Categorie archief: Persoonlijk

Mini-herinnering: de olieman

Het was eigenlijk een olieman en een olievrouw: een ouder echtpaar dat door de straten trok met een bestelwagen vol spullen. Zij reed meestal. In de buik van de wagen zat een tank, waaruit petroleum kon worden afgetapt — peterolie werd het genoemd. Er bestonden nog petroleumstellen en -kacheltjes, en de klanten kwamen naar de wagen toe met getuite blikken om die te laten vullen. Volgens mijn herinnering was de buitenkant van de wagen bekleed met de spullen die ze verder nog aanboden: wasmiddelen, bleekmiddelen, borstels, lijnen, sponzen, dweilen, koperpoets, gootsteenontstoppers, mattenkloppers, van alles. Maar die herinnering kan niet kloppen, want dan zou de waar bij regen nat geworden zijn; die moet wel binnen in de wagen gestapeld geweest zijn. Of waren er een soort kasten met vensters aan de buitenkant?

Op zekere leeftijd — maar welke? tien jaar misschien? — uitte ik de wens met de olieman mee te gaan om hem te helpen. Mijn moeder sprak met hem en hij vond het goed. Zo werd ik hulpje van de olieman. Ik belde bij de mensen aan en riep: ‘Hebt u nog iets nodig van de olieman?’ en nam dan de bestellingen op. Ik zal de spullen ook wel in de huizen gedragen hebben, maar afrekenen deden de olieman en zijn vrouw zelf. En peterolieblikken vullen deden ze ook zelf. Of ze echt wat aan mij hadden of dat ik alleen maar in de weg liep blijft onduidelijk.
Onbetaalde kinderarbeid dus, maar uit eigen begeerte, dus er was niets op tegen.

Waarom wilde ik dat zo graag? Geen idee; was het misschien om iets nuttigs te doen, of om mee te doen met grote mensen? Tientallen jaren later zag ik in een taveerne op een Grieks eiland hoe een wel erg jong meisje de drankjes naar de tafels bracht. Een wrede eigenaar die zijn dochter uitbuitte? Nee, het meisje bleek bij een gezin te horen dat daar op vakantie was en ze had gevraagd of ze daar mocht werken; dat vond ze leuk. Het komt dus wel vaker voor.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Vroeger

De giraf is af

Zo, het hoofdstukje over de giraf in de oude Arabische tekst over dieren waaraan ik werk is af. Het was al meer dan twee weken bijna af; er hoefde alleen nog een heel klein kleinigheidje aan te worden gedaan, en dat heb ik nu inderdaad gedaan. Natuurlijk werd ik afgeleid door allerlei post-coronaïsche activiteiten, maar dat is niet de ware oorzaak van de vertraging. Ik bleef haken aan een heel klein haakje en dan staat de boel weer een tijdje stil. Zo is het mijn hele leven al gegaan, en daarom heb ik niet tientallen boeken geschreven, zoals Simon Vestdijk of Thomas van Aquino.

Soms is het een gevoel van niet-kunnen, maar ook wel vaak een van diepgevoelde weerzin. Dikwijls blijkt het dingetje dat ik nog moest doen een bagatel te zijn, bij voorbeeld van fysieke aard: ik hoef alleen een boek uit de kast te pakken of in de UB te gaan naslaan, maar ja, dat is allemaal zo ver. Volgende week maar eens zien. Of ik kan wat ik vorige week al had geschreven ineens niet meer terug vinden. Vaak ook moet ik constateren dat het vermeend onvoltooide deel eigenlijk best af was. Ineens zie ik dat dan: er moet nog even een komma verplaatst worden en hup, het kan de deur uit. Dan is het aan anderen vast te stellen dat het onvolledig is — als het dat is. Misschien is het juist te groot en moet het ingekort worden, maar dat is nooit moeilijk. Dat is stressloos kantoorwerk. Bevrijding, tot het volgende obstakel.

Over de giraf had ik overigens hier al veel gezegd. Wat sindsdien nog te doen viel, was kijken wat in de Oudheid over de ‘samengesteldheid’ van het dier gezegd was. Daar is inderdaad een hoop over te doen geweest.

P.S.: ‘Zeg Dikkertje Dap, zei de giraf …’ — moest dat niet Daf zijn, omwille van het rijm? Misschien heeft de DAF-fabriek daartegen indertijd geprotesteerd en moest Annie M.G. het knarsetandend veranderen?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Persoonlijk

Zeedadels

‘Maar Duitse zeedadels, die kan ik u meegeven, als u niemand hebt,’ zei de sympathieke apothekeres in het dorpje waar ik nu al voor de vierde keer een tussenstop maakte. Ik had er iets te eten gezocht, maar niet gevonden. Gelukkig waren er nu die zeedadels.

Dromen die je heel kort voor het ontwaken hebt zijn vaak warrig en waterig. En ja, in het Nederlands. Sinds het Corona-isolement is het Nederlands weer helemaal terug in mijn gedachten- en droomleven.

1 reactie

Opgeslagen onder Dromen, Persoonlijk

Gelijk een roos

‘Het moest geschieden!’ Ik heb het net weer gezegd, toen ik een soepbord liet vallen. (Je moet de keuken ook niet willen opruimen als je nog half slaapt.) Mijn grootvader sprak altijd, wanneer hij iets wegstopte of toedekte, de woorden: ‘Gelijk een roos onder de doornen.’ Als kind vond ik dat een beetje raar, maar nu doe ik zelf iets dergelijks. Als er een bord uit mijn handen valt of een ander klein ongelukje gebeurt zeg ik hardop de woorden: ‘Het moest geschieden!’ Waarschijnlijk is het een citaat uit een van Couperus’ noodlotsromans. Er is geen kleinkind om het raar te vinden, dus ik zeg het hier maar even.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Mini-herinnering: het mooiste werk

Het moet ergens in de hemel geweest zijn, of misschien in de Rotary Club, dat de rector van de Frankfortse universiteit een ontmoeting had met een van de topbankiers waaraan Frankfort zo rijk is. Op zeker ogenblik kwamen de beide heren op het idee iets gezamenlijks te ondernemen, iets met maatschappelijke betrokkenheid en veel publiciteitswaarde. Tenslotte dacht zo’n bank niet alléén maar aan geld verdienen. Er werd besloten tot een conferentie over migratie, een panel met coryfeeën uit binnen en buitenland.

Dit besloten zijnde verloor de rector het project snel uit het oog en liet het aan zijn persönliche Referentin over, het te laten doorsijpelen naar de aarde. Deze probeerde het onder te brengen bij een faculteit of vakgroep, die dan de organisatie op zich moest nemen. Sociale Wetenschappen misschien? Geografie? Maar de een na de ander schoof het van zich af, tot het uiteindelijk belandde bij de oriëntalistiek. Kwamen immers niet veel van die migranten uit de Arabische wereld? Nou dan.

Het project lag een tijdje te beschimmelen op het bureau van mijn chef. Maar toen het duidelijk werd dat de afgesproken datum nu wel erg nabij kwam begon hij pijlsnel allerlei geleerden aan te schrijven en uit te nodigen, terwijl ‘al het andere’ door mij opgeknapt moest worden, en ook in ijltempo natuurlijk. Al het andere: reservering zaal, honoraria, reservering hotels, regeling reiskosten, correspondentie met deelnemers, opstellen programma’s, ontwerpen van flyers — want het moest een grote, in het oog lopende conferentie worden in de grote Casino-zaal van de universiteit —, drukken van de programma’s, bestelling lunch en koffie en thee, alles in overleg met de persönliche Referentin, die een heel plezierige dame bleek te zijn. Minder aangenaam was de dame van de bank, die vooral geïnteresseerd was in de grootte van het logo van de bank, dat overal zou worden afgedrukt. Het kostte enige moeite haar ervan te overtuigen dat een klein logo sjieker is dan een groot.

Kon ik dat dan, een flyer ontwerpen? Natuurlijk niet, maar de dure, ingehuurde vaklui treuzelden en wilden steeds weer opnieuw overleggen en daar was geen tijd meer voor. Tenslotte kwakten we een foto van een gammel Tunesisch bootje op het omslag — wie die aanleverde weet ik niet meer — en het binnenwerk typte ik vol op mijn eigen tekstverwerker in drie kolommen, in een discreet lettertype. De universiteitsdrukkerij vermenigvuldigde het geheel. Het resultaat zag er iets te goedkoop uit, maar het was beter dan niets.

Kortom, een hoop werk; gelukkig was het juist Semesterferien. In het begin was ik nijdig, omdat ik door de traagheid van anderen met deze spoedklus was opgezadeld, maar al spoedig veranderde mijn stemming. Het bleek namelijk het allerleukste werk te zijn dat ik in mijn hele loopbaan heb verricht! Misschien had ik event manager moeten worden. Ik moest bij dit alles wel eens aan mijn vader denken, die een kermis in Soerabaja organiseerde, wat ook bepaald niet zijn eigenlijke werk was.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk, Universiteit

Vacantie?

Zou ik met terugwerkende kracht nog vacantie kunnen opnemen? Ik heb namelijk al tien dagen geen moer uitgevoerd. Dat komt door het (gevoelde) einde van mijn Corona-isolement. Ik ben naar allerlei plaatsen geweest, heb met mensen gesproken, buiten de deur gegeten en gezongen in een koortje. En dús is er niets terechtgekomen van het werk aan mijn onderzoeksproject. Het was vanouds altijd al zo, dat ik me niet op twee verschillende dingen tegelijk kon concentreren. Dat komt omdat ik voor iedere bezigheid uren aanlooptijd nodig heb voordat ik er werkelijk aan begin, en dan wil ik natuurlijk niet zo snel meer ophouden. Zou ik het leven op mijn oude dag nog anders kunnen inrichten? Als ik nu de afgelopen tijd als vacantie declareer, dan was het nietsdoen dus gewettigd en kan ik nu proberen, opnieuw een draai te vinden.

Die opluchting en omschakeling zijn bovendien geheel misplaatst, want de versoepelingen zullen hoogstens nog twee weken duren. In Nederland gaat de Delta-variant nu als een razende tekeer; dat betekent dat het hier over twee weken ook zover is.

3 reacties

Opgeslagen onder Gezondheid, Persoonlijk

Geen zin

De laatste maanden had ik, ondanks allerlei tegenslagen, steeds een goed humeur. Daar is dezer dagen een flinke domper op gezet.

Eerst kreeg ik bericht dat de repetities van mijn lievelingskoor worden hervat. Ik vond dat met het oog op Corona iets te vroeg. Het is nog drie weken te gaan tot mijn tweede prik, en dan moet het vaccin nog inzinken. Ik heb dan ook gemaild dat met mij pas in de derde week van juli weer gerekend kan worden. Corona: een welkom excuus, maar het was mij zelf meteen wel duidelijk dat dit eigenlijk een smoes was: ik heb domweg geen zin om daar weer heen te gaan.

Gisteren kwam er bericht dat de koorweek in Freckenhorst eind juli wél doorgaat, voor mensen die ingeënt of genezen of getest zijn. Dat is de week waar ik al twee keer geweest ben. Vorig jaar had ik mij er ook voor aangemeld, en ik was teleurgesteld toen hij niet doorging. En nu heb ik er helemaal geen zin in, nee, ik wil er niet heen. Of liever, nee, het is een beetje raar. Vorige week dacht ik nog: laat ik ze eens opbellen, om te horen of het dit jaar doorgaat. Toen de mail kwam heb ik onmiddellijk het aanmeldingsformulier ingevuld — maar nog niet verstuurd, en direct daarna voelde ik een sterke tegenzin, die mij nog niet heeft verlaten.

Is dat niet vreemd: vóór Corona mijn lievelingsbezigheid, en nu wil ik niet meer? Ik begrijp het zelf niet goed. Temeer daar ik het zangonderwijs nog wel geniet en zeker niet wil opgeven. Maar solist kan ik niet worden, en bovendien zingen solisten ook in koren.

Toen Corona kwam en er van alles wegviel heb ik voortvarend een nieuwe manier van leven bedacht, en zou ik die nu weer moeten opgeven? Ik wil mijn vrijheid niet meer kwijt.

4 reacties

Opgeslagen onder Gezondheid, Persoonlijk, Zingen

Terug naar normaal?

Nou kweenie hoor. Nu mag er weer van alles en dan moeten we meteen ook van alles, overal naar toe, terwijl ik het liefst lekker thuis zit. Alleen live zangles is wel fijn. Ik zoek nog een goeie smoes om de isolatie wat te verlengen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk

Per aspera ad Astra

Een beetje landerig was ik de laatste dagen wel. Zelfs een geboren gevangene als ik lijdt af en toe onder impuls-armoede. Maandag had ik zelfs een afspraak voor een video-conferentie vergeten. Wist ik veel wat maandag voor iets is. De stemming sloeg echter om toen gisteren de uitnodiging tot inenting arriveerde. Zaterdag, Astra Zeneca. Ik had liever Biontech gehad, maar je kunt hier niet kiezen. Het nadeel van Astra is dat de tweede injectie pas twaalf weken later komt, en er dus weer enige maanden semi-quarantaine gaan volgen, zeker nu het aantal besmettingen de pan uit rijst. Bijna verdubbeld in een week. Ik was op mijn hoofd al aan het sparen voor een nieuwe haarpracht, maar zal het nu weer afscheren. Bezoek aan de kapper pas half juli.

Ik moest dadelijk aan het werk om een Meldebescheinigung te krijgen, een bewijsje van overheidswege dat je woont waar je woont. Duitsers hebben dat in hun identiteitskaart staan, maar Nederlanders niet. Na allerlei getelefoneer blijkt dit bewijs in drie dagen niet leverbaar te zijn. Ik mag het namelijk niet in persoon ophalen bij het Stadtbüro en de online aanvraag en de verwerking daarvan duren wat langer. Vervolgens een telefoontje met de injectie-autoriteit: daar werd mij aangeraden de afspraak niet te verzetten, maar het gewoon te proberen met de autopapieren, een salarisstrookje of een belastingbiljet, iets waar mijn adres op staat. Mocht dat niet lukken word ik niet gevaccineerd en kan ik misschien wachten tot er Pfizer-Biontech is.

Die man bij de injectiedienst was overigens een buitenlander, die sprak met een (voor mij ondefinieerbaar) vreemd accent. Het was een heel prettig gesprekje, en dat is iets wat mij in Duitsland al meer is opgevallen: buitenlanders zijn vaak mensen! Duitsers misschien ook wel, maar dat houden ze graag voor zich zelf: in hun functioneren zijn het vaak machines. Nur ausführendes Organ. Deze man slaagde erin van dat korte gesprekje iets persoonlijks te maken; daar word ik blij van.

De Corona-situatie als geheel loopt akelig uit de hand. Het aantal besmettingen schiet omhoog. De komende maanden zijn het gevaarlijkst. Wild geworden virusvarianten, dito mensen. Mevrouw Merkel heeft telkens verstandige voorstellen, maar de zestien landsvorsten luisteren niet meer naar haar. De nieuwste regels wil ik niet eens meer weten, ik zal zelf wel een stuk voorzichtiger zijn dan de overheden voorschrijven, om van de wil des volks maar te zwijgen. Er is steeds sprake van een noodrem, waarop men gaat staan als de incidentie 100 is. Maar we zitten nu al bijna op 200, dus …?

Er worden op het ogenblik ongeveer 500.000 mensen per dag gevaccineerd. Er moeten nog 110.000.000 prikken worden gezet, dat zal in dit tempo dus 220 dagen duren. Te verwachten is echter dat we in de winter al een nieuwe prik nodig hebben, tegen de varianten uit verwaarloosde gebieden (Brazilië, Afrika).

Besmettingen per week per 100.000          Totaal der ingeënten in Duitsland     

11 febr. Marburg-Biedenkopf 45,7
15 maart Marburg-Biedenkopf 102,8

8 april Marburg-Biedenkopf 110,1
10 april Marburg-Biedenkopf 144,1
11 april Marburg-Biedenkopf 190,2
13 april Marburg-Biedenkopf 187,8
14 april Marburg-Biedenkopf 208,0
15 april Marburg-Biedenkopf 228,7
16 april Marburg-Biedenkopf 217,7
17 april Marburg-Biedenkopf 209,2
18 april Marburg-Biedenkopf 186,8
19 april Marburg-Biedenkopf 183,3
1e 2.490.423   2e 1.178.725
1e 6.507.159   2e 2.891.951

1e 11.515.936   2e 4.737.605
1e 12.670.288   2e 4.910.308
1e 12.670.288   2e 4.910.308
1e 13.567.817   2e 5.117.056
1e 14.058.329   2e 5.186.135
1e 14.773.908   2e 5.276.028
1e 15.393.858   2e 5.350.247
1e 15.906.352   2e 5.425.990
1e 15.906.352   2e 5.425.990
1e 15.906.352   2e 5.425.990

3 reacties

Opgeslagen onder Duitsland, Gezondheid, Marburg, Persoonlijk

Macro-herinnering: mijn racisme (2)

Voortzetting van deel 1

Tegelijkertijd werd ik wel gevoed met akelige verhalen over Indië: de Bersiap-tijd, gewelddadige pelopors, de achterlijkheid van inlanders in het algemeen, luie en onbetrouwbare gasten, die niet op eigen benen konden staan en zeker nog niet rijp waren voor democratie, en dan had je nog de roverhoofdman Soekarno. Maar dat was een ander spoor dan het leven van alle dag: het bestond naast elkaar en dit soort praat had blijkbaar niets te maken met reëel bestaande mensen in de eigen omgeving. Volkomen vanzelfsprekend waren ook voor mij Sjors en Sjimmie, kinderboeken over negertjes, verhalen over zendelingen in Nieuw-Guinea en Suriname, waar de inheemsen steevast achterlijk en blijkbaar ook vuil waren (‘het gebruik van zeep is bij hen onbekend’), en die in hun taaltje niet eens een woord voor ‘dankuwel’ hadden, waarmee ze voor onze weldaden hadden kunnen bedanken. Het racisme begon eigenlijk al in Europa; knoflookvretende Fransen, spaghettivretende Italianen, criminele Balkanezen, door en door corrupte volkeren uit het Zuiden. Een extreem geval van zelfs binnenlands racisme was die rechtenstudent die in alle ernst meende dat mensen die met een zachte G spreken, uit Nijmegen en erger nog, structureel onbetrouwbaar en tot corruptie geneigd zijn. (Dat was familie van een nu om zijn racisme beruchte  ‘journalist’.) Terwijl dit discours binnen in mij geplant werd speelde het in het leven van alledag nog geen rol, maar wachtte op kansen om uit te breken.

Door mijn studie heb ik Arabieren en Turken nooit vreemd kunnen vinden. In 1967 waren er twaalf Arabieren in Amsterdam, — allemaal in de gaten gehouden door de politie — waarvan ik er drie kende. Met een ervan raakte ik bevriend; een arts, vijftien jaar ouder dan ik, maar dat gaf niet. Ik leerde Arabisch en Arabische cultuur van hem, hij werd door mij nader ingeleid in Nederland en het Nederlands. In Turkije kon ik me niet verstaanbaar maken, maar ik voelde me er kiplekker. Tijdens mijn studieverblijf in Egypte heb ik wel veel mensen veracht, maar dat was omdat ze óf dom en slecht opgeleid waren óf corrupt en vals; niet omdat ze Egyptenaren waren. Tijdens latere verblijven werd het wel moeilijk met mijn vrienden daar om te gaan, die inmiddels tien of dertig maal minder verdienden dan ik zelf. Dat was eerder beschamend. 

Op welke vormen van racisme heb ik me zelf kunnen betrappen? 

Op algemene cliché’s:
– Natuurlijk is men in X-land corrupt, worden vrouwen gediscrimineerd in land Y, terwijl Z-stan geen rechtstaat is. Intussen weten we dat het bij ons ook steeds meer de foute kant uitgaat.
– Op een algemene afkeer van hele bevolkingsgroepen. Toen er eind jaren zeventig ineens véél Surinamers door Amsterdam liepen bij voorbeeld. Het was echt een moment van vervreemding, toen ik op zekere Koninginnedag het Damplein opliep. Dat zag ineens zwart van de Surinamers, allemaal trouwe aanhangers van onze vorstin blijkbaar. Toen dacht ik even: nee, dit niet! Aan die vele Surinamers moest ik inderdaad wennen; ze hadden een andere lichaamstaal, andere gebaren, stelden zich anders op in het landschap. Maar na een poosje gingen zij zich ook als Nederlanders gedragen, met gebaren en al, dus toen werden ze gewoon. Hun accent in het Nederlands kende ik al van vroeger; dat had me nooit gestoord.  
– En toen er, na een heel stel Tamils, ook nog Vietnamese bootvluchtelingen kwamen aanzetten was ik geïrriteerd en vond ik het te veel worden. Maar ik heb nooit last gehad van die mensen en ben er maar heel weinig tegen gekomen.
– Bij de verkiezingen voor het waterschap of hoe dat heette, kort voordat ik Nederland verliet, toen er Turkse en Pakistaanse namen op de kandidatenlijst voorkwamen. Dáár moeten ze toch vanaf blijven! Onze dijken, onze afwatering, niets mee te maken jullie! Maar waarom eigenlijk niet? Als ze verstand hebben van water en dijken, dan is het in orde. Misschien hebben ze wel in Delft waterbouwkunde gestudeerd en weten er meer van dan boer Krelis.
Dit soort dingen slijt na enige tijd door gewenning, óf je moet er even verstandelijk tegenin gaan.

Bij persoonlijke ontmoetingen: 
– In de jaren zeventig, toen er veel Surinamers naar Nederland waren gekomen, vroeg op een avond in een stille straat een zwarte man of ik een rijksdaalder kon wisselen. Een moment van schrik: deze vent wil mij natuurlijk in elkaar slaan en beroven. Wat te doen? Kalm bijven, zéér op mijn hoede zijn, rustig een rijksdaalder wisselen en verder … niets. De man bedankte en verdween in een telefooncel, hij wilde blijkbaar even bellen, dat was alles. Was het een blanke man geweest dan had ik geen enkele verdenking gehad. 
– Veel zelfbetrappinkjes waren van de soort: wat doet die hier, dat is toch niets voor hem/haar? Dat hoor  je tegenwoordig veel van gekleurde mensen: leraressen die op grond van hun huidskleur voor de werkster worden gehouden enzovoort, en inderdaad, dat heb ik ook gedaan:
– Toen een zwarte man de ruimte in de Leidse UB betrad waar ik toen werkte, was mijn eerste gedachte: wat heeft die hier te zoeken? Het bleek een geleerde uit de VS te zijn, die daar inderdaad iets te zoeken had, maar er was toch even dat moment.
– Op het werk: een zwarte man in de personeelsafdeling. Weer zo’n ogenblik van verwondering: wat deed die hier? Nou, gewoon werken natuurlijk. 
– Wat deden die pikzwarte Afrikanen bij ons klassieke concert? Luisteren dus, ze hielden blijkbaar van dit soort muziek; leuk toch? Dat was overigens in Parijs; in Nederland of Duitsland zie ik nog steeds nauwelijks zwarten bij klassieke concerten.
Zulke ontmoetinkjes verliepen ondramatisch, maar er was toch telkens éven een moment van schrik, afwijzing of verbazing, en te vrezen is dat de betreffende personen dat merkten. Je zou willen van niet, maar het gebeurde.

De meeste van mijn racistische gedragingen zal ik zelf helemaal niet gemerkt hebben, en dat is nog het meest verontrustend. Vaak zijn de betrokkenen te beschaafd om van hun ongenoegen blijk te geven. 

Dat mensen van buitenlandse herkomst, ook al zijn ze nog zo geboren en getogen in Nederland, moeite hebben met het vinden van een huis of een baan is inmiddels wel bekend. Het is denkbaar dat ook ik, als ik woningen of banen te verdelen had gehad, zonder het te beseffen de voorkeur had gegeven aan een blanke boven een gekleurde. Hoewel, dat viel mee: ik heb ooit een Marokkaan en een Iraniër aan een job geholpen. Maar dat was wel op mijn zeer specifieke vakgebied, waar ze uiteraard op hun plaats waren.

Mijn taak: zulke dingen voortaan voorkomen. Je eigen racisme moet je niet ontkennen, maar bestrijden. Het wordt al veel minder trouwens, nu er op allerlei plaatsen zo veel donkere mensen rondlopen.

Wanneer is iemand eigenlijk zwart? Neem president Obama: ja, die was zwart, of althans donker, dat was te zien en werd in het begin steeds benadrukt: de eerste zwarte president, enzovoort. Maar na korte tijd merkte je dat niet meer. Ik heb Obama heel zijn regeringsperiode niet als een zwarte man waargenomen, en zo gaat het met al die andere ‘people of colour’ ook. Geen aandacht schenken aan kleurtjes lijkt het beste — behalve daar waar het nog nodig is om dat verrotte racisme te bestrijden. 

1 reactie

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger