Categorie archief: Persoonlijk

Postzegels

Steeds vaker kijk ik met welbehagen naar de haarscherpe foto’s van postzegels die mij ongevraagd worden toegezonden. Ik zocht eens een afbeelding van een bepaalde postzegel, en sindsdien denkt Pinterest dat ik een filatelist ben. Misschien word ik dat ook wel weer, maar ik hoef de zegels niet te bezitten. Kijken is genoeg.
Tot mijn zeventiende ongeveer spaarde ik fanatiek postzegels. Dat ik ze nu weer leuk vind, na jarenlang niet, zal wel te maken hebben met een teruggrijpen op de jeugd.
De postzegelarij bracht enige eigenschappen van mij aan het licht. Om te beginnen was ik door en door koloniaal. Natuurlijk had ik wel postzegels van Nederland, maar de echte thrill kwam toch van de zegels uit Indië. En nog spannender waren die uit de Britse koloniën. Engeland had zoveel gebieden en eilanden, en ze namen de moeite om voor ieder eilandje aparte postzegels te maken. Het idee, een postzegel van de Falkland Islands die afgestempeld was, die ooit op een echte brief gezeten had: een uiterste zeldzaamheid. Ik zag het ook meteen voor me; hoe zo’n eenzame schaapherder daar een brief schreef aan zijn tante Georgina in Schotland, of een missionaris in Nyassaland onder een petroleumlamp, vloekend omdat de zegels in dat klimaat zo op elkaar kleven.
Door en door slecht was ik ook. Van drie mensen heb ik postzegels gestolen uit de albums die ze mij in vertrouwen lieten doorbladeren. Een hoogte- en tevens dieptepunt was een vervalsing die ik maakte en voor ƒ 10,- verkocht. In 1963 was dat geld, voor een jongen. Een hele postzegel vervalsen kon ik natuurlijk niet, maar wel kon ik met een fijne stift de opdruk JAVA aanbrengen op een goedkope zegel. En wat een triomf toen de koper erin trapte!
Ik was jong en mijn geweten was nog niet gerijpt. Mijn zedelijkheid bestond toen in de opvatting dat alles was toegestaan zolang je niet werd betrapt. Nu is dat anders hoor: U kunt met een gerust hart uw albums aan mij toevertrouwen. Het geweten kwam toen ik omstreeks twintig was; het koloniale ging eraf na mijn eerste bezoek aan Egypte.
Mooie postzegels zijn perfecte grafische werkjes, soms zelfs kunstwerkjes. Maar ik hoef geen kleurige afbeeldingen van paddenstoelen, voetbalteams  of schilderijen op de zegels. Nee, sober moeten ze zijn. De regerend vorst en hoogstens een enkel detail dat de kolonie in kwestie illustreert, of iets van het koningshuis.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dromen, Kunst, Persoonlijk

Scheiden doet lijden

Dikwijls krijg ik kort voor het wakker worden een onderwerp aangeleverd waarover ik iets moet of kan schrijven. Vandaag was dat een compleet overzicht over alle vrienden en vriendinnen die ik gehad heb en nu niet meer heb.
Het is niet prettig, deze opkomende neiging tot autobio en memoires. Het zal wel aan de leeftijd liggen. Ik zou zó kunnen gaan zitten om de ene na de andere oude vriendschap neer te schrijven, maar dat ga ik niet doen. Het zou niet fair zijn ten opzichte van die mensen, waarvan de meeste nog in leven zijn, en mijn eigen privéboeltje wil ik ook niet kwijt in het internet.
Vroeger, ja vroeger, in de tijd dat er nog met edelmetalen pennen op papier geschreven werd, toen kon je zoiets wel doen. Niemand zou die teksten immers ooit onder ogen krijgen? Hoogstens een enkele nabestaande, die de zaak zonder begrip bij het oud papier zou gooien. Maar electronisch moet je je niet te zeer blootgeven. En aan de openbaarheid van dat internet, van dat blogwezen ben ik toch gehecht geraakt, hoewel het tot een beperking van de schrijfonderwerpen heeft geleid.
.
Nou vooruit, twee oude vriendschapjes dan, uit de grijze voortijd.
Mijn eerste vriendje heette Peter, we genoten samen het Fröbel-onderwijs. Zo’n kleuterschool kan best desolaat zijn, maar met Peter kwam ik de dag wel door. We speelden de hele dag samen: zandbak, blokkendozen, de hele handel. Op een dag kwam Peter niet meer. Nooit meer. Dood, ziek? Ach nee, waarschijnlijk gewoon verhuisd, maar niemand had de moeite genomen mij dat te vertellen en me daarop voor te bereiden, en mijn verdriet was groot, vrijwel onoverkomelijk.
.
Margje woonde bij ons in de straat, twee huizen verderop. Wij hadden dus dezelfde weg naar de lagere school en we liepen altijd met elkaar op en ook weer terug. Onder tienjarigen lag dat sociaal wat moeilijk: het hoorde niet dat jongens omgingen met meisjes. Maar wat zou het, we mochten elkaar en ons samen optrekken was bijna een geografische noodzaak. Als we apart naar en van school waren gelopen was dat toch bizar geweest?
Op school en na school gingen wij niet met elkaar om, maar we waren toch zeer aan elkaar gehecht. Het kwam dan ook als een slag toen ik te horen kreeg dat Margje ging verhuizen, en wel naar Lobith. Haar vader was iets bij de douane. Ik zocht manieren om haar na te reizen, maar vond er geen. Lobith is ver voor een kind. Het scheidingsleed is blijkbaar langzamerhand weggestorven, maar iets in mij stierf ook.
.
=======
.
Er zijn ook vriendschappen die eenzijdig zijn, waarvan de ene helft meer aan de andere gehecht is dan omgekeerd. Die passen niet onder bovenstaande titel, maar het wordt toch geen rubriek, dus vooruit maar: ik zal nog schrijven over Ad. Dat was een studiegenoot in Leiden, met wie ik niet bevriend was. Ik mocht hem niet bijzonder maar had ook geen hekel aan hem. We zochten elkaar wel eens op: om praktische redenen misschien, omdat er iets te bespreken viel, of gewoon omdat studenten nu eenmaal altijd bij elkaar in en uit liepen. Op een keer zat hij in mijn kamer toen ik ineens helemaal niet lekker werd. Iets van maag-darm; iets verkeerds gegeten misschien? Tsjonge wat was ik beroerd, ik kon niks meer en zag me gedwongen op bed te gaan liggen. Eén, twee dagen ziekjes; toen heeft Ad me een beetje verzorgd, en toen het beter ging kwam hij nog kijken hoe het met me ging. Dat was heel aardig van hem.
Maar dat gaf hem het idee dat we nu intiem bevriend waren en vaker met elkaar moesten omgaan. Uit pure dankbaarheid voor zijn goede zorgen ging ik daar een eind in mee, maar al gauw ontstond er een situatie dat ik niet meer van hem afkwam. Wat was die jongen saai, de verveling in persoon; ik werd steeds ongelukkiger met hem. Gelukkig ging hij zich verloven; toen kwam ik van hem af. Aan zijn verlovingsfeest heb ik nog vage herinneringen: een wit huis in Den Haag, drankjes in de tuin, keurige mensen allemaal, maar wat een verschrikking. Die verloofde had ik al eerder ontmoet: een welgestelde, goed uitziende klont ijs. Ook op het feest kon ik tussen haar en Ad geen enkele liefde ontwaren, geen warm gevoel, en romantisch als ik was: ik vond dat verloofden van elkaar moesten houden! Dat zulke verbintenissen überhaupt mogelijk waren. Nu ja, daarna heb ik geen van beide ooit nog weergezien.

3 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk

Overpill

Over de resultaten van het bloedonderzoek was de jonge arts regelrecht enthousiast. Traumhafte Blutwerte, riep hij uit.
Dat was wel eens anders. Twee, of misschien eerder drie jaar geleden, werd er een te hoog cholesterol bij mij geconstateerd. Ik moest een pilletje nemen, Statine heette het, maar dat viel bij mij verkeerd. Geen nood, er was een alternatief: Ezetrol. Dat slikte ik moeiteloos en van bijwerkingen was niets te merken. Maar telkens als de voorraad op was raakte ik geïrriteerd: het spul werd namelijk verkocht voor de obscene prijs van € 197,50 per honderd stuks. Twee Euro per dag, dat is nog meer dan mijn ontbijt kost. Dat, en de onwelluidende naam Ezetrol zetten mij aan het denken. Ik had toch nooit een te hoog cholesterol gehad? Archieven van vroegere onderzoekingen bevestigden dat. Dit bloedonderzoek had plaatsgevonden op 2 januari, na twee kerstdiners en een oudejaarsbuffet en daartussen een vakantieweek waarin het aan feestgebak evenmin gemangeld had. Het leek me een ongelukkige momentopname.
Ik stelde de huisarts voor, dat ik het spul niet meer zou nemen. Goed, zei ze, neem het zes weken niet; daarna onderzoek ik je bloed en als de waarden in orde zijn kun je ermee ophouden. Dat bleek het geval: geen vuiltje aan de lucht, dus weg met die pil. En ook nu was de cholesterol dus weer prima in orde.
De zorgverzekering vergoedde die pil wel, maar zo’n duur goedje smaakt me gewoon niet.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Gezondheid, Persoonlijk

Project Oriënt: een verschuiving – 2

Wie had dat gedacht: hoewel mijn eerste pogingen op het gebied van de oriëntalisme-studies kort en in het Nederlands zijn, zijn zij waargenomen en gegooglevertaald door niemand minder dan het Oog van Mosul, met wie ik vorig jaar zulke stimulerende gesprekken over dit onderwerp heb gehad.
.
Hij stimuleert me ook nu, vanuit Yale, en steunt me metterdaad door materiaal aan te leveren. Ik ben blij! Wel zal het op den duur in het Engels moeten. Moet ik dan die taal weer helemaal uit de mottenballen halen? Dat is goed voor oude mensen, zeggen ze: vreemde talen, geheugentraining en zo.

1 reactie

Opgeslagen onder Orient, Persoonlijk

Weg met de hartstocht

Vanmiddag heb ik een afspraak met H., een oud-student van me die af en toe met mij gaat koffiedrinken als hij in de stad is. De vorige keer is misschien een half jaar geleden. Toen vroeg hij of hij misschien mijn exemplaar van Ibn al-Djawzī, Dhamm al-hawā, ‘Afkeuring van de hartstocht,’ kon overnemen. Ik voelde daar weinig voor, want het boek maakt deel uit van een kleine collectie over de meer dan duizend jaar oude Arabische liefdestheorie, die ik gebruikte voor mijn proefschrift. Maar ik beloofde erover te zullen nadenken.
.
Intussen is er veel veranderd: hij krijgt het boek, gewoon cadeau natuurlijk. Het afstaan kost me geen enkele moeite meer en wat mij betreft kan hij de rest van de verzameling erbij krijgen. Sinds Kerst ben ik zo veel minder arabist geworden. De leegte die mijn verdwijnende oude vak heeft nagelaten is nog steeds niet gevuld en ik voel me daarover wel wat mulmig. Maar nu eerst vrijdag naar Parijs, om een potje te zingen. Solo toch niet, maar in een klein ensemble met slechts één andere tenor erbij. Duet zingen is verplaatst naar 5 mei.
.
Ik ben overigens benieuwd hoe lang H. nog met mij wil koffie drinken. Van anderen heb ik al gemerkt dat ze mij minder interessant vinden nu ik geen zin meer heb om over Wahhabieten of het salafisme te praten. Maar dat hindert niet: er zijn nu weer nieuwe mensen.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Bildung und Uni, Muziek, Persoonlijk

Stoom

Een van mijn kinderherinneringen is dat ik met mijn moeder op ons kleine stationnetje aan de Langstraatspoorlijn stond en vreselijk schrok van een stoomwolk die sissend uit de locomotief schoot. Ook herinner ik mij dat opa ons met de auto naar het station gebracht had en dat hij al wegreed voordat de trein wegreed.
Nu lees ik toevallig dat die spoorlijn werd opgeheven op 1 augustus 1950. Ik was toen precies drie jaar oud; het is dus een zeer vroege herinnering.

6 reacties

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Trein&tram

Zijn geraniums soms niet goed genoeg?

Het werd een Albert Heijn boodschappentas vol gisteren, de reisgidsen, landkaarten, stadsplattegronden en VVV-brochures die naar het oud papier moeten. De aanleiding tot de zuiveringsactie was dat ik de reisgids van Iran zocht, om een vriendin cadeau te doen die binnenkort naar dat land gaat. Die heb ik inderdaad teruggevonden.
.
Maar achteraf denk ik dat het niet genoeg was. Er kan nog veel meer weg. Ik zal nóóit meer een 1:50.000 kaart van Oxford & surrounding area nodig hebben; zie dat maar onder ogen. Wat een prachtige kaarten hadden ze trouwens in Engeland, je ziet er zelfs de landhuizen en bijbehorende parken op, soms zo groot als twee dorpen, en rare Depots, van wat eigenlijk?, o, van militaire goederen, ik zie het al, doorschoten met treinrails. En al die grappige plaatsnamen, zoals Charlton-on-Otmoor en Horton-cum-Studley. Ook Didcot staat erop, bekend van het omroepbericht van de spoorwegen: change at Didcot. Maar ik zal er niet meer komen, en zeker niet te voet of met de fiets. Weg ermee.
.
Ook zal ik nooit meer Malta bezoeken, en beslist niet met een reisgids uit 1999, of het Beierse Woud met een wandelkaart. En al die niet of slechts eenmaal befietste delen van Duitsland: in de zak ermee. Waarom heb ik twee kaarten van het Nördlicher Odenwald? Ah, ze zijn niet hetzelfde zie ik. Maar eigenlijk kunnen ze allebei weg. Ze stammen nog uit mijn Frankforter fietstijd en ik ga echt geen heimweetochten maken om alles nog eens terug te zien.
.
Egypte mag blijven, for old time’s sake, en zeker de Baedeker van 1928 en Le Caire et Alexandrie, Hachette 1955. Die vallen niet meer onder reisgidsen, maar onder geschiedschrijving. Voor de Baedeker van Oostenrijk-Hongarije uit 1905 kan ik misschien nog geld krijgen; hoewel, vreemd genoeg sla ik dat ding nog wel eens op als ik iets over het verleden wil weten.

3 reacties

Opgeslagen onder Fietsen, Persoonlijk, Reizen, Vroeger

Turbulentie

Dat was even schrikken: bij het wakker worden, vroeger dan normaal, stond ik voor een leegte. Een lichte paniek, een begin van angsttoestand: er is niets! Eigenlijk hetzelfde niets als die grote watervlaktes waar ik altijd zo van droom.
.
Gevlucht in kort hernieuwd indommelen. Toen ik weer wakker werd kwamen die tekstjes getiteld Privilege, die hieronder staan. Ja ja, die brachten redding, ik schreef ze gauw op, om acht uur was het klaar en zo kon de dag normaal verder gaan. Maar dit is natuurlijk maar provisorisch.
.
Waartoe ben ik op aarde? Het is duidelijk: da tut sich was bij mij van binnen. Maar een antwoord heb ik nog niet.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Privilege

De zomer bracht ik als kind vaak bij mijn grootouders door. Op het dorp trad men mij met veel genegenheid, vleierij en zelfs onverdiend respect tegemoet, niet omdat ik zo’n bijzonder ventje was of ze mij zo hoog hadden zitten, maar omdat ik de kleinzoon van mijn grootvader was. De enige nog wel, die later bij hem in de zaak zou komen; dat bazuinde opa tenminste graag rond. Opa had een bedrijf, had een stel werknemers en was rijk, al was daar ten gevolge van het Gereformeerde geloof niet veel van te merken.
(Andere kinderen van mijn leeftijd om mee te spelen waren daar niet in de buurt; anders had die bevoorrechte positie zich vanzelf wel afgevlakt.)
Eén geval van privilege, dat staat voor alle andere, zit nog op onaangename wijze in mijn geheugen. Oma stuurde mij wel eens om boodschappen. Op een keer — ik zal een jaar of tien, elf geweest zijn — kwam ik bij de kruidenier in de Hoofdstraat. Daar stonden wel zes klanten en ik zou dus moeten wachten. Maar ziedaar: ik werd het eerst geholpen! Dat is de kleinzoon van S., werd er om mij heen gemurmeld. Ik vond het onterecht, maar … liet het me welgevallen, zodat de boodschap snel gedaan was.
.
Mijn huisarts in Marburg is erg goed. Ze neemt de tijd voor iedere patiënt, stelt goede diagnoses, heeft goede contacten met de juiste specialisten, die zij maar hoeft op te bellen en je krijgt al een afspraak voor morgen. Daarom heeft zij ook veel patiënten en waren de wachttijden in haar wachtkamer absurd lang. Sinds kort is er ontspanning ingetreden, omdat er inmiddels nog twee andere artsen in de praktijk werken. Maar vroeger zaten de mensen soms wel twee, drie uur te wachten. Er werd onder de wachtenden flink over gejammerd; het wachten was soms erger dan de kwaal waaraan men leed. De meeste mensen namen het toch voor lief, omdat zij prijs stelden op een goede arts, en wie er niet tegen kon zocht zich een andere geneesheer of -dame.
Maar ik hoefde bijna nooit te wachten, want ik was Professor R. Nauwelijks zat ik in de wachtkamer met het nieuwe nummer van de Stern of de assistente kwam mij al oproepen, met naam en titel.
Ik ben geen professor en heb daar herhaaldelijk op gewezen. Eén maal heb ik er persoonlijk op toegezien dat die titel op mijn kaart werd doorgestreept, maar het heeft niet geholpen: ik ben nog steeds professor. Vermoedelijk is het een Duitse techniek om mij stiekem voor te trekken. Waarom ze dat doen weet ik niet; het is onrechtvaardig, maar … ik laat het me graag welgevallen, zodat niets meer een spoedige genezing in de weg staat.
.
Als student in Egypte (1971–72) genoot ik een Egyptische studiebeurs van £E 40,– in de maand, dat was £E 36,50 after tax. Het Pond, dat nu € 0,05 waard is, was toen officieel ƒ 8,20, op de zwarte markt ƒ 5,50. Dat was heel veel meer dan Egyptische studenten kregen. Ik had als buitenlandse student nog meer privileges. Door bemiddeling werd mij bij voorbeeld op het Ministerie van Binnenlandse Zaken een pasje uitgereikt waarop stond, dat ik doctor in de archeologie was en vrij toegang had tot alle monumenten in Egypte; zelfs die eigenlijk gesloten waren. Dit liet ik mij graag welgevallen. Dat ik een beetje jong was voor een doctorstitel hinderde blijkbaar niemand. Ook kreeg ik gratis een kortingkaart voor de stadsbussen, zodat ik in plaats van één piaster nog maar een halve hoefde te betalen voor een ritje in de tweede klas. Soms had ik geen zin in zo veel volk en nam ik de eerste; dat kostte dan wel meteen twee piaster.
De beurs moest maandelijks worden geïnd op het kantoor voor buitenlandse studenten in de straat bij het graf van Sa‘d Zaghlul, waar nu het metrostation is. Daartoe moest ik naar de tweede verdieping, en bij binnenkomst stond er al een portier gereed om de deur van de lift voor me open te houden. Op een keer merkte ik dat Soedanese studenten, die ook hun beurs kwamen afhalen, niet in de lift mochten. Dat vond ik akelig; voortaan nam ik ook de trap. Toch even een moment van solidariteit met de zwoegende en zuchtende mensheid; nou ja, kunst hoor: twee trappen oplopen.
.
N.B.: Een collega vertelde onlangs, dat die Soedanese studenten slechts £E 10,- in de maand kregen.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, De mens, Duitsland, Persoonlijk, Vroeger

Heere, breng hem niet in lijden!

Deze tekst zoekt u vergeefs in de bijbel; hij komt voor in een wandschildering van Victor de Stuers uit 1865. Voor mij werd dit gebed niet verhoord. Nadat ik in Amsterdam mijn kandidaatsexamen Semitische talen had gedaan moest ik beslist naar Leiden. De Schiphollijn bestond nog lang niet, dus forenzen was moeizaam. Ik wilde helemaal niet verhuizen, want ik voelde mij lekker in Amsterdam, maar Indonesische Taal- en Letterkunde studeren kon alleen in Leiden, waarvoor toentertijd Arabisch en Sanskriet als voorstudie vereist werden, dus had ik in Amsterdam maar vast Arabisch gedaan. Bovendien was het onderwijs in Amsterdam behoorlijk slecht geweest; het moest maar gebeuren. Eigenlijk had ik naar het SOAS in Londen gewild, maar door een dramatische privé-omstandigheid plus een verkeersongeluk (niet heel ernstig, maar het herstel duurde toch zes weken) was daar niets van terecht gekomen.
Op een dag betrok ik dus een huurkamertje in Leiden, het was geloof ik begin januari 1969. Een trieste straat, een armoedige stad (toen nog). Een vrij groot huis aan de Morsweg, waar vier kamers aan studenten verhuurd werden. De sombere gangen werden verlicht door peertjes van 15 Watt. In het halfdonker spookte soms in haar nachtjapon de licht demente moeder van de hospes. Ze praatte ook, maar wat ze vertelde ben ik intussen vergeten. Het closetpapier was op de bon: je kon steeds bij de hospita een paar velletjes gaan vragen, maar ik besloot al dadelijk maar eens gek te doen en op eigen kosten een rol aan te schaffen. Het kamertje was klein en kreeg veel herrie van de straat. De meegebrachte radio en grammofoon boden aanvankelijk geen soelaas, want Leiden had 127 volt; daar moest dus eerst een transformator voor aangeschaft worden.
De eerste kennismaking met het hoger onderwijs in het Arabisch viel ook zwaar tegen: het was niet merkbaar beter dan ik gehad had. Eén oude hoogleraar had tot de bestuurselite van Ned.-Indië behoord en had die baan in Leiden kennelijk gekregen omdat hij onderdak nodig had. Hij was waarschijnlijk goed thuis in de Indonesische talen, maar veel minder in het Arabisch. De andere had heel wat in huis, maar vond lesgeven niet zo interessant. Een goede hoogleraar, zo meende hij, is er een die de studenten bij het studeren niet hindert. Verder autodidact worden dus maar; het kón, maar het was zo’n tijdverlies. Bij Indonesisch was dat veel beter: daar kreeg ik eindelijk modern onderwijs, zowel in taal als literatuur, van een inspirerende hoogleraar.
.
Eenzaam voelde ik me ook vaak die eerste weken. Dan ging ik terug naar mijn vrienden in Amsterdam om weer wat op verhaal te komen. Die begrepen toch al niet wat ik in Leiden zocht; in die tijd dacht je niet verder dan de stadsmuren van Amsterdam en draaide je nooit een telefoonnummer met een netnummer ervoor. Leiden was maar veertig kilometer van Amsterdam, maar een heel andere wereld. Een sjofele stad vol langdurige werkloosheid, maar wat de universiteit betreft een annex van het mij onbekende, maar begeerlijke Den Haag, dat ruimer, rijker en vrijer was dan Amsterdam.
Eén, twee maanden treurigheid; toen veranderde het. Op een dag kwam ik een jongen van college tegen op straat. Hij vroeg of ik even binnen wilde komen; we bleken namelijk op tien meter van zijn woninkje te staan. Binnen zat zijn vriendin, die afwisselend aan een scriptie typte en in pannen roerde. Ik kon meteen blijven eten, en daarna nog wat drinken; in de loop van de avond kwamen er nog andere ‘stamgasten’ binnen. Kortom, het was ruim na middernacht toen ik weer vertrok en zo ging dat daarna nog jaren: dit prachtige paar bedreef op een zeer klein woonoppervlak met maar weinig geld een soort salon, die voor velen een graag bezochte aanloopplaats was. Daar leerde ik ook anderen kennen met wie ik nog vele jaren bevriend gebleven ben. Ik werd geïntroduceerd in een literair dispuut, waar ik mij ook zeer thuis voelde. En studeren deed ik vaak in de bibliotheek van het KITLV, bij de Indonesische studiën, waar ik nóg een tehuis vond. Het kwam dus helemaal goed met Leiden.
.
Nu hoop ik maar dat de gedachten waarmee ik wakker word niet de kant van memoires uitgaan, want daar voel ik niet voor. Mijn leven was nauwelijks memorabel; bovendien zou ik dan veel preciezer en indiscreter moeten worden.

3 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk