Categorie archief: Persoonlijk

Arabisch lezen

Ruim vijf jaar geleden werd ik gepensioneerd als universitair docent arabische taal- en literatuur en islam, en sindsdien heb ik nauwelijks meer modern Arabisch gelezen. Ouder Arabisch wél, alleen al voor het Leeswerk Arabisch dat ik nog schrijf; ook wel eens een nieuwsbulletin of zo, maar moderne literatuur niet. Tot 2007 deed ik dat nog regelmatig, omdat ik er zowel in Amsterdam als in Frankfort onderwijs over moest geven, en ook recensies van uit het Arabisch vertaalde literatuur schreef voor NRC-Handelsblad. (Ongelooflijk eigenlijk, dat Nederlanders zoiets vroeger lazen, en dat er kwaliteitskranten bestonden die daar besprekingen van wilden.) In Marburg waren er aparte docenten voor moderne Arabische letterkunde en ben ik er geleidelijk mee opgehouden. Blijkbaar had ik er geen zin meer in, en omdat het niet meer moest was dat goed zo.
.
Wel bedacht ik onlangs: als je een taal niet gebruikt vergeet je hem, en dat zou wel een ingrijpende zaak zijn. Het Arabisch was immers mijn vak en heeft een groot deel van mijn leven gevuld. Als je later dood bent is die kennis ook weg, maar het is niet zinvol, daarop vooruit te lopen. Daarom dwong ik mij tot de lectuur van wat modern Arabisch, maar het wilde niet erg vlotten. Eerst een geruststelling: ik bleek het nog goed te kunnen lezen. Ik moest wel wat meer woorden opzoeken, maar dat zou ik bij Engels of Frans ook moeten. En dat doe ik natuurlijk nooit: ik laat de woorden vanuit de context opkomen, en als dat niet lukt is het jammer. Alleen als er kernwoorden ontbreken sla ik ze na. In de problemen kom ik alleen bij speciale jargons: landbouwwerktuigen, scheeps- of walvisterminologie, dat soort dingen. Dan zoek ik liever een vertaling, zoals bij voorbeeld van Moby Dick.
Maar, maar … die moderne Arabische romans en korte verhalen stonden ineens zover van me af; ik kreeg er geen contact mee. Ze waren niet te moeilijk, eerder integendeel; en ook niet te exotisch; de tijd dat Arabische auteurs anders schreven dan westerlingen is al heel lang voorbij. Nee, ik vond ze gewoon vervelend. Wat ik voor mijn privé genoegen lees uit Europa, de beide Amerika’s of Japan, al dan niet in vertaling, interesseert me veel meer, dus waarom zou ik mezelf modern Arabisch aandoen? Daarmee wil ik niet zeggen dat moderne Arabische auteurs slecht schrijven; er is echt wel wat goeds te vinden, steeds meer zelfs; ik heb er alleen geen zin meer in. Hoeft ook niet; gepensioneerd weet U wel.
.
De redding verscheen in de vorm van negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse geschriften, waarvan de literaire waarde maar al te vaak gering is, maar waar ik ineens wél zin in heb; vraag me niet waarom. Misschien omdat ik in mijn hart zelf een negentiende-eeuwer ben, een crypto-Ottomaan misschien, of een ouwe koloniaal? Ik houd van die tijd; ik vond het jaarabonnement van Nubar Pasha in het spoorwegmuseum te Cairo ook fijn om te zien.
Ik denk dus wat te gaan lezen uit die tijd, vooral uit Egypte. In Syrië, inclusief Libanon, gebeurde er misschien meer, maar dat ligt buiten mijn horizon en daar laat ik het maar.
.
Hier is al een klein leeslijstje:

