Categorie archief: Persoonlijk

Doppelkopf

John Elliot Gardiner wordt overmorgen vierenzeventig. Terwijl ik nog ik bed lag en mijn knie-oefeningen deed vertelde de radio over hem. Hij blijkt niet alleen de wereldberoemde dirigent te zijn, maar is tevens eco-boer. En niet maar zo’n beetje, als iemand met een buitenhuisje en wat hobby-dieren. Nee, niet alleen ecologisch, maar ook economisch verantwoord runt hij een flinke boerderij met meer dan honderd koeien en nog wat schapen. Als je net in Londen een symfonie van Schumann gedirigeerd hebt, zo zei hij, is het heel ontspannend bij Kimberley, Clara en de andere lievelingskoeien te zijn.
.
Gardiner zou dus in aanmerking komen voor het radioprogramma Doppelkopf van de Hessische Rundfunk. Iedere middag, jaar in jaar uit, wordt daarin iemand geïnterviewd en in het zonnetje gezet die twee dingen goed kan. Een rechter die tevens muziek maakt, een schilder die tevens een sportheld is, dat soort mensen.
.
Dit programma heb ik in de loop der jaren dikwijls beluisterd. Soms gefascineerd, soms verveeld als het activiteiten betrof die ik niet waardeer, of als de muziekkeuze van de geïnterviewde ongenietbaar was, maar vaak ook gewoon jaloers. Potverdorie: terwijl ik zelf nauwelijks één ding goed kan heb je daar mensen die er twee beheersen. En iedere dag weer een ander! Er is blijkbaar een onuitputtelijk reservoir van energieke, capabele, multi-getalenteerde mensen.
.
Zelf ben ik de laatste tijd ook een beetje tweehoofdig. Nog altijd ben ik arabist; daarnaast leer ik zingen. Maar in geen van beide activiteiten ben ik op een niveau dat deelname aan zo’n radioprogramma zou rechtvaardigen, om van de wereldklasse van Gardiner nog maar te zwijgen. Dat steekt soms, dat maakt me jaloers. U hoeft het me niet uit te leggen: je moet nooit vergelijken, iedereen heeft zijn eigen waarde en jij bent toch ook goed? Maar toch, soms.
.
Een ander pijnlijk punt is de leeftijd. Vierenzeventig wordt Gardiner, en hij dirigeert en melkt nog dat het een aard heeft. Ik ben pas zeventig, —word éénenzeventig — en ben vaak moe en kan dingen duidelijk minder goed dan vroeger: Arabisch, koken, lopen, fietsen, klusjes in huis. Dat is blijkbaar normaal en hoort bij het ouder worden. Aan de pannenlappen die mijn tante Jo altijd haakte, en waarmee zij ook het Koninklijk Huis verblijdde, was duidelijk de neergang te volgen. Haar laatste pannenlap, die nog lang in mijn bezit was, droeg de dood al in het gezicht. En hebt U dat wel eens gezien in zo’n bejaardenhuis: de schilderstukjes, die de bewoners op hun zoveelentachtigste nog hebben gemaakt en trots in de conversatiezaal hebben laten ophangen? Niet om aan te zien. Maar zo’n Gardiner gaat maar door, geen vermoeidheid of afstomping te merken; integendeel. En er zijn er meer zoals hij. Terwijl normale mensen gewoon oud worden is er een minderheid van topfitte genieën.
.
Ben, of was, ik dan geen uitstekende arabist? Ja en nee. Gemeten aan de huidige desolate staat van de alfa-opleidingen ben ik natuurlijk knettergoed, juist omdat ik zo oud ben. Ik heb een opleiding gehad die jonge studenten zich niet eens meer kunnen voorstellen, en wat een algemene ontwikkeling! Maar binnen mijn eigen generatie was ik nooit bijzonder geniaal: in schoolcijfers uitgedrukt een zeveneneenhalf, soms een acht. Ik heb dan ook maar weinig wetenschappelijke publicaties. Wetenschappelijk onderzoek was voor mij altijd een keurslijf, wat ik pas na mijn pensionering onder ogen durfde te zien. In onderwijs, daarin was ik wel goed. Dat komt niet voor de radio, maar er lopen nog minstens honderd personen rond die wat aan mijn onderwijs hebben gehad. En dat was het dan. Een lievelingskoe heb ik niet.

 

3 reacties

Opgeslagen onder Pensioen, Persoonlijk

Verloren posten

Zoëven heb ik weer eens gedroomd dat ik ontslagen werd aan de VU. Het was nogal smartelijk en gedetailleerd ditmaal: de overname van de werkkamer door iemand anders, op straat lopen zonder te weten waarheen, enzovoort.
Allemaal onzin: ik ben in 1996, na jaren ontslagdreiging, niet ontslagen maar heb ontslag genomen, heb zevenendertig jaar onafgebroken als arabist gewerkt in Leiden, Amsterdam, Frankfort en Marburg, en geniet dientengevolge nu een behoorlijk pensioen. Een levensloop die menig academicus me zal benijden.
Wel heb ik twee maal de onttakeling van een studierichting meegemaakt, die in beide gevallen nogal lang duurde en waarbij ik als laatste het licht moest uitdoen. In Marburg werd niet het instituut opgeheven, maar verzandde wel het klassieke Arabisch.
.
Al dat opheffen geschiedde in groter verband: de alfa-vakken leveren geen rendement op, dus die konden veel kleiner. Eigenlijk viel het voor de ‘kleine letterenvakken’ in Nederland lange tijd nog mee, omdat er tien jaar lang bijzondere bescherming geboden werd. Maar daarna begon ook bij Arabisch de kaalslag. Voor zover ik kan overzien is in Nederland het vak alleen nog in Leiden op volle sterkte aanwezig. In andere steden niet meer, of sterk beknot. In Duitsland komt alles pas tien jaar later. Alles is er nog, maar op veel plaatsen wel erg uitgehold: halve banen, onderbetaalde assistentschappen enz.
.
Zowel aan de VU als in Frankfort werd de wetenschappelijke semitistiek/arabistiek opgeheven. Maar kort daarna werd in beide universiteiten islamitische ‘islamwetenschap’ ingevoerd. Hoewel het beter is imams hier op te leiden dan ze uit het buitenland te halen kan ik mij daarover niet verheugen, omdat het theologie is en vele dingen dus niet gezegd mogen worden. Om maar iets te noemen: de invloed van de Grieks-Romeinse cultuur op de oude Arabieren wordt geloochend; de biografie van de profeet wordt voor zoete koek geslikt en de aan hem toegeschreven uitspraken heeft hij werkelijk gedaan. Daar pas ik niet bij.
.
De opheffing van het instituut in Frankfort was overigens wél verheugend. In 2007 werden namelijk in de deelstaat Hessen de ‘kleinere letterenvakken’ samengevoegd en in de drie universiteiten geconcentreerd. In Marburg kwam (vrijwel) alles terecht wat met het Midden-Oosten te maken had, en dus ook ik. Dat was geen bezuinigingsmaatregel; integendeel, er werd een groot en vorstelijk gefinancierd instituut opgezet, met zeven professoren en als ik het wel heb veertig medewerkers. Het bloeide en gedijde en het was een mooie tijd. Alleen was er na mijn pensionering geen plaats meer voor iemand die die ouwe boel las en onderwees. Liever nog eens Arabische lente of salafisme enzo, en waarom zou iemand klassieke poëzie lezen, of de koran in het origineel? Wie zou daar in vier jaar studietijd nog aan toe komen, als er ook nog gewerkt moet worden om wat geld te verdienen? Ik heb dus ook in Marburg op een verloren post gewerkt, maar het geeft niet hoor, ik heb toch heel wat mensen wat mee kunnen geven.
.
Ooit was de arabistiek hulpwetenschap bij de bijbelwetenschappen. In de koloniale tijd bestudeerde men Arabisch en islam bovendien om islamitische koloniën beter te kunnen besturen. In de jaren zestig, zeventig van de twintigste eeuw brak het besef door dat in het nabijer gekomen buitenland Arabisch en Turks werd gesproken, en dat er intussen ook steeds meer Marokkanen en Turken in ons land woonden, wat de bestudering van de betreffende vakken vanzelfsprekend maakte. Men probeerde afscheid te nemen van de oude, koloniaal gekleurde oriëntalistiek en de studie van het vreemde op nieuwe manieren aan te pakken. Tot er een omslag kwam en het verlangen opkwam, juist liever niets over het Midden-Oosten te weten, en vooral niets over de islam. Het ‘islamdebat’, dat nu al ruim vijftien jaar woedt, blijkt immers veel makkelijker te verlopen als je er niets over weet. Bovendien bombardeert het prettiger als je niet precies weet waar je bommen terecht komen.
.
Mijn oude vak houdt mij nogal bezig de laatste tijd. Ik zal er af en toe eens een stukje over plaatsen. Dit was een begin.

