Categorie archief: Orient

Opera in Marburg

Veel steden in Duitsland hebben een eigen opera, maar Marburg is daar toch echt te klein voor. De dichtstbijzijnde is in Gießen: een zeer verdienstelijke instelling met goede vaste zangers. Gisterenavond heb ik hier voor het eerst een opera gezien en gehoord in een bioscoop. De Metropolitan Opera van New York zorgt dat zij uit de kosten komt door in vele landen over de hele wereld live uit te zenden wat daar gebracht wordt. En die kosten moeten immens zijn, want de opera in kwestie was Puccini’s Turandot, een spektakelstuk dat in het keizerlijke Peking speelt. Er waren twee decors, beide zeer ingewikkeld en prachtig: een fantastisch hof in Peking, en daarbij talloze prachtige kostuums, mandarijnen, dansers, hofdames, ambachten, militairen, acrobaten en natuurlijk het ‘volk’, en men had de aller-, allerbeste zangers geëngageerd. Met het echte China hebben noch het libretto, dat teruggaat op een stuk uit de achttiende eeuw, noch de enscenering iets te maken: het was puur oriëntalisme en dat wilde ik niet missen. Ook de muziek is rijkelijk oriëntaliserend, besefte ik tijdens het luisteren. De muziek is mij zeer vertrouwd, daarom had ik die allang niet meer als afwijkend ervaren, maar voor de eerste hoorders (in 1926) moet deze opera rijkelijk exotisch hebben geklonken. In de pauze ging de camera achter de coulissen en toonde de opbouw van het keizerlijk hof in drie kwartier, door een man of veertig. Mijn begeleiding vond het decor te overdadig, maar ik niet. De in Europa verzonnen Oriënt is niet compleet zonder pracht en praal en ja: kitsch. Bovendien is iédere opera een spektakel; de Amerikaanse commentaarstem sprak van show, en dat is het precies. Broadway, maar met betere muziek en minder bloot.

In een verhaal uit de Duizendeneen Dag is Turandot is de dochter van de keizer van China, die iedere vrijer liet onthoofden die niet haar drie raadsels kon oplossen. De Tartaarse prins Calàf lukt dat uiteindelijk wel. Niet dat hij haar daarna meteen krijgt: de plot is behoorlijk ingewikkeld en zeer ongerijmd, zoals dat hoort in een opera; die ga ik hier maar niet navertellen, maar hij krijgt haar toch en iedereen leeft nog tienduizend jaar en gelukkig. Behalve de slachtoffers van het terreur-regime dan, maar daar denken we niet meer aan.

De rol van Turandot had gezongen zullen worden door de wereldvermaarde Anna Netrebko, een Russische, die bevriend was met Poetin en zich te laat van hem heeft gedistantieerd. Haar deelname werd dus afgezegd en er moest in allerijl een vervangster gevonden worden. Er zijn wereldwijd niet zo heel veel sopranen die die rol op korte termijn kunnen zingen, maar men wist een Oekraïense zangeres te engageren die de rol jaren geleden een paar maal gezongen had: Lyiudmyla Monastyrska. Ook een beroemdheid, maar niet zo zeer voor dit vak. Ze zong maar een fractie minder goed dan Netrebko en was soeverein in de rol; het was een plezier om naar haar te luisteren. Het enige was dat zij wat ouder en uitgesproken corpulent was, wat haar verschijning als ijskoude, maar begeerlijke prinses wat minder overtuigend maakte. Maar la Netrebko is de laatste tijd ook wat gevulder geworden, dus niet zeuren. Dat Monastyrska Oekraïense was bleek ook bij het slotapplaus, toen zij zich in een grote vlag van haar land hulde, wat nog eens te meer leidde tot een stormachtig applaus en gezwaai met blauw-gele vlaggetjes in de zaal. Ik vind dat vlaggengedoe nooit zo fijn; het is mij wat te vrijblijvend ‘Je suis Charlie’-achtig, terwijl men dat helemaal niet is.
Een onvoorzien aardigheidje in het libretto is overigens dat de beul Pu-Tin-Pao heet; wie zou daarbij niet denken aan?

Oriëntassociaties die ik kreeg tijdens het luisteren:
– De Oriënt-mode eind negentiende eeuw. Café’s en badhuizen werden ingericht in oriëntaalse stijl. China was in, ook de onzegbare wreedheid die aan dat land werd toegeschreven. De gedachte dat een ver land veel wreder is dan het eigen land wil er altijd wel in. (In deze opera verheugt het volk zich op de volgende terechtstelling.) Octave Mirbeau, Le jardin des supplices speelt deels in China, al worden de folteringen toch overwegend door een Europese bedacht.
– De wereldtentoonstellingen brachten eind 19e eeuw nieuwe toonladders naar Europea. Debussy adopteerde de Javaanse gamelan, dat is bekend, maar hij was de enige niet. Europa was moe van het gangbare toonsysteem, zocht vertwijfeld naar iets anders (Scriabin, Schönberg) en daarbij kwam de Oriënt vaak goed van pas.
– De vertalingen van Chinese poëzie door Hans Bethge waren begin 20e eeuw erg populair. Mahler verwerkte ze in zijn Lied von der Erde, maar ook ettelijke andere componisten zijn erdoor geïnspireerd. (Ook in mijn eigen oriëntaalse droom, toen ik zestien was, speelden ze een rol.)

Voor het archief: Marco Armiliato, dirigent; Franco Zeffirelli, regisseur; Liudmyla Monastyrska, Turandot; Yonghoon Lee, Calàf; Ferruccio Furlanetto, Timur; Ermonela Jaho, Liù.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder China, Kunst, Muziek, Orient, Zingen

Heldenmoed en heldendood

Stel je bent een succesvolle Russische soldaat ergens uit Achter-Siberië. Je moest in het leger, de opleiding was hard maar je kon het aan, het eten was niet te vreten en je mist je thuis. Ineens ben je in een vreemd land, duizenden kilometers verderop en je krijgt bevel een stadje kapot te schieten. Raar werk, maar het gaat wel goed van boem! met de tanks en de raketten, dat is toch wel spannend, moet je zien hoe die gebouwen in elkaar zakken! En af en toe schiet je met je handwapen op wat van die poppetjes die nog bewegen op straat, het lijkt wel een computerspelletje. Echt vreemd allemaal, maar als winnaar krijg je een flinke premie. Bovendien heb je al een echte Stihl kettingzaag gescoord, handig voor thuis in de taiga, en een smartphone en een voorwerp waarvan je nog niet weet wat het is.

Of je bent een verliezende Russische soldaat. Die Oekraïners zijn sterker dan iedereen dacht, je maten vallen bij bosjes dood om en zelf word je krijgsgevangen genomen. De behandeling is ruw, maar uiteindelijk toch niet anders dan in je eenheid, je krijgt te eten en er komt zelfs een dokter naar je kijken! Vooral fijn is de rust: dat geschiet en die angst zijn nu van de baan. Wat je nog niet weet is dat je later thuis wordt omgebracht, of als je fit bent als dwangarbeider naar een werkkamp in Kamsjatka wordt versleept. Je weet te veel, je hebt te veel gezien.

Of je bent een Oekraïense soldaat, die het tot nu toe heeft gered. Eigenlijk ben je helemaal geen soldaat, maar nu moet je vechten voor je leven, er zit niets anders op. En voor je vrouw en kind, die nu in Polen zijn, en voor je vaderland. Maar dat bevleugelt, evenals de kameraadschap met je maten, en de berichten over overwinningen hier en daar. Iedere dag trainen en af en toe een actie tegen de Russen. Je wordt een ander mens en weet: als zij winnen is alles voorbij. Je leeft, je wordt elke dag een betere soldaat en bent bereid te sterven als dat zou moeten. Wie de vrijheid al eens heeft geproefd wil liever sterven dan als Untermensch leven onder Poetin.

Of je bent een Oekraïense soldaat met pech. Veel van je maten om je heen zijn neergeschoten, jij bent krijgsgevangen genomen. Dat is verschrikkelijk: je wordt mishandeld, gefolterd, naar Rusland versleept, eerst in een kamp, er wordt gefluisterd dat het daarna naar Oost-Siberië gaat, waar arbeidskrachten benodigd zijn.

Dezer dagen moet ik veel denken aan de helden uit de oude Arabische poëzie. In het zesde-eeuwse Arabië was het voortdurend oorlog, zij het op heel kleine schaal. Die oude strijders waren bereid te vechten tot de  dood, ja dat deden ze zelfs graag, als je de gedichten mag geloven. Je las nooit over angst of over vluchtpogingen, maar ja, die poëzie was een heel ander medium dan West-Europese televisiejournaals. Toch was er wel wat van aan, dat verlangen naar de dood, dat tot het heldenleven behoorde. Om te beginnen waren de oorlogen toen anders dan nu. Niks computerspelletjes; alle gevechten op korte afstand, zelfs als er lansen of pijlen werden ingezet, en heel vaak lijf aan lijf met het zwaard. En wat vooral anders was, was het ontbreken van medische zorg. Als je zwaar gewond was, bloedde je ter plekke dood, onder helse pijnen. Als je lichter gewond was stierf je mogelijk na drie dagen alsnog, omdat er niets te doen was tegen de infectie in je wond. En als er een arm of been geamputeerd was leek het even of je overleefd had, maar eigenlijk was dat geen leven. Aan de bedelstaf, als een anti-held, altijd afhankelijk van of iemand je een hap eten toewierp. Je ‘eigen mensen’ vielen daarbij zwaar tegen. Als je niet gewond was werd je tot slaaf gemaakt. Maar dat was ook geen leven. Nee, winnen moest je: als buit een kameel, een wapenrusting en een slaaf meenemen en thuis de bewondering van de vrouwen en je stamgenoten genieten. Het allerbeste alternatief voor winnen was de dood, nog tijdens het gevecht. Dan werd je in ieder geval in eervolle herinnering gehouden, als held.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Europa, Orient

Snouck

Snouck, zo heet de onlangs verschenen zeer leesbare en degelijke biografie van Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936), geschreven door Wim van den Doel. Ik heb er erg van genoten en veel van geleerd, en beveel hem dan ook graag aan iedereen aan, en vooral aan arabisten en geïnteresseerden in de islam en Indonesië. Snouck was jarenlang adviseur van de regeringen van Nederlands-Indië en Nederland, en later ook hoogleraar te Leiden, o.a. Arabisch en islamwetenschap. De biografie portretteert de invloedrijke, wereldwijd bekende landgenoot in al zijn innerlijke tegenstrijdigheid en is ook een belangrijke bron van kennis over de Nederlandse koloniale politiek, dus ook Nederlanders die niet ‘van het vak’ zijn kunnen er veel aan hebben.
Ik ga niet het hele boek van ruim zeshonderd bladzijden bespreken, maar ik wil er enkele punten uitlichten.

Atjeh
In Noord-Sumatra ligt Atjeh (moderne spelling: Aceh), een gebied dat eind negentiende eeuw weigerde zich te onderwerpen aan het koloniale bestuur. Snouck was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de laatste fase van wat als de Atjeh-oorlog bekend staat (1873–1903). Zijn (toen nog) vriend Generaal van Heutsz deed het grove werk, Snouck droeg de ideeën aan. De bedoeling was, de rebellie snoeihard neer te slaan om daarna met gulle hand de zegeningen van het koloniale bestuur over het land te doen neerdalen. Volgens Snouck ging het er om, de bevolking te beschermen tegen de uitbuiting en willekeur van plaatselijke potentaatjes en fanatieke godgeleerden, die hij aanried ‘zeer gevoelig te slaan’. De eerste fase, met veel wreedheid, bloedvergieten en vernietiging, werd inderdaad verwezenlijkt, het is bekend. Dat hier iets niet klopte kwam bij Snouck blijkbaar niet op. Van die zegeningen is niet veel meer vernomen — wat hij een kwart eeuw later zelf ook inzag.

Ethisch kolonialisme
Snouck geloofde werkelijk dat het koloniale bestuur zegeningen bracht. Volkeren die lager stonden in beschaving konden immers veel leren van ontwikkelder volkeren, zodat ze op de (lange) duur op eigen benen konden staan. Dat Indië vooral een wingewest was, dat goed was voor een flink percentage van de Nederlandse staatsinkomsten, moet Snouck hebben geweten, maar uit dit boek blijkt niet dat hij daar ooit over tobde of het niet vanzelfsprekend vond. Wel vond hij dat er meer en beter onderwijs moest komen voor intelligente inlanders uit de hogere kringen, zodat dezen ook functies konden krijgen in het bestuur en de rechtspraak. Op den duur zou Indië zelfs door Nederlanders en inlanders samen bestuurd moeten worden. Daarin was Snouck veel ‘ethischer’ dan de bestuurders in Indië en het ministerie in Den Haag, die zich daar heftig tegen verzetten en de inlander juist liever klein hielden.

De islam
Snouck was niet bang voor de islam, want hij kende hem van binnen en van buiten. Hij had in Mekka gezeten, presenteerde zich als moslim, verkeerde op voet van gelijkheid met islamitische geleerden, leefde zo veel mogelijk ‘inlands’ en sloot twee maal een islamitisch huwelijk met een Sundase vrouw. Hij had een hekel aan het panislamisme, dat volgens hem vooral door het Ottomaanse Rijk werd verbreid. Maar over de islam in Indië maakt hij zich geen zorgen; integendeel. In 1913 werd op Java de Sarekat Islam opgericht, een islamitische vereniging ter behartiging van de belangen van moslims. Toen deze al gauw een enorme aanhang kreeg schrokken ondernemers en koloniale bestuurders zich wezenloos en wilden die vereniging onderdrukken, maar Snouck vond het juist een goed idee. Geef ze de ruimte en wat zelfstandigheid, dan worden ze niet opstandig. Hij had niet die koloniale schrik voor moslims, die berust op onwetendheid. Voor de machtsovername door de Wahhabieten in Arabië had hij wel waardering. Waarschijnlijk kon hij nog niet overzien wat voor ellende die zouden aanrichten. Zij brachten in elk geval rust en orde, en dat was goed voor de pelgrims uit Indië.

Racisme
Al tijdens zijn jaren in Indië (1888–1906) verkondigde Snouck steeds de mening dat vermeende raciale verschillen geen enkele rechtvaardiging boden om inlanders onderwijs en functies in bestuur of rechtspraak te onthouden. En na de barbarij van de Eerste Wereldoorlog in Europa kon zeker niemand meer in ernst beweren dat het blanke ras superieur was. Maar hier sprak Snouck met dubbele tong. Hij had vijf kinderen van zijn twee achtereenvolgende Sundase echtgenotes, die hij niet erkende. Hij stuurde af en toe wat geld en een briefje, maar wenste verder geen contact, en wilde zeker niet dat ze naar Nederland zouden komen. In Nederland trouwde hij opnieuw en kreeg een dochter. Hij had dus maar één kind.

De vloek van Snouck
Snouck was al in 1936 gestorven, maar toen ik na mijn kandidaatsexamen in 1968 aankwam in Leiden waarde zijn geest er nog rond. Om te beginnen werden de colleges Arabisch gegeven in zijn ruim bemeten huis aan het Rapenburg. De hoogleraar las voor uit het collegedictaat van Snouck. Als je boven naar de WC moest, belandde je in diens badkamer, waar zijn badkuip met leeuwenpoten stond. In de gang hing een portret van de illustere bewoner. Ja, die ogen: zelfs in het schemerdonker van het trappenhuis doorboorden ze je nog.
Snouck heeft met zeer harde hand een stel leerlingen gevormd, die hij veel bijbracht, maar die hij ook voortdurend kwetste en kleineerde. Bij sommigen leidde dit tot blijvend geestelijk letsel, dat zij nog doorgaven aan de volgende generatie. De lamheid van de Leidse arabistiek in de jaren zestig en de verpeste sfeer waren zonder twijfel een gevolg van de ‘vloek van Snouck’. Wie of wat kon na hem nog bestaan?

Als ik me aan een korte karakterisering mag wagen: Snouck was een groot geleerde, een harde man, ook voor zich zelf, die niet door innerlijke twijfels werd geplaagd en weinig geduld had met minder getalenteerden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Arabisch, Islam, Oorlog, Orient, Politiek, Racisme

Een transculturele mier en een dito kat

Nog net op tijd voor dierendag. Hoewel iets met dieren eigenlijk altijd kan. 

Mier. Toen ik zat te werken aan de Arabische tekst  van Gibril ibn Nuh (9e eeuw) die ik wil uitgeven, kwam ik deze beschrijving van de loop der sterren tegen: 

Denk aan de sterren en het verschil in hun cirkelbaan. Een aantal verlaat zijn plaats aan het firmament niet en beweegt alleen als groep, maar een aantal verplaatst zich door de hele dierenriem en heeft eigen cirkelbanen. Dus elke ster van de laatste soort heeft twee verschillende banen: een algemene, samen met het hemelgewelf naar het Westen, en de andere van hemzelf naar het Oosten. De Ouden hebben zo’n losse ster vergeleken met een mier die krabbelt op een molensteen. De molensteen maakt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, zodat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een zelfstandige, recht vooruit, en de andere onvrijwillig, samen met de molensteen, die hem naar achteren dwingt.   

Waar zou de auteur die mier vandaar hebben, wie zijn die ‘Ouden’? Ik begon te zoeken in Oudgriekse teksten: Anaxagoras, Anaximenes, Aristoteles; en de christelijke kerkvader Theodoretus van Cyrrhus, aan wie mijn auteur veel heeft ontleend. Ik vond wel iets over de hemel als een wiel, en ook over die tegengestelde beweging, maar de mier heb ik tot nu toe niet aangetroffen. Verontrustend is dat niet; ik beweeg me maar moeizaam in die klassieke teksten en heb ze nog lang niet allemaal gehad. Het zal wel goed komen.

Bij mijn zoektocht heb ik ook gebruik gemaakt van Google, en daar verscheen minstens drie maal ongeveer dezelfde tekst als hierboven, inclusief de mier, maar …. allemaal uit zeer oude Chinese boeken. Een voorbeeld van zo’n Chinese tekst:

Zowel de zon als de maan bewegen naar rechts en tegelijkertijd moeten zij de hemel volgen die naar links draait. Hoewel zowel de zon als de maan in werkelijkheid oostwaarts bewegen worden zij [door de rotatie van de hemel] meegesleept, zodat het lijkt alsof zij in het Westen ondergaan. Dit is analoog met een mier die krabbelt op een molensteen: terwijl de molensteen naar links roteert, probeert de mier naar rechts te bewegen. Maar de draaiing van de molensteen is veel sneller dan de beweging van de mier. We zien dan dat de mier gedwongen wordt de beweging van de molensteen te volgen en ogenschijnlijk naar links beweegt.   

Van het oude China weet ik niets; ik lees alleen dat deze tekst teruggaat op ene Luoxia Hong, die actief was in de eerste eeuw voor Christus. Behoorlijk oud dus, eeuwen ouder dan mijn Arabische tekst.

Kat. Iets als een China-connection was me al eerder opgevallen bij de kat van Mohammed. De profeet zou veel gehouden hebben van zijn kat Mu‘izza, zoals blijkt uit de  volgende, wat obscure overlevering (negende eeuw of veel jonger):

De profeet wilde eens opstaan om naar het gebed te gaan, maar de kat lag op de mouw van zijn gewaad te slapen. Om het dier niet te wekken knipte hij toen zijn mouw af en verscheen met beschadigd gewaad bij het gebed. Terugkomend van de moskee werd hij door Mu‘izza bedankt met een buiging.

Dit motief bestaat ook met een heel andere bezetting. Volgens de Han-historicus Bān Gù (32–92) probeerde de Chinese keizer Āi dì (reg. 7–1 voor Chr.) eens op te staan toen zijn vriendje in slaap was gevallen op de mouw van zijn gewaad. Om hem niet te wekken sneed hij zijn mouw af en verscheen met het aldus beschadigde gewaad in het openbaar. Zijn hovelingen namen vervolgens deze dracht over om de liefdesverhouding te vieren.

Waren er in de Oudheid contacten tussen China en het Nabije Oosten, eventueel Griekenland? Er was zeker handelsverkeer, maar van literaire beïnvloeding had ik nog niet gehoord. Toch moet die er geweest zijn, in de ene of de andere richting. Van het wiel of de rietfluit kan ik me voorstellen dat ze twee of meer malen op verschillende plaatsen in de wereld zijn uitgevonden. Ook bestaan er motieven in de mythologie en in volksverhalen die universeel voorkomen. Maar zulke specifieke teksten als hierboven worden volgens mij maar één keer uitgevonden en maken dan verder een reis door de culturen. Hoe zijn ze overgewaaid, van West naar Oost of omgekeerd? Ik weet het niet — en naar ik vrees andere mensen ook niet. 

Of zou de mensheid toch werkelijk steeds hetzelfde bedenken?

1 reactie

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Dieren, Orient

Verdrongen Oudheid: Syrisch

Hiernaast ziet u een stukje tekst in het Syrisch-Aramees, of kort gezegd: in het Syrisch  (Engels: Syriac). Dat is een Aramese taal en niet te verwarren met het Arabisch, dat tegenwoordig in Syrië wordt gesproken. Ook het schrift is niet Arabisch.
Ik heb die tekst zelf getypt op de computer, omstreeks 1990. Toen konden dat nog niet veel mensen. Nu zou ik het niet meer kunnen, en sterker nog, ik kan hem ook niet meer lezen. Wat er staat blijft dus een raadsel.
Ik was al ruim over de veertig toen ik Syrisch leerde, en dat zal een reden dat ik het vergeten ben. Bovendien vond ik Syrisch niet leuk. Onaangename schriftsoorten, een flodderige grammatica, lullige voegwoorden, talloze leenwoorden, kortom: een bastaard van een taal. Ik was immers de onverbiddelijke strengheid van het kunstmatige Klassiek-Arabisch gewend. Daar kwam in die tijd nog bij, zoals bij alle minder gangbare talen, dat de leermiddelen gebrekkig waren.
.
Minder gangbaar? In de Oudheid was Aramees zeker niet minder gangbaar. Het had een enorm verspreidingsgebied: in Palestina, Syrië, Irak en Noord-Arabië werd het gesproken, in delen van Iran was het een schrijftaal, soms ook in Egypte. De taal die gewoonlijk Aramees wordt genoemd, wordt met Hebreeuwse letters geschreven. De beroemdste spreker was Jezus, al hebben we maar een paar Aramese woorden van hem.1 Enkele delen van de Bijbel zijn in het Aramees geschreven, en verder veel joodse teksten: bijbelcommentaren en de beide Talmuds. Het Aramees wordt dus altijd wel bestudeerd. Het christelijke Syrisch, dat in principe dezelfde taal is, alleen met ander schrift geschreven, kwam wat later op, zo vanaf de tweede eeuw. Dat is goeddeels in vergetelheid geraakt en komt pas de laatste tijd in heel kleine kring weer te voorschijn. Er zijn nu ook wat betere leermiddelen.2 Ook Syrisch was zeer wijd verbreid, tot ver in Centraal-Azië en Zuid-India: er is een zeer grote literatuur in, die echter zelden gelezen wordt. Voor het ‘Westen’ maakt Syrisch deel uit van het grote veracht- en vergeet-program: het wordt niet meer van belang geacht, de boeken staan te verstoffen in bibliotheken.
.
Voor de studie van de Late Oudheid is het Syrisch echter onontbeerlijk. Ik meende het destijds te moeten leren vanwege mijn studie van de vroege Islam. Dat er bij mij toen niet veel van terecht kwam doet aan die noodzaak niet af. De islam ontstond immers in een Syrische omgeving, en die kan niet straffeloos verwaarloosd worden. Geen koranstudie, geen studie van het leven van de Profeet zonder Syrisch!
Ook is Syrisch van belang voor de wetenschapsgeschiedenis. Filosofische en wetenschappelijke teksten uit de Griekse Oudheid werden in het Syrisch vertaald, en van daaruit weer in het Arabisch, waar zij aan een stormachtige nieuwe omloop begonnen.
En verder is Syrisch gewoon om te lezen. Ik had vroeger geen zin in al die kerkelijke teksten, maar onder de enorme hoeveelheid boeken zijn er ook andere, die wel prettige lectuur vormen. Bij voorbeeld de reisverslagen van monniken die door Centraal-Azië reisden. (Overigens is het Mongoolse schrift ook Syrisch, maar dan op zijn kant gezet.)
.
Oudheidkunde3 zonder Syrisch gaat dus eigenlijk niet. Vroeger dacht ik altijd: als machines ons werk overnemen blijft er meer tijd voor studie, maar het omgekeerde blijkt het geval. Gelukkig zijn er nog gepensioneerden die iets kunnen doen. Als hun geheugen niet te zwak is.

NOTEN
1. Eloi Eloi lama sabachtani, effatha en talita kumi.
2. Een mooi boek over het Aramees, met een flink hoofdstuk over het Syrisch, is Holger Gzella, De eerste wereldtaal. De geschiedenis van het Aramees, Amsterdam (Athenaeum) 2017.
3. Voor mij houdt de Oudheid nogal laat op. Daarover later misschien eens.

(De volgende afbeelding hoort bij Reactie nr. 4)

450px-SyriacJohn.svg

5 reacties

Opgeslagen onder Geschiedschrijving, Onderwijs, Orient, Persoonlijk, Taal

Steniging in Istanbul?

Gisteren werd hier op de TV een televisiebewerking van Agatha Christie’s Murder on the Orient Express vertoond, in 2010 geproduceerd door Philip Martin op een scenario van Stewart Harcourt, met David Suchet als Poirot. Het boek verscheen op 1 januari 1934. De ontvoering en vermoording van de Lindbergh-baby in maart 1932 speelt er een belangrijke rol in. De handeling van het boek is dus in 1932-33 te plaatsen, toen die moord nog niet was opgehelderd.

Voordat de trein uit Istanbul vertrekt zijn Poirot en enkele medespelers, allen buitenlanders, getuigen van de openbare steniging van een overspelige vrouw, zomaar midden op straat in hartje Istanbul. Dit kwam mij zo absurd voor, dat ik het even heb nagezocht en bij een collega nagevraagd.

In het Ottomaanse rijk werd er nooit gestenigd op grond van een gerechtelijk vonnis—ja, één keer, in 1680, maar dat leverde toen een enorm schandaal op. De doodstraf werd op andere manieren voltrokken. De steniging kwam formeel wel in het rechtssysteem voor: het is een ‘recht Gods’ en Gods rechten kun je nu eenmaal niet schrappen, maar je kunt ze wel tot dode letter laten worden en dat is wat er gedaan werd: in werkelijkheid werd het nooit in praktijk gebracht. In 1932 was bovendien het hele religieuze recht in Turkije al grondig afgeschaft en vervangen door Zwitsers burgerlijk recht en Italiaans strafrecht. Daar kwam dus in geen velden of wegen steniging in voor, zelfs niet puur theoretisch.

Iets anders is, dat er in Turkije wel zoiets als een spontane lynch-cultuur bestond—en zelfs ten dele nog bestaat, vooral in het Oosten des lands. Maar het is volstrekt ondenkbaar dat zo’n spontane steniging in de vroege jaren dertig midden in Istanbul heeft plaatsgehad. Het Atatürk-regime wilde modern zijn en spande zich in om alles wat Ottomaans was als verouderd en achterlijk voor te stellen. Als er al iemand op het idee gekomen zou zijn, in het openbaar iemand te willen stenigen zou dat tot een onmiddellijk politie-ingrijpen en zware straffen voor de stenengooiers hebben geleid. Dat zou gewoon moord zijn, net als overal elders.

Een collega gaf mij een krantenartikel uit de vroege jaren dertig, waarin zogenaamd een steniging uit de Ottomaanse tijd wordt getoond, inderdaad midden in Istanbul. Een vrouw met los haar en een suggestief gescheurde jurk wordt aangevallen door een menigte woedende, getulbande mannen, onder wie zelfs een gezagsdrager te paard. Maar zoals gezegd, zulke stenigingen hebben in de oude tijd nooit plaatsgehad. Het is pure fictie, die hier in dienst is gesteld van de staatspropaganda: kijk, zo was het vroeger, maar tegenwoordig zijn wij modern. Atatürk gaf dus een verkeerde voorstelling van ‘de islam’; hij gedroeg zich als een oriëntalist.

“De steniging van een zondige echtgenote”


Die steniging kwam niet voor in Christie’s detectiveroman en is pas voor de televisiebewerking van 2010 door de scenarioschrijver erbij gesleept. Het is een kwalijk geval van ‘oriëntalisme’. En dat in een filmwerk waarin de overige details van de toenmalige werkelijkheid zo precies kloppen! Het ‘detail’ steniging klopt beslist niet. Of Harcourt dit uit zijn dikke duim heeft gezogen of had gehoord van de hervormingen van Atatürk en diens diens propaganda is me niet bekend. Ook in het laatste geval heeft hij er niets van begrepen. Zijn steniging is misleiding, typisch voor onze tijd, waarin het eveneens gebruikelijk is geworden, een verkeerde voorstelling van ‘de islam’ te geven.

Alsof dit nog niet genoeg was: de kijkers kan dit blijkbaar helemaal niet schelen. In het internet heb ik een klein onderzoekje gedaan naar deze verfilming en stuitte daarbij op een flink aantal besprekingen, vooral door niet-vakmensen. De meeste besprekers vonden hem niet zo geslaagd, om allerlei redenen, maar niet vanwege die steniging. Velen gaan in hun beschrijving van de inhoud volledig aan de steniging voorbij. Anderen noemen hem even, alsof zoiets volkomen vanzelfsprekend is: ja, zo gaat dat blijkbaar in Turkije. Ik vond één bespreking door iemand met een Arabische naam; die vond de steniging gratuitous, maar reageert verder niet bijzonder heftig; of misschien had hij het al opgegeven. De stilte van al die anderen is verontrustend.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Orient, Racisme, Turkije

Interview en gesprek

Een optreden in de Corona Talk van het Oog van Mosul. Zoals U hoort ben ik mijn Engels bijna vergeten. Maar sommige vragen begreep ik niet om akoestische redenen. https://www.youtube.com/watch?v=C7-HLXnRrpA&feature=youtu.be

2 reacties

Opgeslagen onder Orient, Persoonlijk

Het Westen: een terugblik

Het Westen, wat was dat ook alweer? Het domineerde de wereld sinds eeuwen, maar vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw, en nu hoor je er niet meer over. De Oriënt, die ouder was, was een buitengewoon vaag concept, dat nauwelijks buiten de geesten van westerlingen bestond. Het was een schilderachtig, maar achterlijk gebied, waartoe in de keizertijd zelfs ons land gerekend werd! Wie herinnert zich niet de foto van het bordje in het Huangpu park in Shanghai: ‘No dogs or Chinese allowed’? Het Westen was makkelijker te definiëren: het bestond uit een heleboel kleine staatjes in West-Europa, plus ‘Groot’-Brittanië en de vroegere Britse koloniën, voor zover die overwegend door blanken werden bewoond, dus Canada, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw- Zeeland en her en der nog wat eilandjes, barstensvol met bankfilialen en postbussen.
.
Het Westen was dus een los verband van staten, hoewel dat onderlinge oorlogen nooit had uitgesloten. Met de beoogde eenwording van Europa is het nooit veel geworden. De bevolking was blank, Kaukasisch zoals het ook wel heette. Technologisch liep het voorop. Terwijl wij hier nog feesten vierden met vuurwerk schoten ze daarginds met buskruit al hele steden in puin. Ze hadden de beste schepen en de beste wapens, wat hen oppermachtig maakte. Grote delen van de wereld werden door hen economisch uitgebaat en uitgekleed tot op het bot, wat vaak, vooral in de vroege tijd, gepaard ging met territoriale verovering. Portugezen en Spanjaarden waren ermee begonnen, maar Engelsen, Fransen, Nederlanders en Belgen deden het genadelozer. Allen hadden ze een diepe minachting voor de arme sloebers in hun koloniën, die zij zelf de armoe in hadden geschopt, in de oost en de west, in het zuiden, de derde wereld of hoe ze het verder maar noemden. De Verenigde Staten van Amerika had vrijwel geen koloniën, maar wist de methoden van exploitatie nog te perfectioneren zonder er de eigen onderdanen heen te sturen—wat de rest van het Westen dan weer overnam.
.
Het Westen, daar wilde vroeger iedereen wel bijhoren. Maar dat mocht niet, het was alleen voor landen met een overwegend blanke bevolking. Wat was er zo aantrekkelijk aan? Het Westen was lange tijd het modernste deel van de wereld; geen wonder ook, met al dat geroofde geld en goed uit het niet-Westen. Het geld vloeide vrij, meestal zonder inmenging van de staat. Ook de markt was vrij, wat individuen in staat stelde grote rijkdommen te vergaren, en voorzag in de goede tijd vrijwel alle burgers met een ongekende weelde aan voedingsmiddelen en goederen, waarbij de staat bleef zorgen voor defensie, politie en gevangeniswezen, wegen, spoorwegen en waterleiding, zorg voor zieken en bejaarden, onderwijs en cultuur. Dat leek dus een goed idee, tot de staten hun greep op deze zaken begonnen te verliezen, zodat bij voorbeeld spoor en waterleiding toch in particuliere handen geraakten, of zelfs gevangenissen, legers, ziekenhuizen, scholen en universiteiten als privé-ondernemingen werden gerund. De eis van de markt, dat alles winstgevend moest zijn, zorgde voor de afbraak van deze elementaire voorzieningen, zoals uiterlijk tijdens de Corona-crisis pijnlijk duidelijk werd. De markt bleek toen bij voorbeeld niet in staat om voldoende medische hulpmiddelen te fabriceren toen die nodig waren. Eertijds bekende industrielanden slaagden er niet in van de fabricage van SUV’s snel om te schakelen op die van mondkapjes, test kits of ventilatoren. Waar jonge ondernemers probeerden zulke zaken te fabriceren stieten zij op een muur van bureaucratische en juridische vijandigheid: ze hadden patenten geschonden! Landen die nog tijdens de tweede grote oorlog in de twintigste eeuw in een zucht miljoenen wapens fabriceerden en veldlazaretten bij dozijnen uit de grond stampten, slaagden er nu niet in wat medische voorzieningen te creëren, zodat ze bij ons moesten aankloppen. De bouw van een ziekenhuis duurde in die landen soms wel een jaar! Daardoorheen speelde nog het ‘probleem’ van de buitenlandse werkkrachten, wier immigratie en deelname aan het arbeidsproces systematisch werd bemoeilijkt, zelfs als het artsen of verpleegkrachten betrof.
Door de langzame en onverstandige aanpak van Corona en de daaruit voortvloeiende lange stillegging van grote delen van de productie werden de westerse economieën ondermijnd, zodat het zwaartepunt van de wereld definitief naar Oost-Azië verschoof.
.
Ook de democratie had aanvankelijk een goed idee geleken. Niet de adel of een klasse van heersers zou het voor het zeggen hebben, maar het volk zelf. Maar de meeste stemmen golden, en omdat het grootste deel van de mensheid nogal dom is werden er op den duur alleen verkeerde leiders gekozen—iets wat in de negentiende eeuw al was voorzien en wat al eens gebleken was na een noodlottige Duitse verkiezingsuitslag in de jaren dertig—waaruit men echter geen les had getrokken.
.
De persvrijheid was eveneens zo’n historische fout. Die vrijheid bestond misschien in provinciale media, maar de grote dagbladen en televisiezenders geraakten in handen van boosaardige miljardairs die er aardigheid in hadden, samenlevingen te ontwrichten. Bovendien werd er flink gestookt en gehetst vanuit vijandige landen, die zich eenvoudig toegang wisten te verschaffen tot de digitale media.
.
De Corona-crisis luidde het einde van het Westen in, maar het verkeerde al enige tijd in staat van ontbinding. De uiterste consequentie van het democratische systeem werd zichtbaar toen inderdaad de domste en immoreelste leiders gekozen werden, met behulp van kwade krachten uit een buitenland, dat invloed nam op het verkiezingsgebeuren zelf. In de Verenigde Staten werd het ergst denkbare onbenul tot president gekozen, die de positie van het land als wereldmacht al spoedig ondermijnde en een breuk in het Westen veroorzaakte. Groot-Brittannië volgde met de wat minder domme, maar eveneens volledig immorele premier, die het land losweekte van Europa. Op het Europese vasteland waren er staatjes die de corona-crisis benutten om het ‘juk’ van de would-be hoofdstad Brussel en van de democratie af te schudden: Hongarije, Polen en kort daarna dat landje bij de zee, hoe heet het ook alweer, dat moet ik naslaan.
In 2020 kreeg de Amerikaanse president de Corona, maar die kwam hij te boven, wat zijn volk in een religieuze jubelstemming bracht. Als dit niet een teken van God was! Hij voelde zich naar eigen zeggen sterker dan enige Amerikaanse president ooit, werd in de chaos waarin Corona de verkiezingen had doen verzinken min of meer herkozen en stelde het erfelijk presidentschap in. Zoiets als wanneer wij het keizerschap weer zouden invoeren; stel u eens voor! De regering probeerde zo goed mogelijk om hem heen te regeren.
.
In de late twintiger jaren was het wel bekeken met het Westen en de gebieden raakten spoedig op het tweede, zo niet derde plan. Het begrip Westen verdween niet geheel, maar werd geleidelijk aan verbannen naar de geschiedenisboeken.
Dat betekende niet dat die zogenaamde ‘westerse waarden’ ook meteen verdwenen waren. Toen wij een Corona-vaccin uittestten op heropgevoede Oeigoeren waren de protesten daarginds niet van de lucht, uit de macht der gewoonte. Maar die Oeigoeren waren natuurlijk vrijwilligers, dat spreekt toch vanzelf! Tegelijkertijd werden er dertig miljoen vaccins bij ons besteld. Meer niet, want daarvoor ontbrak het geld, maar bij die bestellingen hoorde je nooit iets over mensenrechten.
.
Het ware wezen van de westerse beschaving werd eveneens zichtbaar tijdens de Corona-crisis, toen bleek dat alle westerse volkeren hun achterste na de stoelgang reinigden met … papier. We kunnen daar nu hartelijk om lachen, maar het was evengoed een schrikbarend gebrek aan hygiëne! Tijdens de crisis werd dat papier door westerlingen massaal gehamsterd—zij leken aan te voelen dat ze zonder papier hun ‘identiteit’ zouden verliezen—en inderdaad, zo is het gegaan. Vrijwel niemand definieert zich meer als westerling.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Niks, Orient, Politiek, Racisme, Westen

Quarantaineteksten 2: Giurgiu – Ruse

Reis over land van Rutschuk [Ruse] naar Constantinopel
.
Met lichter gemoed […] stuurden wij op een van de huizen aan, waarop in het Russisch en Frans te lezen stond dat hier de agent van de Oostenrijkse Donaudampfschiffahrtsgesellschaft woonde. Zijn naam is Staude, een heel hoffelijke man, die ons uiterst voorkomend ontving en uitstekend regelde dat we snel verder kwamen. Weldra begaven wij ons in begeleiding van deze man met onze weinige bagage, onze jassen, bontmantels en wapens naar de quarantaine van Giurgewo [Giurgiu], waar een Turks schip, dat fruit had aangevoerd, ons zou opnemen en overzetten. Bij de quarantaine heerste volop drukte. Er werd juist tussen dubbele barrières markt gehouden, omdat de Turken van de rechteroever zich niet met de Walachen mogen vermengen. Dus leggen eerstgenoemden hun druiven, hun honing enz. tussen de barrières, waar zij door laatstgenoemden weggehaald worden en op dezelfde manier worden betaald. Het is een akelig gevoel, als je ziet hoe de ene mens de andere mijdt als een giftig dier, en steeds de lange stok voor zich uitstrekt om vooral niet aangeraakt te worden.
.
Friedrich Wilhelm Hackländer, Reise in den Orient, Band 1, 2e dr., Stuttgart 1846, blz. 24. Eerder verschenen in Morgenblatt für gebildete Leser, (31) 1841.

Bildschirmfoto 2020-04-08 um 00.01.41

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Gezondheid, Nabije Oosten, Orient, Ostwestliches, Quarantaine

Oriënt

Goed, ik ben nu werkelijk doende een Engelstalig blog te maken over Oriënt, oriëntalisme en oriëntalistiek: https://eastbyeastwest.wordpress.com . Het komt langzaam op gang, maar dat is ook goed, want het duurt altijd enige tijd voordat zoiets wordt opgemerkt. Eerst bevat het voornamelijk al bestaande stof, maar ik heb ook genoeg nieuwe onderwerpen. De oude Arabische literatuur en de vroege islam verdwijnen daarmee wat naar de achtergrond, hoewel ik de blogs daarover wel openhoud.

Het warme weer maakt mij actief. Dat doet het ook met de kerels die hier in de straat sinds half acht met allerlei helse apparaten in de weer zijn en een kolere-herrie maken. De ramen blijven dus dicht, de ventilator zoemt zachtkens.

Na de vakantie moet ik nodig iemand vinden die het Engels corrigeert. Moet lukken, in een universiteitsstad.

3 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Orient, Schrijven