Categorie archief: Persoonlijk

Mini-herinnering: wat bedoelde ik?

In 1991 schreef ik een paar bladzijden voor het Dictionnaire des philosophes antiques. Gelukkig was er toen op het instituut een secretaresse die hielp bij het Frans. Na het insturen gebeurde er niets. Tien jaar later schreef de redacteur dat het eindelijk zover was: het werk zou nu gedrukt worden—wat in 2003 inderdaad geschiedde—, maar hij begreep één zin van mij niet en of ik kon uitleggen wat ik daarmee bedoeld had. Ik deed mijn best, maar begreep die zin zelf ook niet. En het onderwerp lag intussen te ver van mij af om alsnog iets te bedoelen. De redacteur schreef nog twee mails, maar ik kon hem niet helpen, ik had geen idee en liet het maar zo. De man dacht waarschijnlijk dat het aan mijn Frans lag, maar ik wist bijna zeker dat het iets inhoudelijks was. Zo droeg ik nog een on-zin bij aan deze wereld.
Als ik de tekst nu nog eens doorlees geloof ik dat ik die ene zin gemakkelijk zou kunnen herschrijven. Hij is inhoudelijk niet onzinnig, maar onduidelijk geformuleerd. Intussen begrijp ik weer wat ik bedoelde.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Persoonlijk, Schrijven

Mini-herinnering: mijn antisemitisme

De herinnering kan mini blijven, want de periode van mijn antisemitisme heeft gelukkig maar kort geduurd.

Opgroeiend in Amsterdam kwam ik wel eens Joden tegen en ik kende er ook een paar. Op enkel puntjes verschilden zij van ‘ons’, maar ja, dat deden katholieken en socialisten ook en het maakte helemaal niets uit. De omgang was onproblematisch. 

Een mooie kennismaking had ik met een rabbijn. Ik studeerde Arabisch, maar die studie was ingebed in ‘Semitische Talen’ en daar zat ook Hebreeuws bij. Een studiegenoot en ik waren niet tevreden met de dorre manier waarop dat onderwezen werd en wij begaven ons naar een rabbijn met de vraag of hij niet wat met ons wilde lezen. Dat wilde hij en het werden heel mooie uren, met de lectuur van Hebreeuwse en ik denk ook Aramese bijbelcommenaren. Hij wekte die dode teksten echt tot leven. Op een dag vertrok de rabbijn naar elders en toen was het afgelopen. Het blijft een mooie herinnering.

Heel apart was mijn werk bij een Joodse firma. Als student had ik al verschillende bijbaantjes gehad. Mijn reizen naar het Midden-Oosten kostten geld en dat moest verdiend worden, in een hotel, bij de gemeente, bij een marketing bureau, bij een bank enzovoort. Op een dag kreeg ik een baantje als postjongen en manusje van alles bij een handelsfirma in … (uit discretie zeg ik maar niet waarin. Nee, diamanten waren het niet.) Het bleek een Joodse firma te zijn, en wel een wereldfirma. Afgezien van enkele monsters op een kastje was er van de verhandelde goederen nergens iets te bekennen, maar intussen werden ze wel op grote schaal verhandeld en verscheept: van Afrika naar Amerika, van Turkije naar Europa, van Bolivia naar Australië enzovoort. In dat bescheiden grachtenpand gingen werkelijk miljoen door de telefoon en de telex, — en miljoenen waren de miljarden van die tijd. Nooit heb ik ergens een prettiger werkklimaat gekend als daar. Hoewel de jongste en laagste in rang, en bovendien slechts tijdelijk aangesteld werd ik geheel voor vol aangezien en als gelijke behandeld. De bovenbazen spraken met mij gezellig en zonder enige barrière over dingen als kunst, muziek en theater. Sommigen speelden zelf ook een instrument, ze waren allemaal meertalig en belezen, hadden humor en reisden de halve wereld rond. Een totaal ander bedrijfsklimaat dan bij Nederlandse zakenlui van het type Verolme of mijn grootvader, met hun broodjes kaas en altijd maar druk-druk-druk. Toen een van de heren thuis een feestje gaf sprak het voor hem vanzelf dat ik ook zou komen, en zo kwam ik terecht in een van de weinige echt ruime huizen die Amsterdam Oud-Zuid rijk is. Ook met de dames en dochters was het erg prettig. 

Een fijne tijd dus; toch werd dit werkverblijf de aanleiding tot mijn antisemitische episode, en dat hadden ze werkelijk niet aan me verdiend. Toen ik daar weer weg was namelijk schoot de jaloezie in me. Waarom hadden zij zo‘n mooi leven terwijl ik vast zat in een bescheten, schraal mileu? Het ging niet eens om hun rijkdom, maar om hun vanzelfsprekende wereldburgerschap. Die jaloezie nam de vorm aan van jodenhaat— het zal in het voorloorlogse Duitsland net zo gegaan zijn.

De enige antisemitische actie die ik heb ondernomen was het schrijven van een gemene rotbrief aan een Franse schrijver. Ik hoop maar dat hij hem schouderophalend heeft weggegooid en geen pijn gevoeld heeft (ofschoon ik hem toen wél pijn wilde doen).

Mijn antisemitisme ging vanzelf weer over toen ik eigen wegen vond tot het worden van wereldburger. Ik ontdekte Europa: Brussel, Parijs, Münster, Salzburg, Athene en vooral Italië; later ook Cairo. Het is allemaal nog goedgekomen.

Het bovenstaande was voor mij niet zo prettig om op te schrijven. Toch geloof ik dat iedereen af en toe bij zich zelf moet nagaan of er geen rotte plekken in zijn ziel zitten, om die dan uit te snijden. Dit betrof mijn antisemitisme, een variant van racisme. Maar racisme is veel is ruimer: ook na te gaan is de verhouding tot andere volkeren. Dat komt in een volgende tekst.

3 reacties

Opgeslagen onder Joden Joods joods, Persoonlijk

Een afwisselend leven

Nee, dat is niets voor mij, een leven van nu eens dit en dan weer dat. Eindelijk doorzie ik waarom dat is. Aan de meeste bezigheden, of het nu onderzoek, lezen, zingen, koken, fietsen, roeien of nog iets anders is, heb ik in het begin een hekel en valt het me moeilijk om ermee te beginnen. Wanneer ik dan echter toch met iets bezig ben gegaan wil ik na tien minuten niet meer ophouden en het liefst eindeloos doorgaan. En dan is het zonde om het plezier af te kappen en na een periode van even helemaal niets weer met tegenzin aan iets anders te beginnen.

Kortom, voor mij is een saai leven het beste.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Muzikale ontwikkelingsgang (1)

Houd ik eigenlijk wel van muziek? Ik ben er nogal mee bezig, en dat geheel vrijwillig, dus het zal toch wel. Maar er waren ook perioden zondere muziek, dat ging ook best. En van Wagner en van Reger en nog zo een paar houd ik zeker niet, en van symfonische muziek steeds minder. Om van popmuziek maar te zwijgen; in het algemeen niet van electronische of electronisch versterkte muziek. Daarentegen weer wel van klassieke en oude muziek, kamermuziek, opera’s, en ook Perzische, Turkse, Griekse en Arabische muziek, in die volgorde.

Voor mijn geboorte heb ik mijn moeder waarschijnlijk horen zingen, en daarna ook. Dat herinner ik me niet goed, maar het zal toch bepalend zijn geweest. Ja, mijn moeder zong wel wat, en ze speelde op het harmonium: een akelig maar onvermijdelijk instrument in een gereformeerde omgeving. Maar ze deed niet alleen maar psalmen, ook liedjes en schlagers. Een vroege muzikale herinnering is ook het Ambonese gezin dat we een tijdje in huis hadden (Emigrant berichtte). De vader speelde accordeon, wat mij als kleuter fascineerde.

Psalmen en gezangen moet ik ook gehoord hebben in de huizen van mijn familie, en toen ik wat groter werd in de kerk. Harmoniums waren overal, en psalmboeken, en de liedbundel van Johan de Heer (‘Daar ruischt langs de wolken …’). Geen geweldige muzikale ervaringen. Mijn moeder zal me het notenschrift hebben bijgebracht—ik zie die dikke brede christelijke halve noten nog voor me—en de ligging van de tonen op het toetsenbord van het harmonium. Daar begon ik zelf op te knutselen, die melodieën naar beste vermogen te spelen. Aan harmonieën ben ik nooit toegekomen. Op een dag was het harmonium weg en werd mijn muzikale zelfeducatie dus in de kiem gesmoord.

Ik heb altijd gedacht dat het harmonium verdween door de Watersnood van 1953, maar dat kan toch niet zo geweest zijn. Want ik herinner mij die bundels met noten heel goed, en ook de teksten van de liederen die ik ‘instudeerde’. Liedjes zoals Witte Rozen (zie ook hier), Auf der Heide blüh’n die letzten Rosen, van 1939, Sarina het kind uit de dessa (jazeker, die stampte in 1949 haar padi nog tot bras; het liep niet goed met haar af), en enige andere. In 1953 werd ik zes; toen kan ik dat nog niet gekend en begrepen hebben. De verdwijning van het instrument moet dus later geweest zijn, wanneer en waarom weet ik niet meer. Misschien toen mijn grootouders kleiner gingen wonen; was het 1957?

In Amsterdam kwam de blokfluit in mijn leven, op de lagere school. Jaren lang was dat het enige middel waarmee ik mij muzikaal kon ontwikkelen, maar dat deed ik dan ook; ik deinsde voor de Matthäus Passion niet terug. Het zal niet om aan te horen zijn geweest, maar je leert zo’n stuk dan toch een beetje kennen. Dat was namelijk de enige partituur die er in huis was. Mijn moeder nam die mee naar de jaarlijkse uitvoering, en mij nam ze vanaf een zekere leeftijd ook mee. En ook wel eens naar andere concerten, in Amsterdam of Breda. Ik denk dat mijn moeder best muzikaal was, maar om dat te ontwikkelen ontbrak de impuls, of ze kreeg de kans niet. Mijn eerste keer in het Concertgebouw, hoe oud zal ik geweest zijn, tien? heeft grote indruk op me gemaakt. Zo groot dat ik het flesje prik dat ik in de pauze kreeg helemaal verdroomd in het glas goot, dat echter te klein was voor de inhoud van het flesje, zodat ik een dame in een mooie jurk onder spatte, die daarop boos werd.
Mijn vader was niet zo zeer onmuzikaal, hij was anti-muzikaal, wat een en ander niet vergemakkelijkte.

De kerk bood weinig soelaas. Psalmen en gezangen vond ik niets aan. Op het orgel werd ook wel eens een andere deun gespeeld, maar weinig overtuigend, en ik hield niet van het instrument. In Amsterdam was er wel een kerkkoor, dat ook pretentieuze stukken zong. Ik heb er geen kippenvel aan overgehouden. Bij de katholieken werd beter gezongen, dat was mij niet ontgaan. Een hoogtepunt was het overlijden van een buurman in het dorp, een vooraanstaand katholiek, waardoor het mogelijk werd de twee uur durende Requiem-mis bij te wonen en dat was prachtig. Ik moet toen twaalf of dertien zijn geweest, want een beetje Latijn kende ik toen al. Asperges me hysoppo ut mundabor, herinner ik mij, en het vreemde geel-grijze papier van het tweetalige tekstboekje dat werd uitgereikt. Kerkelijk drukwerk is altijd anders.

(wordt vervolgd)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziek, Persoonlijk

Tussen de jaren

Zwischen den Jahren, zo heet in Duitsland de periode tussen kerst en nieuwjaar. Het is een dooiige tijd, waarin vele deuren dicht zijn en een beetje lamme stemming heerst. Ik vond het altijd moeilijk mij aan die verlamming te onttrekken. Je had zo veel kunnen doen in die week: dingen die anders blijven liggen, opruimen, noem maar op, maar het lukte nooit om actief te worden. Ondanks alle voornemens verzonk ik steevast in luiheid en passiviteit.

Nu wordt dat anders. Er is een strenge lockdown afgekondigd in Duitsland, vanaf woensdag, maar gevoeld al vanaf vandaag. Kerstviering zeer beperkt, nieuwjaarsviering helemaal niet! Dat is op te vatten als een verlenging van ‘tussen de jaren’; het gaat een kleine maand duren en daarin kun je niet de hele tijd niets doen.

Integendeel, die lockdown komt me juist gelegen! Nee, het is echt niet zo dat ik geniet van Corona of van de maatregelen, maar indirect heb ik er wel baat bij. De situatie is ernstig nu, daaraan is geen twijfel, en dat leidt er toe dat ik mij einen Ruck gebe, mezelf aanzet tot actie. In de crisis-modus blaak ik alweer van dadendrang, en dát is prettig.

Ik heb ook goede herinneringen aan de tijd dat de UB dicht was. Wat was dat leuk, in februari/maart, om geen toegang te hebben tot al die bronnen van kennis en slechts te roeien met de riemen die ik thuis had! Maar nee, naar zoiets moet je niet terug verlangen, en zeker niet voor de andere gebruikers. Gaat ook niet gebeuren geloof ik.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Gezondheid, Persoonlijk

Mini-herinnering; nóg een oudtante

Maar hoe kon ik toch tante Deetje en oom Bas vergeten? Deetje was de oudste zuster van mijn grootvader en misschien daarom het allervroomst van het hele stel, met de zwartste kousen, SGP, you name it. Mijn grootmoeder en mijn moeder, die gewoon synodaal gereformeerd waren, moesten soms erg om haar lachen. Bij voorbeeld toen hun huisje tijdens de watersnood van 1953 onderliep. Ze hadden nooit waterleiding willen nemen, omdat zij genoeg hadden aan het water dat God hun schonk, middels regen en een pomp. Tijdens die overstroming gaf de Heer hun wel erg veel water, en daarna kwam er dan toch waterleiding. Ik herinner mij één bezoek bij hen, met mijn grootouders en mijn moeder denk ik. Het bezoek was niet echt vreugdevol en toen het uur van vertrek sloeg leek iedereen opgelucht. Maar we kwamen niet weg zonder dat Deetje nog samen met ons gebeden had. En zij bad lang, en nog langer. Mijn grootmoeder werd ongeduldig en toen Deetje bij de zin gekomen was: ‘En, Heere, wees ook met het hondje ….’ riep zij uit: ‘Zo is het wel genoeg, Deetje; kom, we gaan!’

2 reacties

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk

Mini-herinneringen: oudtantes

Oudtantes leken bij ons vooral in paren voor te komen: telkens twee ongehuwde zusters die samenwoonden. De tantes in Dordt heb ik al eens besproken, maar er waren ook tante Cathrien en Gé te D., zusters van mijn grootvader. Die woonden in een aardig huis met een vrij grote tuin; tenminste dat vond ik als kind. Toen ik het huis enkele jaren geleden nog eens terugzag bleek het nogal popperig te zijn. Aardig nog steeds, dat wel. Waar deze tantes van leefden weet ik niet. Misschien dat hun rijke broer, mijn grootvader, hen onderhield.

In hun tuin groeide van alles, maar vooral de kruisbessen heb ik in lekkere herinnering. Er stond ook een prieeltje; daar zat tante Gé graag een preek te lezen. Ja, ze waren zeer gereformeerd, en zelfs meer dan dat. Ik denk niet dat daar behalve de bijbel en die preken ooit iets gelezen werd; of het zou het kerkblad moeten zijn. Maar van welke kerk dan? Het probleem was juist, als ik het goed begrijp, dat er in wijde omgeving geen kerk te vinden was die zwaar genoeg was. Daarom moesten ze thuis wel preken lezen.

In de tuin was ook de toegang tot de bijkeuken, of was het eerder een schuurtje? Daar stond een petroleumstel, een vies en stinkend geval, maar de tantes beweerden bij hoog en laag dat bepaalde spijzen alleen op een petroleumstel goed bereid konden worden. Dat gold bij voorbeeld voor de pannenkoeken die ze daar bakten, en die waren inderdaad lekker.

In onze familie werd af en toe gemeld ‘dat tante Gé weer gevallen was’. Als kinderen moesten wij daar erg om lachen. Hardvochtig ja, maar wij begrepen best dat vallen niet leuk was. Het grappige was, dat wij de oorzaak van die valpartijen vermoedden. De tantes dronken natuurlijk niet, maar zetten wel ieder jaar hopen rozijnen in glazen potten op brandewijn. Daardoor bleven die vruchten goed geconserveerd. En tante Gé, dat was bekend, nam wel eens een glaasje van die ‘boerenjongens op sap’—of ook twee of drie.

Tante Cathrien is honderd geworden, maar nu toch ook al weer ruim dertig jaar dood. Zij was ooit getrouwd geweest, maar slechts korte tijd. Haar man was al spoedig verdronken, zodat zij al heel jong weduwe was. Hertrouwd is ze nooit. Af en toe hief zij haar handen ten hemel en riep: ‘Geert, o Geert!’ Haar verdriet zal kort na die verdrinking zeker echt geweest zijn, maar zestig jaar later was het eerder ritueel en theatraal geworden. Een hang naar kunst en theater had zij inderdaad, maar hoe kom je daarmee in aanraking als je in een zwaar christelijke familie gevangen zit, in een klein dorp en met weinig geld? De radio bracht haar muziek—en o la la, niet alleen van de NRCV!—, en de fantasie deed de rest. Toen ik een jaar of dertien, veertien was vertelde ze me, dat zij in haar jonge jaren in het koor van de keizerlijke opera in Wenen had gezongen. Daar was ik wel van onder de indruk, en het duurde nog jaren tot ik begreep dat ze dit volledig uit haar duim gezogen had.

Tante To en Jo waren geloof ik nichten van mijn grootmoeder, maar ze golden voor ons toch als echte (oud)tantes. Zij belichaamden voor ons iets van the high life: ze woonden in een statig wit herenhuis in Apeldoorn en bezochten mijn grootouders iedere zomer. Waarschijnlijk hebben ze nooit gewerkt en leefden ze van de erfenis van hun vader, die omstreeks de eeuwwisseling naar Indië was vetrokken en daar rijk was geworden— vermoedelijk door het uitpersen van inlanders.

Voor het overige zijn er aan die generatie alleen nog schimmige herinneringen. Tante Heleen, die misschien al voor mijn derde levensjaar overleed, mocht ik niet. Zij droeg massieve zwarte japonnen en wilde mij altijd langdurig knuffelen en zoenen, wat een bezoeking was. Verder was er nog ergens een oudoom die visser was; of geweest was, want de vis was al lang aan de watervervuiling ten offer gevallen. In ieder geval herinner ik mij een huis aan het water. Er lag een bootje en er hingen netten op het erf. Dat erf liep schuin af naar het water, dat viel mij op, in een omgeving die verder zo buitengewoon vlak was.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk

Hoogtevrees 1

Eergisteren heb ik op zangles zo prachtig gezongen, mooier dan ik het ooit zou kunnen. Zowel mijn leraar Daniel als ik zelf stonden er versteld van. Na afloop was ik doodmoe.

Gisteren heb ik helemaal niet gezongen, en vandaag ging het veel slechter; moest als het ware weer bij nul beginnen. Aan de ene kant geen wonder natuurlijk: je kunt niet altijd op een bergtop staan, er zijn ook dalen.

Maar dat is niet alles. Als iets goed gaat bij mij ben ik niet blij, maar verontrust en saboteer ik me zelf zo, dat het weldra weer slechter gaat. Niet alleen bij het zingen; ook op werkgebied; bij wetenschappelijk onderzoek was dat altijd het geval. Alleen het onderwijs ging vaak toch goed: door last minute-werk, improvisatie en goddelijke bijstand kwamen daar soms heel mooie dingen tot stand. En sport: Aikido deed ik volgens iedereen heel goed, veelbelovend; maar waarom heb ik nooit de eerste dan gehaald? Datzelfde: zich zelf afbreken, het mag niet goed gaan. En zelfs in de liefde. Gaat het fijn? Afhaken dan; vooral geen continuïteit.

Misschien moet ik de coronastilte maar benutten om eens na te gaan wat dat is, of was, en of er nog iets te veranderen is aan dat patroon. Want zoveel tijd van leven is er niet meer. 

Als klein voorbeeld kan misschien dienen de toonhoogte bij het zingen. Eerst was ik bang voor hoge tonen. Als er een hoge a in de buurt kwam kneep ik mijn keel al dicht. (Of kneep de keel zich zelf dicht? Veel verschil maakt het ook niet.) Dat is over, vooral dankzij de onuitputtelijke trukendoos van Daniel  kan ik nu meestal ook een hoge b zingen zonder af te knijpen, en hij is nu verder met me gegaan: daarbij de kopstem mooi mengen met de borststem en een rijke toon met een luidheid bereiken zonder te schreeuwen (voor de kenners: via de wa-wa-wa-gu-gu-gu-gooOOÓÓÓ-oefening). Ben ik daar blij om? Een beetje wel, maar ik schrik me wezenloos. Ik sta aan de rand van een afgrond en kijk de diepte in. 

Zo is het ook met de rest van het zingen, want die hoge tonen waren slechts een ondergeschikt probleempje. Als het  goed gaat is het beangstigend. Omdat de ziel dan naar buiten komt?

Mijn denken hierover stagneert nu. Ik heb deze tekst Hoogtevrees 1 genoemd, dat betekent dat er nog plaats is voor een nummer 2. Of die er komt is af te wachten.

3 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk

Gestolen goed gedijt best

Sinds mijn achttiende heb ik niet meer gestolen. Dacht ik tenminste. Maar de verdwijning van mijn papierschaar, nu alweer twee weken geleden, heeft mij opnieuw aan het denken gezet. Hij kan niet uit eigen beweging uit mijn woning verdwenen zijn, en hij kan ook niet per ongeluk in de papiermand terecht gekomen zijn, want daar komt echt alleen papier in, dat controleer ik. Is het misschien een late straf? Want deze schaar was gestolen. Toen ik in 1996 mijn werkgever de Vrije Universiteit verliet heb ik deze schaar gewoon meegepikt! Maar nee, een straf zal het toch niet zijn, want hij heeft me jaren trouw gediend en de daad is allang verjaard. Ook de twee andere gestolen voorwerpjes die mij nog dagelijks aankijken doen het nog best en peinzen er niet over te verdwijnen. Ik doel natuurlijk op de stalen lepeltjes, waarvan het ene de inscriptie KLM draagt en het andere Olympic.

Nou ja, gestolen, dat klinkt zo hard. Het Duits heeft daar een mooie omzwachtelende term voor: mitgehen lassen. Ich habe sie mitgehen lassen. Een lift gegeven, als het ware. Dat ze ook eens wat anders zouden zien.

1 reactie

Opgeslagen onder Duitsland, Persoonlijk

Afvoer

Een vakman heeft de verstopte afvoer onder mijn gootsteen schoongemaakt en weer in orde gebracht. Fijn dat alles weer wegstroomt natuurlijk, maar het hindert me toch een beetje dat ik het niet zelf gedaan heb. Vroeger kon ik zulke dingen best. Toen ik hier introk, in 2007, heb ik zelf de foute boel onder de gootsteen in orde gebracht, maar nu kan ik zoiets niet meer. Het is dat oud worden; bah!

2 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk