Categorie archief: Ostwestliches

Mohammed schizofreen?

Leeswerk Arabisch en islam: De vermeende ziekte van Mohammed – 4: schizofrenie

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Islam, Orient, Ostwestliches, Racisme, Westen

Quarantaineteksten 3: al-Tahtawi in Marseille (1826)

De Egyptenaar Rifā‘a al-Ṭahṭāwī (1801–1873) kwam in 1826 naar Frankrijk als studenten-imam en begeleider van een groep studenten die daar gingen studeren. Hij zou er vier jaar blijven en schreef een boek over zijn indrukken in Frankrijk, Takhlīṣ al-ibrīz fi talkhīṣ Bārīz, dat in 1849 verscheen.
Marseille was in 1720 geteisterd door een pestepidemie die het aantal inwoners van de stad had gehalveerd. Geen wonder dat er sindsdien strenge quarantaine-maatregelen werden gehandhaafd. Wanneer er een schip naderde met een grieperige matroos aan boord of als er ook verder maar de geringste verdenking van de pest bestond, kwam het de haven niet in, maar werd het naar een van de quarantaine-eilandjes voor de kust gedirigeerd, waar het niet prettig toeven was. Dat is Tahtawi bespaard gebleven; zijn quarantaine-verblijf moet tamelijk riant geweest zijn en hij lijkt er niet onder geleden te hebben. Misschien kreeg de groep reizigers uit Egypte om politieke redenen een VIP-behandeling? Voor Tahtawi was deze inrichting zijn allereerste kennismaking met Frankrijk: hij bewondert de gebouwen en het terrein eromheen en is verwonderd over alle nieuwe dingen die hij ziet en meemaakt.
Hij schrijft er o.a. het volgende over (de Arabische tekst staat onderaan):


““Wij gingen op de rede van Marseille, een van de zeehavens in Frankrijk, voor anker. Van het schip waarop we gekomen waren stapten we over in kleine boten en we landden bij een gebouw buiten de stad dat als quarantaineinrichting dient, zoals dat bij hen gebruikelijk is. Want wie uit een vreemd land komt moet in quarantaine voordat hij de stad in mag.
[…]
De inrichting waarin wij ons voor de quarantaine bevonden is heel uitgestrekt: zij bestaat uit verscheidene gebouwen en tuinen en is zeer stevig gebouwd. Het was daar dat we voor het eerst zagen hoe stevig en perfect er in dat land gebouwd wordt, en hoe zulke gebouwen met een weelde aan bloementuinen, vijvers en dergelijke zijn omringd.
Dadelijk al op de eerste dag werden we met de meest verbazingwekkende dingen geconfronteerd. Ze brachten ons namelijk een aantal Franse bedienden, wier taal wij niet verstonden, en bijna honderd stoelen om op te zitten — want in dit land vinden ze het raar om op een tapijt op de grond te zitten, om maar te zwijgen van zitten op de kale grond. Vervolgens dekten deze bedienden de tafel voor het ontbijt. Ze droegen hoge tafels aan en legden daarop witte, Perzisch aandoende borden, het ene naast het andere. Bij ieder bord zetten ze een drinkglas neer, en naast het bord legden ze een mes, een vork en een lepel. Op iedere tafel stonden een of twee flessen water, een bakje met zout en en ander met peper. Daarop zetten ze rondom de tafel stoelen neer, per persoon een stoel, en brachten zij het eten. Op elke tafel kwamen een of twee grote schotels: een van de tafelgenoten moest daaruit opscheppen en het eten aan de anderen uitdelen, waarbij iedereen iets op zijn bord kreeg, die dat dan met het mes in stukjes sneed en met de vork – niet met de hand! — naar zijn mond bracht. Want men eet principieel niet met de hand, ook niet met andermans vork, of met zijn mes, zoals men ook nooit uit het glas van iemand anders drinkt. Ze beweren dat het zo
 het schoonst en gezondst is. Wat je ook kunt zien bij de Franken is dat zij nooit van koperen borden eten en al helemaal niet uit dergelijk vaatwerk, zelfs niet als het vertind is, want dat dient alleen om te koken. Ze gebruiken steeds geglazuurde borden.
[…]
Toen brachten ze ons beddengoed. Het is bij hen de gewoonte dat men op een verhoging slapen moet: iets als een bed. Dat alles brachten ze ons.
Wij brachten achttien dagen door op die plek, zonder hem ooit te verlaten. Wel is het daar zeer ruim en er zijn prachtige plantsoenen en uitgestrekte pleinen om te wandelen en van de tuinen te genieten. Na afloop stapten we in fraai opgetuigde koetsen […] en werden naar een gebouw in de stad gereden….””
—————————
Bron: Rifā‘a al-Ṭahṭāwī, Takhlīs al-ibrīz fi talkhīs Bārīz, Cairo 1905, blz. 37, 38, 39, online beschikbaar.

قد رسينا على موردة مرسيليا التي هي إحدى فرض بلاد فرنسا، فنرلنا من سفينة السفر في زوارق صغيرة فوصلنا الى بيت خارج المدينة معد للكرنتينة على عادتهم من أن من أتى من البلاد الغريبة لا بد أن يكرتن قبل أن يدخل المدينة.
[…]
ثم إن هذا البيت الدي كنا فيه للكرنتينة متسع جدا به القصور والحدائق والبناء المحكم فبه عرفنا كيفية إحكام أبنية هده البلاد وإتقانها، وامتلاءها بالرياض والحياض الى آخره.
ولم نشعر في أول يوم إلا وقد حضر لنا أمور غريبة في غالبه وذلك أنهم أحضروا لنا عدة خدم فرنساوية لا معرف لغاتهم ونحو مائة كرسي للجلوس عليها لإن هذه البلاد يستغربون جلوس الإنسان على نحو سجادة مفروشة على الأرض فضلا عن الجلوس بالأرض.
ثم مدوا السفرة للفطور ثم جاؤا بالطبليات عالية ثم رصوا من الصحون البيضاء الشبيهة بالعجمية وجعلوا قدام كل صحن قدحا من القزاز وسكينة وشوكة وملعقة وبكل طبلية نحر قزازتين من الماء وأناء فيه ملح وآخر فيه فلفل ثم رصوا حوالي الطبلية كراسي لكل واحد كرسي ثم جاؤا بالطبيخ فوضعوا في كل طبلية صحنا كبيرا أو صحنين لتغرف أحد أهل الطبلية ويقسم على الجميع فيعطي لكل إنسان في صحنه شيئا يقطعه بالسكينة التي قدامه ثم يوصله الى فمه بالشوكة لا بيده فلا يأكل الإنسان بيده أصلا ولا بشوكة غيره أو بسكينته أو يشرب من قدحه أبدا ويزعمون أن هذه أنظف وأسلم عاقبة. ومما يشاهد عند الافرنج أنهم لا يأكلون أبذت في صخون النحاس، بل ولا في أوانيه أبذا ولو مبيضا فهي للطبخ فقط، بل دائما يستعملون الصحون المطلاة.
[…]
ثم أحضروا لنا آلات الفراش والعادة عندهم أنه لا بد أن ينام الإنسان على شيء مرتفع نحو سرير فأحضروا ذلك لنا. ومكثنا في هذا المحل ثمانية عشر يوما لا نخرج منه أبدا غير أنه متسع جدا وفيه حدائق عظيمة ومحال متسعة للتماشي فيها والنزهة في رياضها.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Nabije Oosten, Ostwestliches, Quarantaine

Quarantaineteksten 2: Giurgiu – Ruse

Reis over land van Rutschuk [Ruse] naar Constantinopel
.
Met lichter gemoed […] stuurden wij op een van de huizen aan, waarop in het Russisch en Frans te lezen stond dat hier de agent van de Oostenrijkse Donaudampfschiffahrtsgesellschaft woonde. Zijn naam is Staude, een heel hoffelijke man, die ons uiterst voorkomend ontving en uitstekend regelde dat we snel verder kwamen. Weldra begaven wij ons in begeleiding van deze man met onze weinige bagage, onze jassen, bontmantels en wapens naar de quarantaine van Giurgewo [Giurgiu], waar een Turks schip, dat fruit had aangevoerd, ons zou opnemen en overzetten. Bij de quarantaine heerste volop drukte. Er werd juist tussen dubbele barrières markt gehouden, omdat de Turken van de rechteroever zich niet met de Walachen mogen vermengen. Dus leggen eerstgenoemden hun druiven, hun honing enz. tussen de barrières, waar zij door laatstgenoemden weggehaald worden en op dezelfde manier worden betaald. Het is een akelig gevoel, als je ziet hoe de ene mens de andere mijdt als een giftig dier, en steeds de lange stok voor zich uitstrekt om vooral niet aangeraakt te worden.
.
Friedrich Wilhelm Hackländer, Reise in den Orient, Band 1, 2e dr., Stuttgart 1846, blz. 24. Eerder verschenen in Morgenblatt für gebildete Leser, (31) 1841.

Bildschirmfoto 2020-04-08 um 00.01.41

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Gezondheid, Nabije Oosten, Orient, Ostwestliches, Quarantaine

Egyptische sigaretten

Een degelijk huisgezin had vroeger sigaretten in huis om aan gasten te presenteren. Er waren twee soorten: Engelse en Amerikaanse. Een zeer kleine minderheid rookte ovale Egyptische sigaretten, of liever cigarettes. Honderd jaar geleden moeten die veel populairder zijn geweest. Ik kende nog een oude Duitse dame die tot haar dood de Duitse pakjes Kyriazi Frères kocht. (Nee, daaraan is zij niet gestorven.) Als beginnend oriëntalist had ik ook een korte sigarettenfase en meende ik oriëntaalse sigaretten te moeten roken, van Sullivan Powell in de Burlington Arcade. De Duitse firma NIL vervaardigt al heel lang sigaretten in Egyptische stijl. Die zijn nog steeds verkrijgbaar. Kyriazi was zeer Egyptisch, maar had een vestiging in Duitsland. Ook andere Duitse fabrieken maakten oriëntaalse sigaretten. Bekend is de Yenidze fabriek in Dresden, waarvan het moskeevormige gebouw nog bestaat en nu een andere functie heeft.
.
Het aardige van die Egyptische sigaretten was en is nog steeds de verpakking. De onvermijdelijke pyramiden, faraonische motieven, een portret van een Griekse, Italiaanse of Duitse fabrikant en soms ‘oriëntaalse’ motieven, bij voorbeeld een odaliske die op een sofa ligt te roken, veel gekleder overigens dan op de schilderijen van de vroege negentiende eeuw. Vanwege dat oriëntalisme verzamel ik wat plaatjes, want dat houdt me bezig. De blikjes werden blijkbaar in Europa vervaardigd; de Arabische letters daarop zien er niet altijd authentiek uit. De tabak kwam overigens uit Turkije (toen nog inclusief de Balkan). Egypte zelf had maar weinig tabak, die slecht was en waarvan het verbouwen later geheel verboden werd. De enige reden dat Ottomaanse onderdanen sigaretten in Egypte gingen vervaardigen was het vermijden van de Turkse tabaksbelasting.
.
Wel te onderscheiden zijn, althans in de nieuwste tijd,  de sigaretten die voor de Egyptische markt bestemd waren (Kleopatra, Nefertiti, Belmont, Suez en blijkbaar ook de variant Damir van Coutarelli) en de veel chiquere die naar Europa, vooral naar Duitsland gingen.
Belmont was ‘in mijn tijd’ de goedkoopste sigaret in Egypte. Er werd gefluisterd dat daarin de reeds eenmaal doorgerookte tabak van ingezamelde peuken werd verwerkt.
.
Ik zie nu pas dat op dat pakje Nefertiti het plakkertje van de belastingen in (pseudo?)-hiërogliefen is gesteld!

 

P.S. Ook aan de Comeniuslaan in Naarden werd in 1915 een moskeevormige sigarettenfabriek gebouwd.

4 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Economie/Wirtschaft, Kunst, Orient, Ostwestliches

Inspector Lewis en de kleur

Mijn nieuwe televisie heeft veel meer zenders dan de vorige, en zo kon ik in drie weken drie afleveringen van de Engelse serie Inspector Lewis zien. Die speelt in Oxford, en ik geniet van het weerzien met die prachtstad, waaraan ik zulke goede herinneringen heb.
.
Nu valt mij daarbij op dat er in die serie veel mensen met een Afrikaanse of Caraïbische achtergrond rondlopen, die dus een donkere huidskleur hebben, en bovendien wat onbestemde mensen ‘met een tintje’. En dat tot in de hoogste kringen. Toen ik nog in Oxford kwam, voor het laatst was het in 2009, liepen daar natuurlijk ook migranten en buitenlandse studenten en onderzoekers rond, maar niet zo heel veel. Zouden het er in die paar jaar zo veel meer geworden zijn?
.
Of heeft de maker van de serie gewoon besloten dat dit Engelse bolwerk voortaan multiculti moest zijn? Dat kan ik best waarderen, zoals ook de zwarte zangers onlangs in La clemenza di Tito. Maar in deze serie is het een beetje overdreven, geforceerd, de proporties zijn uit het oog verloren. En nog vreemder: je ziet er helemaal geen Indiërs of Arabieren, zelfs niet als figuranten. Terwijl ik weet dat er daar wel degelijk heel wat Arabieren zijn; hele leerstoelen worden gefinancierd met geld uit het Midden-Oosten; en Indiërs zijn in Engeland toch overal? De poging van die serie om in te spelen op de realiteit van het huidige Engeland, hoe goed bedoeld ook, is dus helaas mislukt.

4 reacties

Opgeslagen onder Europa, Ostwestliches, Universiteit

Perzische neuzen

Tot de volkeren met de mooiste neuzen behoren naar mijn mening de Perzen, of zo U wilt Iraniërs. Nu lees ik juist dat Iran voorop loopt met nose jobs, chirurgische ingrepen die de neus verkleinen of egaliseren, vier maal zo vaak als in de Verenigde Staten. Wat eeuwig zonde!
Bij vrouwen en meisjes is het wel enigszins te begrijpen: ze mogen maar zo weinig van zichzelf laten zien, dus dat beetje willen ze dan zo mooi mogelijk maken, naar hun eigen schoonheidsideaal.
Maar dat schoonheidsideaal is niet van henzelf; het komt van de Grote Satan, zoals de Iraanse staatsideologie hem noemt: de Verenigde Staten. Bah! Zelfs de Perzen, met hun vermeende onafhankelijke gezindheid vallen voor dat soort flauwekul.

3 reacties

Opgeslagen onder Iran, Ostwestliches

Bij Couperus, ‘De Stille kracht’ 5 (slot)

Hormat

De Javaanse vorsten hadden vanouds aanspraak op hormat: eerbiedig, ja letterlijk kruiperig gedrag van hun onderdanen. Er werd een gouden parasol (payong, vroeger: pajong) boven hen opgehouden, zij werden toegesproken in een taal die speciaal voor communicatie van laag naar hoog diende, en de onderdanen stonden of zaten niet in het bijzijn van de vorst, maar hurkten of knielden neer en bewogen zich eveneens laag over de grond.
Wie ooit een Aziatische vechtsport heeft beoefend weet dat knielopen en loophurken niet zo makkelijk is. Het moet moeizaam geleerd worden, het beste van jongs af aan. En achteruit kruipen moet je ook kunnen; het zou immers geen pas geven je om te draaien en de Hooggeplaatste Persoon je rug en achterwerk toe te keren. Het zal bij de nieuwe verfilming van De stille kracht nog niet meevallen acteurs te vinden die dat goed kunnen.
Ook bij het serveren van spijs en drank kroop het huispersoneel. Ten huize van Couperus’ regent ging het zo:

De Raden-Ajoe Pangéran […] zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda.1

Er is gewoon twee maal zoveel personeel nodig wanneer het in zo’n onpraktische houding moet werken.
Op de rijke plantage Patjaram, waar veel ‘Solosche manieren’ waren ingeslopen, heersen hof-achtige tradities:

[…] en verwant voelde zij [Doddy] zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde, was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa, bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet van al die vrouwen, met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar het non-plus-ultra van elegance.2

Zelf zou ik mijn eten juist minder lekker vinden als er achter mijn stoel personeel op de grond hurkte.
In De stille kracht wordt duidelijk dat de Javaanse vorsten en regenten zekere gedragingen en uiterlijkheden hadden overgenomen van de Europeanen. Het omgekeerde was echter ook het geval. Resident Van Oudijck liet zijn tuin doen door twaalf dwangarbeiders—wat misschien niet toevallig herinnert aan Multatuli’s regent, die zijn gazon geheel onbezoldigd door onderdanen  liet bijknippen.
PSIjthoffResidentSemarang1904Ook de gouden payong behoorde tot de kentekenen der residentiële waardigheid:

De hoofdoppasser zat op den bok naast den koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van het gezag.3

En gekropen worden moest er voor de blanke heer evengoed:

De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de klein-uniformpet, en een wandelstok.4

Probeert u dat zelf maar eens!

De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan, zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester een vloek toeduwde, omdat hij – de dessa-kerel – geen manieren had.5

Het moet een koddig gezicht geweest zijn: zo’n plompe man, zwetend in een uniformjas tussen de nietswaardige aardwormen. De regentendochter R. A. Kartini schreef daarover:

O, godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de schitterende zonnescherm terzijde blijft, u straks achter uw rug uitlacht.6

De hormat-circulaire van 1904 maakte er een eind aan. Aan het hormat-gedoe jegens Nederlandse bestuursambtenaren bedoel ik; niet aan het uitlachen natuurlijk.

NOTEN
SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989. De roman is ook online te lezen.
1. SK 131.
2. SK 203.
3. SK 37.
4. SK 7.
5. SK 8.
6. Geciteerd in Insulinde. Schetsen van Land en volk van Nederlandsch O.-Indië enz., Groningen 1924, blz. 21.

2 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Nederland, Ostwestliches

Bij Couperus, ‘De Stille kracht’ 4

Javaanse militaire hoofddeksels

PakubuwonoXhoed

Het hoofddeksel van de susuhunan1 liet mij niet los, als iemand begrijpt wat ik bedoel. Dat van Pakubuwono X uit 1897 namelijk, op de onderste foto in mijn bijdrage Bij Couperus, ‘De Stille kracht’ 2, en ook hierboven.
Toen ik dat ding zag was mijn allereerste associatie die met de gedegenereerde uniformen van de Franse ‘soldaten’ die men in Mainz en Keulen in de carnavalstijd ziet. Natuurlijk durfde ik dat hier niet te zeggen. Maar ziedaar, wat bladeren in het Internet laat zien dat die hoeden inderdaad teruggaan op vroeg negentiende-eeuwse Europese hoofddeksels uit de militaire sfeer.

2NR5Het meest onthullend is de zeer recente foto hierboven, niet uit Solo maar uit Yogyakarta, die nochtans een vroege fase en de Europese herkomst van dat hoofddeksel toont: de steek, met een hoedje erin, bovenop de blangkon (bron en beschrijving hier).

1NR4

De volgende foto (bron en beschrijving hier) laat de volgende fase in het gebruik van dit slecht begrepen (door wie eigenlijk wél?) hoofddeksel zien: kopiah, hoed, bolhoed, u zegt het maar, bovenop de blangkon en met een soort achterscherm dat wellicht uit de ene zijde van de steek is ontstaan, terwijl de andere zijde naar voren geklapt werd. Kennelijk werd en wordt het ding door soldaten gedragen.

Dat een sultan (reeds ± 1830) een militair hoofddeksel opzette is niet gek: hij was opperbevelhebber van zijn leger, al was dat in later tijd alleen nog symbolisch.

Bij even verder bladeren in het internet bleek dat de militaire stand op Java de meest fantastische hoofddeksels heeft gebruikt, de meeste van Europese herkomst. De gevechtskracht zal er niet door zijn toegenomen, maar daar ging het ook niet om. De foto van de soldaten met de hoge hoeden en bolhoeden uit Yogyakarta, 1888 (laatste afbeelding, click to enlarge!) is aandoenlijk: zij toont ten volle de teloorgang van de Javaanse militaire macht. De overheid was er blijkbaar nog niet toe gekomen, dit moedeloze troepje althans voor het oog wat te pimpen.

3soldatenSOLO

Garabeg
4scarletkratontroops

6PaleiswachtenJogja

7soldatenjogja1888

1. Nu ik mij van Couperus verwijder gebruik ik maar de nieuwe spelling.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Ostwestliches

Bij Couperus, ‘De Stille kracht’ 3

Fanatieke Javanen?

Over de regent, met wie resident Van Oudijck latent overhoop ligt, en wiens uiterlijk in aflevering 2 is beschreven, wordt in één fragment maar liefst drie maal het woord ‘fanatiek’ gebruikt (cursiveringen van mij):

Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon hij niet vatten, niet doorpeilen – dit bekende hij zich slechts stilzwijgend -; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den rezident, alsof hij – prins – neêrzag op hem – Hollandschen burgerman; en daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven, zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens de etiquette zijn ‘jongere broeder’, maar altijd medebestuurder van zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche gommeux! (SK 34-5)

Fanatiek betekent volgens van Dale’s Groot Woordenboek: door een blinde ijver (voor een geloof of idee) gedreven. Het is een cliché dat Europeanen graag gebruikten en nog steeds gebruiken wanneer het over moslims gaat: ‘fanatieke moslims’. Het betekent niet veel, en op het Java van toen was het buitengewoon slecht van toepassing. Dat eiland was honderd jaar geleden wel islamitisch, maar juist niet fanatiek. Het was eigenlijk maar half geïslamiseerd; veel moslims van elders zouden in die tijd de godsdienst ter plaatse ternauwernood als islamitisch hebben erkend. Zelfs over de Madoerezen, die in de koloniale tijd als fanatieker golden dan de Javanen, lezen we bij Couperus dat ze zoiets onislamitisch deden als kleine offers brengen aan de geesten:

De zeegeesten waren nu om… Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest… Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren… (SK 11)

Zo er al fanatieke moslims waren op Java dan waren het er maar weinig, en de adel behoorde daar zeker niet toe. Als overal is fanatisme eerder een kenmerk van de lagere standen.
Langs de Noordkust van Java woonden wel Arabieren, oorspronkelijk afkomstig uit Hadramawt. Over hun graad van ‘fanatisme’ is mij niets bekend, maar zij zullen in elk geval een stoere Arabische islam gepractiseerd hebben:

[…] want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed – huizen als andere, maar somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig achtervolgende – scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond… (SK 39)

Hier zien we meteen het andere cliché dat altijd in verband wordt gebracht met de islam: fataal, fatalisme. Bovendien merken we op dat het voor nuchtere Nederlanders ondoorgrondelijke mysterie van Indonesië voor Couperus nauw verwant is, zo niet samenvalt met de islam.
Vroom was op Java het ‘witte volkske’, de wong poetihan, zeg maar de zwarte-kousen-moslims, die de regels nauwgezet vervulden. Vaak waren zij naar Mekka geweest en dus hadji. De stoomvaart maakte het mogelijk dat er meer pelgrims naar Mekka trokken dan ooit tevoren. Die bleven daar maanden, soms jaren hangen; sommigen van hen leerden goed Arabisch en bestudeerden Arabische werken over godgeleerdheid en sharia. In Arabië hadden in die tijd niet de Wahhabieten het voor het zeggen, maar het Ottomaanse rijk, dat in religieus opzicht erg ontspannen was. Toch waren er in Mekka natuurlijk wel omgevingen waar serieus de islam bestudeerd en gepraktiseerd werd. In ieder geval kwamen de hadji’s min of meer gearabiseerd terug; bovendien waren zij in contact gekomen met moslims uit heel andere gebieden. Er bestond toentertijd het idee van een soort globale islam: het panislamisme, dat door koloniale ambtenaren, inclusief van Ouddijck, met enige bezorgdheid werd gadegeslagen.
Hadji’s genoten een geweldig prestige bij degenen die de reis naar Mekka niet hadden kunnen maken:

– Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche Mekka-gangers…
De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig, langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte, bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons… De hadji’s, plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s, laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zien, waren als voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand, overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam. (SK 224)

In De stille kracht verschijnt meermaals een witte hadji als een verwijzing naar het dreigende, zacht aandonzende mysterie en alles wat Nederlanders niet begrijpen, en zeker ook van schuld, in de Nederlands-protestantse zin. Het jonge meisje Doddy heeft twee maal een witte hadji menen te zien lopen; niet toevallig toen zij met de vrouwengek Addy wandelde en haar maagdelijkheid gevaar liep. Maar Leonie’s inlandse lijfmeid Oerip begrijpt wel dat de witte hadji die Doddy heeft gezien geen ‘goede hadji’ is, maar een spook. Ook de tot occultisme geneigde Ida meent een hadji te zien, maar zij herstelt zich: ‘Het is niets: de maneschijn …’. Het lijkt wel of de hadji zich vooral dan vertoont wanneer de Hollanders aan het zondigen zijn of op het punt staan dat te gaan doen. Een aardig motief, maar met echte hadji’s heeft het natuurlijk niets te maken. Die zullen zich niet voor de zonden van de koloniale dames en heren hebben geïnteresseerd. Dat ze met hun witte kleding door sommigen in slecht verlichte tropennachten als spoken worden opgevat, daar kunnen zij zelf niets aan doen. Occulte krachten, bovennatuurlijke gebeurtenissen, de geest die zich meldt in spiritistische seances: dat heeft allemaal niets met de islam te maken, maar voor Couperus is het een pot nat. Dat is een zwakte in de roman.

Een Javaanse regent zal heel misschien fanatiek zijn geweest in zijn afkeer van Nederlanders. Maar misschien ook niet: hij werd toch vorstelijk door hen betaald, hij collaboreerde toch? De instrumentalisering van de godsdienst bij het verzet tegen de koloniale machthebbers, die in de Atjeh-oorlog (1873–1903) juist actueel was, behoorde op Java al haast driekwart eeuw tot het verleden. De Atjehers waren hoe dan ook een stuk vromer dan de Javanen, die men toentertijd met de beste wil niet fanatiek religieus kon noemen.

Couperus’ islam stelt niet veel voor, hij heeft er weinig over geweten en van begrepen. Kennelijk heeft hij de bestuursambtenaren, waarvan het in zijn familie wemelde, gewoon nagepraat en op grond van hun cliché’s een vage islam een plekje gegeven als één van de vijandige krachten die de Nederlanders uit Indië willen verdrijven. Het weer beschrijft hij veel indrukwekkender.

SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989.De roman is ook online te lezen.

2 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Islam, Literatur, Nederland, Ostwestliches

Bij Couperus, ‘De Stille kracht’ 2

Pimp your princes

Bij de lezing van de roman heb ik de zinnelijkheid, de ontucht en de magie ditmaal laten liggen, maar me geconcentreerd op de dualistische bestuursstructuur van Indië, en hoe die schrijnde.
Nederland is klein, Indië was zeer groot. Hoe zo’n land te regeren met een handjevol Nederlanders? Welnu, men liet de inlandse vorsten en sultans gewoon verder regeren, feodaal zoals zij altijd hadden gedaan, maar sinds 1815 zonder elkaar te beoorlogen en in totale afhankelijkheid en in dienst van het Nederlands gezag. Een soort outsourcing dus. Dat spaarde ambtenaren, en de verwachting zal ook geweest zijn dat de bevolking de buitenlandse overheersing beter zou verdragen als het vooral met zijn eigen heersers te doen kreeg.
De meeste heersers waren of werden van hun vorstelijke status beroofd en heetten voortaan regenten. Een bekende uitzondering waren de vorsten in de zog. vorstenlanden op Midden-Java: Jogjakarta en Solo, die ook een aanzienlijke hofstaat behielden. Naast de regenten en de vorsten stond een modern Europees bestuur; naast iedere regent een resident of assistent-resident, die geacht werd de ‘oudere broeder’ van de regent te zijn. De resident gaf welgemeende aanbevelingen, die natuurlijk gehoorzaamd dienden te worden. Iedere assistent-resident had een controleur onder zich, die door het gebied reisde om te controleren of de regenten wel behoorlijk regeerden en of de rechtspraak correct verliep, en die ook klachten uit de bevolking aanhoorde.
De wrijving tussen Nederland en Indië wordt in De Stille kracht belichaamd tussen de Hollands-degelijke ambtenaren van het binnenlands bestuur en de inheemse regenten anderzijds. Met de oude regent van Laboewangi had resident van Oudijck goed samengewerkt, maar diens wrokkende zoon was een mysterie voor hem, en zijn broer, de regent van een district verderop, was zelfs onmogelijk: een speler, een drinker, iemand die zich in het openbaar te schande maakte; en dat terwijl Nederland juist zo graag het decorum van de inlandse regenten bevorderde.
Hoe toonbaar waren deze (ex-)vorsten en hun paleizen? Nu de regenten en de inlandse vorsten in het Nederlands gezag waren ingelijfd, ja Nederlandse ambtenaren waren, was het niet aanvaardbaar dat zij hun uiterlijk, hun paleizen of hun gedrag lieten verflodderen, of de salarissen van hun personeel over de balk gooiden. Het was al erg genoeg dat zij feodale manieren hadden en polygaam waren. Tegen het einde van de negentiende eeuw stelde Nederland blijkbaar geld en adviseurs ter beschikking om die inheemse elite wat op te peppen en te verfraaien.
De tegenspeler van van Oudijck wordt door Couperus alsvolgt beschreven:

De Regent van Laboewangi, Raden Adipati Soerio Soenario was nog jong, even dertig jaar, een fijn Javaansch gezicht als van een laatdunkende wajangpop, met een klein kneveltje, waaraan zorgvuldige puntjes gedraaid, en vooral een staarblik, die trof: een blik als in een voortdurende transe, een blik als peilende door de zichtbare werkelijkheid en ziende door ze heen, een blik uit ogen als kolen, soms dof en moê, soms opgloeiende als vonken van extaze en fanatisme. Hij had bij de bevolking—bijna slaafsch gehecht aan hunne Regentenfamilie—een faam van heiligheid en geheimzinnigheid, zonder dat men er ooit het ware van hoorde. Hier, in Eva’s galerij, maakte hij alleen een indruk van popperigheid, van voornamen Indischen prins: alleen zijn transe-oogen verbaasden. De sarong, glad om zijn heupen, viel van voren lang neêr in een bundel van platte regelmatige plooien, die openwaaierden; hij droeg een wit gesteven hemd met diamanten knoopen, en een klein blauw dasje; daarover een blauw laken uniformbuis met gouden uniformknoopen, waarop de gekroonde W.; aan zijn bloote voeten staken zwart verlakte van voren opgepunte muilen; de hoofddoek, zorgvuldig met kleine plooien gekapt om zijn hoofd, gaf aan zijn fijne gezicht iets vrouwelijks […] 1

Dit schreef Couperus in 1899 of 1900. Het is goed denkbaar dat hij deze regent, de ‘jongere broeder’ van zijn zwager Valette, persoonlijk heeft gezien. Ook is denkbaar dat hij een foto van om het even wat voor regent voor zich had. In de Leidse bibliotheek kan men waarschijnlijk vele foto’s van regenten uit die tijd bekijken; in mijn huidige woonplaats kan ik dat niet. Maar het is wel duidelijk dat de regent in zijn uiterlijke verschijning een soort mix is van een Javaan en een Nederlandse ambtenaar. Het gesteven hemd, het dasje, het lakense(!) uniformjasje met de gouden uniformknopen vormen het Nederlandse element. De sarong en de hoofddoek (blangkon) zijn traditioneel Javaans; de gelakte muiltjes weet ik niet, die zouden ook een oriëntalistisch fantasieontwerp kunnen zijn.
Inderdaad is Nederland met de aankleding van de (ex-)vorsten en hun ambiance aan het oriëntaliseren geweest. Het heeft even geduurd voordat het daarin zijn draai gevonden had.

Pakoeboewono IX, 1866

Pakoeboewono 1866

Een van de meest prestigieuze vorsten was en is de sultan van Soerakarta, alias de Soesoehoenan van Solo, op Midden-Java. Op een foto uit 1866 van de beroemde fotografen Woodbury & Page (afb. hierboven) zien we de vorst Pakoeboewono IX met zijn hoofdvrouw in volledig Javaanse dracht. Of er in het jasje, behalve de drie onderscheidingen, nog andere Europese elementen zijn ingeslopen kan ik niet beoordelen. Op het hoofd draagt hij in ieder geval de echt Javaanse blangkon; ook de sarong schijnt in orde.

Pakoeboewono IX – 1870–1

Pakoeboewono IX – 1870–1

Pakoeboewono X – 1870–2

Pakoeboewono IX – 1870–2

Op de twee foto’s uit 1870 hierboven ziet dezelfde vorst er anders uit.  Men heeft hem in Europese kleding gehesen: een normaal burgerkostuum met blangkon, en een militair uniform van hoge rang eveneens met blangkon, terwijl een helm met vederbos op het tafeltje gereed ligt om (daarbovenop?) te worden opgezet. Op weg naar het slagveld? Beide drachten zijn weinig overtuigend. Het Europese bourgeois kostuum staat hem niet, het uniform slaat nergens op en is nogal pijnlijk. De man bezat geen enkele militaire macht; zijn enige leger bestond uit een paar honderd schilderachtig geüniformeerde nepsoldaten voor ceremoniële optochten in en rond het paleis.

ResidentEnSoesoehoenan

Ik spring over naar een foto van zijn zoon: Pakoeboewono X uit 1897. Deze staat hierboven gearmd met resident W. de Vogel. (Zie voor een zittende foto met uitvergrootbare details hier.) De resident ziet eruit als een utilitaristisch ingestelde machtsmens, die zich met enige tegenzin voor de onaangename fotosessie heeft opgesteld. De soesoehoenan schijnt het ook niet zo naar zijn zin te hebben, maar heeft besloten neutraal te kijken. Misschien heeft Couperus deze foto wel  voor ogen gehad toen hij zijn regent beschreef;  als lezer kan ik een associatie met deze beroemde foto in ieder geval niet vermijden. De wajangpop, de staarblik, de laatdunkendheid … .

Tussen 1870 en 1897 moet men in Indië hebben besloten de vorstendommen, voor zover zij er nog toe deden, op te peppen en de paleizen en de vorsten zelf fraaier vorm te geven.
Wat heeft Pakoeboewono X hier op zijn hoofd? Onder de Javaanse hoofddeksels vallen er twee telkens weer op: de bovengenoemde en -getoonde blangkon en de kopiah of songkok: zeg maar een fez; een ding dat ± 1830 uit het Ottomaanse Rijk was komen overwaaien. Je ziet ze vaak stijf, hoog en geornamenteerd bij personen van hoge rang, en in een lossere variant bij allerlei soorten mensen. Op de foto draagt de vorst een minder stijve kopiah met een soort windschermpje erachter. Ik dacht eerst aan een soort fantasieproduct van Europese herkomst, maar nee, een voorvader van hem droeg ook al zo’n ding omstreeks 1835, en toen was het oriëntalisme nog niet zo gevorderd. Dit hoofddeksel kan ik niet duiden.  (Febr. 2013: Maar ik heb nog een poging gewaagd, zie hier.)
De jas van fluweel (bludru) doet sterk aan een Europees rokkostuum denken. Draagt hij daaronder een soort korte broek van dezelfde stof, of loopt de rok door tot de knie en is daaronder alleen een paar kousen? Een korte broek is meer iets voor een lakei of een soldaat; ik  kan me niet voorstellen dat die onder vorsten traditie had. De schoenen lijken even oosters als onbruikbaar. Er zijn maar liefst twee krissen. Het geheel is opgevuld met batik; fantasievol maar ontraditioneel ertussendoor gedrapeerd.
Wie heeft de vorst zo aangekleed? Ik vermoed iemand als de kledingontwerper van de Fransche Opera in Batavia, in opdracht van de Nederlands-Indische regering.

Misschien heeft de Koloniale Tentoonstelling van 1883 in Amsterdam het gezag gestimuleerd zich eens grondig met de ‘vormgeving’ van Indië bezig te houden.

(Dat heb je er nou van, als je zo’n Emigrant pensioneert. Dan gaat hij over dingen mijmeren waar hij geen verstand van heeft. Dit alles is zonder twijfel al lang bestudeerd, maar ik heb hier geen toegang tot een relevante bibliotheek.)

NOOT
1. SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989, blz. 49. De roman is ook online te lezen.

11 reacties

Opgeslagen onder Literatur, Nederland, Ostwestliches