Categorie archief: Zwedenreis

Fijn met de trein

Vliegen is niet goed, treinreizen is beter, hoor je de laatste tijd. Helemaal mee eens: ik heb een hekel aan vliegen, ik houd van treinen en tijd heb ik ook. Maar het spoorwezen is jammerlijk achteruit gegaan.
.
Ik overwoog nog eens naar Stockholm te gaan. Vroeger deed ik dat vanuit Amsterdam met de trein. Dat duurde naar ik meen 20 uur, met in het ideale geval slechts één overstap in Kopenhagen. Het traject Hamburg – Kopenhagen herinner ik mij: dat duurde vier uur. En vanaf Kopenhagen prettig in de slaapwagen, zodat je ’s ochtends fris in Stockholm aankwam. Beide treinen gingen een keer op de pont: van Fehmarn naar Rødbyhavn en van Helsingør naar Helsingborg, maar dan kon je blijven zitten, resp. liggen. Tegenwoordig ziet het er veel beroerder uit. Bij voorbeeld:
.
Amsterdam  11:00
Osnabrück   14:06
– overstap 19 min.
Osnabrück    14.25
Hamburg     16:14
– overstap 1:14 uur
Hamburg    17:28
Kopenhagen    22:34
– overstap 47 min.
Kopenhagen   23:21
Malmö    0:06
– overstap 3:58 uur
Malmö    4:04
Stockholm    8:35
.
Totale reistijd 21:35 uur. U kunt ook twee uur later van huis, maar dan moet U zes keer overstappen. Ziet U zich al sjouwen op al die overstapstations, met uw bagage (valiezen, hoedendozen, kinderwagen, kattenmand)? En wat een vondst: vier uur wachten in Malmö, midden in de nacht!
.
Het traject Malmö – Stockholm duurt nog maar viereneenhalf uur; dat komt omdat er in Zweden snelle treinen in gebruik zijn genomen. Vroeger was het geloof ik zeven uur. Maar die trein kun je dus niet in Kopenhagen nemen, je moet eerst met het boemeltje over de brug over de Sont. Van Hamburg naar Kopenhagen duurt een uur langer dan vroeger omdat de trein niet meer op de pont gaat, maar met een grote omweg door heel Denemarken moet rijden.
.
Vanuit mijn huidige woonplaats Marburg ziet het er niet beter uit. Vertrek 12.20, dan overstappen in Kassel en Hamburg en de rest als boven.
.
Heilige Greta, sta ons bij!

7 reacties

Opgeslagen onder Europa, Reizen, Trein&tram, Zwedenreis

Mini-herinnering: hoeren in Stockholm

Een aantal malen ben ik met de trein in Stockholm CS aangekomen; ook ging ik er wel eens naar toe om rond te kijken, want ik houd van treinen en stations. Daar zag ik terzijde van het station soms prostituées: niet zo jonge, geenszins petieterige vrouwen, die overdreven gekleed waren als huisvrouw: met pantoffels, duster en krulspelden. Het moesten wel hoeren zijn, dacht ik, want welke echte huisvrouw zou in zo’n outfit langs een station lopen te drentelen? Ieder zijn meug; er zou wel een markt voor zijn.
.
Dit was in de jaren zeventig. Bij nader inzien vraag ik mij nu af: waren het geen verklede, cruisende mannen?

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Zwedenreis

Off the road 2

Ontaarde aren. Ja, er zijn hier functionerende, maar ook veel stilgelegde boerderijen. Daar wonen nu mensen uit de stad, vaak alleen ’s zomers. Ze doen niet aan landbouw en de akkers verkommeren. Nu kun je daar de postume “graanoogst” zien staan. Als er niet meer geoogst en gezaaid wordt groeit er toch wat, maar dan dun, spookachtig, onbruikbaar. Toch zijn zulke akkers hoopvol. Als er in Europa door de klimaatverandering een voedselprobleem ontstaat kunnen ze hier gewoon weer aan de slag.

Feodaal. In de nabijheid van dit bescheiden huisje staan er zo al drie “grote huizen”: adellijke kastelen of buitenhuizen, daterend van de zeventiende tot de negentiende eeuw. Het mooist was Julita, omdat dat nog tot 1941 bewoond is geweest en de hele inrichting nog intact is. Niet alleen de herenvertrekken, maar ook de keuken en de vertrekken van het personeel. Het geheel geeft een aardig inzicht in de toenmalige levensstijl. Als niet-voorname logé was ik het meest geïnteresseerd in de noordvleugel, waar arme verwanten en vrienden van de heer des huizes soms maanden logeerden. Daar kon er dan eindelijk eens een roman of pianosonate uit je handen komen. De verzameling schilderijen in de salon en de bibliotheek was teleurstellend. Wel echt oud, uit de zeventiende en achttiende eeuw, maar veel troep; ook Nederlandse meesters van het derde garnituur. Maar de heren hadden natuurlijk ook een paleis in Stockholm; misschien hingen daar de betere stukken. Zo’n buitenhuis werd dan volgezet met spulletjes van de toenmalige IKEA. Of men vond de elandenjacht belangrijker. Je moest wel een flink huis hebben om elandenkoppen en -geweien in de gang op te kunnen hangen; véél groter dan van een hert.

Overheadkosten. Zweden is een groot land. Het heeft véél wegen, spoorwegen, hoogspanningsleidingen, telefoonleidingen, riolen, kustlijnen, aanlegsteigers, vuurtorens, veerponten, scholen, bibliotheken, gezondheidscentra, tafeltje dek je, enzovoort. Die moeten allemaal betaald worden door slechts negen miljoen Zweden. Geen wonder dus dat de belastingen hoog zijn.

Eendenrace. Nee, mijn eend nr. 653 heeft de eendenrace (årace, Entenrennen) van de Lionsclub in Vingåker niet gewonnen. De hoofdprijs was niet minder dan 40.000 kr., en de winnaar werd geinterviewd in de Katrineholms Kuriren. Wat kan ik zeggen? Mijn eend heeft alles gegeven, maar andere waren sneller.
Dat was op de bazaar in de tuin van slot Säfstaholm. E. zat daar ook, met haar standje met kruidtuinproducten. Goeiig allemaal; iedereen was er natuurlijk, en ik ook, alleen ik had er niets te zoeken. Ik heb mij best vermaakt, maar merk op zulke plaatsen ook heel duidelijk dat ik er niet bij hoor.
In het kasteel was een tentoonstelling van schilderessen van honderd jaar geleden. Die dames konden prima schilderen, zo goed zelfs dat je je afvraagt waarom juist vrouwelijke schilders tentoongesteld moeten worden, en niet bij voorbeeld roodharige of brildragende. Maar ja, ze hadden toen een zaak om voor te vechten. De heren vonden toen dat vrouwen niet konden of mochten schilderen; het is haast niet meer te geloven, maar zo was het. Misschien is dat ook de reden dat die vrouwen op hun zelfportretten allemaal zo treurig kijken.
Verder viel me nog op dat er in het dorp niet alleen een veel te grote negentiende-eeuwse kerk staat waar niemand meer naar toe gaat, maar ook nog twee kleine nieuwere, die niet tot de protestantse staatskerk behoren. Ook hier dus het verschijnsel van schuurgemeentes: de officiële kerk is blijkbaar nog te sjiek voor de kleine luiden. En daar lopen er genoeg van rond: van die zure gezichten, uit wier leven alle vreugde is gebannen. Wie niet in God wil geloven kan zijn religiositeit uitleven in naastenliefde: zorg voor vluchtelingen hier of daar, of voor kindertjes zonder benen. Óf natuurlijk in het biologisch-ecologische gedoe, dat ook hier streng religieuze vormen heeft aangenomen. Handgeknuffelde pastinaken, worteltjes met vreemde bochten erin, geweldig authentiek.

Pruttkudde. Het mooiste voorwerp op de bazaar was een zog. “feestartikel”, origineel verpakt in de USA omstreeks 1958. Of misschien was de naam ervan mooier dan het voorwerp zelf: pruttkudde. Zeg nou zelf: ook in uw Zweedse woordenboek komt dit woord niet voor. Het is een kussentje dat kinderen op de stoel van een ouder, leerkracht of oom kunnen leggen. Wanneer die dan zogenaamd niets in de gaten heeft en gaat zitten klinkt er het geluid van een scheet. Lachen!

