Categorie archief: Persoonlijk

Vacantie?

Zou ik met terugwerkende kracht nog vacantie kunnen opnemen? Ik heb namelijk al tien dagen geen moer uitgevoerd. Dat komt door het (gevoelde) einde van mijn Corona-isolement. Ik ben naar allerlei plaatsen geweest, heb met mensen gesproken, buiten de deur gegeten en gezongen in een koortje. En dús is er niets terechtgekomen van het werk aan mijn onderzoeksproject. Het was vanouds altijd al zo, dat ik me niet op twee verschillende dingen tegelijk kon concentreren. Dat komt omdat ik voor iedere bezigheid uren aanlooptijd nodig heb voordat ik er werkelijk aan begin, en dan wil ik natuurlijk niet zo snel meer ophouden. Zou ik het leven op mijn oude dag nog anders kunnen inrichten? Als ik nu de afgelopen tijd als vacantie declareer, dan was het nietsdoen dus gewettigd en kan ik nu proberen, opnieuw een draai te vinden.

Die opluchting en omschakeling zijn bovendien geheel misplaatst, want de versoepelingen zullen hoogstens nog twee weken duren. In Nederland gaat de Delta-variant nu als een razende tekeer; dat betekent dat het hier over twee weken ook zover is.

3 reacties

Opgeslagen onder Gezondheid, Persoonlijk

Geen zin

De laatste maanden had ik, ondanks allerlei tegenslagen, steeds een goed humeur. Daar is dezer dagen een flinke domper op gezet.

Eerst kreeg ik bericht dat de repetities van mijn lievelingskoor worden hervat. Ik vond dat met het oog op Corona iets te vroeg. Het is nog drie weken te gaan tot mijn tweede prik, en dan moet het vaccin nog inzinken. Ik heb dan ook gemaild dat met mij pas in de derde week van juli weer gerekend kan worden. Corona: een welkom excuus, maar het was mij zelf meteen wel duidelijk dat dit eigenlijk een smoes was: ik heb domweg geen zin om daar weer heen te gaan.

Gisteren kwam er bericht dat de koorweek in Freckenhorst eind juli wél doorgaat, voor mensen die ingeënt of genezen of getest zijn. Dat is de week waar ik al twee keer geweest ben. Vorig jaar had ik mij er ook voor aangemeld, en ik was teleurgesteld toen hij niet doorging. En nu heb ik er helemaal geen zin in, nee, ik wil er niet heen. Of liever, nee, het is een beetje raar. Vorige week dacht ik nog: laat ik ze eens opbellen, om te horen of het dit jaar doorgaat. Toen de mail kwam heb ik onmiddellijk het aanmeldingsformulier ingevuld — maar nog niet verstuurd, en direct daarna voelde ik een sterke tegenzin, die mij nog niet heeft verlaten.

Is dat niet vreemd: vóór Corona mijn lievelingsbezigheid, en nu wil ik niet meer? Ik begrijp het zelf niet goed. Temeer daar ik het zangonderwijs nog wel geniet en zeker niet wil opgeven. Maar solist kan ik niet worden, en bovendien zingen solisten ook in koren.

Toen Corona kwam en er van alles wegviel heb ik voortvarend een nieuwe manier van leven bedacht, en zou ik die nu weer moeten opgeven? Ik wil mijn vrijheid niet meer kwijt.

4 reacties

Opgeslagen onder Gezondheid, Persoonlijk, Zingen

Terug naar normaal?

Nou kweenie hoor. Nu mag er weer van alles en dan moeten we meteen ook van alles, overal naar toe, terwijl ik het liefst lekker thuis zit. Alleen live zangles is wel fijn. Ik zoek nog een goeie smoes om de isolatie wat te verlengen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Per aspera ad Astra

Een beetje landerig was ik de laatste dagen wel. Zelfs een geboren gevangene als ik lijdt af en toe onder impuls-armoede. Maandag had ik zelfs een afspraak voor een video-conferentie vergeten. Wist ik veel wat maandag voor iets is. De stemming sloeg echter om toen gisteren de uitnodiging tot inenting arriveerde. Zaterdag, Astra Zeneca. Ik had liever Biontech gehad, maar je kunt hier niet kiezen. Het nadeel van Astra is dat de tweede injectie pas twaalf weken later komt, en er dus weer enige maanden semi-quarantaine gaan volgen, zeker nu het aantal besmettingen de pan uit rijst. Bijna verdubbeld in een week. Ik was op mijn hoofd al aan het sparen voor een nieuwe haarpracht, maar zal het nu weer afscheren. Bezoek aan de kapper pas half juli.

Ik moest dadelijk aan het werk om een Meldebescheinigung te krijgen, een bewijsje van overheidswege dat je woont waar je woont. Duitsers hebben dat in hun identiteitskaart staan, maar Nederlanders niet. Na allerlei getelefoneer blijkt dit bewijs in drie dagen niet leverbaar te zijn. Ik mag het namelijk niet in persoon ophalen bij het Stadtbüro en de online aanvraag en de verwerking daarvan duren wat langer. Vervolgens een telefoontje met de injectie-autoriteit: daar werd mij aangeraden de afspraak niet te verzetten, maar het gewoon te proberen met de autopapieren, een salarisstrookje of een belastingbiljet, iets waar mijn adres op staat. Mocht dat niet lukken word ik niet gevaccineerd en kan ik misschien wachten tot er Pfizer-Biontech is.

Die man bij de injectiedienst was overigens een buitenlander, die sprak met een (voor mij ondefinieerbaar) vreemd accent. Het was een heel prettig gesprekje, en dat is iets wat mij in Duitsland al meer is opgevallen: buitenlanders zijn vaak mensen! Duitsers misschien ook wel, maar dat houden ze graag voor zich zelf: in hun functioneren zijn het vaak machines. Nur ausführendes Organ. Deze man slaagde erin van dat korte gesprekje iets persoonlijks te maken; daar word ik blij van.

De Corona-situatie als geheel loopt akelig uit de hand. Het aantal besmettingen schiet omhoog. De komende maanden zijn het gevaarlijkst. Wild geworden virusvarianten, dito mensen. Mevrouw Merkel heeft telkens verstandige voorstellen, maar de zestien landsvorsten luisteren niet meer naar haar. De nieuwste regels wil ik niet eens meer weten, ik zal zelf wel een stuk voorzichtiger zijn dan de overheden voorschrijven, om van de wil des volks maar te zwijgen. Er is steeds sprake van een noodrem, waarop men gaat staan als de incidentie 100 is. Maar we zitten nu al bijna op 200, dus …?

Er worden op het ogenblik ongeveer 500.000 mensen per dag gevaccineerd. Er moeten nog 110.000.000 prikken worden gezet, dat zal in dit tempo dus 220 dagen duren. Te verwachten is echter dat we in de winter al een nieuwe prik nodig hebben, tegen de varianten uit verwaarloosde gebieden (Brazilië, Afrika).

Besmettingen per week per 100.000          Totaal der ingeënten in Duitsland     

11 febr. Marburg-Biedenkopf 45,7
15 maart Marburg-Biedenkopf 102,8

8 april Marburg-Biedenkopf 110,1
10 april Marburg-Biedenkopf 144,1
11 april Marburg-Biedenkopf 190,2
13 april Marburg-Biedenkopf 187,8
14 april Marburg-Biedenkopf 208,0
15 april Marburg-Biedenkopf 228,7
16 april Marburg-Biedenkopf 217,7
17 april Marburg-Biedenkopf 209,2
18 april Marburg-Biedenkopf 186,8
19 april Marburg-Biedenkopf 183,3
1e 2.490.423   2e 1.178.725
1e 6.507.159   2e 2.891.951

1e 11.515.936   2e 4.737.605
1e 12.670.288   2e 4.910.308
1e 12.670.288   2e 4.910.308
1e 13.567.817   2e 5.117.056
1e 14.058.329   2e 5.186.135
1e 14.773.908   2e 5.276.028
1e 15.393.858   2e 5.350.247
1e 15.906.352   2e 5.425.990
1e 15.906.352   2e 5.425.990
1e 15.906.352   2e 5.425.990

