenminste aan dat het daarop uit zal draaien.
.
Holger Gzella, De eerste wereldtaal. De geschiedenis van het Aramees
Het is duidelijk dat dit boek veel mensen niet zal interessen. Mij wel, want het Aramees heeft naast het Arabisch gelegen. En ooit heb ik Bijbels Aramees en wat Syrisch-Aramees geleerd.
Het Aramees mag best eens onder de algemene aandacht worden gebracht: Het was meer dan duizend jaar lang een wereldtaal, van Egypte tot diep in Azië. Het kende belangrijke sprekers, zoals Jezus bij voorbeeld, en er zijn belangrijke boeken in geschreven, zoals het bijbelboek Daniël; misschien oorspronkelijk ook delen van het Nieuwe Testament? dat weet ik niet; joodse bijbelcommentaren, de Talmoed en bovendien een enorm uitgebreide christelijke literatuur in het Syrisch-Aramees, die vrijwel niemand meer leest, maar die toch van groot belang is voor de geschiedschrijving van bijv. de vroege Islam, van de wetenschap en van de kerk. En gewoon om lekker te lezen bij de radiator, bij voorbeeld de reisverslagen van Nestoriaanse monniken in Centraal-Azië.
Ik heb Gzella’s boek nog niet gelezen, maar er even aan geroken. Het is opmerkelijk toegankelijk geschreven en bovendien in het Nederlands, dat is heel wat waard. Het zou dus best een algemeen publiek kunnen vinden; ook voor mensen buiten het vak is het onderwerp interessant genoeg. De competentie van de auteur, de Leidse hoogleraar voor Hebreeuws en Aramees, wordt algemeen erkend. Dit boek bewijst tevens dat er Duitse geleerden bestaan die leesbaar kunnen schrijven.
.
Daniel Kehlmann, Tyll (nog niet vertaald)
Nog niet aan begonnen, maar heb er wel fiducie in, want Kehlmann had al eerder een goed boek: Die Vermessung der Welt. Dit boek speelt tijdens de Dertigjarige Oorlog. Tyll is geïnspireerd op Tijl Uilenspiegel, die blijkbaar de hele boel aan elkaar moet praten.
.
David Rijser, Een telkens nieuwe Oudheid. Of: Hoe Tiberius in New Jersey belandde.
Hierop kan ik me ook verkneukelen, want vroeger heb ik met veel plezier Rijsers stukken in NRC-Handelsblad gelezen. (Geloof het of niet: vroeger had Nederland kwaliteitskranten.) Het gaat om de receptie van de Oudheid in latere tijden, ook in onze tijd. Das Fortleben der Antike, zoals dat hier in Duitsland heet. Het interesseert me ook omdat ik zelf misschien eens wat wil schrijven over de rol van de Arabieren/Perzen bij dat Fortleben. Die rol is wel bekend, maar wordt nog te vaak verwaarloosd of zelfs doodgezwegen. Maakt ook Rijser zich daaraan ‘schuldig’? In het hoofdstuk over de Liebestod en de Hoofse Liefde valt dadelijk op, dat daar geen woord wordt vuilgemaakt aan de Arabieren, hoewel die deze zaken volgens mij hebben uitgevonden.
.
Elena Ferrante, De nieuwe achternaam
Het tweede deel van een vierdelige cyclus, de zog. ‘Napolitaanse romans’. Vergeleken met de bovengenoemde werken misschien een lichtgewicht, maar omdat ik het eerste deel van de cyclus al gelezen heb wil ik toch doorgaan. Hoekige en slijmerige karakters die je bijblijven, en een goede schildering van de samenleving in een Napolitaanse buitenwijk.

3 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Literatur, Nabije Oosten, Taal

Nagelaten hulpverlening

Een kleine verandering in de inrichting van mijn werkkamer is niet geheel zonder betekenis. Naast mijn werkkruk is een plankje met woordenboeken. Ik bezit een groot Frans woordenboek, dat de laatste jaren niet op dat plankje stond, maar ergens waar het niet direct voor het grijpen was. Nu heb ik het dichterbij gehaald, en op zijn oude plek staat nu de dikke Oxford Arabic Dictionary.

Achterwaarts, Arabisch! moge Europa binnentreden! Ik zing volop in het Duits, Italiaans, Engels en Frans, en lees maar weinig Arabisch meer.

In de oude liederen die in een van mijn koren wordt ingestudeerd gaat het vaak over wrede vrouwen die een minnaar op afstand houden of zelfs kwellen. Bij voorbeeld in een gedicht van de kamerheer des konings Clément Marot (1497–­1544).1

MarotChanson$

Wij zingen alleen het eerste couplet, in een toonzetting van Andries Pevernage (1543–1591). In mijn onpoëtische vertaling luidt het:

Kom mij te hulp, Mevrouw, met liefdeblijken.
Zo niet, haalt weldra mij de dood.
Een ander kan geen hulp verlenen
Aan mijn vermoeide hart, dat sterven gaat.
Helaas, helaas, kom toch en help
dengeen die leeft voor U, in grote nood,
want van zijn hart zijt Gij de meesteres.

De dichter is doodziek van liefdesverdriet. Een zieke wendt zich natuurlijk tot een arts, en de enige arts die hem kan helpen is de geliefde. Maar helaas, die maakt geen aanstalten tot hulpverlening. Ze speelt wat met hem, maar de vele kussen die hij op haar mag veroveren maken de kwaal nog erger, terwijl veeleer seksuele vervulling het effectieve geneesmiddel zou zijn: jouissance est ma médecine expresse.

Hiermee was ik onverwacht weer terug bij het Arabisch. Dit is namelijk allemaal al in het Arabisch gedicht, in de achtste eeuw en nog heel lang daarna. Dat de middeleeuwse troubadourslyriek veel te danken heeft aan de Arabische poëzie is wel bekend, maar dat nog vele eeuwen later Arabische motieven in Europa zo gangbaar waren wist ik niet.

Dat liefde een ziekte is wist iedere Arabische dichter sinds Madjnūn. In het grijze verleden dacht men misschien nog aan demonen die een minnaar ziek maakten:

Arts der djinns, genees mij toch, want met mijn kwaal
weet een arts van mensen geen raad.

Maar iets later, zo omstreeks 700, dichtte Djamīl Buthayna:

Ze zeggen: Hij is betoverd, djinns maken hem gek
omdat hij steeds aan haar denkt.
Ik zweer: Waaraan ik lijd is waanzin, geen toverij.

en

Slapende reismakkers, wordt wakker!
Ik vraag u: Doodt liefde een man?
Zij zeiden: Ja, die verbrijzelt zijn botten, laat hem achter
in verwarring en van verstand beroofd.

Een ziekte dus, niets bovennatuurlijks. ِEen belangrijk symptoom van de aandoening is extreme vermagering, vliegende tering. Je hoefde maar te kijken naar bij voorbeeld de dichter ‘Abbās ibn al-Ahnaf (gest. 808) — en dat had zijn geliefde ook kunnen doen, maar het interesseerde haar niet:

De liefde voor U heeft mijn gebeente tot tering veroordeeld …
Ik zag U aan, gezond nog, en mijn blikken deden mij van binnen wegteren.
Ziet Ge niet hoe vermagering mijn gebeente doorschijnend gemaakt heeft?

Deze ziekte voert dikwijls tot de dood. Genezing kan, behalve de Allerhoogste, alleen de arts bieden die de geliefde is. Daartoe moet de patiënt wel eerst zijn klacht uiten. Een adagium van Ibn Dāwūd al-Isbahānī (868–909) luidt: ‘Niet verstandig is degene, die nalaat de arts te beschrijven waaraan hij lijdt.’ Toch laat de lijder dit vaak na, uit verlegenheid, discretie of uit wanhoop. Want maar al te vaak wil uitgerekend deze arts hem niet genezen, aldus ‘Abbās:

De arts was gierig met zijn medicijn voor de wegterende zieke.

of erger nog:

Waar haal ik het medicijn voor mijn lijden,
wanneer mijn ziekte de arts zelf is?

Soms kwelt de geliefde een minnaar tot de dood, en niet eens altijd met opzet. In de woorden van Fatḥ ibn Khāqān (817–861):

Gij maakte U meester van mijn ziel en besloot mij te doden,
nee, niet in ernst, maar de ziel gaat er wel aan ten onder,
als een vogeltje in een kinderhand die het knijpt
tot het dood is, terwijl het kind alleen wil spelen.

Dat seks genezend werkt wisten de oude Arabische dichters natuurlijk ook al. Op dit moment vind ik geen bewijsplaatsen, die houdt U nog te goed.

NOOT
1. De Fransen uit die tijd deden blijkbaar niet aan accenten. Veel moderne Fransen ook niet, omdat dat lastig is op een mobieltje.

1 reactie

Opgeslagen onder Arabisch, Literatur

Onweten 1

Er is er een jarig, hoera, hoera, dat kun je wel zien, dat is William Shakespeare. Vierhonderd jaar geleden gestorven, en wereldberoemd vanwege een prachtig oeuvre van toneelstukken en sonnetten, dat vraagt om een herdenking. Vandaar dat het nu Shakespeare-jaar is. Dat voert natuurlijk tot talloze opvoeringen van zijn stukken en dat is fijn.

Maar wie was William Shakespeare? De weinige harde feiten over de man die zo heette passen niet bij het grote en erudiete werk dat op zijn naam staat. Het onderzoek kort samengevat: we weten helemaal niets over hem, en dat al langer dan een eeuw.

Maar kort samenvatten is niets voor de radio, de televisie en de gedrukte media. In dit Shakespeare-jaar heb ik al zeker tien lange programma’s en artikelen langs zien komen waarin uitvoerig uit de doeken werd gedaan dat we helemaal niets weten over de auteur. En het is pas april!

Hoe beroemder iemand is, des te dringender het verlangen iets over hem te weten. In mijn vak kom ik dat tegen bij Mohammed. Nog zo iemand over wie maar snippers bekend zijn, maar over wie de mensen heel veel willen weten en dus eindelooos ouwehoeren. En echt niet alleen moslims.

Op kleinere schaal komt ik dit ongewenste onweten ook tegen bij mijn lectuur over de Rotskoepel in Jeruzalem. Een mooi en belangwekkend gebouw, maar waarom heeft kalief Abd al-Malik dat in 692 laten neerzetten? We weten het niet. En daar wil ik het dan maar bij laten.

1 reactie

Opgeslagen onder Geschiedschrijving, Literatur

Maisy de laan uit

What Maisy Knew hoef ik niet verder te weten. Drie weken geleden was ik begonnen deze roman van Henry James uit 1897 te lezen, maar ik ben niet verder gekomen dan een kwart ervan. Het is genoeg, ik leg het weg; het heeft me al die tijd afgehouden van andere lectuur.

Het gebeurt natuurlijk wel vaker dat ik een boek wegleg als het niet zo goed is. Vreemd is echter dat What Maisy Knew wel degelijk een goed boek is. Het is misschien wel héél goed: rijk taalgebruik om van te smullen, een perfecte opbouw, een thematiek die in die tijd zeker origineel en moeilijk moet zijn geweest: twee echtelieden die uit elkaar gaan en elkaar daarna voortdurend dwars zitten, een dochtertje van een jaar of tien dat tussen moeder en vader heen en weer wordt gestuurd en het slachtoffer wordt van de onmin. Beide ouders hebben een gouvernante ingehuurd; beiden hertrouwen ook, zodat er personages genoeg rondlopen, en ze worden allemaal zo goed ingevuld dat je ze duidelijk voor je ziet. De akelige en onbegrijpelijke lotgevallen van een scheidingskind van elkaar hatende ouders waren een eeuw geleden zeker niet algemeen en nog nauwelijks in romans verwerkt. Buitengewoon goed is dat de schrijver alles beschrijft vanuit het gezichtspunt van het kleine meisje, en met succes. Als dat geen prestatie is!

En toch, ik heb er geen zin meer in. Waarom begrijp ik niet.

5 reacties

Opgeslagen onder Literatur

Dewulf, Aan het water

In Antwerpen vond ik dit schone gedicht van Bernard Dewulf op een muur in Het Steen. Een Emigrant begrijpt dat wel.

 

Aan het water

Nu ik nooit van hier zal zijn
en dagelijks afkomstiger ben van elders,

nu ik hier dan toch in een bocht
aan het water een straat heb gelegd,

een vindplaats ingericht voor een kind,
een berk en wat rozen,

nu het kind over de latere voetpaden
met de jaren steeds meer afkomstig zal zijn

uit die straat aan het snelle water
tussen de oude berk en de rozen,

zal ik nooit meer van hier zijn dan nu.

2 reacties

Opgeslagen onder Literatur