1 reactie

Opgeslagen onder Zwedenreis

On the road 7

Op weg naar huis alweer. Nu toch de weg binnendoor van Vingåker naar Linköping genomen, via Redsta, Igelstorp, Hällestad, Vretsta Kloster. 86 km in plaats van 112 km., maar wel tijdrovender dan de officiële weg. Inderdaad ten dele anderhalfbaanswegen, maar dat gaf niet, want er zijn toch geen tegenliggers. 25 km. ongeasfalteerd, dat was onaangenaam. Aangestampte aarde is nog tot daar aan toe, maar het voortdurende vermijden van kuilen in de weg was zwaar werk.
Linköping. Een stad waar ik ooit. Het toenmalige Grand Hôtel heet nu Radisson Blu. Imposant de domkerk, die ook op het continent niet zou misstaan.

Glasbruk. Langs de snelweg staan af en toe bordjes met een vork en mes; die betekenen dat er een wegrestaurant aankomt. Maar dat zijn niet altijd van die gestroomlijnde moderne dingen. Zo’n bordje volgend ging ik even van de weg af in Markaryd en ik werd naar een vervallen industrieterreintje geleid met een grote loods, waarop het woord Glasbruk stond. Inderdaad kon je daar wat eten, maar dat was zo naargeestig vaalbruin en oudbakken en slecht verlicht dat ik er geen trek in had. Hierheen wisten echter de vrachtrijders uit Finland en Rusland de weg te vinden, en enkele Zweden ook natuurlijk. Het menu van de dag zal hier wat goedkoper zijn, en vooral ook vetter dan in die moderne zaken.
In de andere helft van de loods werden tweedehands spulletjes aangeboden. Glazen, maar ook gewoon serviesgoed, tafelkleden, kleren, oude ansichtkaarten, brochures van landbouwwerktuigen uit de jaren zeventig, afzichtelijke meubels uit grootmoeders tijd. Gewoon ouwe troep van een verpletterende lelijkheid, en dat over een groot oppervlak. Enkele van die kaarten waren wel aardig, maar verder zat er niets bij dat je zou kunnen willen hebben. Verzamelaars hadden deze zooi al in een eerdere fase afgeroomd. Wie hier een bloesje of tafelkleed koopt is arm, en zo zag het snuffelende publiek er ook uit. Een hoekje van Zweden waarvan je niet zou vermoeden dat het ook bestaat.

Malmö. Nu gelogeerd in zo’n modern on the road motel, vrijwel geheel onbemand en zelfreinigend, met een code voor de deur in plaats van een sleutel. Echter wel op comfortabele loopafstand van het centrum. Hier zou je ook een mooie krimi kunnen laten beginnen. Geen haan immers die kraait naar het lijk van de honorair-consul van Zimbabwe; als morgen de werkstudent komt om schoon te maken zijn de daders allang over de Sont.
Een lange avondwandeling in Malmö, een stad die ik al kende. Eén van dingen die ik doe op deze reis is het wederzien van reeds bekende plekjes. Het begin van de ouderdom?

Valuta. Een heleboel geld geef ik niet uit, omdat ik dan weer Zweedse kronen moet gaan tanken, waar ik morgen weer mee blijf zitten. Met Deense natuurlijk dito. Per valuta ben ik naar schatting 12 Euro kwijt geweest aan wisselkosten, kosten voor gebruik kredietkaart enz. En dan houd ik nog wat munten over. En ik ben maar één toerist; zou het niet voor alle reizigers pus de beide landen zelf veel handiger zijn als ze de Euro hadden? Dan was ik misschien wel iets moois gaan eten hier, dan hadden ze nog wat aan me verdiend. Nu heb ik me beperkt tot een broodje rendiersalade.

1 reactie

Opgeslagen onder Zwedenreis

Off the road 1

Bos. Daar heb ik niets te zoeken, maar het fascineert wel. De saxifraga-soorten die over een miljoen jaar de stenen opgevreten zullen hebben. Het dikke, kamerbrede mos, dat soms hel oplicht tussen de bomen. Waar het op ronde stenen groeit lijkt het wel of er in het woud met juwelen is gestrooid. Nog mooier wordt het als er paddestoelen tussendoor staan: rode, gestippelde, gele, vale, goorgrijze. Natuurlijk eten we vaak cantharellensaus. Vanochtend een groep van tien herten gezien en nog een paar losse. Wat zou je moeten doen bij een ontmoeting met een wild zwijn of een eland? Een eland die dronken is na het eten van gistend Fallobst is niet te onderschatten.

Bosmieren. Tot meer dan een meter hoog worden de hopen van de agressieve en altijd hongerige bosmieren, waarvan er vele in de omgeving te zien zijn. Deze dieren eten vooral oud hout, en dus ook huizen. In een vroeger zomerhuisje heb ik ze ’s nachts wel horen knagen.
Tegen verrotting en geknaag helpt Falu rödfärg, 229,50 kr. per emmer, de verf in de typisch Zweedse bruinrode kleur. Eeuwen geleden ontdekt als afvalproduct van de kopermijnen, nog steeds in gebruik als verf en impregnatiemiddel van hout. Ik had graag meegeholpen ook dit huisje ermee te behandelen, maar het regent af en toe, het hout is niet droog genoeg en dan kan het niet.

Vakantieboek: David Mitchell, The thousand autums of Jacob de Zoet, een historische roman die ± 1800 speelt in de Nederlandse mini-kolonie Decima in Japan. Hapt heerlijk weg en je leert ook nog wat, want naar mijn indruk is het boek goed gerechercheerd.

1 reactie

Opgeslagen onder Zwedenreis

On the road 5

Zondag, Højmølle, 6 uur.
Vroeg wakker, want gisteren in slaap gevallen boven Tucholsky’s Schloß Gripsholm. Een heerlijk bed, dat de zwaarte der wereld wegneemt, zoals de wolken dat daarboven doen. De wolken in paradijsvoorstellingen tenminste; in werkelijkheid regent en onweert het buiten dus ik mag nog lekker wat aankeutelen en hoef niets te gaan bekijken. In hotelkamers stel ik mij altijd voor dat M. naast mij ligt, maar dat is allang niet meer zo. Als het een beetje meezit kan ik haar met Kerst bezoeken. Maar na M. kwam toch K. nog; waarom denk je niet aan hem? Het verschil in geslacht maakt toch wat uit, denk ik. Met een vrouw heb je het gevoel een oude mythe op te voeren, met een man is het meer een spel, hoewel je met mannen wel goed bevriend kunt zijn.
Maar nu eerst is E. aan de beurt. Vreemde neiging, al die personen uit het verleden te willen bezoeken. En dat reizen überhaupt: nadat ik in Frankfurt jaren lang niet was weggeweest, knabbel ik nu als een gek brokjes aardkloot weg. Het zal wel aan de leeftijd liggen.