3 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Gezondheid, Marburg, Persoonlijk

Macro-herinnering: mijn racisme (2)

Voortzetting van deel 1

Tegelijkertijd werd ik wel gevoed met akelige verhalen over Indië: de Bersiap-tijd, gewelddadige pelopors, de achterlijkheid van inlanders in het algemeen, luie en onbetrouwbare gasten, die niet op eigen benen konden staan en zeker nog niet rijp waren voor democratie, en dan had je nog de roverhoofdman Soekarno. Maar dat was een ander spoor dan het leven van alle dag: het bestond naast elkaar en dit soort praat had blijkbaar niets te maken met reëel bestaande mensen in de eigen omgeving. Volkomen vanzelfsprekend waren ook voor mij Sjors en Sjimmie, kinderboeken over negertjes, verhalen over zendelingen in Nieuw-Guinea en Suriname, waar de inheemsen steevast achterlijk en blijkbaar ook vuil waren (‘het gebruik van zeep is bij hen onbekend’), en die in hun taaltje niet eens een woord voor ‘dankuwel’ hadden, waarmee ze voor onze weldaden hadden kunnen bedanken. Het racisme begon eigenlijk al in Europa; knoflookvretende Fransen, spaghettivretende Italianen, criminele Balkanezen, door en door corrupte volkeren uit het Zuiden. Een extreem geval van zelfs binnenlands racisme was die rechtenstudent die in alle ernst meende dat mensen die met een zachte G spreken, uit Nijmegen en erger nog, structureel onbetrouwbaar en tot corruptie geneigd zijn. (Dat was familie van een nu om zijn racisme beruchte  ‘journalist’.) Terwijl dit discours binnen in mij geplant werd speelde het in het leven van alledag nog geen rol, maar wachtte op kansen om uit te breken.

Door mijn studie heb ik Arabieren en Turken nooit vreemd kunnen vinden. In 1967 waren er twaalf Arabieren in Amsterdam, — allemaal in de gaten gehouden door de politie — waarvan ik er drie kende. Met een ervan raakte ik bevriend; een arts, vijftien jaar ouder dan ik, maar dat gaf niet. Ik leerde Arabisch en Arabische cultuur van hem, hij werd door mij nader ingeleid in Nederland en het Nederlands. In Turkije kon ik me niet verstaanbaar maken, maar ik voelde me er kiplekker. Tijdens mijn studieverblijf in Egypte heb ik wel veel mensen veracht, maar dat was omdat ze óf dom en slecht opgeleid waren óf corrupt en vals; niet omdat ze Egyptenaren waren. Tijdens latere verblijven werd het wel moeilijk met mijn vrienden daar om te gaan, die inmiddels tien of dertig maal minder verdienden dan ik zelf. Dat was eerder beschamend. 

Op welke vormen van racisme heb ik me zelf kunnen betrappen? 

Op algemene cliché’s:
– Natuurlijk is men in X-land corrupt, worden vrouwen gediscrimineerd in land Y, terwijl Z-stan geen rechtstaat is. Intussen weten we dat het bij ons ook steeds meer de foute kant uitgaat.
– Op een algemene afkeer van hele bevolkingsgroepen. Toen er eind jaren zeventig ineens véél Surinamers door Amsterdam liepen bij voorbeeld. Het was echt een moment van vervreemding, toen ik op zekere Koninginnedag het Damplein opliep. Dat zag ineens zwart van de Surinamers, allemaal trouwe aanhangers van onze vorstin blijkbaar. Toen dacht ik even: nee, dit niet! Aan die vele Surinamers moest ik inderdaad wennen; ze hadden een andere lichaamstaal, andere gebaren, stelden zich anders op in het landschap. Maar na een poosje gingen zij zich ook als Nederlanders gedragen, met gebaren en al, dus toen werden ze gewoon. Hun accent in het Nederlands kende ik al van vroeger; dat had me nooit gestoord.  
– En toen er, na een heel stel Tamils, ook nog Vietnamese bootvluchtelingen kwamen aanzetten was ik geïrriteerd en vond ik het te veel worden. Maar ik heb nooit last gehad van die mensen en ben er maar heel weinig tegen gekomen.
– Bij de verkiezingen voor het waterschap of hoe dat heette, kort voordat ik Nederland verliet, toen er Turkse en Pakistaanse namen op de kandidatenlijst voorkwamen. Dáár moeten ze toch vanaf blijven! Onze dijken, onze afwatering, niets mee te maken jullie! Maar waarom eigenlijk niet? Als ze verstand hebben van water en dijken, dan is het in orde. Misschien hebben ze wel in Delft waterbouwkunde gestudeerd en weten er meer van dan boer Krelis.
Dit soort dingen slijt na enige tijd door gewenning, óf je moet er even verstandelijk tegenin gaan.

Bij persoonlijke ontmoetingen: 
– In de jaren zeventig, toen er veel Surinamers naar Nederland waren gekomen, vroeg op een avond in een stille straat een zwarte man of ik een rijksdaalder kon wisselen. Een moment van schrik: deze vent wil mij natuurlijk in elkaar slaan en beroven. Wat te doen? Kalm bijven, zéér op mijn hoede zijn, rustig een rijksdaalder wisselen en verder … niets. De man bedankte en verdween in een telefooncel, hij wilde blijkbaar even bellen, dat was alles. Was het een blanke man geweest dan had ik geen enkele verdenking gehad. 
– Veel zelfbetrappinkjes waren van de soort: wat doet die hier, dat is toch niets voor hem/haar? Dat hoor  je tegenwoordig veel van gekleurde mensen: leraressen die op grond van hun huidskleur voor de werkster worden gehouden enzovoort, en inderdaad, dat heb ik ook gedaan:
– Toen een zwarte man de ruimte in de Leidse UB betrad waar ik toen werkte, was mijn eerste gedachte: wat heeft die hier te zoeken? Het bleek een geleerde uit de VS te zijn, die daar inderdaad iets te zoeken had, maar er was toch even dat moment.
– Op het werk: een zwarte man in de personeelsafdeling. Weer zo’n ogenblik van verwondering: wat deed die hier? Nou, gewoon werken natuurlijk. 
– Wat deden die pikzwarte Afrikanen bij ons klassieke concert? Luisteren dus, ze hielden blijkbaar van dit soort muziek; leuk toch? Dat was overigens in Parijs; in Nederland of Duitsland zie ik nog steeds nauwelijks zwarten bij klassieke concerten.
Zulke ontmoetinkjes verliepen ondramatisch, maar er was toch telkens éven een moment van schrik, afwijzing of verbazing, en te vrezen is dat de betreffende personen dat merkten. Je zou willen van niet, maar het gebeurde.

De meeste van mijn racistische gedragingen zal ik zelf helemaal niet gemerkt hebben, en dat is nog het meest verontrustend. Vaak zijn de betrokkenen te beschaafd om van hun ongenoegen blijk te geven. 

Dat mensen van buitenlandse herkomst, ook al zijn ze nog zo geboren en getogen in Nederland, moeite hebben met het vinden van een huis of een baan is inmiddels wel bekend. Het is denkbaar dat ook ik, als ik woningen of banen te verdelen had gehad, zonder het te beseffen de voorkeur had gegeven aan een blanke boven een gekleurde. Hoewel, dat viel mee: ik heb ooit een Marokkaan en een Iraniër aan een job geholpen. Maar dat was wel op mijn zeer specifieke vakgebied, waar ze uiteraard op hun plaats waren.

Mijn taak: zulke dingen voortaan voorkomen. Je eigen racisme moet je niet ontkennen, maar bestrijden. Het wordt al veel minder trouwens, nu er op allerlei plaatsen zo veel donkere mensen rondlopen.

Wanneer is iemand eigenlijk zwart? Neem president Obama: ja, die was zwart, of althans donker, dat was te zien en werd in het begin steeds benadrukt: de eerste zwarte president, enzovoort. Maar na korte tijd merkte je dat niet meer. Ik heb Obama heel zijn regeringsperiode niet als een zwarte man waargenomen, en zo gaat het met al die andere ‘people of colour’ ook. Geen aandacht aan schenken aan kleurtjes lijkt het beste — behalve daar waar het nog nodig is om dat verrotte racisme te bestrijden. 

1 reactie

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Macro-herinnering: mijn racisme (1)

Niemand wordt als racist geboren, maar de waarschijnlijkheid dat je het geworden bent in de loop van je opvoeding is zeer groot, zeker in mijn generatie. Te ontkennen dat je racist bent, zoals met name in Nederland momenteel gangbaar is, is niet zinvol; anderen voor racist uitschelden evenmin. Je moet het in je zelf onderkennen en er dan wat aan doen. Ja, dat moet echt, net zoals je af en toe even je eigen huid moet inspecteren of daar geen verdachte plekjes zijn, die kwaadaardig kunnen gaan woekeren. Er zijn ook mensen die hun racisme wel prima vinden of er zelfs trots op zijn, maar die ‘vergeten’ dan even hoeveel ellende het heeft aangericht en nog aanricht, ook in Nederland. Na de klimaatramp kon racisme wel eens het grootste probleem worden van de eeuw.

In mijn jonge jaren liepen er tamelijk veel ‘Indische mensen’ rond, zoals wij ze noemden.1 Deze varieerden in huidskleur van blank-met-vlekken, ongeveer zoals Wilders, tot diep donkerbruin. Ook zaten er wat hele of halve Chinezen uit Indië tussen, en een enkele Surinaamse. De aanwezigheid van al deze mensen sprak volkomen vanzelf; zij werden niet als vreemd ervaren, het waren gewoon onze mensen. Datzelfde gold overigens ook voor de enkele Joden die wij kenden. Heel veel later hoorde ik dat zowel Indische mensen als Joden in het naoorlogse Nederland wel degelijk onder discriminatie te lijden hadden, maar daarvan wist ik toen niets. De betrokkenen hielden blijkbaar hun tanden op elkaar en praatten daar niet over met ‘ons’, volbloed Nederlanders. Als ik in Indië was opgegroeid had ik waarschijnlijk meegedaan met de uitvoerige discriminatie van alle schakeringen van bruin, maar wat in de vijftiger jaren telde was blijkbaar alleen of ze bij Nederland hoorden of bij Soekarno. Japanners, díe waren erg, maar die waren niet in de buurt.

Véél belangrijker dan het verschil in huidskleur of ‘ras’ was in mijn jeugd het standsverschil. In die tijd had je nog standen in Nederland en ik ben opgegroeid met een fijn afgestelde antenne voor standsverschillen, niet voor rassen. Ik behoorde tot de elite,2 zo werd mij duidelijk gemaakt — maar tot welke dan? veel stelde het niet voor, en een lekkere smak geld heb ik er nooit aan overgehouden — en wist al gauw iemand in een kastje of kaste te plaatsen. Dat gebeurde op grond van taal, kleding en gedrag. Iemand hoefde maar drie woorden te zeggen en je wist welke stand en welke godsdienst hij had, welke krant hij las en wat zijn vader deed — bij wijze van spreken dan. Godsdienst was een secundair criterium ter onderscheiding: katholieken waren wel duidelijk minder, hoewel er ook nette katholieken waren. Ik denk dat het verschil in godsdienst voor mijn grootouders nog heel belangrijk was; voor mijn ouders en voor mij niet meer zo. Socialisten en communisten konden natuurlijk ook niet, maar nog voordat je aan hun overtuigingen toekwam waren die op grond van hun stand al afgekeurd.

Het aardige van vreemdelingen was juist dat zij buiten de rasters vielen. Tot de gastarbeiders kwamen golden mensen van buitenlandse afkomst niet als van lagere stand. Vanaf de jaren zeventig interesseerden standverschillen me steeds minder, ook omdat ik merkte dat in andere landen die ik leerde kennen (behalve Engeland natuurlijk) die standen niet zo’n rol speelden. In Duitsland had je alleen maar rijkere en armere mensen, zo leek het. Op de Balkan genoot ik van mensen die mooie muziek maakten en hartelijk waren; het kon me echt niet schelen dat zij in hun dagelijks leven misschien visser of monteur waren. Later merkte ik in Egypte en Griekenland dat mensen van hogere stand vaak zeer onaangenaam waren, want patserig, arrogant en corrupt.3

Het eerste buitenlandse wezen dat als ik vreemd ervoer was een donker en prachtig Hongaaars vluchtelingenmeisje dat in 1956 bij mij in de klas kwam. Ze was niet te verstaan, net zo min als de aanplakbiljetten in het Hongaars op de ruiten van de winkels. Je had leren lezen en dan zoiets: geen touw aan vast te knopen! Het meisje bleef niet lang, dus dat had geen vervolg. Qua huidskleur was ze niet donkerder dan vele van onze Indische mensen, maar ze gedroeg zich duidelijk ‘anders’.

Een groep echte vreemdelingen in Amsterdam waren de Chinezen. Je kende ze niet, maar je wist dat ze er waren. Daar werd op afstand soms wel op gescholden: spleetoog; pinda, pinda poepchinees! Toen ik twaalf(?) was meende ik Chinees te moeten leren en daartoe begaf ik mij naar de Binnen-Bantammerstraat, waar een aantal Chinese restaurants en andere zaakjes zaten. Ik copieerde vlijtig de karakters op de uithangborden, nog niet beseffend dat dit al eens uitvoeriger door anderen was gedaan. Ik stelde vast dat er steeds twee dezelfde terugkwamen, die dus waarschijnlijk ‘restaurant’ moesten voorstellen. Aan de kelners in de restaurants vroeg ik wat het allemaal betekende. Zij waren heel vriendelijk en behulpzaam; zoveel belangstelling overkwam ze waarschijnlijk zelden. Maar door gebrekkige talenkennis, ook van hun kant, kwam het niet echt tot gesprekken, en wat moesten ze ook met zo’n snotjoch.

Naar deel 2

NOTEN
1. De benaming Indo heb ik in mijn jeugd nooit horen gebruiken. Eigenlijk weet ik tot op heden niet of dat nu een scheldwoord is of niet.
2. Alleen in ons dorp waren wij elite, omdat we tot de protestantse minderheid behoorden en dus netjes praatten, en omdat mijn grootvader een zeer succesvolle zakenman was.
3. Ineens zie ik die Griekse dame weer voor me, die geen zin had om in de rij voor de veerboot te wachten met haar witte Mercedes. Ze vond dat zij als eerste de boot op mocht, want zij reed een ‘Mercedè’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Joden Joods joods, Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Vinden

Nu ik door puur toeval die andere mobiele harde schijf heb teruggevonden — hij lag tussen het beddengoed — moet het toch mogelijk zijn, ook de weegschaal en mijn pokkenbriefje terug te vinden, die al een hele tijd kwijt zijn. De weegschaal had ik tijdelijk uit de badkamer weggehaald toen daar installateurs aan de gang gingen, maar waar heb ik hem gelegd? Het gele inentingenboekje had ik op het kastje bij de voordeur gelegd zodat ik het niet zou vergeten als ik de griepprik zou krijgen. Daar heeft het twee maanden gelegen, want de wachttijd was lang. Maar toen het eindelijk zo ver was kon ik het ding al niet meer terugvinden en ben ik zonder boekje ingeënt(, wat voor griep niet erg is).

Moge het vindersgeluk deze hele dag aanhouden, en zo nodig ook nog morgen! Eieren zoek ik niet.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Schijf ter ziele

Een vriendin haar computer had het begeven. De geraadpleegde computerchirurg had slecht nieuws: hij was niet meer te redden. De harde schijf, waarop haar ‘alles’ stond — dingen van de universiteit, wetenschappelijk werk, foto‘s, brieven, adreslijsten, belastingaangiften — was onherroepelijk verloren, en copieën had ze nooit gemaakt. Een ramp, zou ik denken, maar zij vatte het heel gelaten op. Ja, van de foto’s was het jammer, maar ze gaf toch geen college meer, en haar werk was allemaal al gedrukt. Ze kocht een nieuwe computer en begon opnieuw.

Ik ben ineens vreselijk jaloers. Was mijn harde schijf ook maar kapot! Maar geen schijn van kans: ik heb twee computers, een cloud en copieer alles. Er zou trouwens iets veel drastischers moeten gebeuren: mijn werkkamer zou eens in vlammen moeten opgaan, zodat al die boeken ook weg waren en ik daar nooit meer iets mee hoefde te doen.

De rest van de woning moet wel gered worden: tenslotte moet ik ook nog eten en slapen, en het wonen hier bevalt prima. En in de woonkamer staat momenteel die grote doos met brieven, waar ik het al over had. Waarschijnlijk zou ik daarmee dan iets gaan doen: na weggooiing van een hoop ballast zou ik een aantal correspondenties overhouden (nou ja, telkens de helft dan) en op grond daarvan zou ik misschien een boek schrijven. Nee, geen autobiografie, met zoiets moet je de wereld niet lastig vallen, maar er moet iets anders uit te distilleren zijn. Een geschiedwerk, een tijdsbeeld.

En zou het dan zo moeilijk zijn, een heel nieuw leven te beginnen? Juist uit die correspondenties blijkt dat ik dat al meermalen heb gedaan. En na mijn pensionering ben ik toch ook opnieuw begonnen, en toen Corona kwam nog een keer? Ja, maar er was altijd die constante van dat rare intellect, dat mij al sinds mijn kinderjaren opvreet, dat wil onderzoeken en het dan toch niet doet. Dat krijg je niet zo makkelijk weg, daartoe zou de harde schijf in mijn schedel vernietigd moeten worden.

Wacht maar, dat komt nog wel.

2 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Computer, Persoonlijk, Schrijven

Mini-herinnering: wat bedoelde ik?

In 1991 schreef ik een paar bladzijden voor het Dictionnaire des philosophes antiques. Gelukkig was er toen op het instituut een secretaresse die hielp bij het Frans. Na het insturen gebeurde er niets. Tien jaar later schreef de redacteur dat het eindelijk zover was: het werk zou nu gedrukt worden—wat in 2003 inderdaad geschiedde—, maar hij begreep één zin van mij niet en of ik kon uitleggen wat ik daarmee bedoeld had. Ik deed mijn best, maar begreep die zin zelf ook niet. En het onderwerp lag intussen te ver van mij af om alsnog iets te bedoelen. De redacteur schreef nog twee mails, maar ik kon hem niet helpen, ik had geen idee en liet het maar zo. De man dacht waarschijnlijk dat het aan mijn Frans lag, maar ik wist bijna zeker dat het iets inhoudelijks was. Zo droeg ik nog een on-zin bij aan deze wereld.
Als ik de tekst nog eens doorlees geloof ik dat ik die ene zin nu gemakkelijk zou kunnen herschrijven. Hij is inhoudelijk niet onzinnig, maar onduidelijk geformuleerd. Intussen begrijp ik weer wat ik bedoelde.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Persoonlijk, Schrijven

Mini-herinnering: mijn antisemitisme

De herinnering kan mini blijven, want de periode van mijn antisemitisme heeft gelukkig maar kort geduurd.

Opgroeiend in Amsterdam kwam ik wel eens Joden tegen en ik kende er ook een paar. Op enkel puntjes verschilden zij van ‘ons’, maar ja, dat deden katholieken en socialisten ook en het maakte helemaal niets uit. De omgang was onproblematisch. 

Een mooie kennismaking had ik met een rabbijn. Ik studeerde Arabisch, maar die studie was ingebed in ‘Semitische Talen’ en daar zat ook Hebreeuws bij. Een studiegenoot en ik waren niet tevreden met de dorre manier waarop dat onderwezen werd en wij begaven ons naar een rabbijn met de vraag of hij niet wat met ons wilde lezen. Dat wilde hij en het werden heel mooie uren, met de lectuur van Hebreeuwse en ik denk ook Aramese bijbelcommenaren. Hij wekte die dode teksten echt tot leven. Op een dag vertrok de rabbijn naar elders en toen was het afgelopen. Het blijft een mooie herinnering.

Heel apart was mijn werk bij een Joodse firma. Als student had ik al verschillende bijbaantjes gehad. Mijn reizen naar het Midden-Oosten kostten geld en dat moest verdiend worden, in een hotel, bij de gemeente, bij een marketing bureau, bij een bank enzovoort. Op een dag kreeg ik een baantje als postjongen en manusje van alles bij een handelsfirma in … (uit discretie zeg ik maar niet waarin. Nee, diamanten waren het niet.) Het bleek een Joodse firma te zijn, en wel een wereldfirma. Afgezien van enkele monsters op een kastje was er van de verhandelde goederen nergens iets te bekennen, maar intussen werden ze wel op grote schaal verhandeld en verscheept: van Afrika naar Amerika, van Turkije naar Europa, van Bolivia naar Australië enzovoort. In dat bescheiden grachtenpand gingen werkelijk miljoen door de telefoon en de telex, — en miljoenen waren de miljarden van die tijd. Nooit heb ik ergens een prettiger werkklimaat gekend als daar. Hoewel de jongste en laagste in rang, en bovendien slechts tijdelijk aangesteld werd ik geheel voor vol aangezien en als gelijke behandeld. De bovenbazen spraken met mij gezellig en zonder enige barrière over dingen als kunst, muziek en theater. Sommigen speelden zelf ook een instrument, ze waren allemaal meertalig en belezen, hadden humor en reisden de halve wereld rond. Een totaal ander bedrijfsklimaat dan bij Nederlandse zakenlui van het type Verolme of mijn grootvader, met hun broodjes kaas en altijd maar druk-druk-druk. Toen een van de heren thuis een feestje gaf sprak het voor hem vanzelf dat ik ook zou komen, en zo kwam ik terecht in een van de weinige echt ruime huizen die Amsterdam Oud-Zuid rijk is. Ook met de dames en dochters was het erg prettig. 

Een fijne tijd dus; toch werd dit werkverblijf de aanleiding tot mijn antisemitische episode, en dat hadden ze werkelijk niet aan me verdiend. Toen ik daar weer weg was namelijk schoot de jaloezie in me. Waarom hadden zij zo‘n mooi leven terwijl ik vast zat in een bescheten, schraal mileu? Het ging niet eens om hun rijkdom, maar om hun vanzelfsprekende wereldburgerschap. Die jaloezie nam de vorm aan van jodenhaat— het zal in het voorloorlogse Duitsland net zo gegaan zijn.

De enige antisemitische actie die ik heb ondernomen was het schrijven van een gemene rotbrief aan een Franse schrijver. Ik hoop maar dat hij hem schouderophalend heeft weggegooid en geen pijn gevoeld heeft (ofschoon ik hem toen wél pijn wilde doen).

Mijn antisemitisme ging vanzelf weer over toen ik eigen wegen vond tot het worden van wereldburger. Ik ontdekte Europa: Brussel, Parijs, Münster, Salzburg, Athene en vooral Italië; later ook Cairo. Het is allemaal nog goedgekomen.

Het bovenstaande was voor mij niet zo prettig om op te schrijven. Toch geloof ik dat iedereen af en toe bij zich zelf moet nagaan of er geen rotte plekken in zijn ziel zitten, om die dan uit te snijden. Dit betrof mijn antisemitisme, een variant van racisme. Maar racisme is veel is ruimer: ook na te gaan is de verhouding tot andere volkeren. Dat komt in een volgende tekst.

3 reacties

Opgeslagen onder Joden Joods joods, Persoonlijk