3 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Dromen, Islam, Marburg, Nabije Oosten, Nederland, Orient, Persoonlijk

Des mulders lust

Dat was even een impasse in het zingen. Het was paasvakantie, dus twee weken geen les. Schumanns cyclus Dichterliebe hadden we door; de laatste twee liederen waren eigenlijk iets te moeilijk voor mij geweest. Nu ja, het gaat sowieso om een eerste kennismaking met de literatuur; van een behoorlijke uitvoering met andere mensen erbij kan nog lang geen sprake zijn.
.
Maar nu was Schuberts Schöne Müllerin aan de beurt, en het eerste lied daarvan, Das Wandern ist des Müllers Lust, is eigenlijk een stuk gemakkelijker. Ja, het is doodsimpel en ik ken het al zestig jaar in ettelijke uitvoeringen, dus wat lette me? Maar in de praktijk bleek het juist steeds moeilijker te worden: die eenvoud is bedrieglijk, mijn strot kneep zich steeds dichter bij dit lied en toen ik het vanmiddag op les zou voordragen klonk het erbarmelijk. Geen wonder, want vanmorgen in bed voelde mijn keel al rauw aan, het leek wel of ik verkouden was, maar dat was niet zo: achteraf gezien was het gewoon zelfsabotage.
.
Op zo’n moment is mijn leraar onbetaalbaar. Die gaat dan eerst aantonen dat mijn stem niet weg is maar geheel ter beschikking staat; hij trekt die strot weer vlot met kleine oefeningetjes: zing het hele lied nu eens op nej nej nej, spreek de woorden gewoon eens uit, doe die eerste twee a’s eens voor in de mond; als die achter in de keel schieten is de rest ook verloren. En spreek zonder de lijn los te laten, zodat het niet hakkerig wordt en je steeds weer opnieuw moet beginnen. Tenslotte nog een paar regels op wuiya, en dan op noten en op tekst. Na een poosje ging het wel, maar het klonk wat afstandelijk. Toen had de leraar een ander idee: kijk dat lied thuis nog maar eens door, dan doen we nu even het tweede lied: Ich hört’ ein Bächlein rauschen. Dat kende ik ook wel van horen—wie kent het niet? O Bächlein, sprich, wohin?—maar ik had het niet ingestudeerd. Het werd dus een improvisatie. En ziedaar: dat ging ineens prachtig! De stem was er weer helemaal, en de bij de tekst horende gevoelens waren er ook.
.
Dit komt overeen met de ervaring van heel mijn leven: als je iets probeert, ergens je best op doet, gaat het gegarandeerd niet, maar zo spelenderwijs komt er soms best iets aardigs uit. Dat was  bij de wetenschap net zo: zwaar getob met betrekkelijk geringe resultaten, terwijl zo’n stukje voor een blog, ach, dat gaat wel.
.
Toch ga ik dat tweede lied voor volgende week instuderen; maar vooral niet te vlijtig!

1 reactie

Opgeslagen onder Muziek, Persoonlijk

Wat te doen – vervolg

Vervolg op Wat te doen?

De zieken zullen wel weer beter worden, zodat er nog verder gezongen kan worden tot mijn stem het begeeft. En zelfs bij een totale instorting van WordPress of het Internet zijn er alternatieven te vinden voor mijn geschrijf, desnoods met een kroontjespen. Maar zo’n moment van stagnatie en twijfel geeft aanleiding tot even wat inhouden en bezinnen.
.
Zingen tot het niet meer gaat, dat is nogal eenvoudig, maar je niet laten verrassen als het ineens ophoudt.
.
Met het bloek doorgaan totdat dat niet meer kan, maar op een zacht pitje misschien. Ooit was ik ermee begonnen om mijn arme landgenoten wat tegeninformatie te bieden tegen het gezwatel over de islam van Wilders en de media, die inmiddels al vijftien jaar dezelfde onzin verkondigen, waar niemand ooit genoeg van lijkt te krijgen. In mijn onschuld meende ik toen nog dat kennis zou helpen en dat mensen graag iets meer zouden weten.
.
Eerder dan allerlei wetenswaardigheden over de oude Arabieren en moslims aan te bieden zou ik misschien moeten werken over wat Europa dwars zit: het onverwerkte verleden, in het geval van Nederland vooral Indië, de VOC en de WIC en de negentiende eeuw, en de omgang met het Buiteneuropese in het algemeen: oriëntalisme en oriëntalistiek. Rassenleer en migratiekunde zijn natuurlijk ook belangrijk, maar daar kan ik slecht over meepraten.
.
Er lijkt ook schot te komen in het opruimen van mijn boeken. Ik zou zo graag een lege woning hebben, maar zolang ik nog een beetje werk kan ik die vakliteratuur niet missen. Bovendien wil niemand die boeken hebben, voor geld niet en voor nop niet, en weggooien is ook zonde. Boeken weggooien kun je tegenwoordig beter aan bibliotheken overlaten. Maar nu was ik in contact gekomen met iemand van de Universiteitsbibliotheek in Mosul, Irak. Daar is de bibliotheek door de ‘Islamitische Staat’ volledig verwoest, en een aantal geëngageerde jonge onderzoekers spannen zich in om de restanten te redden en weer iets op te bouwen. Welnu, dát lijkt me nu de ideale bestemming voor mijn boeken. Er moet alleen nog een weg gevonden worden om het spul daarheen te krijgen, maar daar wordt aan gewerkt. Mocht het U interesseren kunt U eens hier kijken.
.
Het aardige is dat de persoon met wie ik in Mosul contact heb, vroeger werkte aan de afdeling Oriëntalistiek van de universiteit. In Irak en Saoedi-Arabië waren/zijn er leerstoelen die de oriëntalistiek bestuderen, die gesticht zijn uit haat tegen mijn soort mensen. Maar dat is langzamerhand wel verleden tijd geloof ik. We kunnen elkaar gezellig een beetje pesten, bantering.

1 reactie

Opgeslagen onder Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk, Universiteit

Wat te doen?

De griep heeft hier toegeslagen: niet zomaar het gebruikelijke wintergesnotter en gehoest, maar de echte griep, die wel twee of drie weken kan duren. Ik ben ingeënt en heb niets, maar mijn zangleraar is ziek en de koorleidster van mijn lievelingskoor eveneens. Dat betekent dat dezer dagen vele uren gemeenschappelijk of doelgericht zingen wegvallen. Natuurlijk kan ik in de badkamer doorgaan voor mezelf, maar dat is niet zo fascinerend.
.
Ook mijn bloek, Leeswerk resp. Lesewerk Arabisch geeft mij te stellen. Het wordt mij steeds duidelijker dat de techniek waarmee dat is opgezet verouderd is. Er ontstaan nieuwe … ik weet niet eens hoe dat heet. HTML kan ik begrijpen, maar CSS niet. Daarover had ik wel een cursusje willen volgen, maar dat wordt hier niet aangeboden. Een jonge nerd kent zoiets blijkbaar van nature. En nu wordt er weer gesproken van Calypso en Jetpack, allemaal weer totaal anders. Die begrippen naslaan in het internet is af te raden, want dan word je verpletterd onder onbegrijpelijke vaktaal.
Daar komt nog bij, dat het bijhouden van Leeswerk een hoop werk met zich meebrengt dat niets met schrijven te maken heeft. De inhoudsopgave moet gesaneerd worden, de kruisverwijzingen (links) moeten kloppen en af en toe worden bijgewerkt. Het is nu een beetje een zootje. Nu ik vandaag toch weinig zal zingen, nu het belastingbiljet de deur uit is en er nog andere dingen zijn voltooid, zou ik aan dat karwei kunnen beginnen, maar daar heb ik een uitgesproken weerzin tegen. Nog liever ga ik mijn boekenkast uitmesten of mijn sokkenpark uitdunnen dan zo’n rotklus uitvoeren.
Kortom, dat Leeswerk zou wel eens niet zoveel toekomst meer kunnen hebben.
.
Ik dacht dat ik me aardig met activiteiten had ingedekt, maar er is geen staat op te maken. Dan moeten er dus reservebezigheden worden gevonden. Over een paar dagen begint waarschijnlijk het fietsseizoen weer, maar dat is alleen ’s zomers. Weer nieuw denkwerk vereist.

Zie nu het vervolg.

2 reacties

Opgeslagen onder Pensioen, Persoonlijk

Uitblijvende vreugde

Had ik niet heel blij moeten zijn? Daar was nu toch alle reden voor. Maar misschien zinkt het nog langzaam in.
.
Er was gisteren namelijk een doorbraak. Al enige tijd kon ik af en toe hoge tonen zingen, maar niet als er veel achter elkaar kwamen en later in het stuk nog meer. Dan zong ik één regel goed en klapte daarna dicht. Dat was gisteren niet het geval: een beangstigend hoog gelegen koorpartij kwam er vlot, zuiver, mooi en niet bang uit. Dat betekent dat ik toch echt een tenor ben, waaraan ik de laatste tijd wel eens twijfelde, ook omdat ik een stuk lager kom dan vele andere tenoren. Er is dus ook geen reden meer om bang te zijn voor het lied Ventz hardis, dat ons koor volgende week in het kasteel zal zingen. Daarvan had ik tot nu toe de helft stiekem niet meegezongen, maar dat kan nu veranderen. Als de ervaring herhaalbaar is tenminste.
.
Misschien komt deze doorbraak me zo weinig opzienbarend voor omdat zij voor mijn gevoel een natuurverschijnsel was, dat aan mij geschiedde en waartoe ik niets heb bijgedragen. En omdat het lied verder niet zo moeilijk was, was er dus geen prestatie. Dat is niet helemaal waar: ik heb mijn oefeningen gedaan, en zangleraar Daniel had me kundig ingezongen (ja, dat werkwoord wordt overgankelijk gebruikt). Maar deze hoge tonen kwamen er moeiteloos en geheel vanzelf uit. Zij zongen zichzelf, en zo moet het ook zijn. Al het andere leidt tot lelijke klanken en slijtage aan de stem.
.
Dat ik nu niet jubel betekent niet dat deze ervaring niet bijdraagt tot mijn alledaagse levensgeluk. Dat bestaat echt en wordt samengesteld uit een reeks van positieve ervaringen: een artikel dat afkomt, een arts die zegt dat alles goed is (dat is overigens gelogen!), een aardige dame met wie ik ga eten.
Maar een uitbundig type ben ik niet. Met verbazing sla ik altijd gaande hoe bijvoorbeeld sportmensen, als ze iets gewonnen hebben, elkaar in de handen of op de schouders slaan of de vreugdetranen laten stromen op het erepodium. Ik ben ook wel eens geprezen om een succes, maar denk dan: hè, wat een ophef, zo is het wel goed—en vervolgens constateer ik andermaal dat champagne toch echt niet mijn drank is.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziek, Persoonlijk

Arabisch lezen

Ruim vijf jaar geleden werd ik gepensioneerd als universitair docent arabische taal- en literatuur en islam, en sindsdien heb ik nauwelijks meer modern Arabisch gelezen. Ouder Arabisch wél, alleen al voor het Leeswerk Arabisch dat ik nog schrijf; ook wel eens een nieuwsbulletin of zo, maar moderne literatuur niet. Tot 2007 deed ik dat nog regelmatig, omdat ik er zowel in Amsterdam als in Frankfort onderwijs over moest geven, en ook recensies van uit het Arabisch vertaalde literatuur schreef voor NRC-Handelsblad. (Ongelooflijk eigenlijk, dat Nederlanders zoiets vroeger lazen, en dat er kwaliteitskranten bestonden die daar besprekingen van wilden.) In Marburg waren er aparte docenten voor moderne Arabische letterkunde en ben ik er geleidelijk mee opgehouden. Blijkbaar had ik er geen zin meer in, en omdat het niet meer moest was dat goed zo.
.
Wel bedacht ik onlangs: als je een taal niet gebruikt vergeet je hem, en dat zou wel een ingrijpende zaak zijn. Het Arabisch was immers mijn vak en heeft een groot deel van mijn leven gevuld. Als je later dood bent is die kennis ook weg, maar het is niet zinvol, daarop vooruit te lopen. Daarom dwong ik mij tot de lectuur van wat modern Arabisch, maar het wilde niet erg vlotten. Eerst een geruststelling: ik bleek het nog goed te kunnen lezen. Ik moest wel wat meer woorden opzoeken, maar dat zou ik bij Engels of Frans ook moeten. En dat doe ik natuurlijk nooit: ik laat de woorden vanuit de context opkomen, en als dat niet lukt is het jammer. Alleen als er kernwoorden ontbreken sla ik ze na. In de problemen kom ik alleen bij speciale jargons: landbouwwerktuigen, scheeps- of walvisterminologie, dat soort dingen. Dan zoek ik liever een vertaling, zoals bij voorbeeld van Moby Dick.
Maar, maar … die moderne Arabische romans en korte verhalen stonden ineens zover van me af; ik kreeg er geen contact mee. Ze waren niet te moeilijk, eerder integendeel; en ook niet te exotisch; de tijd dat Arabische auteurs anders schreven dan westerlingen is al heel lang voorbij. Nee, ik vond ze gewoon vervelend. Wat ik voor mijn privé genoegen lees uit Europa, de beide Amerika’s of Japan, al dan niet in vertaling, interesseert me veel meer, dus waarom zou ik mezelf modern Arabisch aandoen? Daarmee wil ik niet zeggen dat moderne Arabische auteurs slecht schrijven; er is echt wel wat goeds te vinden, steeds meer zelfs; ik heb er alleen geen zin meer in. Hoeft ook niet; gepensioneerd weet U wel.
.
De redding verscheen in de vorm van negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse geschriften, waarvan de literaire waarde maar al te vaak gering is, maar waar ik ineens wél zin in heb; vraag me niet waarom. Misschien omdat ik in mijn hart zelf een negentiende-eeuwer ben, een crypto-Ottomaan misschien, of een ouwe koloniaal? Ik houd van die tijd; ik vond het jaarabonnement van Nubar Pasha in het spoorwegmuseum te Cairo ook fijn om te zien.
Ik denk dus wat te gaan lezen uit die tijd, vooral uit Egypte. In Syrië, inclusief Libanon, gebeurde er misschien meer, maar dat ligt buiten mijn horizon en daar laat ik het maar.
.
Hier is al een klein leeslijstje:

  • Nakhla Salih, Fu’ād en Rifqa (1872), een prulletje, maar wél de oudste Egyptische roman; daar zal ik dezer dagen een stukje over schrijven.
  • ‘Alī Pasha Mubārak, ‘Alam al-dīn (1882), een zeer dik werk, dat hier en daar trekken van een roman vertoont, en ook zijn biografische lexicon, Al-Khitat al-tawfīqīya (1888–89), een nog veel dikker werk (20 dln.). Hierover hebben twee Duitse geleerden al behoorlijk wat geschreven, zodat ik in dit geval alleen consument hoef te zijn, en natuurlijk alleen van een paar hoofdstukken. Ik ben de trotse bezitter van een eerste druk van ‘Alam al-dīn, waarschijnlijk de enige in wijde omgeving.
  • Bij al-Manfalūṭī (1876–1924) wilde ik altijd nog eens kijken hoe hij Franse romans aan de lezerswensen van het Egyptische publiek aanpaste: daar kan ik eventueel wat over schrijven. Dat is wel werk, want ik zal dan stukken Arabisch én stukken Frans moeten vertalen, ter vergelijking. Die lezerswensen hadden vooral betrekking op de onmogelijkheid van liefdesaffaires. Als in een roman een jongen zijn aanbedene ontmoette moest dat in het Arabisch neef en nicht worden, enzovoort.
  • Helemaal voor mijn eigen plezier kan ik lezen al-Māzinī, Ibrāhīm al-kātib. Dat heb ik vroeger al eens gelezen, maar dat kan best nog een keer. Niet een gaaf literair werk; veel losse eindjes, maar die auteur is mij zeer sympathiek. Modern, voor 1924.

En onlangs had ik op één dag twee interessante ontmoetingen hier ter stede. Een jonge geleerde die onderzoek doet over (Ahmad) Fāris al-Shidyāq, ofwel Farès Chidiac, Sāq ‘alā sāq, en in het gesprek met hem zag ik het ineens: Ja! Dát zou interessant kunnen zijn om te lezen. In ieder geval voor de ontstaanstijd (1855) is dat een werk van echt grote kwaliteit. De auteur is geboren als christelijke Libanees, werd protestant in het Egypte, waar hij twintig jaar gewoond heeft, vertrok naar Oxford, waar hij de Bijbel in het Arabisch vertaalde, en woonde later nog in Parijs, Tunis en Constantinopel. Laat in zijn leven werd hij moslim. Zijn boek is iets tussen een Bildungsroman en een reisverhaal in, moeilijk van taal, maar lichtvoetig van geest. Het werk bevat ook vele woordenlijsten: de auteur was immers bezig het Arabisch te herontdekken, dat in het Ottomaanse Rijk zo lang was verwaarloosd. Maar die lijsten kun je overslaan. Er is net een tweetalige uitgave Arabisch–Engels van verschenen. Die zou het tevens mogelijk maken wat meer leessnelheid in die oudere taal op te bouwen. Onderwerpen: o.a. de sociale misstanden in Engeland. Als dát niet actueel is.
.
Diezelfde dag heb ik geluncht met een vriendin/collega die ik al jaren ken. Ik vertelde haar dat ik wel zin had om een kort verhaal van Mahmūd Taymūr te vertalen, maar dat ik dat in het Duits niet kon. Zij stelde het voor de hand liggende voor: dat we het samen zouden doen! Daar was ik nog niet op gekomen. Ik zal het eerst in het Nederlands vertalen—aangenomen dat ik het origineel nog kan vinden, dat ergens in mijn chaotische stapels moet liggen. Baas Shehata vraagt om zijn loon is een immoreel verhaaltje uit 1926. Bij een dame wordt voor de zoveelste maal aan de deur geklopt door een koetsier, met wie mevrouw vier, vijf ritten heeft gemaakt, die echter nog niet betaald zijn. Hij laat zich ditmaal niet afschepen door het dienstmeisje, stapt het huis binnen en vraagt mevrouw om zijn geld. Mevrouw is in negligé, noodt hem in haar slaapkamer en betaalt hem in natura. Haar zoontje kijkt door een kier en is er onbedoeld getuige van. Ongelooflijk, dat zoiets toen in Egypte gepubliceerd kon worden. Literair geen hoogvlieger, maar wel grappig.
.
Ja ja, dat is een hoop enthousiasme ineens, maar als zovele bejaarden heb ik de neiging mezelf te verzetteln. Eens zien wat er van komt.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Kairo, Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk

Tweed

Het is koud, en omdat ik vorige winter mijn vaalblauwe fleece bijstandstrekkerssweater uit walging had weggegooid zocht ik iets anders om mij behaaglijk in te voelen. En ziedaar, daar was ineens mijn eeuwenoude tweedjasje! Volledig doeltreffend; hoe heb ik al die tijd zonder kunnen leven? Het biedt niet alleen warmte; voor iemand als ik, die zich in huizen nooit zo thuis voelt, is het ook een tehuis. Laat nu de winter maar komen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Niet naar Kirchhain

Wat ik bij steeds meer bejaarden gadesla en, o schrik! ook bij mij zelf, is de neiging te veel dingen op zich te nemen, die dan half af blijven en een katterig gevoel geven. Gepensioneerden hebben onbeperkt de tijd, dus ze denken dat ze dit-of-dat ook nog wel kunnen doen, dat het hoog tijd wordt om hun Latijn eens op te halen en hadden ze niet altijd al willen gaan zeezeilen?
.
Maar hun energie is niet onbeperkt, die is duidelijk minder dan vroeger, en de geheugenfunctie en het leervermogen zijn ook afgenomen.
.
Voor je het weet heb je dan ouwetjes die overwerkt raken, en toenemend wanhopig zijn omdat ze het niet allemaal meer bijsloffen. Het zijn cliché’s onder bejaarden: de Ruhestand is eerder een Unruhestand en: “Ik heb het nu drukker dan voor mijn pensioen.” En dat terwijl de geraniums staan te verpieteren in hun vensterbank.
.
Verstandig lijkt het daarom, zich te beperken tot een of twee  bezigheden, en af een toe een kleinigheidje erbij bij wijze van toefje slagroom. Als je je op weinige dingen concentreert kun je daar best nog wat in bereiken; was er laatst niet een Indiër die op zijn 86e nog een marathon gelopen had? Zijn er geen pianisten die tot hun honderdste doorgaan? (Nou ja, niet zo heel veel, maar ze zijn er.)
.
Sich verzetteln heet het in het Duits: je tijd onhandig indelen en aan te veel dingen door elkaar besteden. Dat heb ik altijd nogal gedaan, en dat gaat juist nu pas veranderen. Niet in vier koren tegelijk zingen, niet ook nog ingewikkeld Indisch willen koken, niet meer de woning zelf schoonmaken. Want laten we eerlijk zijn: juist vróeger had ik het gevoel dat tijd en energie onbeperkt aanwezig waren, terwijl die nu toch echt begrensd geworden zijn, met een onbekend, open einde.
.
Het is me nu duidelijk wat ik moet doen: zingen, een beetje stukjes schrijven in mijn Arabisch-bloek (maar volstrekt geen wetenschap) en een enkel bijlesje geven aan vluchtelingen ofzo. Bij alle drie zit een voldoende grote component aan ‘maatschappelijke dienstverlening’, zodat ik me niet helemaal een uitvreter hoef te voelen. Elke dag ook iets van beweging die gezond is voor het lichaam, maar dat telt niet echt als bezigheid.
.
Dat houdt in dat ik vandaag ook niet mijn activiteiten stressig ga comprimeren en niet af krijgen om morgen vrij te houden voor een expeditie naar Kirchhain. Morgen wordt de laatste min of meer warme dag verwacht; mij zweefde voor ogen om vóór de winter nog één keer keer een wat langere fietstocht te maken. Ja ik fiets weer na de knie-operatie, in de stad, maar daarbuiten ben ik nog niet verder gekomen dan Göttingen (Hess). Ik bouw het langzaam op. Kirchhain is helemaal niks; het was vroeger het punt van waaraf fietstochten pas interessant begonnen te worden. Maar een rondje K. is toch minstens 35 km en dat zou onder de huidige omstandigheden nog een zware klus zijn. Nee, ik doe het niet, dan raak ik vandaag niet overspannen en kan ik morgen kalmpjes wat oefeningen gaan doen in de fitness-studio. Fietsen weer in het voorjaar.

1 reactie

Opgeslagen onder De mens, Fietsen, Persoonlijk

De wens te sterven

Aan het einde van mijn straat staat een eenzaam huis met bijgebouwen, de voormalige afdekkerij. Op het hek had men een grote Duitse vlag bevestigd, met een IJzeren Kruis erin verwerkt. Een Nazivlag, in mijn eigen straat! Dat IJzeren Kruis staat namelijk plaatsvervangend voor het hakenkruis, dat hier verboden is en tot onmiddellijke arrestatie leidt.

Maar het ís natuurlijk niet mijn eigen straat; hij behoort aan het ‘volk’, dat als het de kans krijgt mij snel zal uitwijzen of erger nog. En waarheen dan? In Nederland is het momenteel nog erger.

Op zulke ogenblikken denk ik: was ik alvast maar dood, dan hoef ik de volgende golf van het Nazidom niet meer mee te maken. Nee, maak U geen zorgen, ik zal niet voor een trein springen; er is al vertraging genoeg op het spoor. Maar het was voor mij wel aanleiding om even na te denken over het doodsverlangen dat ik soms heb.

Dat is inderdaad sterk toegenomen sinds de opkomst van Wilders, Trump, Baudet cs., maar het hoort ook wel bij het ouder worden, denk ik.

Wie dood wil is eigenlijk ziek, die is depressief en heeft pilletjes nodig en/of een therapie, dat is tegenwoordig de standaard-opvatting. Maar ik ben niet depressief. Mensen die mij persoonlijk kennen zullen dat beamen, en de huisarts zou in de lach schieten bij het idee. Ik heb nog wensen en plannen en doe alle moeite om het leven te verlengen, ik kijk goed uit bij het oversteken, leef redelijk gezond, ga naar de dokter als er iets mankeert en heb zelfs een nieuwe knie laten inzetten om nog wat langer voort te kunnen.

Artsen doen al het mogelijke om het leven te behouden, dat is hun werk. Zelfs heel oude mensen worden nog in leven gehouden, soms tegen de klippen op, hoewel nabestaanden, als zo iemand dan eindelijk overlijdt, vaak spreken van een bevrijding. Dat is ook een christelijke gedachte: wat zou je nog verder leven in dit aardse tranendal, wanneer na de dood de hemelse vreugde je wacht? Komm, süßer Tod, zong Bach, en dat heeft hij in alle toonaarden herhaald.

Het doodsverlangen is blijkbaar een gedachtenlijn die in één ziel kan bestaan naast de wil tot leven. De mogelijkheid te sterven kan ook troostrijk zijn, als het echt eens nodig wordt. Als er overal weer van die vlaggen waaien, of als je ongeneeslijk ziek wordt. Op jongere leeftijd denk je niet zo, maar als het leven toch al grotendeels voorbij is … .

Of trap ik nu een open deur in? Bij mensen die al langer dood willen waarschijnlijk wel. Voor mij is dit nog tamelijk nieuw.

3 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Nederland, Persoonlijk