Zondag, 22 uur. Helsinborg, Hotel Viking
Het weer klaarde op zodat ik de hele ochtend op het eiland Falster kon rondtoeren. Dat was mooi: vriendelijk dorpjes, leuke oude kerkjes, en niet te vergeten de Oostzee. Er was geen strand, het boerenland hield ineens op en daar lag zij, discreet golvend. Helemaal geen zeegevoel.
Toen naar Zweden. Onderweg moest ik nog even stoppen omdat ik in slaap dreigde te vallen op die slome Deense snelweg. De brug over naar Malmö. Dat had misschien een belevenis moeten zijn, maar het was er geen.
Zweden houdt net als Denemarken vast aan zijn eigen geld. Het was dus zaak een geldautomaat te vinden. Direct na de tol was er een toeristen ontvangstcentrum met een lief cafeetje, maar zonder de mogelijkheid geld te wisselen. De dame zei, dat ik het maar bij de volgende afslag in het inkoopcentrum moest proberen. Toch maar even gekeken in het woonwijkje achter dat café, en daar kreeg ik mijn eerste Zweedse koudeschok. Dat was altijd al zo: als je uit het warme Denemarken naar Malmö kwam was daar die schok: hoe kunnen de mensen zo koud leven, hoe kan een stad zo dood zijn? Welnu, Malmö schijnt na de toetreding tot de EU te zijn opgeleefd,maar dit wijkje was nog een toonbeeld van de oude Zweedse geest. Saai, saai, saai, geen voorzieningen voor mensen, alleen een zitje naast de vuilnisbakken, geen winkels, een basketbalveldje dat bij gebruik meteen honderd mensen stoort. Overal auto’s; allicht, zonder auto ben je hier nergens. Maar de auto’s waren overwegend nieuw en niet van de goedkoopste soort, dus het moet ook nog een tamelijk gegoed wijkje zijn. Hoe moeten kinderen zich ontwikkelen die hier opgroeien? Iedereen zal weer heel verbaasd zijn als ze op school om zich heen gaan schieten of bejaarden afslachten.
Het winkelcentrum verderop dan. Inderdaad een geldautomaat, en verder een gigantische opeenhoping van buitenproportionele supermarkten en andere hallen. Bij Marburg is er ook zo’n weitje, omdat daar geen plaats is in de stad, maar dit was wel tien keer zo groot! En hoewel het zondag was was alles volledig in bedrijf. Zo stel ik mij Amerika voor. En dat is de tweede schrik die Zweden teweeg brengt. Zweden is verder dan Nederland en zeker dan Duitsland, verder in een bepaalde sociale ontwikkeling bedoel ik, in Amerikanisering, en dat maakt mij niet gelukkig. De Zweden zelf ook niet geloof ik, maar wie zal het tij nog keren?
Mijn bezoek aan Landskrona heb ik afgelast, wegens slagregens. In Helsingborg voor de nacht ingecheckt. Een aardig stadje, maar helaas is daar op zondag alles op slot, de winkels, maar ook de café’s en de restaurants, op een paar Chinezen na. Toch liepen er mensen te flaneren. Anders dan in Duitsland en heel verheugend: jonge gezinnen met kinderwagens. Misschien wonen die wel in zo’n saai wijkje en komen ze hier wandelen omdat dat naar hun begrippen gezellig is. Achter die kinderwagens vaak gemengde paren, Zweeds+Migrant bedoel ik, en dat is ook verheugend. Zo lost tenminste dat probleem zich op den duur vanzelf op.

1 reactie

Opgeslagen onder Zwedenreis

On the road 6

Van Helsingborg naar Vingåker. De tank nog maar even vol gedaan voor de lange rit, want wie zegt mij dat er onderweg in die leegte ook een benzinepomp staat? Deze gedachte bleek absurd te zijn: ongeveer iedere veertig kilometer was er een afrit met een winkelcentrum. Daar zijn benzinepompen, supermarkten, outlets, bouwmarkten, IKEA’s en wat Zweden verder nog nodig hebben. De mensen uit de wijde omtrek rijden dus hier naar toe om hun boodschappen te doen. Dat heeft tot gevolg dat nu ook de eenvoudigste dorpelingen kunnen beschikken over gevulde olijven en parma-ham, maar ook dat er in de dorpen geen winkels meer over zijn. Geen bakker en geen groenteboer, dat lijkt me het ergst. Veel Zweden bakken dan ook zelf. Terwijl ooit in de prehistorie was ontdekt dat het handig is als één mens bakt voor vele anderen, zijn we nu beland bij: ieder voor zich.
110 km per uur is toegestaan, hier en daar 120. Verkeer is er nauwelijks, dus het schiet best op. Het grote gevaar is in slaap te vallen, want prikkels in de vorm van andere auto’s of een boeiend uitzicht ontbreken. Hier en daar dus maar even pauze in zo’n centrum: een kop koffie en even rondkijken in de nieuwe wereld van shop until you drop. De lucht is zo fris tussen al die naaldbomen dat je er haast niet lekker van wordt.
In die moderne winkels heeft nooit iets een normale prijs. Het is eeuwig uitverkoop, alles is een zomeraanbieding of een superknalkoopje, drie halen twee betalen enzovoort. Een patent middel om mijn kooplust te doden, maar Zweden schijnen het juist leuk te vinden. Er zijn in zulke centra ook motels: die zijn misschien niet veel bijzonders, maar toch aanvaardbaar voor een nacht. Waarschijnlijk was mijn zoeken naar een hotel uit de oude wereld in het midden van een stad volledig verouderd gedrag.
Het landschap wordt interessant na Jönköping. Daar begint de Vättern, een heel groot zoetwatermeer met een eiland in het midden. Het licht is daar dadelijk anders. Een langere pauze gehouden in Gränna, een alleraardigst maar wat vertoeristiekt plaatsje vol met houten huisjes. Het is leuk om daar even te wandelen, met zicht op het meer, hoewel er eigenlijk niets speciaals te zien is. Het dorp ontleent zijn bekendheid aan de vervaardiging van zuurstokken (polkagrisar), een product van zeldzame overbodigheid. Aardiger was het jaren-vijftig café Fiket, en de knäckebrödbakkerij ernaast.
In een van die tankstations heb ik even een gedetailleerde landkaart bekeken. Zou het niet mooi zijn om een stuk af te snijden over Hällestad en Fingspån? De wegjes zagen er echter erg secundair uit en dat heb ik maar niet gewaagd. Voor je het weet zit je op een ongeplaveide eenbaansweg. De gewone rijksweg over Katrineholm bleek driebaans te zijn, zodat je af en toe kon inhalen of ingehaald kon worden. De Zweden rijden natuurlijk sneller dan de toegestane 80 of 90, maar ik niet; ik ga hier geen bekeuring of gevangenschap riskeren.
Joanna had het wat moeilijk met het vinden van het niet bestaande adres van E’s buitenhuisje, tien kilometer buiten Vingåker. Telefonische geleiding was noodzakelijk, maar om vijf uur was ik er. Het verblijf hier in Vingåker komt niet in het blog: het is privé en bovendien niet on the road.

1 reactie

Opgeslagen onder Zwedenreis

On the road 4

Eskilstrup, motel Højmølle.
Maar even flink aangepoot vandaag, zodat het grootste Autobahntraject al om twee uur achter de rug was. Het ging niet zo snel als gedacht. Eén op de honderd vakantievierders maakt het fietsenrek op het dak niet goed vast. Resultaat: fietsen plus rek op de rijbaan, ravage, lang fileoponthoud. Of er nog iemand bij was overleden was niet te zien. Auto’s met fietsen wil ik niet voor me hebben, dus die haal ik altijd maar snel in, waardoor ik tevens lekker opschiet.
Als bezoekobject had ik Neustadt in Holstein uitgekozen. Een klein stadje aan de Oostzee, het viel me een beetje tegen, maar ach, je bekijkt de markt en de wijnweek en het hele gekeutel en eet een visbroodje. Wat ik wel mooi vond, een echte verrassing, was het welig voortheuvelende landschap eromheen, zo tussen Lübeck en het eiland Fehmarn. Wel veel steuntrekkers hier, en arme mensen; het leek wel Oostduitsland. De heren een pens en tattoos, de dames een trainingspak als Cindy aus Marzahn.
Als je hier zou opgroeien zou je natuurlijk gaan vissen, in van die groene lieslaarzen, en met bootjes varen. Het is al zee, maar slechts de Oostzee, die niet zo gevaarlijk is, en bovendien komt er eerst nog een bocht, een zeeboezem of hoe dat heet; ook voor opgroeiende kinderen te doen.
De pont naar Denemarken, de Vogelvloeklijn, waar je vroeger met trein en al opging, is zo gestroomlijnd dat je in tien minuten al aan boord bent en niet merkt dat je vaart. Aan dek kon je niet; ze willen dat je binnen dingen koopt en consumeert. Tax Free heeft geen zin in de EU, want alles is anderhalf maal zo duur als thuis, maar de mensen kopen toch.
Eenmaal geland in het land der Dänen (wo die Hyänen gähnen) ging ik eerst maar een automaat zoeken om daar wat van dat eigenzinnige geld van hen uit te trekken. Daarna had ik de snelweg een heel stuk voor mij alleen; alle opvarenden van de pont waren al weg.
Zo’n traject moest langer kunnen duren, om dichter bij de eeuwigheid te brengen. Vaak vind ik autotrajecten te kort. Vijftig kilometer eenzaamheid door een corridor van landschap kan onmogelijk de illusie van eeuwigheid te weeg brengen, van afwezigheid van tijd en plaats, van on the road zijn. Je komt niet in een cadans.
Zo schoof ik het hotel binnen dat mij in het Internet terecht was aanbevolen. De kamers in het moderne bijgebouw zijn standaard ingericht maar ruim, en op het gras voor het raam lopen konijntjes. De waardin en het oude hoofdgebouw zijn beide heel persoonlijk ingericht. Een diep-menselijke maaltijd; geen hotelvoer. Hier geen wagenwielen of molenstenen om het oude boerenland te verzinnebeelden. Meubels met een hang nach oben; een verzameling dure flessen malt whisky en cognac. De Denen zuipen geloof ik nog meer dan de Zweden.
Het eiland Falster zou nogal lelijk en banaal te zijn, maar dat vind ik niet. Wat is er tegen nuttige gewassen? Mild glooiend akkerland met af en toe een kerkje, een feodalige hoeve omsloten door geboomte of een haag, ik heb een mooi stuk gewandeld. Het ziet eruit zoals Denemarken er nu eenmaal uitziet. En hoe weet ik dat; ik ken dit land immers niet? Nee, maar die films die daar vandaan komen hebben het me laten zien: Adams æbler bij voorbeeld, en die ene uit de Dogma-serie, die ook op zo’n boereneiland speelt, Mifune geloof ik. Je hoeft eigenlijk nergens meer naar toe, want je hebt alles van tevoren al gezien. De zichtbare dingen hoeven alleen nog maar samen te vallen met de reeds geziene. Alleen Oost-Holstein was een verrassing; daar zijn blijkbaar geen films of foto’s van.
Maar Oost-Holstein had ik toch al twee of drie keer gezien toen ik er vijfendertig jaar geleden met de trein doorreed? Jawel, maar toen heb ik of niet uit het raampje gekeken of ik ben intussen vergeten wat ik zag. Nog een reden waarom je nergens naar toe hoeft: je vergeet het weer. Is dan alles vergeefs? Nee, ik denk het niet: al die landen die je bezocht, de muziek die je gehoord en de boeken die je gelezen hebt laten een soort depot in je achter dat je maakt tot wie je bent en je een algemene kennis geeft die het overleven mogelijk maakt. Het maakt je ook tot de oude wijn die voor anderen genietbaar is.
Het woei! Dat is ook wel weer eens lekker, dat hebben we in Marburg niet.
Ineens moet ik denken aan hoe ik vroeger met de trein naar Zweden reisde. Het duurde twintig uur, vanuit Nederland naar Stockholm. Overstappen alleen in Kopenhagen. Ik wenste een slaapwagencoupé voor mij alleen. In Europa was dat absurd duur, dus vertrok ik ’s ochtends uit Nederland. Het nachttraject Kopenhagen-Stockholm was namelijk een stuk goedkoper, want dat ging voor binnenlands tarief. En het werd nog voordeliger als je niets reserveerde, op het laatste ogenblik kwam en even smoesde met de man van de Wagons-Lits. (Sovvagn, “sufwagen” dus eigenlijk.) Meestal was er nog wel iets vrij, en het weinige geld dat het kostte zal misschien niet de firma, maar die steward ten goede gekomen zijn. De vliegtuigen kwamen pas later binnen bereik. Eigenlijk zou ik nu ook graag per trein reizen, maar de plaats van vertrek en de bestemming liggen niet gunstig; bovendien is de trein duur en onaangenaam geworden.

1 reactie

Opgeslagen onder Zwedenreis

On the road 3

Lütkerode, gem. Nörten-Hardenberg. Hotel Zum Sachsenroß.
Als ik geabonneerd was geweest op de Oberhessische Presse, ja dan. Maar ik ben niet geabonneerd – de hemel verhoede dat! – en ik wist dus niet dat de B52 momenteel al op een steenworp van Marburg wegens herinrichting niet te berijden is. Omdat er in zo’n lege landstreek niet zo veel andere wegen zijn werd ik omgeleid over erg kleine landwegjes en was een uur later pas in Schwalmstadt. Zo kom je niet naar Zweden natuurlijk. Maar het lag er wel prachtig bij, mijn Hessenland. Dannenrod, Annerod, wijdse panorama’s. Het is het gebied waar ik anders doorheen fiets. Zo zie je het eens anders, zonder gehijg bij de hellingen. Ik voelde mij als Pnin, met zijn wagentje onhandig op weg door een van de noordoostelijke Verenigde Staten naar het adres waar hij een lezing moest houden. “Professor Pnin needs no introduction.”
Eigenlijk had ik pas morgen willen vertrekken, maar dat was wel veel stress geworden om de pont nog te halen. Dus de koffer gepakt en een krat met alcohol voor Zweden, met de auto naar het werk en daarna meteen nog een stuk noordwaarts gereden. Een keurig hotelletje, een veel te grote forel blauw gekookt en daarna nog even de leeggeoogste velden ingelopen, de irrelevante vlakten van Nedersaksen. De ambiance beantwoordt bijna aan mijn ideaal: eens helemaal nergens te zijn. Gewoonlijk denk ik daarbij aan Bratislava, maar Lütkerode werkt ook.
Mijn nieuwe navigatordame snapte natuurlijk niets van die omleidingen. Het is Joanna Lumley, alias Patsy in Absolutely fabulous. Ik heb haar geïnstalleerd omdat ik vorige week met een Australische vriend op weg was; die kon ik niet met Vlaamse Linda opzadelen. Joanna toont klasse, zelfs in de TomTom; ik denk dat ik haar maar houd. Ze kan zo prachtig nadrukkelijk-geduldig, of liever gezegd geprikkeld-berustend zijn als je haar aanwijzingen niet opvolgt. “Nó darling, turn around … when possible.” En als ze echt pissig wordt laat ze de laatste twee woorden weg en klinkt er een uitroepteken.

1 reactie

Opgeslagen onder Zwedenreis

On the road 2

Naar Zweden, op bezoek in Vingåker. U weet wel: bij Katrineholm linksaf en dan nog zo’n 30 km. over de 52. Het vlugst zou zijn met het vliegtuig te gaan, zoals ik dat al vaker gedaan heb. Met Lufthansa had het minder dan € 200 gekost, als ik vroeg geboekt had. Ik ben niet vergeten vroeg te boeken, maar heb er bewust van afgezien, omdat ik een onverklaarbare zin heb om met de auto te gaan. Daar ga ik vast nog spijt van krijgen.
Helemaal onverklaarbaar is dit verlangen toch niet: de 100 km. naar het vliegveld Frankfurt zijn steeds een kwelling met taxi en trein, vooral op de terugweg. De eigen auto nemen en bij het vliegveld parkeren is idioot duur. Hoe dan ook, altijd een uur marge nemen en een uur wachten. Als er geen vertraging is. De vliegtuigen landen ten noorden van Stockholm en ik moet zo’n 100 km. ten Zuiden van de stad zijn. Bagage ophalen en over land naar Vingåker duurt drie uur. Tel daarbij de twee uur van het eigenlijke vliegen nog op, dan heb je al acht onprettige uren.
Met Ryan Air ben ik twee jaar geleden gevlogen. Dan land ik in Nyköping, dat ligt gunstiger. Maar het Duitse vliegveld Hahn is verder en de vliegtijden zijn ongunstig; ik moet daar minstens één keer overnachten. Dat is ook weer tobben, en die Ryan Air wordt steeds onaangenamer.
Toch duurt vliegen nog korter dan de autoreis. Maar ik heb me nu in de kop gezet dat ik met de auto wil; basta. Ik vind het altijd wel gezellig bij mezelf in de auto. En het is een slappe compensatie voor een oud idee van me, dat ik nooit heb uitgevoerd: met de fiets van Zuid naar Noord-Zweden, midden door, langs Vilhelmina. De bossen zingen daar namelijk eeuwig; dichter bij de eeuwigheid kun je niet komen in dit leven, en het is er zo eentonig als de hemel zelf.
Het is 1300 km naar Vingåker en dat kan dus in twee dagen. Maar dat lijkt me ál te saai. Ik neem er langer voor en zal onderweg nog wat rondkijken. Als er wat te kijken valt, want de route is in principe nogal vervelend. Göttingen is te dichtbij, Lübeck ken ik al. Northeim misschien; is dat leuk? Over de nieuwe brug over de Sont zal ik heen rijden; die zie ik dus niet. Helsingborg dan; daar ben ik nog nooit geweest. Motala? Dat stond vroeger op de radio van mijn ouders. Örebro hebben we op school bij aardrijkskunde geleerd, waarom weet ik niet meer. Zeker een lucifersfabriek.
Het zal niet meevallen aan dit traject een verhaal te ontlokken, maar ik ga het toch proberen. En als er niks komt, dan niet. Het is maar een blog tenslotte.

1 reactie

Opgeslagen onder Zwedenreis