Categorie archief: Parijs

Parijs (4): naar de bollen!

Kardinaal d’Estrées, de Franse ambassadeur bij de Heilige Stoel, gaf omstreeks 1680 Vincenzo Coronelli opdracht aan twee grote globes te bouwen, die hij zijn koning Lodewijk XIV wilde schenken: één van de aarde en één van de hemel. Ze werden in Parijs gemaakt en waren voltooid in 1683. De bedoeling was dat ze in het paleis te Versailles zouden worden opgesteld, maar er was een probleem: ze zijn vier meter in doorsnee en bol. Er moest dus iets bedacht worden om ze zodanig tentoon te stellen dat de beschouwer ze van alle kanten kon zien: iets met trappen, een galerij? Plaats genoeg in dat paleis, maar het kwam er steeds maar niet van. De koning wist ook zonder wereldbol zeer wel de halve wereld te regeren—Frankrijk had indertijd koloniën in alle werelddelen behalve Australië, dat (theoretisch) nog onder Nederland viel. De globes werden een aantal jaren in het kasteel Marly-le-Roi neergezet, waar ze veel bezoekers trokken, daarna werden ze in het Louvre geparkeerd, daarna opgeslagen in de BnF, de Bibliothèque Nationale de France. Toen die in 1901 verbouwd moest worden gingen ze alsnog naar Versailles, maar belandden daar in een magazijn. Decennia lang dacht men niet meer aan die lastige dingen, tot er in 1980 eindelijk eerherstel kwam: ze werden herontdekt. Een ingrijpende restauratie was inmiddels nodig; daarna verhuisden van hot naar her tot ze eindelijk rust vonden in de nieuwbouw van de Bibliothèque Nationale, waar iedereen ze kan bekijken. 

Die globes bevatten niet alleen landkaarten maar ook schilderingen van wat er in de verschillende landen te zien is. En in de hemel waren de tekenen van de dierenriem als beesten afgebeeld. Men kan ze heel gedetailleerd in het internet bekijken. Maar ik had het in mijn kop gezet, ze in het echt te zien en begaf mij dus naar die bibliotheek. Ze staan in de catalogus onder de nummers Ge A 499 en Ge A 500 maar u hoeft geen aanvraag in te dienen, u kunt er gewoon naar toe lopen—vooropgesteld dat u goed ter been bent en de ingang van het complex kunt vinden. Dat bestaat uit vier constructies van staal en glas, die opengeslagen boeken moeten  verbeelden—ik zag het er niet aan af. In het midden is een klein bos, ja werkelijk, een Waldstück, en een niveau hoger ligt er tussen de gebouwen een onafzienbare vlakte van tropisch hardhout. Het was redelijk mooi weer, maar hoe is dat in de winter? Je kunt er makkelijk uitglijden en beschutting tegen striemende regen- of sneeuwvlagen ontbreekt. En in de zomer bieden staal en glas geen prettig klimaat voor boeken en bezoekers: de airco zal dag en nacht aan moeten staan. Het complex is gebouwd in een tijd dat grote gebouwen geen noemenswaardige ingang mochten hebben, maar na een lange wandeling vond ik hem toch. Bij de ingang een strenge contrôle als op een vliegveld, daarna nog een halve kilometer(?) lopen en dan eindelijk: de bollen! Het zien daarvan geeft een diepe bevrediging. Nog steeds is er niets omheen gebouwd dat het bekijken van de bovenste helft mogelijk maakt, maar het oorspronkelijke houten rek is wel weggelaten, zodat tenminste de onderste helft goed zichtbaar is. Ik zou me een constructie met assen kunnen voorstellen waardoor de bollen langzaam kunnen draaien, maar ik geloof niet dat het voor de bibliotheek een grote prioriteit is.

Die bibliotheek is overigens zeer te prijzen, het is een der beste ter wereld. Een onafzienbare hoeveelheid boeken en geschriften, de meeste in het Frans natuurlijk. Slechte koffie, maar dat hoort zo, want die is in alle UB’s ter wereld slecht. Wetenschap is een ernstige zaak, die niet in hedonisme moet ontaarden. Heel prachtig is het project Gallica: vier miljoen boeken, waaronder handschriften, zijn op afroep in seconden voor iedereen gratis online te verkrijgen. Voor de bovengemiddelde lezer is dat ruim voldoende, maar er is natuurlijk veel meer, en echte onderzoekers willen misschien juist eens iets opslaan wat nog niet is gedigitaliseerd. Dan moeten ze betalen voor de digitalisering, maar daarna is het werk voor alle volgende lezers gratis te lezen. 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Dieren, Parijs

In Parijs (3): Boldini

Op Hemelvaartsdag zouden we ’s middags zingen; de ochtend was dus vrij om iets te bekijken. Uit het grote aanbod koos ik spontaan de Boldini-tentoonstelling in het Petit Palais, gearrangeerd rond Les plaisirs et les jours van Proust. Wie Boldini (afb. 1) niet kent, kent misschien toch een werk van hem, want hebt u wel eens het bekende portret van Verdi gezien (afb. 2)? Dat is van hem; hij heeft er ettelijke geschilderd. Giovanni Boldini (1842 Ferrara–1931 Parijs) was een bekend portretschilder van beroemdheden en mondaine persoonlijkheden (afb. 3–6). Veel misschien keurige dames lieten zich graag glamoureus door hem schilderen (afb. 5–7).
En Sem! Van Sem, alias George Goursat (1863–1934), de eertijds beroemde caricaturist die met Boldini bevriend was, hing er ook een en ander (afb. 8–9). Hij heeft zijn vriend niet gespaard.

Dat was mooi, maar het was naar mijn gevoel meer dan een een geslaagd bezoek aan een mooie tentoonstelling. Ook hier was ik weer een halve eeuw teruggegaan, naar de tijd dat ik óók Boldini bekeek, samen met een kunsthistorische vriend die zich op hem specialiseerde en met wie ik mocht meekijken; naar de tijd dat ik me ook met het Parijs van de Belle Epoque bezighield en de stad regelmatig bezocht. Wat me al te vaak daarvan afhield was dat ik Arabisch deed en steeds Arabische landen moest bezoeken. Dat is nu van mij afgevallen en ik kom steeds meer terug in Europa.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Kunst, Parijs

In Parijs (2)

Blijvende namen: In Parijs had iemand het over de Rue du Bac. Ah ja, dacht ik, de Rue du Bac. Die herinner ik mij namelijk, heel goed zelfs. Daar moet ik ooit geweest zijn, iets te doen gehad hebben. Maar wát weet ik niet meer, en waar hij is weet ik ook niet. Alleen de naam is blijven hangen. Hetzelfde geldt voor de Rue de Rennes, Rue de Lille, Rue de Grenelle. In die laatste was een fijne kaaswinkel, maar dat is dan ook het enige wat ik me ervan herinner. De rest van mijn verleden in Parijs: uitgewist, gewoonweg effacé! Wat heb je dan aan een verleden? Waar zijn de mini-herinneringen als je ze nodig hebt? Ja, de Rue de la Glacière, daarvan weet ik nog veel, want daar was ik pas zes jaar geleden eens gelogeerd.

De namen van de metro-stations onthoud je ook. Je zit half versuft in zo’n trein en de namen glijden voorbij, worden omgeroepen en zetten zich vast in je geheugen. Solférino, Châtelet, St. Michel. De bizarre namen nog eerder dan de gewone: Sèvres Babylone, Réaumur Sébastopol, Denfert Rochereau. En de eindpunten, waar je op moet letten om in de goede lijn te stappen: Mairie d’Ivry, Porte des Lilas, Bobigny. Allemaal oorden waar ik vast nooit geweest ben, maar die toch bestaan.

In andere steden gaat het net zo: Camden Town, Royal Oak, Elephant & Castle, Monument (for Bank). En zelfs in Alexandrië: Ramleh, Camp de César, Ibrahimiye, San Stefano, Bacos.

Op den duur kom je nergens meer en blijven alleen de namen over. Die kun je dan voor je uit prevelen in de rolstoel.

Nieuw woord geleerd: Onglerie = nagelstudio, nagelsalon.

1 reactie

Opgeslagen onder Parijs, Persoonlijk

In Parijs (1)

Boeken: Tot mijn verbazing ben ik uit Parijs terug gekomen met drie vers gekochte romans: twee van Énard, één van Toussaint. Wat een onzin: ik koop tegenwoordig toch alleen e-boeken voor op de reader!? Bovendien bleek ik die ene van Enard al gelezen te hebben, maar dat was ik vergeten. Toussaint, Les Émotions, vergeef ik mijzelf wel: dat is bij uitgeverij Minuit zo mooi uitgegeven, dat het gedrukte boek ook een fysiek genot verschaft.
Blijkbaar was ik teruggevallen in een oude gewoonte. Als student ging ik vaak naar Parijs om in boekenstalletjes en antiquariaten te snuffelen. De Franse spoorwegen hadden indertijd een aanbieding: vijf dagen Parijs voor ƒ 99,–. Dat was ook voor een student af en toe wel te betalen. Je kreeg dan een hotel dat heel eenvoudig was, maar wel schoon en betrouwbaar. 
In mijn studentenomgeving waren we indertijd vervuld van Mario Praz, The Romantic Agony. Aan de hand van dat boek lazen we ons door de negentiende eeuw, en omdat Praz van mening was dat een literaire stroming het best te kennen valt via de slechtere vertegenwoordigers ervan lazen we ook veel rommel uit de sfeer van naturalisme, decadentie en symbolisme. De besproken boeken haalden we in Parijs en we waren opgetogen over een mooie vondst voor weinig geld. Maar natuurlijk kochten we ook de Franse klassieken, Stendhal, Balzac, Baudelaire, Proust, de hele handel.
Nu taal ik niet meer naar boekhandels, want ik koop e-boeken, of helemaal geen boeken. Toch was ik nog even bij de FNAC binnengelopen, uit de macht der gewoonte en omdat die zo dicht bij het hotel was. Maar als ervaring interessanter was het kleine antiquariaat waar ik ineens voor stond toen ik besloot van bus 21 op 27 over te stappen. Om moeizaam geloop te voorkomen deed ik dat in de rustige Rue Gay-Lussac, waar beide bussen stoppen. Acht minuten wachten, en kijk aan, vlak bij de halte was een etalage vol met precies die bizarre door Praz op de kaart gezette boeken. Ik zag (nu dure) uitgaven van Jean Lorrain en Joséphin Péladan: werken die ik ooit heb bezeten en jaren later walgend heb weggedaan, want dat waren wel echt beroerde boeken en daar is het leven te kort voor. Praz is trouwens ook al jaren de deur uit. Maar die etalage, dat was even een blik door een tijdvenster, naar meer dan vijftig jaar geleden.

Groen en bloemen: De terugdringing van de auto uit de stad heeft doorgezet in Parijs. Overal zijn fietspaden, die echt worden gebruikt, ook door de electrische autopeds, die nu minder op de trottoirs rijden. Hier en daar zijn stukken straat afgezet ten behoeve van kinderspeelplaatsen. Het leefklimaat doet buiten de grote verkeersaders weldadig aan, het openbaar vervoer is perfect geregeld. Ditmaal zag ik ook veel bloemen, ook aan de randen van boulevards waar volgens mij vroeger parkeerplaatsen waren geweest. En wat voor bloemen! Niet van die simpele bermbloemetjes uit zo’n zakje zaad, maar echt hoogstaande, smaakvolle bloemen en composities daarmee. Daar was over nagedacht. Helaas ken ik geen bloemennamen, maar het was een genot om naar te kijken. Wel was er een duidelijk verschil per arrondissement. In rijke buurten waren de bloemperken meer sophisticated dan in armere. De mooiste stonden bij het Petit Palais, waar ik een tentoonstelling heb bezocht.
Grappig waren de reclames voor auto’s op televisie. Zoals op ieder pakje sigaretten voor erge ziekten moet worden gewaarschuwd, zo is het in Frankrijk blijkbaar verplicht om er bij iedere autoreclame op te wijzen dat men ook kan gaan lopen, fietsen of het openbaar vervoer nemen.
Zelf neem ik graag de bus in Parijs. Zo’n ritje duurt twee maal zo lang als met de metro, maar de trappenhuizen en gangen in de metrostations zijn bezwaarlijk voor me geworden. En in de bus zie je nog wat.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Auto, Literatur, Parijs, Persoonlijk, Planten

Ex Oriente, ex

Vorige week schreef ik min of meer toevallig een stukje over een hertogin in Griekenland, dat zich aan me had opgedrongen. Intussen heb ik begrepen dat deze korte tekst meer is dan een soort tussendoortje: hij betekent nog weer een stap verder weg van het Nabije Oosten. Een definitiever afscheid. Tien jaar lang heb ik stukjes geschreven over Arabisch en de oude islam. Ook die drongen zich aan mij op, maar dat doen ze nu niet meer. Het Nabije Oosten is weg uit mijn hoofd, en dat is goed zo. Toen ik in Parijs was heb ik de Arabische cultuur aldaar geen blik waardig gekeurd, maar mij gestort op de Europese muziek, de Franse cultuur en de Vietnamese keuken.

Mijn onderzoeksproject blijf ik overigens wel doen; dat beslaat een apart segment in mijn hoofd.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Nabije Oosten, Parijs, Schrijven

De retour

Terug uit Parijs. Woensdag heen, zaterdag terug. Het was mooi, intensief en overweldigend. Dat laatste vooral omdat ik sinds de Corona-uitbraak van twee jaar geleden geen treinreis meer had gemaakt, niet in een groep had verkeerd, geen grote stad had gezien en nog zowat van die dingen. Mijn stem was na de verkoudheid nog niet helemaal in orde en sommige stukken kon ik niet meezingen, maar dat mocht de pret niet drukken. Het geheel had toch meer het karakter van een workshop. In februari gaan we samen met het Franse koortje (en een barokorkest, en beroepszangers als solisten) Bachs Johannes-Passion uitvoeren in Marburg, en misschien ook in Parijs, in een wat grotere kerk. Deo volente natuurlijk, maar die kan hier toch moeilijk iets op tegen hebben.

Onaangenamer was de slechte staat van mijn bewegingsapparaat. Na twee maal iets te snel meelopen met de groep was ik voor de rest van de tijd kapot en kon ik nog maar heel bescheiden bewegingen maken. En Parijs is wel érg groot!

Deze bladzijden zou en zal ik moeten gebruiken, als altijd, om mij dit reisje te herinneren en er over na te denken, maar dat kan ik nog niet. Te veel chaos in het hoofd nog. De gedachten zullen mondjesmaat opkomen of, als wel vaker, helemaal niet meer—wat jammer zou zijn. Sommige dingen zijn zo moeilijk grijpbaar.

1 reactie

Opgeslagen onder Parijs, Reizen, Zingen

Nog gezien in Parijs

Fietsen. Parijs is een erg fietsvriendelijke stad geworden. Overal zijn er fietspaden en stoplichten voor fietsers. Je kunt ook overal een spotgoedkope en dus gesubsidieerde leenfiets pakken, wat op electronische wijze wordt geregistreerd. Zo’n systeem is er in Marburg ook; ik gebruik het natuurlijk nooit, want ik heb zelf een fiets. Toch zou ik dat wel eens kunnen gaan doen, bij voorbeeld om bij het station te komen, waar je beter niet je eigen fiets op het voorplein kunt achterlaten.
Minder te spreken ben ik over de e-steps (trottinettes électriques) die de trottoirs onveilig maken. Die kunnen tot 20 km/uur; heuvelafwaarts nog sneller. Onrustig, potentieel gevaarlijk.
Het systeem van per kredietkaart een fiets of step te huren op straat en die eventueel ergens anders achter te laten is mogelijk geworden door het electronische betaalverkeer plus de GPS: de beheerder, in dit geval blijkbaar de stad, kan altijd zien waar de voertuigen zich bevinden. Maar het basisidee was misschien het Witte-Fietsen-Plan uit Amsterdam, in de jaren zestig. Dat kwam te vroeg, omdat die technische mogelijkheden nog niet bestonden.
.
Benauwdheid. Zo breed als de boulevards zijn, zo smal is het in de huizen, en ook in ons hotel, dat natuurlijk niet grand luxe was. De gastvrouw die ons zondag spijzigde woonde met haar man en zuster in een prachtig appartement aan een binnentuin, waar je alleen in kwam door een ijzeren hek met een code. Vijf kamers, alles ademde luxe; toch was ook dit smal gebouwd, vooral in de gangen, de WC e.d. In minder bevoorrechte omgevingen is het nog een stuk krapper. Parijs heeft nu eenmaal weinig ruimte; ik zou daar op den duur toch ibbel van worden.
Vanuit het hotel keken we uit op een woonsilo van een verdieping of dertig, ook in de breedte een reusachtig gebouw. en zo zijn er nog talloze. Zou je daar kunnen wonen, zo zonder balkon? Alleen als het niet gehorig is, en dat valt te betwijfelen. Maar zelfs dan raak je toch een beetje vervreemd van de wereld: je wordt waarschijnlijk een soort Houellebecq.
.
Oude ruimte. Enkele malen zijn we om naar de Bd. Arago te komen door de Rue des Gobelins gelopen. Dat is een nogal smalle straat, maar eromheen is een ruimer wijkje, met nog intacte oude huizen en een lief parkje met breiende mevrouwen en een kruidentuin. Daar ben je ineens in een Parijs waar je een speld kunt horen vallen en waar je in historisch verantwoorde omgeving je kont kunt keren. Daar te wonen! Maar onder de miljoen Euro zal dat waarschijnlijk niet lukken.
.
Orde. Alles is heel keurig en verzorgd in Parijs, meer dan in Duitsland en dus zeker nog meer dan in Nederland. Zolang die gele vestjes niet protesteren houden ze de boel prima in orde. Alleen bij het Bassin de la Villette heb ik zwerfvuil en lege flessen gezien. Temidden van al die keurigheid liggen er wel wat daklozen, maar zelfs die schijnen hun leven geregeld te hebben, met tentjes en slaapzakken en een komfoortje: ze hebben zich bij voorbeeld ingericht in het portaal van een openbaar gebouw, waar ze dan weg moeten wezen als het gebouw weer opengaat. Daar zijn blijkbaar afspraken over.
In de stilte-wagon in de trein wordt alleen maar gefluisterd en niet getelefoneerd.
.
PoC. Parijs is bekend om zijn vreselijke voorsteden waar arme mensen uit Afrika een moeilijk leven hebben en ook anderen problemen bereiden. Maar de donkere mensen die binnen de veste Parijs rondlopen en werken, en dat zijn er heel veel, lijken volkomen geïntegreerd en op hun gemak, en de oorspronkelijke bewoners ook met hen. Uit sommige voormalige Franse koloniën stammen mensen die zwart zijn, diepzwart. Die zie ik anders nooit, dus in Parijs vallen ze me op. Arabieren en Turken neem ik allang niet meer als zodanig waar. Maar als ik er even op let zie ik ook veel gemengde Frans-Arabische gezinnen en individuen, wat een goed teken is.
Onder het publiek bij ons concertje waren ook diepzwarte en bruine en café-au-lait-kleurige mensen. Dat is in Duitsland vrijwel niet het geval.
.
Handys. Ja, zo spelt men in Duitsland het meervoud van handy, wat een pseudo-Engelse benaming voor een mobiele telefoon is. Ons vocaal ensemble bestaat uit mensen zo tussen de 40 en 65; ik denk dat ik de oudste ben, al is mijn stem nog jong. Wat mij zeer verbaasde is dat er tijdens de gezellige sessies op een caféterras wel heel wat wordt afgepraat, maar er ook periodes zijn waarin iedereen als op afspraak zijn smartphone trekt en daarin iets gaat doen. Dat is dus niet alleen een gewoonte van jonge kinderen en studenten. Ik heb ook zo’n ding, maar gebruik het minimaal, en zeker niet in het publiek.
.
Oriënt. In het Musée Delacroix werd ik, met terugwerkende kracht, getroffen door een citaat van de schilder, dat ik helaas niet woordelijk heb  overgeschreven, dus alleen maar kan parafraseren. Delacroix bezocht in 1832 Marokko, wat vroeg was, en schilderde daar wat hij zag en wat hij niet zag. In het museum lagen allerlei Marokkaanse voorwerpen die hij gebruikte in zijn schilderijen. Hij zei ongeveer: Ik heb daar veel details bestudeerd, maar die uiteindelijk toch niet geschilderd; het werd pas wat met het schilderij als ik mijn fantasie aan het werk zette. En dát, mijne dames en heren, is een wezenstrek van het oriëntalisme. Europeanen maakten hun eigen oriënt.

4 reacties

Opgeslagen onder De mens, Europa, Fietsen, Parijs, Reizen

Zingen in Parijs

Na vrijdag in de vooravond vanuit Frankfurt met de TGV naar Parijs te zijn gereden begaven we ons na een afzakkertje in een café op de Place d’Italie te bed. De volgende ochtend was ter vrije besteding. Ik ging eens kijken bij het bassin en de rotonde van La Villette en wandelde een stuk langs het kanaal, dat ik vanuit het zuiden al vaker had bewandeld. Vervolgens naar het Parc Monceau, waar je als het ware de kindermeisjes uit de tijd van Proust nog op de bankjes zag zitten met het hun toevertrouwde kroost. Het rook er zelfs naar paard, maar dat kwam door de kleine pony’s, waarop het huidige kroost gehelmd een ritje mag maken. Tenslotte naar het kleine museum Delacroix, in zijn oude woonhuis annex atelier, dat gewijd was aan de niet-oriëntalistische kant van de schilder; overwegend grafiek. Die oosterse schilderijen van hem kende ik wel, maar dit completeerde het beeld. Ik was er alleen op uitgegaan: omdat ik toch wat slecht en langzaam loop is het geen pretje om met anderen op te lopen; bovendien hadden zij meer toeristische behoeften.
.
Om één uur repetitie van de Marburgse zangers in een protestantse kerk aan de Boulevard Arago, een koepelvormig gebouw met een heerlijke akoestiek. Vijftien zangers, onder wie slechts twee tenoren, onder wie ik. De dirigent plaatste mij helemaal aan de buitenkant een beetje apart, zodat het net leek of ik alleen stond. Daarna was de rest van de middag en avond weer ter vrije besteding, maar zie aan: mijn benen deden het niet meer, na vier uur lopen en ruim een uur staan en wilde ik niet meer lopen; ook om morgen beter lang te kunnen staan. Met Sérotonine, het nieuwe boek van Houellebecq, in de zon gaan zitten; het was veertien graden en met een jack en een das om ging het net. Het boek viel niet mee.
.
Des avonds ongemeen lekker Vietnamees gegeten; het 13e arrondissement is immers de Oost-Aziatische wijk van Parijs. Zulk eten krijg je in Duitsland niet, want daar wordt toch alles een beetje aangepast aan de Duitse Leitkultur.
.
Zondagmorgen wilde ik mijn benen nog ontzien en heb gewoon een rondrit door de stad gemaakt met verschillende stadsbussen. Het is dan heel rustig en je ziet een hoop.
.
Zondag van twaalf tot één stond kennismaking met de Franse zangers op het programma, en de Cantate van Bach die we te samen zouden zingen. Het is heel apart en intens om als zangers met mensen kennis te maken, d.w.z. middels de zangstem. Per stemgroep deden we verschillende oefeningen en speelden zo alvast op elkaar in. Die cantate samen zingen lukte natuurlijk alleen omdat de beide dirigenten elkaar goed kennen en van te voren al op elkaar afgestemd waren.
.
Na de kennismaking met de Franse zangers en de gezamenlijke repetitie zou ons een ‘kleinigheid te eten’ worden aangeboden door een van de dames van het Franse koor, die tegenover de kerk woont. Het bleek een vorstelijke lunch te zijn voor achttien personen, gekookt volgens de beste Franse tradities en overgoten met mooie wijn uit de Elzas (‘witte wijn is goed voor de stem’). Wee degene die dacht dat de plakjes salami en de quiche de hele kleinigheid waren en nog een tweede stuk quiche nam: er volgden namelijk nog een groenteschotel, merg, gestoofd rundvlees, sla, fijne kazen, fruit en koffie met iets erbij. Daarna was een uurtje uitbuiken op het hotelbed wel nodig. Om vijf uur waren we terug in de kerk, om de opstelling, het opkomen en de belichting nog even te oefenen; toen af in de sacristie. Om zes uur zat de kerk helemaal vol en begon het zingen. Alles verliep vlot: eerst zongen de Fransen wat, toen wij twee stukken en ter afsluiting mengden de beide ensembles zich voor de cantate, waarvan de beide aria’s door Fransen werden gezongen. Iedereen applaudisseerde luid en lang, we moesten als Marburgers nog een toegift van stal halen (C. Franck, Panis angelicus) en daarna was er, I kid you not, nog een buffet, voor alle zangers én wie wilde uit het publiek.
.
Het zangprogramma was niet zwaar; voor mij was het voornaamste te zien of ik met slechts één andere tenor naast mij zonder plankenkoorts zou functioneren. Welnu, dat lukte; tijdens de uitvoering had ik even een schrikmoment waarop mij geheel alleen in het universum waande, maar dat verhinderde niet dat ik op tijd inzette en de juiste toon trof. Ooit alleen optreden zal denkelijk wel lukken. Soms hoor je wel eens een musicus zeggen: ‘U was een fantastisch publiek!’ maar ik merkte van dat hele publiek niets, ik filterde het als het ware weg. Dat zal wel aan mijn gezegende leeftijd liggen; dertig, veertig jaar geleden, toen ik wel eens alleen een deun op de fluit ten gehore bracht, was dat heel anders.
.
Nog een bevrijde ronde drank in het café en vanochtend om 7.10 weer in de TGV gestapt.
.
Door ons gezongen:
– Gabriel Fauré (1845–1924),Cantique de Jean Racine Cantique de Jean Racine
– Thomas Tallis (1505–1585), If ye love me
– samen met de Fransen: J.S. Bach (1685–1750), Cantate nr. 127: Herr Jesu Christ, wahr’ Mensch und Gott
– César Franck (1822–1890), Panis angelicus

1 reactie

Opgeslagen onder Europa, Muziek, Parijs, Reizen

Droom van Parijs

In de droom was ik even buiten Parijs gelogeerd en ik ging te voet op weg om in de stad te gaan kijken. Ineens bevond ik mij in water: het was weer een van die watervlakten die zo vaak in mijn dromen en soms ook in de werkelijkheid voorkomen. Maar tot mijn verbazing werd ik niet nat. Het water werd niet dieper, ik liep gewoon door en weldra stond ik weer op droog land. In de rommelige voorstad kon ik mij niet oriënteren, maar al gauw zag ik een bordje: Funiculaire Sacré-Cœur. Het doel zou worden bereikt, het droompje werd geen nachtmerrie.
Dan zal deze dag ook wel lukken.

2 reacties

Opgeslagen onder Dromen, Parijs

Weekje Europa 2

Met een vertrouwde vriendin/collega ben ik door Parijs gelopen en het sprak als vanouds vanzelf dat we ook de Arabische boekwinkels afstroopten. Twee deprimerende salafistenwinkels, waar allerlei vrome onzin uit vroeger eeuwen te vinden was en geen enkel behoorlijk boek van nu, laat staan een roman. Eén goede boekwinkel waar geloof en wetenschap elkaar in evenwicht hielden. En de buitengewoon goede boekwinkel van het Institut du Monde Arabe. Het waren voor mij heel nuttige bezoekjes, omdat ik nu duidelijker dan ooit merkte dat die boel me helemaal niet meer interesseert. Behalve één onderwerp dat ik nog wat wil volgen: de biografie van de profeet Mohammed. Op dat gebied heb ik zelfs iets aangeschaft: Kecia Ali, The lives of Mohammed. Dat boek had ik eigenlijk zelf willen schrijven, maar dat hoeft dus niet meer. Een opluchting. Verder schoten mij allerlei boeken van thuis te binnen die nu versneld een rood plakkertje kunnen krijgen, dat wil zeggen: kan de deur uit. De weg wordt steeds vrijer voor Europa, waaraan ik de rest van mijn leven wil besteden.
.
In het appartement lag een exemplaar van Riad Sattouf, L’Arabe du futur, deel 1 en 2 (1984–5), een stripverhaal of zo U wilt graphic novel. Het toont het leven van een opgroeiend Frans-Syrisch jongetje in Libye, Syrië en een beetje in Frankrijk. Zéér rake typeringen van de twee Arabische landen, die allebei ook toen al door een dictatuur geteisterd werden. Er komt geen gevangenis of foltering in voor; toch wordt het volkomen duidelijk wat een dictatuur met mensen doet. Een leven vol verschrikkingen voor de kleine jongen; gelukkig kan hij af en toe naar Frankrijk, het land van zijn moeder en opa en oma. Vele vluchtelingen zullen een biografie hebben als dat jongetje of nog erger. Gelukkig is hun Mekka vooral het warenhuis Galeries Lafayette in Parijs, dus de aanpassing aan Europa zal mogelijk zijn, temeer daar onze ‘westerse waarden’ erg op hun retour zijn.
Ik zie dat Sattouf ook al in het Nederlands en Duits vertaald is, dus iedereen kan zien hoe die Syriërs zo geworden zijn als zij zijn. Een reclame voor Syriërs is dit boek niet; Sattouf kan prachtig ettertjes tekenen. Ik moet echter wel zeggen dat in de steden die ik bezocht heb: Damascus en Aleppo, het leven niet zo erg was als in het grote dorp waar het boek zich afspeelt.
.
Het dertiende arrondissement van Parijs is niet spectaculair, maar wel rustig en niet zo héél duur. Een mengeling van traditionele Parijse straten en nieuwbouwwijkjes met soms hele hoge woonblokken. Ik moest de roman Soumission (Onderworpen) van Houellebecq nog uitlezen en dat heb ik hier gedaan. Geen passender plek is denkbaar, want het speelt zich ten dele in deze buurt af. Zowel de auteur als zijn hoofdpersoon heeft iets gehuurd in het onpersoonlijk uitziende, Bijlmerachtige Chinese wijkje verderop, omdat dat zo veilig en keurig is. Daar zijn ook wij heerlijk Vietnamees wezen eten; er zijn tussen de flats overal winkelcentra, die er echter niet troosteloos uitzien. ‘Hier zullen ze niet plunderen’ zegt iemand in het boek, doelend op de moslims die op het punt staan de macht over te nemen.
.
U kent het boek? Zo niet, zeer aanbevolen! Houellebecq zit de Fransen weer eens lekker te stangen, ditmaal door de overgang van Frankrijk naar een gematigde islamitische regering te beschrijven, waar het land zienderogen van opknapt, behalve voor de vrouwen. Er is wel even iets van burgeroorlog, maar de democratie redt het en de nieuwe premier Ben Abbes is een verstandig man. Marokko en Tunesië worden lid van de EU; aan de toetreding van Algerije en Egypte wordt gewerkt, kortom: het Romeinse Rijk wordt hersteld!
De grote kracht van de schrijver is dat hij zijn lezers onverbiddelijk weet mee te zuigen in de wereld die hij ontwerpt—tenminste voor de duur van de lectuur en nog even daarna. In werkelijkheid zal Frankrijk eerder gematigd Nazi worden, onder leiding van die heks van Le Pen, dus we kunnen heel ontspannen en geamuseerd lezen. De islam biedt in dit boek een oplossing voor de geestelijke crisis waarin de hoofdpersoon, Frankrijk [en eigenlijk heel Europa] zich bevinden en lenigt bovendien de seksuele nood van vele mannen. De ‘Onderwerping’ betreft namelijk vooral vrouwen en meisjes. Hierboven noemde ik de verkoop van de haven van Piraeus; welnu, in Soumission worden universiteiten verkocht. Saoedi-Arabië heeft de Sorbonne gekocht. ‘De universiteit van Oxford was hun door de neus geboord […]; de Qatari’s haddden op het laatste moment hun bod verhoogd; daarop hadden de Saoedi’s besloten alles in te zetten op de Sorbonne … .’ Het onderwijs leed er nauwelijks onder, de salarissen van de medewerkers werden meer dan verdubbeld en flink gedronken werd er ook nog. Een utopie bijna.
.
St_Sulpice_chap_V_01Een zonnebad in de Jardin du Luxembourg. Zo veel groene blaadjes had ik sinds maanden niet aan bomen gezien. Maar wat waren die twee vreemde torens schuin achter het paleis? Een blik op de kaart gaf informatie: het was de kerk van Saint Sulpice! Ik herkende hem niet toen we ervoor stonden en toen we naar binnen gingen ook niet. En dat is vreemd, want die moet ik veertig jaar geleden grondig bekeken hebben bij mijn toenmalige lectuur van J.-K. Huysmans, wiens À vau l’eau ik had vertaald en in wie ik toen ook verder erg geïnteresseerd was. Bij Huysmans speelt deze kerk een belangrijke rol. Het reusachtige gebouw is van buiten niet zo mooi. Van binnen wél, maar ik vond het nogal ‘koud’, ik zou bijna zeggen pas très catholique. Maar die indruk veranderde zeer plotseling toen we bij onze rondgang in de kapel van de H. Maagd geraakten, waar juist een eucharistieviering begon. We zijn erbij gebleven en het werd een indrukwekkende en ontroerende ervaring. De schare gelovigen was maar klein en overwegend buitenlands. Drie Franse geestelijken, oud en slecht ter been, werden bijgestaan door een Afrikaanse priester die de mis las, en door een eveneens donkere vrouw, een leek, die de lezing en een deel van de zang verzorgde. De beide jonge mensen waren nog lang niet moe, geloofden zichtbaar en hadden mooie en krachtige stemmen, waardoor het gehele gebeuren noodde om erin mee te gaan. Ik word altijd een beetje treurig, omdat ik daartoe niet in staat ben. Het ontroert me wel: het is allemaal zo vertrouwd, zo Europees, maar met mijn volkenkundig oog zie ik tegelijkertijd hoe bizar en exotisch dit ritueel is. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, en dan een stukje van dat lam in de mond gelegd krijgen. Wel schudde ik uit volle overtuiging de handen van de ons omringende gelovigen, toen de priester daartoe opriep. Hoorde dit altijd al bij de mis, of is het iets nieuws? Een waardevolle aanvulling, in dat geval. Zowel mijn metgezellin als ik zelf waren door deze belevenis behoorlijk geraakt en moesten even bijkomen.
.
Zo moest ik ook weer aan Huysmans denken, die zich na veel getob bekeerde tot het katholicisme, lekenbroeder werd in het klooster van Ligugé en nog vier, vijf (ongenietbare) katholieke boeken schreef. En via hem kwam ik terug bij Houellebecq, wiens hoofdpersoon een dik proefschrift over Huysmans had geschreven, evenals hij op zoek ging naar zin en deze evenals hij min of meer vond in de religie. Eerst ging hij zelf naar Ligugé, in het voetspoor van Huysmans, maar daar wilde de inkeer niet zo komen: er waren nu rookmelders, dus hij mocht er niet roken (Huysmans heeft zich te pletter gerookt) en bovendien verstoorde ieder kwartier een TGV de gewijde stilte. Tenslotte, zo lijkt het, gaat Houellebecqs personage rust vinden in de onderwerping aan Allah, maar daar horen we verder niet over. Beide personen houden bij hun bekering een flinke slag om de arm. Net als Gerard Reve in Nederland; het lukt toch niet echt. Bij mij zou dat net zo zijn, als ik er ooit aan begon.
.
Terug naar deel 1

1 reactie

Opgeslagen onder Europa, Parijs, Persoonlijk