Categorie archief: Vroeger

Zakenmannetje

Topsporter of pianist had ik best willen worden, maar het zat er niet in. Wat ik als jongen echter zeker niet wilde worden was zakenman. Goederen aan mensen verkopen voor meer dan ze waard waren, of erger nog: de klanten regelrecht besodemieteren, nee, dat vond ik onwaardig.
.
Dat was toen tenminste mijn officiële standpunt, maar in werkelijkheid waren er omstreeks mijn vijftiende toch aanzetten tot handeldrijven. Op de postzegelmarkt bij voorbeeld, waar ik zelfs bedrog niet schuwde. En de handel in jonge vis. Dat zat zo: ik kreeg bijlessen wiskunde van onze buurman, die wiskundeleraar was. In ruil daarvoor verzorgde ik zijn grote aquarium; waarschijnlijk was hij blij dat hij eraf was. Daarbij viel het me op dat de guppen af en toe jongen kregen, die dan gauw werden opgevroten, door de ouders of door andere vissen. Mijn zakenidee was nu, die jonkies het leven te redden en aan een dierenwinkel te verkopen. Dat dit mogelijk was wist ik: ik moet het ergens hebben gehoord of gelezen. En tegen een jongen in de klas had ik zelfs al over deze activiteit opgeschept voordat ik ze uitvoerde. Goed, het moest dus worden gedaan. Hoe ik dat kleine grut kon isoleren weet ik niet meer; met een zeef misschien? In ieder geval belandde het in een jampotje en ik toog ermee naar de dierenwinkel. Tot mijn verbazing kreeg ik er zeven gulden voor! Dat was geld in die tijd, voor een jongen. Het heeft zich zo nog twee of drie keer herhaald. De buurman heb ik geen winstaandeel gegeven; waarschijnlijk heb ik het hem niet eens verteld.
.
Dat had de basis van mijn investeringskapitaal kunnen worden; toen had ik me misschien in de richting van het zakenleven kunnen ontwikkelen. Dan was mijn leven misschien spannender geweest: statistieken met grote uitschieters naar boven en naar beneden, nu eens in een villa, dan weer in een doorzonwoning, een of twee faillissementen, een of twee echtscheidingen misschien. Maar zo is het niet gegaan, omdat dat rare intellect zich in die tijd al door mij heen begon te vreten, wat het nog steeds doet. Dat was vaak een last, maar na de pensionering …, well, it comes in handy. Een gepensioneerde zakenman verveelt zich misschien; ik nooit.

7 reacties

Opgeslagen onder Economie/Wirtschaft, Onzin, Persoonlijk, Vroeger

Iemand zijn

Nog een oneliner uit een ver verleden, begin jaren zeventig denk ik. Een man wordt voorgesteld aan een oude Oostenrijkse gravin. Als hij zich na het handen schudden en nog enkele woorden een paar stappen heeft verwijderd, hoort hij de gravin tegen haar assistente zeggen (waarschijnlijk luider dan bedoeld; zij is erg doof): Ist er wer, oder bezieht er Lohn? (Is het iemand, of is het een loontrekker?)

4 reacties

Opgeslagen onder Vroeger

Reine WC

Soms krijg je door een terloops zinnetje een inkijkje in het verleden. Een zeer oude mevrouw vertelde dat een vriendin en zij aan het winkelen waren — dat moet in de jaren dertig geweest zijn — en allebei ergens naar de WC gingen. Toen de eerste uit het hokje kwam vroeg de toiletjuffrouw: Soll ich wischen oder sind Sie verwandt? (Moet ik de bril schoonmaken, of bent u familie?)

2 reacties

Opgeslagen onder Deutschland, Duitsland, Vroeger

Over het paard getild

TePaardMet rijden is het daarna nooit meer iets geworden.

8 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk, Vroeger

Twee paleizen

Amsterdam vond ik als kind al klein en benauwd; je kon er je kont niet keren, fietsen stonden in de weg in halletjes of trappenhuizen, en dan die iele woninkies … . Dat was bij opa en oma in het dorp wel anders. Toen ik iets ouder was schaamde ik mij voor Amsterdam ten opzichte van Londen en zelfs Brussel. Maar er waren tenminste twee gebouwen die grandeur hadden: het Paleis op de Dam en het Tropenmuseum.

Het Paleis was groot en stevig, en mooi vond ik het ook. In de loop der jaren kreeg ik er oog voor wat een uitzonderlijk gebouw dat was. Waar hadden ze de stenen vandaan? Ieder blok steen moest natuurlijk per praam van heel ver komen. En hoe hadden ze die steenkolos in de moerasgrond kunnen verankeren? Het was en is werkelijk groots. Wel staat het daar wat eigenaardig, temidden van het kleine grut.
Natuurlijk was ik er nooit in geweest; dat kon geloof ik vroeger niet, of het kwam niet bij me op. Pas ongeveer tien jaar geleden ben ik er eens binnen gaan kijken, en ik schrok. Dikke prots overal, wat een boel marmer! Een scherp contrast met de ook peperdure, maar toch sober overkomende buitenkant van het gebouw. Een paleis van opscheppers, die een ogenblik dachten dat zij de hele wereld regeerden. Wereldkaarten op de grond; de wereld aan je voeten, of liever eronder. Daar kon je blijkbaar een nieuwe factorij plannen.
Maar je wou toch iets grandioos? Jazeker, maar met dit paleis ben ik toch niet op mijn gemak. Dit is too much; een droom van kleine mensen die ineens te veel geld hadden. Het doet een beetje denken aan de Nederlandse eetcultuur van dit ogenblik. Na eeuwenlang draadjesvlees en spruitenprak nu een orgie van sterrenrestaurants waar niets vanzelfsprekends aan is.

Het Tropenmuseum, deel van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, was niet ver van waar ik woonde en ik was er vanaf mijn twaalfde vaak op zondagmiddag te vinden. Veel beter dan de verplichte kerkgang waren daar de voordrachten of voorstellingen die met Indië te maken hadden. Iemand las spannende oude Javaanse verhalen voor of er werden dansen uitgevoerd, en van het gamelanorkest was ik helemaal niet weg te slaan. De tentoongestelde dingen interesseerden mij pas jaren later, misschien ook omdat het toen nog een museum van een museum was: alles in bruine kasten met getypte kaartjes erbij, sepia foto’s met heren in tropenkostuum, zalen vol specimina van de nuttige gewassen van Nederlandsch-Indië. Later is dat radicaal gemoderniseerd, in verschillende fases, en wel zo goed dat Duitse kennissen die ik erheen stuur zonder uitzondering verrast en enthousiast zijn.
Een paleis dat ook gebouwd was door mensen die dachten dat zij de wereld, of althans Indië regeerden. Maar toen ik er aankwam was dat al niet meer zo. Dat we Indië niet meer ‘hadden’ en dat daar nu de demonische Soekarno heerste was mij al vaak uitgelegd; toch droomde ik weg bij die muziekuitvoeringen en stelde me voor hoe ik iedere nacht de gamelan zou horen, natuurlijk in de kraton van Mangkunegara in Solo. Voor minder deed ik het niet; dáár wilde ik heen.
Ook het Tropenmuseum had de hele wereld over de vloer, maar niet meer voor de heb. Het ging nu om kennis van die wereld, en daar had ik dringend behoefte aan, want Nederland was duidelijk te klein.
Voeg daarbij nog de museumboekhandel. Waar elders kon je bladeren in Pigeaud’s Woordenboek Javaans-Nederlands? Waar lezen in de mystieke teksten van Sjamsuddin van Pasai (inderdaad, ‘paasei,’ dacht ik nog in die tijd). Waarschijnlijk is mijn besluit oriëntalist te worden daar voorbereid.
Maar ook de omvang en grootsheid van het Tropenmuseum als gebouw overtuigden me. Nergens éénsteensmuurtjes of gipsplaten, en afmetingen die voor Nederland uitzonderlijk zijn. Het is stevig! Zelfs als je even naar de WC moest kwam je in een kamertje terecht met een hoge deur van massief eikenhout.
Het is blijkbaar té groot en stevig, dat Tropenmuseum. Niet voor mij, maar voor Nederland. Het moet nu gesloten worden heb ik gehoord. Terug het moeras in, niet meer naar de wereld kijken; waarom ook? Daar is immers niets meer te halen.
Dat zal het Paleis op de Dam nog niet zo snel overkomen, want daarvan loopt het groot onderhoud via het potje Koninklijk Huis.

6 reacties

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Vroeger

Taalverdwijning

Een van de grote nadelen van emigratie was voor mij het verlies van de dagelijkse omgang met de moedertaal, en de noodzaak de hele dag een andere taal te spreken. Bij mijn overwegingen of ik ooit naar Nederland zal teruggaan speelt de taal dan ook een belangrijke rol. Maar langzamerhand wordt het contact met de moedertaal smartelijker dan het ontbreken daarvan. Groningen en haar Martinitoren, een meisje die in de bos loopt, ejg lekker, kaaik aut: dat zijn klappen die je voelt als emigrant.
Natuurlijk zijn er nog veel mooie teksten, ook nieuwe. Vooral in de literatuur, die tot mijn vreugde niet alleen door geboren Nederlanders word volgeschreven. Misschien zijn schrijvers altijd een beetje conservatief, en anders hun uitgevers wel. Maar eertijds nette kranten schrijven tegenwoordig blubber en de televisie is om meer dan een reden niet om aan te horen.
Taalverandering is vanzelfsprekend en nodig; ik ben voldoende taalkundig geschoold om dat te weten en te begrijpen. Dat neemt echter niet weg dat ik persoonlijk lijd onder het verdwijnen van mijn Nederlands. Naarmate de tijd verstrijkt zal ik dat slechts delen met een gestaag afnemend aantal bejaarden. Omdat ik goed gezond ben zal ik misschien een van de laatste sprekers zijn.
Treuren om een verdwijnende moedertaal die wordt overschreeuwd door allerlei SBS6-types heeft weinig zin.
Maar dan kan ik net zo goed hier blijven. Wat er met het Duits gebeurt stoort me namelijk helemaal niet; het is immers niet mijn taal.
Als ik 92 ben vergeet ik waarschijnlijk mijn Duits, maar dat merk ik dan niet meer. Terwijl alle dames en die paar heren in het zanggroepje van het tehuis Hoch auf dem gelben Wagen instuderen, kraai ik er dwars doorheen: Altijd is Kortjakje ziek. En niemand die er aanstoot aan neemt. Toch? (Oeps – een modernisme! Hé, nog een!)

36 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Nederland, Persoonlijk, Vroeger

Continuity

Bij het zappen kwam er een fragment langs van Sunday in New York (1963). Twee heren zitten in een restaurant met een dame en krijgen een meningsverschil, ik neem aan over haar. De ene man slaat de andere neer, einfach so.
Het opmerkelijke is dat beide heren iets rookten: de aanvaller een sigaar, zijn slachtoffer een sigaret. En beiden hadden een seconde later hun rokertje nog in de hand/mond. De neergeslagene moet zijn sigaret goed hebben vastgehouden en tijdens het opkrabbelen meteen weer een trekje genomen hebben. Hij was zeker even buiten adem geraakt.

5 reacties

Opgeslagen onder Vroeger

Op de divan bij opa en oma

Ik had iets te doen in Hilversum en er was een hotelkamer voor me geboekt. Toen ik bij het hotel aankwam bekroop me al meteen een raar gevoel. In de kamer zelf duurde het nog even voor ik het zag, daarna kostte het nog wat tijd voordat ik het wilde geloven: ik bevond mij in de kamer die ooit door mijn grootouders bewoond was geweest! Ja, het adres klopte ook. Mijn grootouders waren naar Hilversum getrokken om daar hun oude dag door te brengen. Dat is meer dan vijftig jaar geleden. Toentertijd waren er nog geen bejaardenhuizen; men ging ‘in pension’. Ze hadden daar twee kamers, en precies in hun toenmalige woonkamer was ik nu terecht gekomen. Alles viel op zijn plaats, ik zag hun meubilair als het ware weer staan, en ook de divan waarop ik sliep als ik als jongen bij hen logeerde.

Een toeval of bestiering? Maar indien het laatste: waartoe?

7 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk, Vroeger

Hoe erg is het?

Tienduizend jaar geleden, toen de mensen nog in hutten van rijshout en in grotten woonden, at de mens zijn medemens; niet altijd, niet systematisch, maar wel in geval van grote honger en ook in het kader van religieuze rituelen. Daartoe werd soms mensenvlees bij andere stammen geroofd, en soms werd, als extra groot offer, de eigen eerstgeborene gebraden voor Moloch of een andere god. Het kannibalisme is sterk teruggelopen en komt tegenwoordig vrijwel alleen nog voor bij extreme honger na een scheeps- of vliegramp (Géricault, Het vlot van de Medusa). Als zulke menseneters gered worden gaan ze tegenwoordig regelrecht in therapie. Heel anders dan die oude man uit Nederlands Nieuw-Guinea, die in de zestiger jaren op de televisie verklaarde dat hij nog mensenvlees gegeten had en dat het best lekker was: een beetje zoetig.

Met verkrachting was er ook zoiets aan de hand. Wanneer een man zin had pakte hij een vrouw. Misschien de vrouw bij wie hij altijd sliep, maar ook wel eens een andere als dat zo uitkwam. Als dat een andere man niet beviel sloeg die de schender van ‘zijn‘ vrouw met een knots op zijn kop. Waarschijnlijk stemde hem dat zo tevreden dat hij ter plekke afmaakte waar zijn rivaal juist aan begonnen was. Bij de rivier speelden de kinderen en imiteerden ook dit gedrag van de volwassenen. De jongens wilden zo vroeg mogelijk laten zien wat ze er al van konden. Ze vochten soms om een bepaald meisje. De meisjes, vooral de kleintjes, leerden al vroeg dat ze rustig moesten gaan liggen als er weer iemand op haar sprong. Tegen die sterkere jongens konden ze toch niet op. Beter was nog het spel mee te spelen. Dan was het eerder voorbij, en soms, maar lang niet altijd, vonden ze het zelf ook wel spannend. Soms kwam er trouwens een grote man die ineens zin kreeg in zo’n jong ding, en daar was helemaal niks tegen te beginnen. Nou ja, ik was er niet bij natuurlijk, maar zo moet het ongeveer gegaan zijn.

Ik heb ooit een vrouw gekend uit een ver land, waar een oorlog woedde. Zij is meermalen verkracht, nu eens door de vijand, dan weer door regeringstroepen. Ze begreep al spoedig dat je om blijvend letsel te voorkomen het beste maar zo’n beetje mee kon doen en die vent zijn mannelijkheid prijzen. Maar een lolletje was het natuurlijk niet. Gelukkig wist ze nog net op tijd een Nederlandse UN-waarnemer aan de haak te slaan die met haar trouwde. Ze had namelijk dringend een ander paspoort nodig om die hel te verlaten. Nee, ze hield niet van hem; hoe zou ze ook? In haar land diende een vrouw haar man. ‘Houden van’ heeft ze later bij mij geleerd, zoals ze zei, en daar was ik best trots op.

En dan was er nog het zeer afgelegen eiland Pitcairn in de Stille Zuidzee. De bevolking bestaat uit de nakomelingen van de muiters van de Bounty en de vrouwen die zij hadden meegenomen van Tahiti. In de bloeitijd schijnt het eiland maar liefst 194 inwoners gehad te hebben; in onze jaren zijn er om de 50. Het eiland valt onder Groot-Brittannië en wordt vanuit Nieuw-Zeeland geregeerd.

Op zo’n klein eiland is iedere seksuele verhouding incest, dat begrijpen zelfs de autoriteiten. Maar verkrachting kwam ook voor. Na geruchten in 1999 werd er een onderzoek ingesteld. Vijfenvijftig gevallen kwamen aan het licht, waarvan sommige al veertig jaar geleden. Was er op dit eiland ooit iets anders dan verkrachting en incest geweest? Zodra een jongen volwassen werd stortte hij zich op een jong meisje, net als in de prehistorie. Tijdens de processen dook steeds het woord gewoonterecht op. Ettelijke vrouwen verklaarden dat het altijd zo was gegaan en dat zo het leven was. Een verpleegster van middelbare leeftijd, inmiddels in Nieuw-Zeeland, bevestigde dat en zei dat het haar ook was overkomen. Leuk was het niet, maar je moest ermee leven, omdat er niets anders was. Andere vrouwen hadden er zwaarder onder geleden maar hadden altijd gezwegen en konden nu hun hart luchten en zo nodig troost en hulp krijgen.

Er waren ook bijzonder zware gevallen. De burgemeester had zich het ‘recht van de eerste nacht’ toebedacht; die is dus over het hele eiland heen geweest. En er was een twintigjarige die het met piepjonge meisjes had gedaan en als een soort souteneur die meisjes ook gedwongen had tot seks met andere jongens. Er zijn altijd mensen die meer kwaad in zich hebben dan andere.

De processen duurde zeven weken, kostten miljoenen en vereisten veel nieuwbouw, om de tijdelijk verdubbelde eilandbevolking (rechters, advocaten, sociale werkers, journalisten enz.) te herbergen. De winnaar was het Britse recht, niet het gewoonterecht. Zeven volwassen mannen werden vastgezet in een gevangenis, die apart voor dit doel op het eiland gebouwd werd. Een derde van de mannelijk bevolking zit dus in het gevang. Hoe zijn de bezoektijden geregeld, mogen ze wel eens luchten? En kan het eiland zoveel arbeidskracht wel ontberen? Ze worden bewaakt door zeven uit Nieuw-Zeeland aangevoerde gevangenbewaarders. Die pappen misschien wel aan met de vrouwen van de gevangenen, wie weet. Maar dat is legaal en zorgt tenminste voor wat verse genen. De gevangenis is het mooiste gebouw op het eiland, het heeft zelfs een WC met een doortrekker. Een monument voor het Britse recht.

Als in onze omgeving een man een vrouw van haar fiets sleurt en haar achter de bosjes verkracht is dat heel, heel erg. Ik ken persoonlijk geen slachtoffer, althans niet bewust, maar uit verhalen, film en literatuur zijn de grote lijnen bekend: zo’n vrouw voelt zich bezoedeld, soms zelfs schuldig, wil niet praten en geen aangifte doen, is psychisch zwaar aangeslagen, heeft ongelofelijk veel tijd nodig om er overheen te komen, eventueel met hulp van een therapeut. Bij sommigen komt het nooit meer helemaal goed. Ook mensen die dertig jaar geleden als scholier door een leraar of priester seksueel zijn lastiggevallen hebben vaak blijvende trauma’s en een kapot leven, zoals we dezer dagen vaak horen.

Redeemer, over wie ik eerder schreef, had ook iets ergs meegemaakt, maar schijnt er minder onder geleden te hebben. En mijn vroegere vriendin uit het oorlogsgebied had een hoop ellende meegemaakt, veel meer dan die Nederlandse vrouw die van haar fiets gesleurd werd. Toch was zij bij lange na niet zo psychisch gewond. Ook de vrouwen in de prehistorie, in Berlijn 1945 en op Pitcairn lijken aan hun belevenissen niet kapot te zijn gegaan.

Over waarom dat zo is kan ik alleen maar vermoedens uitspreken: De mate van ‘ergheid’ van zulke dingen hangt af van hoeveel ergs er verder nog is: dreigende hongerdood, rondvliegende kogels en bommen. En verder van de gewoontes en verwachtingspatronen in een bepaalde maatschappij. En natuurlijk van wat daarover wordt verteld: in verhalen, gedichten en berichten, in literatuur, kunst en media.

Zo, alweer een onderwerp waar ik geen verstand van heb. Ik lul dus maar een eind weg, maar daar is zo’n blog ook voor, nietwaar?

1 reactie

Opgeslagen onder De mens, Vroeger

Redeemer

Het moet voor een opgroeiende jongen niet gemakkelijk zijn door het leven te gaan met de bizarre naam Redeemer, die ‘Verlosser‘ betekent. Maar ach, op Malta is iedereen katholiek, erg katholiek zelfs, en de Redeemer die ik gekend heb had als kind werkelijk andere problemen aan zijn hoofd.

Zijn moeder was hoer. Ik heb haar nog leren kennen: een zachtmoedige, uitgebluste vrouw. Zijn vader heeft hij nooit gezien. Dat was een vermogende Libanees, die waarschijnlijk erg verbaasd was te horen dat hij tijdens een kort zakenbezoek aan het eiland een zoon had verwekt. Gelukkig was hij vermogend, en al wilde hij met het kind en zijn moeder geen contact hebben, hij heeft een financiële regeling getroffen die het ergste voorkomen heeft. Na een normale lagere schooltijd kreeg Redeemer op het beste katholieke internaat een degelijke middelbare schoolopleiding. Hij leerde daar goed Engels, en ook Duits, wat hem later in zijn leven van pas kwam.

Op zijn zeventiende wilde hij van het eiland weg, de wijde wereld in. Samen met een schoolvriendje reisde hij naar Berlijn. Ze hadden nauwelijks geld, dus dat moest verdiend worden, wat in Berlijn voor jongens van die leeftijd niet meeviel. Eigenlijk stond alleen de carrière van Strichjunge (straathoertje) voor ze open, en daarmee hebben ze zich in leven gehouden. Er valt ook wel eens iets mee: Redeemer, die intelligent was en er blijkbaar goed uitzag, werd min of meer geadopteerd door twee welgestelde oudere heren in Dahlem, die zonder twijfel van zijn lichaam hebben genoten, maar hem ook verzorgd, nader opgevoed en van de straat gehouden hebben. Een neveneffect was dat hij vloeiend Duits leerde spreken en ook Duitse literatuur ging lezen.

Toen hij na driekwart jaar op Berlijn of op zijn heren was uitgekeken ging hij terug naar het eiland. Zijn school had hij toen nog niet afgemaakt. Een bevriende pater regelde dat hij daar terug kon komen; tenslotte lag er nog dat fonds van zijn vader. Na het eindexamen regelde dezelfde pater voor hem een onderdak in Australië. Veel Maltezen emigreerden graag naar Australië. Het had ook iets te maken met hun paspoort; als lid van het Commonwealth kregen ze in voormalige Britse gebieden gemakkelijk een verblijfsvergunning. Hij woonde daar bij een oudere pater, die ook op zijn school had lesgegeven. Voet aan de grond kreeg hij in dat land niet. Terug op Malta moest hij werk zoeken, en na een paar onbeduidende baantjes tussendoor kreeg hij een mooie groeibaan bij een Duitse handelsfirma. Daarvoor vloog hij vaak naar Frankfurt op en neer, waar ik hem heb leren kennen. Ook deze baan had hij te danken hij aan de bemiddeling van die pater van school.

Zoveel wist ik van hem voordat ik hem eens op Malta heb bezocht. Hij had mij namelijk hartelijk uitgenodigd het carnaval bij te wonen. Ik had dringend behoefte aan een korte trip en wilde in februari best een week naar Malta, maar dan wel met iets omhanden; anders verveel je je maar op zo’n eiland. Dus toen het me duidelijk was dat de uitnodiging serieus gemeend was heb ik een all-in reisje geboekt, ben daar een paar avonden met hem opgetrokken, en heb inderdaad het carnaval meegemaakt.

Carnaval vieren is niets voor mij, maar op Malta had ik er schik in. Het was niet zo massaal en doorgeslagen orgiastisch als in het huidige Keulen of Mainz. Eerder goeiig-ouderwets, zoals een Koninginnedag omstreeks 1960. De mensen waren daar nog met weinig tevreden. Apetrots waren ze op de zelf gemaakte wagens en vermommingen in de optocht. Op een avond werd ik met vier anderen in een kleine auto geperst en naar het dorp Kirkop gereden, waar in de gymzaal van de school een soort bonte avond was georganiseerd, met niet onverdienstelijk amateurtoneel en een show. Op zo’n klein eiland moet iedereen alles kunnen, en het niveau lag ver boven dat van het doorsnee Europese dorp.

De dagen na het carnaval bekeek ik in mijn eentje het eiland en zocht ik ’s avonds Redeemer op in zijn stamcafé, waar we dan meteen wat aten. Soms kwamen er ook vrienden of kennissen van hem langs; het was allemaal best gezellig en zo kon ik aardig het Maltese Arabisch uitproberen. Op een avond verscheen daar ook een geestelijke, die hij voorstelde als de beste leraar van zijn school. Dat moest dus degene zijn die hem meermalen geholpen had. Een sympathieke, nog altijd levendige man met een enthousiaste gloed in zijn ogen.

Gaandeweg merkte ik dat er tussen Redeemer en hem iets aan de hand was. Ik bespeurde een intensiteit, een intimiteit die ten opzichte van een oude leraar normaal niet voorkomt. Naarmate de avond vorderde drong het tot me door: die twee hadden op die school een relatie gehad! De pater, die begreep dat mij iets opviel, verklaarde ongevraagd dat hij altijd zielsveel van zijn jongens had gehouden en van Redeemer in het bijzonder. Waarbij hij hem nog eens liefdevol aankeek en lekker in zijn bovenarm kneep. Ik voelde mij bij deze onthulling wat onbehaaglijk, omdat ik niet gewend ben dat zo’n onderwerp luchtig wordt behandeld. Seks met kinderen, dat is voor een Nederlander toch het allerergste, het enige overgebleven taboe? Toen de pater weer weg was zaten we nog wat na en kwam het hele verhaal eruit. Al op hun veertiende hadden Redeemer en een vriendje elk een pater verleid tot een seksuele verhouding, die de hele verdere schooltijd en ook daarna nog had voortgeduurd. Hij was zijn pater nog altijd dankbaar voor de goede zorgen en de bemiddeling bij die reis en bij het banen zoeken. Tegenwoordig mochten ze elkaar nog genoeg om af en toe samen een bier te drinken, zoals vanavond. Op een piepklein eiland kom je elkaar hoe dan ook tegen. Hij sprak erover op een normale gesprekstoon en gaf niet de indruk dat er iets bijzonders aan de hand was, dat hij eronder had geleden of zich schaamde.

Let wel: de jongens hadden de volwassenen verleid. Dat klinkt niet ongeloofwaardig. De geile rakkers moeten bij het ontluiken van de seksualiteit hun kansen binnen de school hebben geroken. Vrouwen of meisjes waren uiteraard nergens te bekennen, en waarschijnlijk interesseerden die Redeemer en zijn vriendje ook niet werkelijk. Natuurlijk hadden de paters niet op hun verleidingspogingen mogen ingaan. Ze deden het toch en zaten daarmee goed fout, zowel naar wereldse als kerkelijke regels.

Nu er in Duitsland iedere dag een nieuw seksschandaal uit een kloosterschool wordt onthuld, schoot mij Redeemers verhaal weer te binnen. Bij hem was het niet alléén misbruik, niet alles was slecht aan die pater, en voor wat hoorde wat. Wel zal die vroege seksuele relatie zijn leven als straathoertje in Berlijn hebben voorbereid, en dat was geen fijne werkkring. Over die oudere pater in Australië en van zijn pogingen daar werk te vinden heb ik niet veel gehoord; zouden zijn inspanningen daar op hetzelfde gebied hebben gelegen? Hoe dan ook, Redeemer heeft dit alles overleefd. Het lijkt een gezonde en succesvolle vent zonder drugs- of alcohol probleem, die geen psychiater nodig heeft. Een persoonlijkheid met een degelijke neurale bedrading. Met zijn kameraad van destijds schijnt het slechter afgelopen te zijn, maar details daarover weet ik niet meer.

In de Duitse (Ierse, Spaanse enz.) katholieke internaten werden kinderen tot seks gedwongen en ook verder fysiek mishandeld; dat is wel even wat anders. Van die ellendige jeugdervaringen hebben de toenmalige slachtoffertjes nog jaren last gehad, zoals nu geleidelijk aan het licht komt. Daarentegen lijken de ervaringen van Redeemer tot een soort normaliteit te behoren, een normaliteit die nog uit de Middeleeuwen stamt.

Zie ook Hoe erg is het?

1 reactie

Opgeslagen onder De mens, Vroeger