Categorie archief: Persoonlijk

Wat te doen?

Wat te doen? Ik weet het even niet meer. Jaar in jaar uit werd ik ’s ochtends wakker met een duidelijk idee van wat ik die dag zou gaan doen. Vaak kwam er niets van terecht, maar dat is wat anders: de intentie was er. Nu word ik wakker en denk aan niets, al ruim een week.

Er zijn natuurlijk impulsen van buiten: er ligt nog een project dat af moet, er zijn afspraken over het zingen, er moet geoefend worden, het belastingbiljet moet ingevuld worden. Als ik aan de schrijftafel ga zitten ligt daar werk van gisteren of eergisteren; daarop kan ik voortborduren. Toch voelt het wat kaal zo, en zonder innerlijke aandrang wordt de soep ook wat dun. Is het de ouderdom?

2 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk

Sleepless in Marburg

Bij het slapen gaan lees ik ritueel nog twee, drie bladzijden, strek mijn hand uit naar de lichtschakelaar en ga op één van mijn zijden liggen. Een ogenblik genieten nog van het lekkere kussen en het luchtige ‘dons van gelukkige ganzen’ bovenop mij, en weg ben ik.

Maar soms lukt het niet, zoals vannacht. Wat is dat toch, dat niet kunnen slapen? Ik heb geen pijn, geen zorgen, tob nergens over, denk zelfs helemaal nergens aan (ja, dat kan ik!), maar slapen, ho maar. 

Volgens mij ligt het aan een niet tot stand komende symbiose met het kussen. De wang ligt er niet fijn op, er is geen harmonie en even verschuiven helpt niet. Het is gewoon niet Feng Shui! Op de andere zij gaan liggen dan? Daar prikt de punt van het kussensloop tegen mijn neus aan, en het kussen heeft ineens bultige gedeelten en lege stukken. Deze misstand kan uren duren en leidt tot veel gewoel. Tenslotte val ik toch wel in slaap, maar dan is er al een heel stuk nacht voorbij. 

1 reactie

Opgeslagen onder Persoonlijk

De pan der begeerte

Telkens als ik de supermarkt binnenloop zie ik het rek waar de potten en pannen op staan die je kunt krijgen op de spaarzegeltjes, die je op een kaart moet plakken. Ik neem dan even oogcontact op met de pan van mijn begeerte. Ja, ik wil hem echt hebben. Nog voor de kerst is hij van mij!

Wat een rare truc van het kapitalisme is dat. Ik heb geld genoeg om die pan in een winkel te kopen; ook wel tien als het moet. Het is een solide pan, maar vreselijk duur is hij niet. Maar het gaat erom hem gratis te krijgen.

2 reacties

Opgeslagen onder Economie/Wirtschaft, Persoonlijk

Herinnering: het Bas Veth-gevoel

In mijn kast staan vrij wat boeken uit en over Nederlands-Indië, maar ik heb ze niet allemaal gelezen. Om daar verandering in te brengen heb ik er twee tevoorschijn gehaald: Justus van Maurik, een verkorte uitgave van zijn Indrukken van een Tòtòk (1965; de volledige uitgave verscheen in 1897), en Bas Veth, Het leven in Nederlandsch-Indë van 1900.

Justus van Maurik (1846–1904) was een sigarenfabrikant; zijn merk bestaat nog steeds en staat goed aangeschreven. Hij maakte echter niet alleen sigaren, hij schreef ook veelgelezen volksverhalen en hield populaire voordrachten. Voor zaken verbleef hij enkele maanden op Sumatra en Java. Ook zijn Indische belevenissen wilde hij in een gezellig boek vastleggen, en dat is goed gelukt.
In Indië was iedereen geweldig gastvrij, gezellig en behulpzaam — iedereen, dat waren natuurlijk vooral de Nederlanders, en enkele Indo-Europeanen en Chinezen. De inlanders vormen niet meer dan een schilderachtig decor en worden hier en daar in de beste koloniale traditie met minachting beschreven of uitgelachen omdat ze zo koddig waren .
De Nederlanders in Indië zullen ingenomen zijn geweest met dit boek: zij en ‘hun’ land worden er hoog in geprezen en als het niet zo ver weg was geweest had het haast een toeristische bestemming kunnen worden. 

Bas Veth (1860–1922) daarentegen heeft er twaalf jaar gewoond, en dat waren zeer ongelukkige jaren. Veth was een cultureel ontwikkeld man en een getalenteerd schrijver—en een begenadigd kankeraar.
De rijsttafel vond hij niet lekker, de hotels waren krakkemikkig, de badkamers en WC’s smerig, het klimaat was saai en afmattend, de weelderige natuur viel tegen want monotoon bij gebrek aan seizoenen, en vooral de ‘Indischman’ was het voorwerp van zijn langdurige gramschap. Daarmee bedoelde hij de Nederlander die in Indië geboren was of ernaar toe gekomen was en daar zolang gewoond had dat het land hem had gevormd. ’De „Indisch-man“ is, als regel, de „losgelaten“ bourgeois in de ploerterigste buitensporigheid. De „Indisch-man“ maakt in Indië een dolzinnig gebruik van de prerogatieven: positie, geld en blanke huid.’ Domme, volgevreten horken zijn het, grof tegen vrouwen en inlanders, met eeuwig dezelfde verhalen in de sociëteit, en dan nog vinden ze dat ze ‘van stand’ zijn! Veth voelde zich eenzaam tussen deze lui. ‘Zeker, de Indische eenzaamheid is een andere dan de Europese; ze werkt van buiten op je in en je voelt je daarom in Indië werkelijk alléén, héél alléén.’

Omdat Veth een scherpe pen had leest zijn boek wel lekker weg. Ik kan niet al zijn gezeur serieus nemen, maar op één punt kan ik hem helemaal begrijpen en zijn onbehagen en wanhoop navoelen, met terugwerkende kracht. Tijdens mijn studietijd in Egypte (1971-72) was ik ook vaak zo vertwijfeld. Tot de Egyptenaren had ik voor mijn gevoel geen toegang. Er leken geen gemeenschappelijke gespreksthema’s te zijn. Zelfs toen het met de taal beter ging had ik niet het verlangen met deze mensen te praten. Verwantschap verwachtte ik dan tenminste met de daar wonende Europeanen en Amerikanen. Maar met de Europese gemeenschap in Cairo, mijn eigen soort als het ware, was het niet beter; integendeel. De expats in Egypte waren van die joviale, ‘gezellige’ mensen, bij wie van Maurik zich thuis zou hebben gevoeld en Veth helemaal niet. Net zulke horken, die alleen aan geld dachten, praatten over goedkoop winkelen in Dubai of Singapore, en die het land waarin zij nu verbleven verachtten. Evenals Veth heb ik daar dus geleden onder de afwezigheid van verwante zielen—zij het gelukkig veel korter dan twaalf jaar. Het weer was in Egypte niet bedrukkend; met boomloosheid, saai eten en vieze WCs kon ik leven, maar de afwezigheid van soortgenoten, die was echt erg, en de lectuur van Veth bracht me dadelijk terug naar mijn ervaring van toen.

Het Bas Veth-gevoel is ook weer overgegaan. Na mijn eerste studieverblijf ben ik nog vaak naar Egypte teruggegaan, en ik vond dagboekaantekeningen terug uit 1988, waarin ik sprak van een ‘gevoel van thuiskomen’ als ik in Egypte landde. ’Egypte is nu zomaar binnenland geworden. Niet helemaal zoals Nederland, maar laten we zeggen zoals Engeland. […] Het is een eenheid die ik in mezelf bespeur, en zonder twijfel zal ik nu minder afstandelijk met Egyptenaren kunnen omgaan. […] De taal ervaar ik niet meer als last; ik doe mijn mond open en zeg gewoon maar wat. Er is geen gemaaktheid meer, geen kramp in de kaken, en de Egyptenaren met wie ik omga voelen dat natuurlijk ook. Heel fijn.’

Inmiddels is Egypte weer uit mijn leven verdwenen. Maar dat is door ouderdom en grotere gerichtheid op Europa (Frankrijk, Italië) gebeurd, niet op grond van een Bas Veth-gevoel. Er zijn kloven tussen de culturen, maar die kunnen overbrugd worden. Dat kost tijd, maar het loont de moeite. In 1900, in een koloniale situatie, kon het nog niet.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Nabije Oosten, Persoonlijk

Af laten glijden, nogmaals

Gisteren is er iets belangrijks gebeurd, dat wil zeggen: van geen enkel belang voor de wereldgeschiedenis, maar wel in mijn kleine leventje. Ik heb namelijk drie Schubert-liederen gezongen met een professionele pianiste, ter voorbereiding van twee uitvoeringen met een bescheiden publiek, in december of januari. Zoiets had ik nog niet gedaan. Je kunt die liederen wel instuderen met opgenomen pianopartijen in het internet, maar dat is lang niet hetzelfde; dan is er geen samenzijn, geen op elkaar inspelen. Het ging meteen al aardig goed, al is er nog het nodige werk aan te verrichten. Heerlijk om te doen, en met goed vooruitzicht op welslagen binnenkort.

Een mijlpaal dus, iets belangrijks voor mijn doen. En daarna gebeurde er wat er daarna altijd gebeurt: ik heb het volkomen gewist. Dat gebeurt zowel bij belangrijke als bij minder belangrijke zaken. Het is dan alsof het niet heeft plaatsgehad. Ik heb dat al een tijdje, heb er ook eerder over geschreven (hier en hier) en ik vind het vreemd. Ik wil dat zo niet, zeker niet bij die ervaring met het zingen, die immers echt mooi was. 

Nu heb ik doelbewust  geprobeerd het samenzijn terug te halen. Dat loopt dan via het geheugen; ik zou even niet weten met welk ander lichaamsdeel je zoiets kon doen. Het gaat detailsgewijs: bepaalde momenten, bepaalde maten, hoe die geklonken hebben, wat V. toen zei, wat er nog aan verbeterd kan worden. Dat is dus tamelijk rationeel; van een herbeleving was geen sprake. Alle Lust will Ewigkeit? Nee hoor, bij mij niet; het ene moment was wel genoeg.

Ik vermoed dat het zo zit: de gebeurtenissen direct zoals ze plaats vinden zijn belastend, verstorend, die halen me uit mijn evenwicht. En omdat ik ouder word, wordt mijn incasseringsvermogen kleiner en  laat ik dus meer afglijden. Aan de hand van negatieve gebeurtenissen is dat af laten glijden goed te begrijpen: als je bij voorbeeld een teen stoot doet dat even heftig pijn, maar dat schikt niet, dat wil je niet, dus je negeert het. De zwelling die daarbij optreedt en soms nog dagen aanhoudt verstop je in een sok: je hebt je teen niet gestoten. Als de pijn niet heel erg is lukt dat best. Op grotere schaal geldt dat natuurlijk ook voor de knie- en beenpijn die ik steeds vaker heb: wegdenken die hap, dan kan ik mijn goede humeur bewaren. Omdat mijn kindheid voornamelijk uit onaangename en pijnlijke zaken bestond heb ik me blijkbaar al vroeg aangewend alles eerst maar eens te negeren, weg te schuiven. 

Mijn vermoeden is nu, dat deze habitus van afschuiven is overgesprongen op het neutrale of mooie dat ik meemaak. Een vriendin heeft eens tegen me gezegd; met jou is het net of er nog niets geweest is, we moeten telkens weer bij nul beginnen. Ja, dat kan wel kloppen. En als ik een voortzetting wil, in een relatie, of zoals nu bij die muziek, of als ik het gewoon zonde vind om iets weg te gooien, haal ik een gebeuren weer boven water, mondjesmaat, in mijn tempo, zodat ik er niet door overweldigd word. Overigens belet deze houding me niet van het ogenblik te genieten of het te doorvoelen; het is pas onmiddellijk daarná dat alles gewist wordt.
Zó, ongeveer? Helemaal begrijp ik nog steeds niet hoe het zit.

Voor het archief links naar professionele uitvoeringen van de liederen: Schubert, Schäfers Klagelied, Das Fischermädchen, Am Meer (prachtig, met Werner Güra!), of hier.

1 reactie

Opgeslagen onder Persoonlijk

Amsterveen

Zaterdag om vier uur een fijne bijeenkomst in Amsterdam-Buitenveldert. Ik was graag met de trein gegaan, maar je kunt er niet meer op rekenen dat je dan op tijd aanwezig bent. De tijd dat die rit vijfeenhalf uur duurde ligt allang achter ons; zeven uur is tegenwoordig het minste. Volgens het spoorboekje dan; de werkelijkheid ziet er nog anders uit. Met tegenzin in de auto dus. Het viel wel mee; autorijden vind ik tegenwoordig minder belastend dan nog enkele jaren geleden. Een hotel betrokken in Amstelveen; Amsterdam is onbetaalbaar geworden. Vandaar te voet naar het adres in Buitenveldert. Dat vond ik nogal schokkend. Amstelveen heeft mooie, bewoonbare lanen, maar deze route voerde me door een hele wijk van die waardeloze, gehorige flats uit de jaren zeventig, die uit glas en dunne betonplaten bestaan. Zulke gebouwen moet ik vroeger vaak gezien hebben, maar ik was ze vergeten en ik vroeg me af hoe mensen zoiets konden bouwen, en erin wonen? Een sterk gevoel van vervreemding, en van plaatsvervangende schaamte ook. De bijeenkomst was mooi, maar daar ga ik het hier niet over hebben. Melding wil ik alleen maken van het heerlijke Indische eten; dat mis ik in Duitsland. ’s Avonds op de terugweg was er een enorme herrie aan de gang. Naar verluidde was het een festival in het Olympisch Stadion. Ook toen ik al ruimschoots in Amstelveen was kon je dat nog keihard horen denderen. Zo worden er enkele tienduizenden of misschien zelfs honderdduizenden mensen gedwongen om mee te luisteren; akelig. Is het een wonder dat de Nederlanders een beetje raar geworden zijn?

Zondag had ik een middagafspraak met twee prettige mensen in een Vlaams café-restaurant in de Amsterdamse binnenstad. Ik had me voorgenomen daarvóór nog wat door de stad te banjeren, maar omdat het de hele tijd regende ging dat niet door. Lang ontbeten, en op mijn gemakje met de bus en de nieuwe metrolijn naar de stad. De Zuidas, waar al dat Russische geld gewassen wordt, had ik nog nooit goed bekeken, en het vroeger zo vertrouwde Station Zuid was bijna niet meer te herkennen. Die geldtorens zijn nogal griezelig, maar in één gebouwencomplex had ik wel schik, in plaats van het te beschrijven plaats ik liever een foto. Dat zijn kennelijk woongebouwen; de huur zal zeker € 3000 per maand bedragen. Niet dat ik er zou willen wonen: herrie, benzinedamp, fijnstof en te zeer afhankelijk van high-tech, die onherroepelijk een keer kapot gaat. Ik heb in Cairo al te veel trappen beklommen omdat de lift het niet meer deed.
De nieuwe metrolijn kende ik ook nog niet; die is royaal aangelegd en niet zo sinister als de oudere lijnen waren. Wat zijn de mensen jong geworden, en wat zijn er ondanks de regen veel op de been!

.

In de stad heb ik, vóór mijn afspraak, maar twee dingen gedaan. Koffie gedronken op het Spui, buiten, onder een heel groot regenscherm. Binnen wilde ik nergens zitten, want men zit erg dicht op elkaar in Amsterdam: het is vanouds een krappe stad. Vroeger moet ik dat normaal hebben gevonden; nu leek me dat onprettig, en niet alleen wegens corona, dus de buitengelegenheid kwam goed van pas. Daar zat ik dan drie kwartier; ik geloof dat die tent vroeger de Sherrycan heette. Toen heb ik er nooit gezeten; ik heb ook geen bijzondere band met die plek. Toch kwam daar de draaimolen van herinneringen op gang. Ik zag veel huizen en gebouwen waar ik in de loop der eeuwen in was geweest en herinnerde me wat ik daar had gedaan, en met wie. Heel dierbaar allemaal, maar ook overweldigend. Het werd een warreling van herinneringen, een beetje al te veel.

Intussen liep het tegen de middag en werd het steeds duidelijker hoe vergeven Amsterdam is van de toeristen. Het is inderdaad het Venetië van het Noorden; niet meer prettig. Om weer tot rust te komen nog een tijdje stukgeslagen in de vernieuwde Athenaeum-boekhandel, die tot mijn verbazing ook op zondag geopend was. Een uitstekende boekhandel met Nederlands, Engels en Frans, zoiets zie ik anders nooit en het rondkijken was een genot.
Op de terugweg nog even over de Dam gelopen. Daar ook al een enorme herrie van versterkte rotmuziek; gauw weg maar weer. Na de copieuze lunch hoefde ik ’s avonds niet meer veel te eten; een broodje malse haring meegenomen voor in het hotel.

Op maandag voor de middag nog een goede vriend bezocht in Utrecht. Dat is iemand bij wie ik altijd goed tot rust kom. Nog meer rust, ondanks het autorijden, bood onverwacht de Raststätte Aggertal. Daar ben ik niet naar binnen gegaan, maar tijdens het strekken van de benen kwam ik in een prachtig landschap terecht, dat dadelijk achter de Autobahn al begon. Nog twee uurtjes rijden, toen was ik weer thuis.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Auto, Nederland, Persoonlijk

Soezen 3

De nacht verliep volgens het patroon dat normaal is geworden: vijf uur slapen, twee uur soezen in bed (Emigrant berichtte: Soezen 1 en Soezen 2). Maar ditmaal duurde het soezen gevoeld wel érg lang. Af en toe onderbrak ik om op de wekker te kijken, en de minuten bleken zeer langzaam vooruit te kruipen. Het was niet heel aangenaam zo, maar het moest blijkbaar gebeuren. Want er was veel te verwerken, en het is nodig om dat inderdaad te doen. Anders gaat het malen in mijn hoofd, en dat is ongezond. Ik merkte gisteren dat ik slordig auto reed. Nog net geen fouten gemaakt, maar slordig! In het verkeer kun je dat niet hebben, en in de omgang met mensen ook niet. Helderheid moet er komen.

Er zijn positieve ontwikkelingen. Eindelijk een pianiste gevonden die me gaat begeleiden bij het zingen van liederen. We beginnen volgende  week met Schubert: Schäfers Klagelied, Das Fischermädchen en Am Meer. Dat laatste vereist een grote ademdiscipline. Het werk aan het onderzoeksproject schiet na een periode van stagnatie nu weer lekker op. Als het zo door gaat is het over twee jaar af en kan ik dan definitief in een Seniorenresidenz verdwijnen.
En meer incidenteel: het afgelopen weekend in Amstelveen en Amsterdam, met een reeks van mooie ontmoetingen.

Er is ook een negatieve ontwikkeling: de lichamelijke toestand, het been. Het is niet alleen die knie, het heeft te maken met zenuwbanen in de onderrug, geprikkelde wortels, weet ik veel, en het wordt hinderlijker en erger. Dit is echter nog geen onderwerp van soezen geweest. Alles waar geen benen bij nodig zijn gaat goed.

Veel, te veel? Al die bezigheden die zo goed gaan malen door mijn hoofd, en het bezoek aan Amsterdam komt daar nog bij. Ik voel geen stress, ik heb volop tijd om alles rustig te doen en er is zelfs nog tijd over. Maar het maalt in mijn hoofd: stukken muziek die doordrenzen, gedachtengangen, redeneringen, herinneringen, plannen, het gaat maar door. Het ziet ernaar uit dat ik minder impulsen kan verwerken dan voorheen. De corona-indolentie heeft natuurlijk ook gezorgd voor een verminderde training. Het malen is een autonoom proces, dat niet of moeilijk te stoppen is. Het lukt een beetje met de autogene training die ik mij herinnerde, maar dan komt het weer terug. 

Maar nu is er gesoesd en het is opgeschreven: vanaf nu zal het wel weer gaan. ‘Hij heeft ze weer allemaal op een rijtje.’ De indrukken van Amsterdam zal ik misschien later nog opschrijven.

Terug naar Soezen 1          Naar Soezen 2

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Persoonlijk

Mijn advocaat, mijn filosoof

‘Nu wil ik mijn advocaat bellen,’ of: ‘Ik zeg niets meer zonder mijn advocaat’. Zoiets zegt de verdachte vaak in een Krimi-film of detectiveboekje, wanneer hij in benauwdheid geraakt tijdens een politieverhoor. Hij belt, en ja hoor, in een paar minuten staat zijn advocaat voor de deur. Ik zou op zo’n moment niet weten wie ik moest bellen, want ik heb helemaal geen advocaat. Gelukkig word ik tot nu toe nergens van verdacht.

Erger is misschien dat ik ook geen filosoof heb. Iemand vroeg me laatst wat mijn favoriete filosoof is. Ik moest het antwoord schuldig blijven, ik heb er geen. Aristoteles is mij liever dan Plato, maar van een favoriet zou ik niet willen spreken. Bovendien zijn er sinds de oude Grieken nog zoveel filosofen geweest, onder wie misschien een mogelijke favoriet, maar daar heb ik allemaal geen weet van.
Het is nog niet te laat: er zijn leesbare boeken over.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

De tijd des tands

De electrische tandenborstel geeft iedere dertig seconden een klein schokje. Dan weet je dat het tijd is om een ander deel van het gebit onder handen te nemen.

Als ik met het verstand op nul voor de wasbak sta te poetsen zijn die dertig seconden zo om. Maar soms gebeurt het dat ik iets denk, of mij iets herinner tijdens het poetsen. En dan houd ik innerlijk hele betogen, of voer gesprekken die hebben plaats gehad of nog moeten plaatshebben zonder dat het schokje komt; dan duren die dertig seconden eindeloos lang. Als het mogelijk zou zijn die gedachten op te schrijven, zou er minstens een A4-tje voor nodig zijn, misschien wel twee. Alles gedacht, herinnerd en geformuleerd in minder dan dertig seconden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

In Parijs (2)

Blijvende namen: In Parijs had iemand het over de Rue du Bac. Ah ja, dacht ik, de Rue du Bac. Die herinner ik mij namelijk, heel goed zelfs. Daar moet ik ooit geweest zijn, iets te doen gehad hebben. Maar wát weet ik niet meer, en waar hij is weet ik ook niet. Alleen de naam is blijven hangen. Hetzelfde geldt voor de Rue de Rennes, Rue de Lille, Rue de Grenelle. In die laatste was een fijne kaaswinkel, maar dat is dan ook het enige wat ik me ervan herinner. De rest van mijn verleden in Parijs: uitgewist, gewoonweg effacé! Wat heb je dan aan een verleden? Waar zijn de mini-herinneringen als je ze nodig hebt? Ja, de Rue de la Glacière, daarvan weet ik nog veel, want daar was ik pas zes jaar geleden eens gelogeerd.

De namen van de metro-stations onthoud je ook. Je zit half versuft in zo’n trein en de namen glijden voorbij, worden omgeroepen en zetten zich vast in je geheugen. Solférino, Châtelet, St. Michel. De bizarre namen nog eerder dan de gewone: Sèvres Babylone, Réaumur Sébastopol, Denfert Rochereau. En de eindpunten, waar je op moet letten om in de goede lijn te stappen: Mairie d’Ivry, Porte des Lilas, Bobigny. Allemaal oorden waar ik vast nooit geweest ben, maar die toch bestaan.

In andere steden gaat het net zo: Camden Town, Royal Oak, Elephant & Castle, Monument (for Bank). En zelfs in Alexandrië: Ramleh, Camp de César, Ibrahimiye, San Stefano, Bacos.

Op den duur kom je nergens meer en blijven alleen de namen over. Die kun je dan voor je uit prevelen in de rolstoel.

Nieuw woord geleerd: Onglerie = nagelstudio, nagelsalon.

1 reactie

Opgeslagen onder Parijs, Persoonlijk