Categorie archief: Reizen

Fijn met de trein

Vliegen is niet goed, treinreizen is beter, hoor je de laatste tijd. Helemaal mee eens: ik heb een hekel aan vliegen, ik houd van treinen en tijd heb ik ook. Maar het spoorwezen is jammerlijk achteruit gegaan.
.
Ik overwoog nog eens naar Stockholm te gaan. Vroeger deed ik dat vanuit Amsterdam met de trein. Dat duurde naar ik meen 20 uur, met in het ideale geval slechts één overstap in Kopenhagen. Het traject Hamburg – Kopenhagen herinner ik mij: dat duurde vier uur. En vanaf Kopenhagen prettig in de slaapwagen, zodat je ’s ochtends fris in Stockholm aankwam. Beide treinen gingen een keer op de pont: van Fehmarn naar Rødbyhavn en van Helsingør naar Helsingborg, maar dan kon je blijven zitten, resp. liggen. Tegenwoordig ziet het er veel beroerder uit. Bij voorbeeld:
.
Amsterdam  11:00
Osnabrück   14:06
– overstap 19 min.
Osnabrück    14.25
Hamburg     16:14
– overstap 1:14 uur
Hamburg    17:28
Kopenhagen    22:34
– overstap 47 min.
Kopenhagen   23:21
Malmö    0:06
– overstap 3:58 uur
Malmö    4:04
Stockholm    8:35
.
Totale reistijd 21:35 uur. U kunt ook twee uur later van huis, maar dan moet U zes keer overstappen. Ziet U zich al sjouwen op al die overstapstations, met uw bagage (valiezen, hoedendozen, kinderwagen, kattenmand)? En wat een vondst: vier uur wachten in Malmö, midden in de nacht!
.
Het traject Malmö – Stockholm duurt nog maar viereneenhalf uur; dat komt omdat er in Zweden snelle treinen in gebruik zijn genomen. Vroeger was het geloof ik zeven uur. Maar die trein kun je dus niet in Kopenhagen nemen, je moet eerst met het boemeltje over de brug over de Sont. Van Hamburg naar Kopenhagen duurt een uur langer dan vroeger omdat de trein niet meer op de pont gaat, maar met een grote omweg door heel Denemarken moet rijden.
.
Vanuit mijn huidige woonplaats Marburg ziet het er niet beter uit. Vertrek 12.20, dan overstappen in Kassel en Hamburg en de rest als boven.
.
Heilige Greta, sta ons bij!

7 reacties

Opgeslagen onder Europa, Reizen, Trein&tram, Zwedenreis

Toerisme

Doe het niet! Ga liever een eindje fietsen in de eigen omgeving.

Giethoorn: Fanfare

 

Mount Everest: alleen waterijsjes en nergens souvenirs

 

Venetië: het Giethoorn van het Zuiden

3 reacties

Opgeslagen onder Fietsen, Reizen

Waar ik niet geweest ben

Zinloos lijstje:
.
Nederlandse steden waar ik nauwelijks geweest ben:
Zwolle, Apeldoorn, Alkmaar, Den Helder, Vlaardingen, Tilburg, Eindhoven, Heerlen, Arnhem, Vlissingen, Almere.
.
Nederlandse steden waar ik helemaal nooit geweest ben:
Almelo, Hengelo, Amersfoort, Gouda, Roosendaal, Bergen op Zoom, Helmond, Oss.

9 reacties

Opgeslagen onder Nederland, Reizen

Nog gezien in Parijs

Fietsen. Parijs is een erg fietsvriendelijke stad geworden. Overal zijn er fietspaden en stoplichten voor fietsers. Je kunt ook overal een spotgoedkope en dus gesubsidieerde leenfiets pakken, wat op electronische wijze wordt geregistreerd. Zo’n systeem is er in Marburg ook; ik gebruik het natuurlijk nooit, want ik heb zelf een fiets. Toch zou ik dat wel eens kunnen gaan doen, bij voorbeeld om bij het station te komen, waar je beter niet je eigen fiets op het voorplein kunt achterlaten.
Minder te spreken ben ik over de e-steps (trottinettes électriques) die de trottoirs onveilig maken. Die kunnen tot 20 km/uur; heuvelafwaarts nog sneller. Onrustig, potentieel gevaarlijk.
Het systeem van per kredietkaart een fiets of step te huren op straat en die eventueel ergens anders achter te laten is mogelijk geworden door het electronische betaalverkeer plus de GPS: de beheerder, in dit geval blijkbaar de stad, kan altijd zien waar de voertuigen zich bevinden. Maar het basisidee was misschien het Witte-Fietsen-Plan uit Amsterdam, in de jaren zestig. Dat kwam te vroeg, omdat die technische mogelijkheden nog niet bestonden.
.
Benauwdheid. Zo breed als de boulevards zijn, zo smal is het in de huizen, en ook in ons hotel, dat natuurlijk niet grand luxe was. De gastvrouw die ons zondag spijzigde woonde met haar man en zuster in een prachtig appartement aan een binnentuin, waar je alleen in kwam door een ijzeren hek met een code. Vijf kamers, alles ademde luxe; toch was ook dit smal gebouwd, vooral in de gangen, de WC e.d. In minder bevoorrechte omgevingen is het nog een stuk krapper. Parijs heeft nu eenmaal weinig ruimte; ik zou daar op den duur toch ibbel van worden.
Vanuit het hotel keken we uit op een woonsilo van een verdieping of dertig, ook in de breedte een reusachtig gebouw. en zo zijn er nog talloze. Zou je daar kunnen wonen, zo zonder balkon? Alleen als het niet gehorig is, en dat valt te betwijfelen. Maar zelfs dan raak je toch een beetje vervreemd van de wereld: je wordt waarschijnlijk een soort Houellebecq.
.
Oude ruimte. Enkele malen zijn we om naar de Bd. Arago te komen door de Rue des Gobelins gelopen. Dat is een nogal smalle straat, maar eromheen is een ruimer wijkje, met nog intacte oude huizen en een lief parkje met breiende mevrouwen en een kruidentuin. Daar ben je ineens in een Parijs waar je een speld kunt horen vallen en waar je in historisch verantwoorde omgeving je kont kunt keren. Daar te wonen! Maar onder de miljoen Euro zal dat waarschijnlijk niet lukken.
.
Orde. Alles is heel keurig en verzorgd in Parijs, meer dan in Duitsland en dus zeker nog meer dan in Nederland. Zolang die gele vestjes niet protesteren houden ze de boel prima in orde. Alleen bij het Bassin de la Villette heb ik zwerfvuil en lege flessen gezien. Temidden van al die keurigheid liggen er wel wat daklozen, maar zelfs die schijnen hun leven geregeld te hebben, met tentjes en slaapzakken en een komfoortje: ze hebben zich bij voorbeeld ingericht in het portaal van een openbaar gebouw, waar ze dan weg moeten wezen als het gebouw weer opengaat. Daar zijn blijkbaar afspraken over.
In de stilte-wagon in de trein wordt alleen maar gefluisterd en niet getelefoneerd.
.
PoC. Parijs is bekend om zijn vreselijke voorsteden waar arme mensen uit Afrika een moeilijk leven hebben en ook anderen problemen bereiden. Maar de donkere mensen die binnen de veste Parijs rondlopen en werken, en dat zijn er heel veel, lijken volkomen geïntegreerd en op hun gemak, en de oorspronkelijke bewoners ook met hen. Uit sommige voormalige Franse koloniën stammen mensen die zwart zijn, diepzwart. Die zie ik anders nooit, dus in Parijs vallen ze me op. Arabieren en Turken neem ik allang niet meer als zodanig waar. Maar als ik er even op let zie ik ook veel gemengde Frans-Arabische gezinnen en individuen, wat een goed teken is.
Onder het publiek bij ons concertje waren ook diepzwarte en bruine en café-au-lait-kleurige mensen. Dat is in Duitsland vrijwel niet het geval.
.
Handys. Ja, zo spelt men in Duitsland het meervoud van handy, wat een pseudo-Engelse benaming voor een mobiele telefoon is. Ons vocaal ensemble bestaat uit mensen zo tussen de 40 en 65; ik denk dat ik de oudste ben, al is mijn stem nog jong. Wat mij zeer verbaasde is dat er tijdens de gezellige sessies op een caféterras wel heel wat wordt afgepraat, maar er ook periodes zijn waarin iedereen als op afspraak zijn smartphone trekt en daarin iets gaat doen. Dat is dus niet alleen een gewoonte van jonge kinderen en studenten. Ik heb ook zo’n ding, maar gebruik het minimaal, en zeker niet in het publiek.
.
Oriënt. In het Musée Delacroix werd ik, met terugwerkende kracht, getroffen door een citaat van de schilder, dat ik helaas niet woordelijk heb  overgeschreven, dus alleen maar kan parafraseren. Delacroix bezocht in 1832 Marokko, wat vroeg was, en schilderde daar wat hij zag en wat hij niet zag. In het museum lagen allerlei Marokkaanse voorwerpen die hij gebruikte in zijn schilderijen. Hij zei ongeveer: Ik heb daar veel details bestudeerd, maar die uiteindelijk toch niet geschilderd; het werd pas wat met het schilderij als ik mijn fantasie aan het werk zette. En dát, mijne dames en heren, is een wezenstrek van het oriëntalisme. Europeanen maakten hun eigen oriënt.

4 reacties

Opgeslagen onder De mens, Europa, Fietsen, Reizen

Zingen in Parijs

Na vrijdag in de vooravond vanuit Frankfurt met de TGV naar Parijs te zijn gereden begaven we ons na een afzakkertje in een café op de Place d’Italie te bed. De volgende ochtend was ter vrije besteding. Ik ging eens kijken bij het bassin en de rotonde van La Villette en wandelde een stuk langs het kanaal, dat ik vanuit het zuiden al vaker had bewandeld. Vervolgens naar het Parc Monceau, waar je als het ware de kindermeisjes uit de tijd van Proust nog op de bankjes zag zitten met het hun toevertrouwde kroost. Het rook er zelfs naar paard, maar dat kwam door de kleine pony’s, waarop het huidige kroost gehelmd een ritje mag maken. Tenslotte naar het kleine museum Delacroix, in zijn oude woonhuis annex atelier, dat gewijd was aan de niet-oriëntalistische kant van de schilder; overwegend grafiek. Die oosterse schilderijen van hem kende ik wel, maar dit completeerde het beeld. Ik was er alleen op uitgegaan: omdat ik toch wat slecht en langzaam loop is het geen pretje om met anderen op te lopen; bovendien hadden zij meer toeristische behoeften.
.
Om één uur repetitie van de Marburgse zangers in een protestantse kerk aan de Boulevard Arago, een koepelvormig gebouw met een heerlijke akoestiek. Vijftien zangers, onder wie slechts twee tenoren, onder wie ik. De dirigent plaatste mij helemaal aan de buitenkant een beetje apart, zodat het net leek of ik alleen stond. Daarna was de rest van de middag en avond weer ter vrije besteding, maar zie aan: mijn benen deden het niet meer, na vier uur lopen en ruim een uur staan en wilde ik niet meer lopen; ook om morgen beter lang te kunnen staan. Met Sérotonine, het nieuwe boek van Houellebecq, in de zon gaan zitten; het was veertien graden en met een jack en een das om ging het net. Het boek viel niet mee.
.
Des avonds ongemeen lekker Vietnamees gegeten; het 13e arrondissement is immers de Oost-Aziatische wijk van Parijs. Zulk eten krijg je in Duitsland niet, want daar wordt toch alles een beetje aangepast aan de Duitse Leitkultur.
.
Zondagmorgen wilde ik mijn benen nog ontzien en heb gewoon een rondrit door de stad gemaakt met verschillende stadsbussen. Het is dan heel rustig en je ziet een hoop.
.
Zondag van twaalf tot één stond kennismaking met de Franse zangers op het programma, en de Cantate van Bach die we te samen zouden zingen. Het is heel apart en intens om als zangers met mensen kennis te maken, d.w.z. middels de zangstem. Per stemgroep deden we verschillende oefeningen en speelden zo alvast op elkaar in. Die cantate samen zingen lukte natuurlijk alleen omdat de beide dirigenten elkaar goed kennen en van te voren al op elkaar afgestemd waren.
.
Na de kennismaking met de Franse zangers en de gezamenlijke repetitie zou ons een ‘kleinigheid te eten’ worden aangeboden door een van de dames van het Franse koor, die tegenover de kerk woont. Het bleek een vorstelijke lunch te zijn voor achttien personen, gekookt volgens de beste Franse tradities en overgoten met mooie wijn uit de Elzas (‘witte wijn is goed voor de stem’). Wee degene die dacht dat de plakjes salami en de quiche de hele kleinigheid waren en nog een tweede stuk quiche nam: er volgden namelijk nog een groenteschotel, merg, gestoofd rundvlees, sla, fijne kazen, fruit en koffie met iets erbij. Daarna was een uurtje uitbuiken op het hotelbed wel nodig. Om vijf uur waren we terug in de kerk, om de opstelling, het opkomen en de belichting nog even te oefenen; toen af in de sacristie. Om zes uur zat de kerk helemaal vol en begon het zingen. Alles verliep vlot: eerst zongen de Fransen wat, toen wij twee stukken en ter afsluiting mengden de beide ensembles zich voor de cantate, waarvan de beide aria’s door Fransen werden gezongen. Iedereen applaudisseerde luid en lang, we moesten als Marburgers nog een toegift van stal halen (C. Franck, Panis angelicus) en daarna was er, I kid you not, nog een buffet, voor alle zangers én wie wilde uit het publiek.
.
Het zangprogramma was niet zwaar; voor mij was het voornaamste te zien of ik met slechts één andere tenor naast mij zonder plankenkoorts zou functioneren. Welnu, dat lukte; tijdens de uitvoering had ik even een schrikmoment waarop mij geheel alleen in het universum waande, maar dat verhinderde niet dat ik op tijd inzette en de juiste toon trof. Ooit alleen optreden zal denkelijk wel lukken. Soms hoor je wel eens een musicus zeggen: ‘U was een fantastisch publiek!’ maar ik merkte van dat hele publiek niets, ik filterde het als het ware weg. Dat zal wel aan mijn gezegende leeftijd liggen; dertig, veertig jaar geleden, toen ik wel eens alleen een deun op de fluit ten gehore bracht, was dat heel anders.
.
Nog een bevrijde ronde drank in het café en vanochtend om 7.10 weer in de TGV gestapt.
.
Door ons gezongen:
– Gabriel Fauré (1845–1924),Cantique de Jean Racine Cantique de Jean Racine
– Thomas Tallis (1505–1585), If ye love me
– samen met de Fransen: J.S. Bach (1685–1750), Cantate nr. 127: Herr Jesu Christ, wahr’ Mensch und Gott
– César Franck (1822–1890), Panis angelicus

1 reactie

Opgeslagen onder Europa, Muziek, Reizen

Zijn geraniums soms niet goed genoeg?

Het werd een Albert Heijn boodschappentas vol gisteren, de reisgidsen, landkaarten, stadsplattegronden en VVV-brochures die naar het oud papier moeten. De aanleiding tot de zuiveringsactie was dat ik de reisgids van Iran zocht, om een vriendin cadeau te doen die binnenkort naar dat land gaat. Die heb ik inderdaad teruggevonden.
.
Maar achteraf denk ik dat het niet genoeg was. Er kan nog veel meer weg. Ik zal nóóit meer een 1:50.000 kaart van Oxford & surrounding area nodig hebben; zie dat maar onder ogen. Wat een prachtige kaarten hadden ze trouwens in Engeland, je ziet er zelfs de landhuizen en bijbehorende parken op, soms zo groot als twee dorpen, en rare Depots, van wat eigenlijk?, o, van militaire goederen, ik zie het al, doorschoten met treinrails. En al die grappige plaatsnamen, zoals Charlton-on-Otmoor en Horton-cum-Studley. Ook Didcot staat erop, bekend van het omroepbericht van de spoorwegen: change at Didcot. Maar ik zal er niet meer komen, en zeker niet te voet of met de fiets. Weg ermee.
.
Ook zal ik nooit meer Malta bezoeken, en beslist niet met een reisgids uit 1999, of het Beierse Woud met een wandelkaart. En al die niet of slechts eenmaal befietste delen van Duitsland: in de zak ermee. Waarom heb ik twee kaarten van het Nördlicher Odenwald? Ah, ze zijn niet hetzelfde zie ik. Maar eigenlijk kunnen ze allebei weg. Ze stammen nog uit mijn Frankforter fietstijd en ik ga echt geen heimweetochten maken om alles nog eens terug te zien.
.
Egypte mag blijven, for old time’s sake, en zeker de Baedeker van 1928 en Le Caire et Alexandrie, Hachette 1955. Die vallen niet meer onder reisgidsen, maar onder geschiedschrijving. Voor de Baedeker van Oostenrijk-Hongarije uit 1905 kan ik misschien nog geld krijgen; hoewel, vreemd genoeg sla ik dat ding nog wel eens op als ik iets over het verleden wil weten.

3 reacties

Opgeslagen onder Fietsen, Persoonlijk, Reizen, Vroeger

Zilverzee

Naar Sint Helena varen was en ben ik niet werkelijk van plan, maar omdat ik een eilandentic heb, droom ik af en toe weg en fantaseer dat ik erheen ga. Voor Sint Helena is het nu te laat: waar het eiland vroeger alleen per RMS (= Royal Mail Ship) St. Helena te bereiken was (weken onderweg vanaf Portland; wat korter vanaf Kaapstad) is daar nu sinds ruim een jaar een vliegveld geopend. Dat heeft tot toerisme geleid en daardoor heeft het eiland veel van zijn aantrekkelijkheid verloren.
.
Maar van het een kwam het ander: zou er dan niet zo’n cruiseschip naar St. Helena varen, vroeg ik me af. En ja hoor, voor ik het wist zat ik met een online brochure van Silversea voor me, die me om zijn gruwelijkheid fascineerde. Die firma biedt eerste klas cruises over de wereldzeeën aan en vaart een enkele keer ook naar St. Helena.
.
Bootreizen kunnen leuk zijn: ik herinner mij de veerboten naar Griekse eilanden en het postschip langs de Turkse noordkust, iets later ook langs de zuidkust, en zelfs de pont naar Harwich was vroeger prettig, als het niet te hard stormde. Maar zo’n cruise? Wat in mijn leven het meest op een cruise leek waren de twee of drie dagen op een schip van Ancona naar Alexandrië, en later nog eens naar Patras. Dat was geen cruiseschip, maar een gewoon vervoermiddel: een car ferry. Sinds het vliegtuig gemeengoed is geworden neemt niemand meer een schip als er niet ook een auto mee moet. Naar Scandinavië wemelt het van de car ferries. Die schuiten zijn uitgesproken platvloers: tien verdiepingen, veel plastic, muziek uit de wand, flipperautomaten, zelfbedieningsrestaurants en snackbars en winkels die je niet nodig hebt, zodat je maar het beste in je hut kunt blijven. Allicht komt dan eens de gedachte op: aardig zo’n zeereis, als het maar eerste klas was! Maar daar gaat het eigenlijk niet om: op die Griekse veerboten van vroeger zat je derde klas aan dek en dat was genieten! De wind streek langs je heen en aan de horizon doemde telkens weer een nieuw eiland op; je deelde brood, olijven en fruit met mensen die daar ook zaten en soms werd er muziek gemaakt. Tegenwoordig kun je op sommige schepen niet eens meer aan dek komen.
.
Hoe dan ook, Silversea biedt eerste klas cruises aan voor mensen met heimwee naar een ouderwetse zeereis. Ik vermoed dat deze firma tot het topsegment van het cruisewezen behoort: voor een basisbedrag van pakweg 10.000 Euro ben je daar veertien dagen onder de pannen. Hier geen formica of zelfbedieningsrestaurants, hier is niets ordinair. De schepen zijn niet zo groot en nog duidelijk als schip te herkennen. Geen betonnen dozen waar een heel dorp in past, maar slechts omstreeks 250 of 300 passagiers. Allemaal nette mensen, dat spreekt. Geen gekeutel van binnenhut of buitenhut; iedereen krijgt een behoorlijke suite met zeebalkon. Per reiziger is één personeelslid, voor iedereen staat er een butler met witte handschoenen klaar, die alle wensen voorziet en vervult. Schoenen poetsen doet hij ook; die worden namelijk ontzettend vuil gedurende veertien dagen aan boord van zo’n salonschip. Natuurlijk zijn er verscheidene specialiteitenrestaurants met exquise wijnen. En fooien doen ze niet aan; dat zou onwaardig zijn.
.
Zou het niet fijn zijn, je zo eens stijlvol te laten verwennen? Nee, dat zou het niet; het zou de hel op zee zijn, en je kunt niet weg! Je zit daar met driehonderd medereizigers met wie je, voor zover mogelijk, beschaafd moet kouten of bridgen. Minstens tien Hyacinth Buckets zijn erbij, maar dan veel welgestelder. De prettigste mensen zijn zonder twijfel in de keuken of de machinekamer te vinden, maar daar mag je niet mee omgaan. Er is een programma van ongemeen interessante lezingen, hoogwaardige muziekuitvoeringen en exclusieve wijnproeverijen. En dan die plaatsen die je aandoet. Daar zitten heel wat zeldzame bestemmingen en ongebruikelijke routes bij; het publiek van Silversea is waarschijnlijk al overal geweest. Bandar Aceh, Paaseiland, Pitcairn, St Helena, Antarctica en allerlei totaal onbekende eilanden; de firma heeft namelijk hele eilanden gekocht die dan exclusief voor haar cliënteel zijn. Natuurlijk zijn sommige van die plekken wel interessant, maar toch niet als je ze een halve of hele dag in een groep met een bus bezoekt? Zo blijven al die havens een coulisse. Ik zou liever op St. Helena willen overwinteren, mensen leren kennen. Overigens is het voor die eilanders ook steeds minder uit te houden als er regelmatig zo’n cruiseschip voor hun deur ligt.
.
Ineens zag ik het voor me: het MS Silver Lining of zoiets komt op zijn vaart van Paaseiland naar Rarotonga terecht in het plastic afval dat zich in de Stille Zuidzee heeft opgehoopt. De eerste dag wordt het genegeerd, op de tweede dag wordt er nerveus gelachen, daarna heerst er een geprikkelde stemming: had de maatschappij dat niet kunnen voorzien? Dit uitzicht is schandalig en men zal er werk van maken! Het eten lijkt ineens veel minder lekker. Op de vijfde dag kan het schip voor- noch achteruit: het is vastgelopen in de rommel. Als er na nog enkele dagen eindelijk een reddend vliegtuig verschijnt, biedt het dek een onwaardige aanblik: in allerlei stadia van liederlijkheid doen de passagiers zich te goed aan de laatste champagne. De butlers lachen zich rot nu zij eindelijk schoensmeer in het gezicht van de ergste gasten kunnen smeren.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Reizen

Mini-herinneringen: vette happen

Samosoplusivanje was het woord waar ik vanochtend mee wakker werd. Het betekent ‘zelfbediening’ in het Joegoslavisch, tenminste dat dacht ik. Volgens Google translate moet het zijn: samoposluživanje; bijna goed dus. In het mild-socialistische Joegoslavië van 1965 en volgende waren dat restaurants waar het gemene volk en ook studenten uit het buitenland voor weinig geld een maaltijd konden gebruiken. Geen grote keuken natuurlijk, maar ook niet in strijd met de menselijke waardigheid. In Bulgarije had je ze ook, maar dat was echt communistisch en daar was het eten meteen veel smeriger: een closetpapierkleurige kwak puree met een onbestemde saus waarin enkele stukjes vlees dreven.
.
Wat deed ik in die landstreken? Natuurlijk was ik onderweg naar het Midden-Oosten, tot Joegoslavië liftend en daarna met de trein. Vliegtuigen waren nog te duur, en bovendien was ik benieuwd naar al die gebieden waar je dan doorheen kwam. Door vreemde wisselkoersen was de Balkan en wat daarna kwam spotgoedkoop. Pas in Turkije werd het eten echt lekker, te beginnen met de restauratiewagen die aan de grens aan de trein werd gekoppeld: een weelderig ingerichte Oostenrijkse Speisewagen van ongeveer 1912, goed geconserveerd.
.
In Nederland bestonden ook van die zelfbedieningsrestaurants. Je had Heck’s en Rutecks, allebei op het Rembrandtplein als ik mij goed herinner. Een biefstukje met gebakken aardappeltjes, huzarensalade, dat soort dingen. Gebutste schaaltjes van roestvrij staal. Echt eten kon je bij De Kroon, ook op het Rembrandtplein. Toen ik dat voor het eerst zelf betaalde kostte dat 25 gulden: niet weinig, en wat ik mij er vooral van herinner is mayonaise.

2 reacties

Opgeslagen onder Eten, Europa, Nabije Oosten, Nederland, Reizen

Windeweer!

Wat heb ik nou weer gedaan? Ik merkte met schrik dat ik de Iran-tentoonstelling in Assen nog niet heb gezien, en die duurt nog maar tot 18 november. Gauw iets van onderdak geboekt; wind en weder dienende zal ik twee nachten doorbrengen in Windeweer. Die plek werd aangeprezen in een reactie bij mijn Oost-Groningen-blog van een paar jaar geleden.
Ik had maar ruim een week vakantie gehad dit jaar, dus het mag wel even. Door het onverwachte van dit besluit, dat zich als het ware buiten mij om genomen heeft, raak ik helemaal opgewonden. Maar eerst nog twee concerten zingen.

5 reacties

Opgeslagen onder Iran, Nederland, Reizen

Italiëreis 2018

Voordat nieuwe horizonten mij roepen (Utrecht! Freckenhorst!) wil ik mij de vakantie in Italië nog een keer herinneren, zodat zij niet ondergaat in de steeds sneller stromende rivier der vergetelheid. Enkele  hoogtepunten had ik al genoemd. Bezocht zijn Mantua en Padua, maar de eerste nacht heb ik doorgebracht in Stresa, waar ik afgesproken had mijn Australische vriend en reisgenoot op te pikken.
.
Met de trein naar Stresa, theoretisch lukt dat met de trein vanuit mijn woonplaats makkelijk in een dag. Ik had echter niet met de vernieuwingsdrang van de Deutsche Bahn gerekend. De lijn tussen Frankfurt en Kassel was grotendeels gesloten wegens werkzaamheden, de vroege trein vanuit Marburg zou op 25 juni niet rijden. Dat dwong me een dag tevoren naar Frankfurt te gaan en daar te overnachten. Onaangenaam, maar veel werd goedgemaakt door een avondeten in mijn geliefde Vietnamese restaurant, om de hoek bij waar ik vroeger woonde, dat nu echt knettergoed geworden is. En niks geen capsones daar; het blijft gewoon een buurtrestaurant en het heet Quán Văn, Schwarzburgstraße 74, voor als U eens in de buurt bent.
.
De treinreis was routine tot Bern, al rijd ik dat traject nooit. Daarna werd het mooi, tussen de Zwitserse bergen door, ondanks twee hele lange tunneltrajecten. De Exprestrein van Basel naar Milaan stopt ook in kleine Zwitserse stadjes als Visp en Brig: afgelegen, maar zwaar geïndustrialiseerde plaatsen. Dat verandert na de Italiaanse grens: die streek lijkt eerder armoedig. Vroeger kreeg je deze gebieden nauwelijks te zien, want er reden nachttreinen; van Brussel naar Milaan in ieder geval, misschien zelfs vanaf Amsterdam, dat weet ik niet meer.
.
Stresa was vanaf ± 1880 één van die oorden waar de fine fleur van Europa tot rust kwam, na wintermaanden van bals en ingespannen couponnetjes knippen. Langs de oever van het Lago Maggiore staan nog steeds joekels van Grand Hotels uit die tijd. Eén ervan is nog steeds op niveau. Het onze (Bristol) was afgezakt tot vier sterren, daar stopten nu ook bussen met reisgezelschappen. Maar het gaf toch een aardige indruk van het vroegere vakantieleven: ruime kamers, balkons met meerzicht, kostbare materialen, kroonluchters. Het indrukwekkendst waren de zwaar verzilverde olifanten en herten die vroeger de banketten moeten hebben opgesierd. Het meer blijft schitterend, vooral ook omdat er bijna op zwemafstand een paar leuke eilandjes in liggen.
.
Het stationnetje was wat vervallen, evenals de boemeltrein die door talloze treurige randgemeenten naar Milaan reed. Daar moest er worden overgestapt naar Mantua; ruim een uur wachten, en dat was niet prettig. Er was een scheidsmuur opgetrokken tussen de ruim twintig sporen en de grote hal, met heuse gates en veel politiecontrole. Deze hal is immers berucht om zijn zakkenrollers en bendes. U begrijpt: overwegend buitenlanders, uit landen als Sicilië en Calabrië. Koffietentjes en wachtkamers waren blijkbaar in die hal, en bij de sporen was vrijwel niets. De tsjoek tsjoek naar Mantua deed er een kleine twee uur over; kennelijk geen belangrijke verbinding. In Mantua een Bed&Breakfast, centraal gelegen, alles nieuw en high tech. Als zo vaak waren de haakjes en plankjes in de badkamer ten offer gevallen aan design; verder alles puik. Het ontbijt werd geserveerd door een academica uit de Punjab, wier man hier een mooie baan had gevonden. De vrees van mijn vriend dat hij op een continental breakfast zou moeten overleven werd niet bewaarheid. Ze strapazzeerde de eieren als de beste.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bahn, Eten, Europa, Reizen