  • Nakhla Salih, Fu’ād en Rifqa (1872), een prulletje, maar wél de oudste Egyptische roman; daar zal ik dezer dagen een stukje over schrijven.
  • ‘Alī Pasha Mubārak, ‘Alam al-dīn (1882), een zeer dik werk, dat hier en daar trekken van een roman vertoont, en ook zijn biografische lexicon, Al-Khitat al-tawfīqīya (1888–89), een nog veel dikker werk (20 dln.). Hierover hebben twee Duitse geleerden al behoorlijk wat geschreven, zodat ik in dit geval alleen consument hoef te zijn, en natuurlijk alleen van een paar hoofdstukken. Ik ben de trotse bezitter van een eerste druk van ‘Alam al-dīn, waarschijnlijk de enige in wijde omgeving.
  • Bij al-Manfalūṭī (1876–1924) wilde ik altijd nog eens kijken hoe hij Franse romans aan de lezerswensen van het Egyptische publiek aanpaste: daar kan ik eventueel wat over schrijven. Dat is wel werk, want ik zal dan stukken Arabisch én stukken Frans moeten vertalen, ter vergelijking. Die lezerswensen hadden vooral betrekking op de onmogelijkheid van liefdesaffaires. Als in een roman een jongen zijn aanbedene ontmoette moest dat in het Arabisch neef en nicht worden, enzovoort.
  • Helemaal voor mijn eigen plezier kan ik lezen al-Māzinī, Ibrāhīm al-kātib. Dat heb ik vroeger al eens gelezen, maar dat kan best nog een keer. Niet een gaaf literair werk; veel losse eindjes, maar die auteur is mij zeer sympathiek. Modern, voor 1924.

En onlangs had ik op één dag twee interessante ontmoetingen hier ter stede. Een jonge geleerde die onderzoek doet over (Ahmad) Fāris al-Shidyāq, ofwel Farès Chidiac, Sāq ‘alā sāq, en in het gesprek met hem zag ik het ineens: Ja! Dát zou interessant kunnen zijn om te lezen. In ieder geval voor de ontstaanstijd (1855) is dat een werk van echt grote kwaliteit. De auteur is geboren als christelijke Libanees, werd protestant in het Egypte, waar hij twintig jaar gewoond heeft, vertrok naar Oxford, waar hij de Bijbel in het Arabisch vertaalde, en woonde later nog in Parijs, Tunis en Constantinopel. Laat in zijn leven werd hij moslim. Zijn boek is iets tussen een Bildungsroman en een reisverhaal in, moeilijk van taal, maar lichtvoetig van geest. Het werk bevat ook vele woordenlijsten: de auteur was immers bezig het Arabisch te herontdekken, dat in het Ottomaanse Rijk zo lang was verwaarloosd. Maar die lijsten kun je overslaan. Er is net een tweetalige uitgave Arabisch–Engels van verschenen. Die zou het tevens mogelijk maken wat meer leessnelheid in die oudere taal op te bouwen. Onderwerpen: o.a. de sociale misstanden in Engeland. Als dát niet actueel is.
.
Diezelfde dag heb ik geluncht met een vriendin/collega die ik al jaren ken. Ik vertelde haar dat ik wel zin had om een kort verhaal van Mahmūd Taymūr te vertalen, maar dat ik dat in het Duits niet kon. Zij stelde het voor de hand liggende voor: dat we het samen zouden doen! Daar was ik nog niet op gekomen. Ik zal het eerst in het Nederlands vertalen—aangenomen dat ik het origineel nog kan vinden, dat ergens in mijn chaotische stapels moet liggen. Baas Shehata vraagt om zijn loon is een immoreel verhaaltje uit 1926. Bij een dame wordt voor de zoveelste maal aan de deur geklopt door een koetsier, met wie mevrouw vier, vijf ritten heeft gemaakt, die echter nog niet betaald zijn. Hij laat zich ditmaal niet afschepen door het dienstmeisje, stapt het huis binnen en vraagt mevrouw om zijn geld. Mevrouw is in negligé, noodt hem in haar slaapkamer en betaalt hem in natura. Haar zoontje kijkt door een kier en is er onbedoeld getuige van. Ongelooflijk, dat zoiets toen in Egypte gepubliceerd kon worden. Literair geen hoogvlieger, maar wel grappig.
.
Ja ja, dat is een hoop enthousiasme ineens, maar als zovele bejaarden heb ik de neiging mezelf te verzetteln. Eens zien wat er van komt.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Kairo, Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk

Tweed

Het is koud, en omdat ik vorige winter mijn vaalblauwe fleece bijstandstrekkerssweater uit walging had weggegooid zocht ik iets anders om mij behaaglijk in te voelen. En ziedaar, daar was ineens mijn eeuwenoude tweedjasje! Volledig doeltreffend; hoe heb ik al die tijd zonder kunnen leven? Het biedt niet alleen warmte; voor iemand als ik, die zich in huizen nooit zo thuis voelt, is het ook een tehuis. Laat nu de winter maar komen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Niet naar Kirchhain

Wat ik bij steeds meer bejaarden gadesla en, o schrik! ook bij mij zelf, is de neiging te veel dingen op zich te nemen, die dan half af blijven en een katterig gevoel geven. Gepensioneerden hebben onbeperkt de tijd, dus ze denken dat ze dit-of-dat ook nog wel kunnen doen, dat het hoog tijd wordt om hun Latijn eens op te halen en hadden ze niet altijd al willen gaan zeezeilen?
.
Maar hun energie is niet onbeperkt, die is duidelijk minder dan vroeger, en de geheugenfunctie en het leervermogen zijn ook afgenomen.
.
Voor je het weet heb je dan ouwetjes die overwerkt raken, en toenemend wanhopig zijn omdat ze het niet allemaal meer bijsloffen. Het zijn cliché’s onder bejaarden: de Ruhestand is eerder een Unruhestand en: “Ik heb het nu drukker dan voor mijn pensioen.” En dat terwijl de geraniums staan te verpieteren in hun vensterbank.
.
Verstandig lijkt het daarom, zich te beperken tot een of twee  bezigheden, en af een toe een kleinigheidje erbij bij wijze van toefje slagroom. Als je je op weinige dingen concentreert kun je daar best nog wat in bereiken; was er laatst niet een Indiër die op zijn 86e nog een marathon gelopen had? Zijn er geen pianisten die tot hun honderdste doorgaan? (Nou ja, niet zo heel veel, maar ze zijn er.)
.
Sich verzetteln heet het in het Duits: je tijd onhandig indelen en aan te veel dingen door elkaar besteden. Dat heb ik altijd nogal gedaan, en dat gaat juist nu pas veranderen. Niet in vier koren tegelijk zingen, niet ook nog ingewikkeld Indisch willen koken, niet meer de woning zelf schoonmaken. Want laten we eerlijk zijn: juist vróeger had ik het gevoel dat tijd en energie onbeperkt aanwezig waren, terwijl die nu toch echt begrensd geworden zijn, met een onbekend, open einde.
.
Het is me nu duidelijk wat ik moet doen: zingen, een beetje stukjes schrijven in mijn Arabisch-bloek (maar volstrekt geen wetenschap) en een enkel bijlesje geven aan vluchtelingen ofzo. Bij alle drie zit een voldoende grote component aan ‘maatschappelijke dienstverlening’, zodat ik me niet helemaal een uitvreter hoef te voelen. Elke dag ook iets van beweging die gezond is voor het lichaam, maar dat telt niet echt als bezigheid.
.
Dat houdt in dat ik vandaag ook niet mijn activiteiten stressig ga comprimeren en niet af krijgen om morgen vrij te houden voor een expeditie naar Kirchhain. Morgen wordt de laatste min of meer warme dag verwacht; mij zweefde voor ogen om vóór de winter nog één keer keer een wat langere fietstocht te maken. Ja ik fiets weer na de knie-operatie, in de stad, maar daarbuiten ben ik nog niet verder gekomen dan Göttingen (Hess). Ik bouw het langzaam op. Kirchhain is helemaal niks; het was vroeger het punt van waaraf fietstochten pas interessant begonnen te worden. Maar een rondje K. is toch minstens 35 km en dat zou onder de huidige omstandigheden nog een zware klus zijn. Nee, ik doe het niet, dan raak ik vandaag niet overspannen en kan ik morgen kalmpjes wat oefeningen gaan doen in de fitness-studio. Fietsen weer in het voorjaar.

1 reactie

Opgeslagen onder De mens, Fietsen, Persoonlijk

De wens te sterven

Aan het einde van mijn straat staat een eenzaam huis met bijgebouwen, de voormalige afdekkerij. Op het hek had men een grote Duitse vlag bevestigd, met een IJzeren Kruis erin verwerkt. Een Nazivlag, in mijn eigen straat! Dat IJzeren Kruis staat namelijk plaatsvervangend voor het hakenkruis, dat hier verboden is en tot onmiddellijke arrestatie leidt.

Maar het ís natuurlijk niet mijn eigen straat; hij behoort aan het ‘volk’, dat als het de kans krijgt mij snel zal uitwijzen of erger nog. En waarheen dan? In Nederland is het momenteel nog erger.

Op zulke ogenblikken denk ik: was ik alvast maar dood, dan hoef ik de volgende golf van het Nazidom niet meer mee te maken. Nee, maak U geen zorgen, ik zal niet voor een trein springen; er is al vertraging genoeg op het spoor. Maar het was voor mij wel aanleiding om even na te denken over het doodsverlangen dat ik soms heb.

Dat is inderdaad sterk toegenomen sinds de opkomst van Wilders, Trump, Baudet cs., maar het hoort ook wel bij het ouder worden, denk ik.

Wie dood wil is eigenlijk ziek, die is depressief en heeft pilletjes nodig en/of een therapie, dat is tegenwoordig de standaard-opvatting. Maar ik ben niet depressief. Mensen die mij persoonlijk kennen zullen dat beamen, en de huisarts zou in de lach schieten bij het idee. Ik heb nog wensen en plannen en doe alle moeite om het leven te verlengen, ik kijk goed uit bij het oversteken, leef redelijk gezond, ga naar de dokter als er iets mankeert en heb zelfs een nieuwe knie laten inzetten om nog wat langer voort te kunnen.

Artsen doen al het mogelijke om het leven te behouden, dat is hun werk. Zelfs heel oude mensen worden nog in leven gehouden, soms tegen de klippen op, hoewel nabestaanden, als zo iemand dan eindelijk overlijdt, vaak spreken van een bevrijding. Dat is ook een christelijke gedachte: wat zou je nog verder leven in dit aardse tranendal, wanneer na de dood de hemelse vreugde je wacht? Komm, süßer Tod, zong Bach, en dat heeft hij in alle toonaarden herhaald.

Het doodsverlangen is blijkbaar een gedachtenlijn die in één ziel kan bestaan naast de wil tot leven. De mogelijkheid te sterven kan ook troostrijk zijn, als het echt eens nodig wordt. Als er overal weer van die vlaggen waaien, of als je ongeneeslijk ziek wordt. Op jongere leeftijd denk je niet zo, maar als het leven toch al grotendeels voorbij is … .

Of trap ik nu een open deur in? Bij mensen die al langer dood willen waarschijnlijk wel. Voor mij is dit nog tamelijk nieuw.

3 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Nederland, Persoonlijk

Dubbele opwinding

U ziet meteen aan me, dat ik vannacht weinig heb geslapen, dus ik zal even uitleggen waarom. Eerst was daar gisterenavond om zes uur de speciale tenorenoefening van het ensemble Canticum Antiquum. Normaal zijn we daar met ons drieën, gisteren waren we met zijn tweeën. De koorleidster is buitengewoon competent en weet ons tot grote hoogte te brengen. Gisteren was er weer echt een doorbraak.
.
Zulke uren zijn intensief, ik heb dan enige tijd nodig om ze te verwerken en de tonen in mijn geestesoor en -keel nog eens te herhalen. Maar daar kwam gisteren niet van, want een half uur later had ik een afspraak in een restaurant met twee geleerden, die mij bij een etentje mijn Festschrift (feestbundel) wilden overhandigen. Daar had ik helemaal geen zin in, maar het moest, dat begreep ik. In mei 2012 was er een afscheidscongresje voor me georganiseerd. De voordrachten van toen waren nu uitgegeven. Vijf jaar later ja: de heren verontschuldigden zich voor die lange tijd, maar dat is bij wetenschappelijke publicaties op mijn gebied niets bijzonders. Je schrijft voor de eeuwigheid, nietwaar, of tenminste voor een eeuw, en wat is dan vijf jaar?
.
Voor de fietstocht van Wehrda naar het restaurant ergens in Marburg-Zuid had ik een half uur uitgetrokken. Maar dat werd drie kwartier: het was donker en erg mistig en het interregionale fietspad door het Lahndal is onverlicht, dus het was ingespannen rijden. De heren waren niet boos, begrepen mijn excuus en waren in goede stemming, zo werd het toch een gezellige avond.
.
Tja, die bundel. Het idee, nog weer eens teruggevoerd te worden naar die wereld van mijn vroegere werk had mij aanvankelijk tegengestaan, ofschoon ik wel begreep dat ik mij verheugd en vereerd behoorde te voelen. Maar zie aan: in de loop van de avond, en zeker na het aanschouwen van het product, gebeurde dat inderdaad en kreeg ik er wel degelijk schik in. Het boek bevat hoe dan ook vijf interessante en mooie artikelen, en die overdreven lovende woorden aan mijn adres, in de inleiding en enkele voetnoten, heb ik maar gauw naast mij neergelegd.
.
Maar dat onverwerkte zanguur, plus de terugcatapultering naar vijf jaar geleden en het terugdenken aan de auteurs, van wie ik de meesten al jaren niet meer heb gezien, hield mij lang uit de slaap. De ontspanning, die een late ochtendslaap soms brengt, trad ook niet in: om precies kwart voor zeven begonnen die monsterachtige machines hiernaast: eeuwenoude eiken omhakken en grond weghalen voor een bouwproject. Gisterenavond vergeten het raam dicht te doen.

4 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Persoonlijk

Huiswerk maken

Om een beetje aardig te zingen moet je steeds oefenen, dat is niets nieuws. Wél nieuw is dat ik dat inderdaad doe, en wel zonder dat iemand mij het opdraagt. Er zitten onvermoede kanten aan dat zingen. Bij voorbeeld het uitspreken van de klanken en woorden, die heel anders is dan bij gewoon praten. Herz bij voorbeeld wordt voor in de mond met een vlakke e uitgezongen, maar als het woord op een hoge toon valt en ook nog luid moet zijn, op de climax van een romantische verzuchting bij voorbeeld, dan verandert het in ‘urts, waarbij die ‘ voor een soort braakgeluid staat. U meent te smachten bij mein Herz, maar U hoort in werkelijkheid maain ‘urts. Italiaanse woorden worden verkort en aan elkaar geplakt; twee klinkers worden vaak op één noot gezongen. Zoiets in een reeks korte nootjes te proppen en ook nog verstaanbaar te krijgen lukt alleen als je het vele malen doet, en morgen weer, en overmorgen weer. En ik doe het nog ook, vrijwillig.
.
Dat is een sensatie voor iemand die van kindsbeen aan zijn huiswerk geboycot en gesaboteerd heeft. U begrijpt: dat ik het desondanks semi-ver heb gebracht ligt natuurlijk aan mijn buitengewone intelligentie. Die groot genoeg was om op kritische ogenblikken, vlak voor een proefwerk of zo, toch het benodigde minimum aan kennis door mijn strot te wurgen. Wat ook hielp was de toestand van halfslaap waarin ik op school vaak verkeerde, zodat het steeds herhaalde gemurmel van de leerkrachten zich min of meer vanzelf in het brein vastzette. Bereidheid tot werken was er alleen als de leraar goed was en het vak mij interesseerde. Voor aardrijkskunde en geschiedenis heb ik heel veel meer gedaan dan vereist werd, vooral over Oost-Azië. Hetzelfde gold voor Hebreeuws, een facultatief vak. Maar Frans was niks; toen ik dat later echt nodig had moest ik het inhalen met romans lezen en cursussen in het Institut Français. De tien voor algebra op mijn eindexamen, die de twee voor meetkunde onschadelijk maakte, was te danken aan de bijlessen van onze buurman, die wiskundeleraar was aan de Zeevaartschool. Zoals hij het uitlegde vond ik het wel leuk. Ter compensatie verzorgde ik dan zijn grote aquarium.
.
Het boycotten van huiswerk en andere taken is mijn hele leven doorgegaan. Inclusief natuurlijk de steeds terugkerende buikpijn als ik moest presteren en me niet had voorbereid. Natuurlijk ontwikkel je dan een soort handigheid om je toch een beetje aardig te presenteren. Een leraar doorzag dat wel en zei soms tegen me: ‘Voor een improvisatie niet slecht!’ Maar het is zwendel, en het vreet energie, die je net zo goed aan het maken van huiswerk had kunnen besteden—als dat maar niet zo weerzinwekkend was geweest!
.
Maar nu is dat dus over. Omdat ik eindelijk volwassen geworden ben, en misschien ook omdat ik niet hoef te zingen?

4 reacties

Opgeslagen onder De mens, Muziek, Persoonlijk

Godsdienst als splijtzwam

Onlangs was er een jonge vrouw, van wie ik even dacht dat ik wel met haar getrouwd had kunnen zijn. Denkt U nu niet meteen rare dingen, dat doe ik ook niet. Ik ben te oud voor zoiets, bovendien is zij 45 jaar jonger dan ik en otherwise engaged. Het was meer een gedachtenspelletje, een voorstelling. Zoals wij bij elkaar pasten en op elkaar reageerden: werkelijk, ik kon mij een goed huwelijk voorstellen, ware het niet dat … zij tot een van die extreme protestantse kerken behoort, een schuurgemeente. Naast al het andere is dat toch een stevig huwelijksbeletsel.
.
En ooit had ik een echte vrouw leren kennen. Ik was opgelucht dat ze niet kerkelijk was, maar daaraan bleken al spoedig ook bezwaren te kleven. Ze was namelijk esoterisch, en zo kwam het tussen ons toch nog vaak tot verhitte ‘godsdienst’gesprekken. Dáárop is het niet stuk gelopen, maar het bedierf wel een beetje de sfeer, soms.
.
Van mijn grootmoeder heb ik veel gehouden, en zij ook van mij. De verhouding bekoelde echter toen zij 83 was en ik 25. Het werd haar langzamerhand duidelijk dat ik de kerk verlaten had en dingen deed die helemaal niet pasten bij de Gereformeerde leefwijze. Toen werd ik verstoten. We zagen elkaar nog wel eens, maar dan was er altijd een afstand. Het lag niet aan mij, naar ik meen: zij mocht immers alles geloven wat zij wilde, maar ik mocht niet ongeloven wat ik wilde.

8 reacties

Opgeslagen onder Godsdienst, Persoonlijk

Fietsen

Inderdaad ben ik vanmiddag naar de kelder gegaan om mijn beide fietsen te bezoeken. Van de niet-elektrische heb ik de banden opgepompt; vervolgens heb ik nog in de Tiefgarage geprobeerd wat te fietsen. De eerste pogingen waren moeizaam, zo zeer dat ik dacht dat het nooit zou lukken. Maar blijkbaar moet de nieuwe knie altijd even wennen aan nieuwe opdrachten; na een paar rondjes ging het wél. Onder één voorwaarde, net als een paar dagen geleden op die hotelfiets: ik moet niet mijn middenvoet op de trapper zetten, maar mijn hiel. Ik neem aan dat de knie door het vaker te doen beter zal gaan buigen, zodat de voet op den duur  verder naar achteren kan. Mocht dat niet zo zijn dan moet er een technische oplossing gevonden worden.
.
Toen naar buiten; daartoe moest ik even afstappen, want de korte helling van de garage naar de straat was te steil. Vroeger ook? dat geloof ik niet. Vervolgens de hele straat een keer op en neer gereden. Daar zit een helling in en die kon ik zonder elektriek in de laagste versnelling goed de baas, net als vroeger eigenlijk. Ik had de gewoonte de niet-elektrische fiets voor de stad te gebruiken en de elektrische voor langere tochten door het ommeland. Dat moest ik in oktober vorig jaar opgeven toen het oude been te zwak werd; toen werden alle ritten elektrisch. Maar die nieuwe knie is behoorlijk sterk: quasi zonder inspanning kon ik op en neer fietsen. Wel moeilijk was omkeren, de draaicirkel. Ik heb lekker staan stuntelen, maar dat gaf niet, want er was helemaal geen verkeer. De mensen zitten blijkbaar allemaal naar de voetbalwedstrijd Merkel-Schulz te kijken. Het zal echter nog enige tijd duren voor ik weer een soeverein fietsgevoel heb; straat na straat zal heroverd moeten worden. Ook valt nog te bezien of de helling die naar de binnenstad voert wel te doen is; die is wat steiler dan mijn straat. Tot overmaat van ramp wordt de belangrijkste brug in de stad binnenkort afgesloten, wegens dringend nodige herstelwerkzaamheden.
.
Het volgende project zal zijn de elektrische fiets weer te activeren. Die is zwaar en tamelijk onhandelbaar; daarom had de fysiotherapeut mij aangeraden eerst de gewone fiets te proberen. Maar zij is van mening, evenals de chirurg overigens, dat ik op den duur alle ritten per elektrische fiets moet gaan maken. Net als afgelopen winter dus; dat kan. Maar nu eerst even kalm aan met dat ding.
.
Een bijkomend voordeel van het bezoek aan de kelder was, dat ik daar nog een doosje witte wijn aantrof, waarvan ik het bestaan vergeten was.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Fietsen, Marburg, Persoonlijk

Lopen en fietsen

Afgelopen week had ik een mini-vakantietje in een dorp in de Kreis Lippe. Misschien waren dat wel de belangrijkste dagen van deze zomer, want ik heb drie dagen gelopen en een beetje gefietst.
.
Het lopen ging aanzienlijk beter dan kort geleden nog in Bad Staffelstein. De bodem was telkens vlak en goed geplaveid, resp. van fijn steenslag voorzien. Hulpmiddel waren de nordic-walking stokken, die mij waren aanbevolen als overgang van krukken naar helemaal geen stokken meer. De bedoeling daarvan is 1. in het spoor te blijven, d.w.z niet te gaan waggelen; 2. wat grotere stappen te nemen, zodat het been meer gestrekt wordt.
.
De eerst dag bezochten we wat op de wegwijzers stond aangeduid als de Touristische Ziele, alle in de omgeving van Detmold. Telkens met de auto er naar toe, dan wat rondlopen en weer verder.
.
De Externsteine, een stel enorme rotsen midden in het vrijwel vlakke land, bij Horn-Bad Meinberg. Een natuurfenomeen. Parkeren en ernaartoe lopen, wat rondlopen, een flink eind. Je kon er ook op klimmen; daar moest ik van afzien.
.
Het Hermannsdenkmal is met sokkel meer dan vijftig meter hoog: een groen uitgeslagen koperen man uit de negentiende eeuw met een zwaard in zijn hand: Hermann ofwel Arminius, die ooit tegen de Romeinse veldheer Varus een veldslag heeft gewonnen. Moderne historici hebben intussen ontdekt dat die slag heel ergens anders heeft plaatsgehad. Hè, die betweters ook altijd, ze verpesten ieder verhaal. Maar goed, Hermann staat er en hij is ook een monument van Duits nationalisme, zoals de relatief vele bezoekers van het type skinhead/tattoo/uitgewoond leren jack/motorfiets moeten hebben aangevoeld. Hij is zodanig te groot dat ik associaties kreeg met het gigantisme van de Nazi’s, Ceaușescu, Noord-Korea. Parkeren en ernaartoe lopen, eromheen lopen, samen ruim een kilometer denk ik.
.
Het openluchtmuseum bij Detmold is zeer uitgestrekt, daar loop je al gauw een paar kilometer. En dan nog het gescharrel in het nagebouwde dorp, en het in-en-uit van de oude boerderijen en huizen die daar weer zijn opgebouwd. Een mooi museum. Het lopen deed me plezier, het landschap was prachtig en het was lekker warm. ’s Avonds nog naar een restaurantje in het dorp gestrompeld.
.
De volgende dag stond de Landesgartenschau te Lippspringe op het programma. Weer een heel uitgestrekt terrein dat tot lopen en stilstaan en slenteren noodde. Ook dat heb ik kunnen genieten.
.
De laatste excursie was een bezoek aan Lemgo. Een verrassend aardig stadje met veel mooie gebouwen, wel met wat kasseien, maar het viel nog mee. In een stad lopen is altijd wat moeizamer, maar het lukte. Een uitvoerig bezoek aan het stedelijk museum. Lopen in musea is het ergste wat er is, toch viel dat nu ook mee, en het was een mooi museum. Reclame voor de stad was het niet, want het bleek dat hier omstreeks 1600 veel vrouwen als heks waren gedood. Lemgo had zelfs de bijnaam ‘het heksennest’. Dat kon het zijn omdat het een onafhankelijke rechtspraak had en niet eerst aan een vorst hoefde te vragen of de doodstraf mocht worden toegepast. Kleinburgers moeten te nooit te veel macht krijgen, dat zie je maar weer.
.
Kortom, normale toeristische dagen, zij het minder lang dan vroeger. Ja ja, ook een ijsje tussendoor.
.
In het hotelletje stonden zes fietsen in de schuur, waarvan ik er twee heb geprobeerd. Eén paste niet, de andere wel, met het zadel hoog gezet en alleen als ik niet met mijn middenvoet, maar met mijn hiel op de trapper zat. Dat moet samenhangen met de bouw van de fiets. Je kunt je anders ontworpen fietsen voorstellen. Dit waren damesfietsen: dat leek me prettig, om zo te kunnen instappen, maar dat was het niet, en al gauw zwaaide ik net als vroeger mijn been gewoon over het zadel. Het langzame rijden door het stille dorp was onproblematisch. Een heel gewoon gevoel, dat fietsen.

Taken voor vandaag, of, nou ja, misschien morgen: 1. Fietssleuteltjes terugvinden. 2. Bezoek aan mijn twee fietsen in de kelder. 3. Banden oppompen. 4. De beide fietsen proberen. Ik zie er toch nog tegen op.
=========
Het gaat dus goed met dat been? Toch maar ten dele. De arts en de fysiotherapeute zijn bezorgd, omdat de strekking van het geopereerde been niet 100% lukt. Ik loop dus wel, maar niet helemaal normaal. En dat kan tot versnelde slijtage leiden.

2 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Fietsen, Persoonlijk

Oude vrienden

Niet alleen ik word oud, mijn vrienden en kennissen ook. Ik heb natuurlijk maar heel weinig echte goede vrienden, maar wel vrij veel kennissen. Ze zijn tussen de vijftig en de tachtig, maar die getallen betekenen niet veel: soms zijn vijftigers ouder dan tachtigers.

Soms worden ze anders, of in sneller tempo oud dan ik en veranderen zo zeer dat ik wat afstand wil nemen. Neem bij voorbeeld R.. Hij is anders gaan praten de laatste tijd, drukker, meer woorden per kubieke meter. Na een half uurtje ben ik doodmoe. Wij ondernamen samen vaak lange autotochten, waarbij we elkaar afwisselden bij het rijden. Nu wil ik liever niet meer dat hij stuurt; de laatste keer heeft hij twee gevaarlijke verkeersfouten gemaakt.

En dat M. steeds meer terugvalt in zijn herinneringen is ook onaangenaam. Als er een plaatsnaam valt krijg je te horen over de drie keer dat hij daar was, in 1973 en later nog in de negentiger jaren. Grote kans dat het fotoalbum tevoorschijn komt met kiekjes van M. in genoemde plaats. Zo komt het gesprek niet verder. En het voortdurende reciteren van namen van stadgenoten van vroeger, die ziek, weggetrokken of gestorven zijn. Dat vroeger alles veel beter was spreekt voor hem vanzelf. Ik kan en wil met dit alles niet meedoen.

Dan is er nog de variatie in fitheid. Omdat ik een kapotte knie had was ik lange tijd degene die het langzaamste liep, met wie rekening moest worden gehouden, die niet alles mee kon doen enzovoort. Intussen is mijn knie weliswaar nog lang niet in orde, maar toch ben ik soms al degene die sneller loopt, die nog niet moe is terwijl anderen lopen te puffen en te hijgen. Dat verandert een vriendschap niet, maar ik moet dan wel even grinniken.

Fnuikend voor een vriendschap is de dood. Er zijn er al een paar gestorven, maar slechts twee nabije vrienden. De meesten waren uit de buitenste cirkel en stierven vreemd genoeg met begin zestig. Natuurlijk leven ze voort in de herinnering, maar die is ook niet meer wat hij ooit was.

Van hun kant zullen de vrienden en kennissen ook wel vinden dat ik steeds krakkemikkiger en vooral raarder word.

Hoe dan ook: de kans dat ik alleen zal achterblijven wordt steeds groter, hetzij door het sterven van vrienden of doordat we uit elkaar groeien.

3 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk