Categorie archief: Literatur

Arabisch lezen

Ruim vijf jaar geleden werd ik gepensioneerd als universitair docent arabische taal- en literatuur en islam, en sindsdien heb ik nauwelijks meer modern Arabisch gelezen. Ouder Arabisch wél, alleen al voor het Leeswerk Arabisch dat ik nog schrijf; ook wel eens een nieuwsbulletin of zo, maar moderne literatuur niet. Tot 2007 deed ik dat nog regelmatig, omdat ik er zowel in Amsterdam als in Frankfort onderwijs over moest geven, en ook recensies van uit het Arabisch vertaalde literatuur schreef voor NRC-Handelsblad. (Ongelooflijk eigenlijk, dat Nederlanders zoiets vroeger lazen, en dat er kwaliteitskranten bestonden die daar besprekingen van wilden.) In Marburg waren er aparte docenten voor moderne Arabische letterkunde en ben ik er geleidelijk mee opgehouden. Blijkbaar had ik er geen zin meer in, en omdat het niet meer moest was dat goed zo.
.
Wel bedacht ik onlangs: als je een taal niet gebruikt vergeet je hem, en dat zou wel een ingrijpende zaak zijn. Het Arabisch was immers mijn vak en heeft een groot deel van mijn leven gevuld. Als je later dood bent is die kennis ook weg, maar het is niet zinvol, daarop vooruit te lopen. Daarom dwong ik mij tot de lectuur van wat modern Arabisch, maar het wilde niet erg vlotten. Eerst een geruststelling: ik bleek het nog goed te kunnen lezen. Ik moest wel wat meer woorden opzoeken, maar dat zou ik bij Engels of Frans ook moeten. En dat doe ik natuurlijk nooit: ik laat de woorden vanuit de context opkomen, en als dat niet lukt is het jammer. Alleen als er kernwoorden ontbreken sla ik ze na. In de problemen kom ik alleen bij speciale jargons: landbouwwerktuigen, scheeps- of walvisterminologie, dat soort dingen. Dan zoek ik liever een vertaling, zoals bij voorbeeld van Moby Dick.
Maar, maar … die moderne Arabische romans en korte verhalen stonden ineens zover van me af; ik kreeg er geen contact mee. Ze waren niet te moeilijk, eerder integendeel; en ook niet te exotisch; de tijd dat Arabische auteurs anders schreven dan westerlingen is al heel lang voorbij. Nee, ik vond ze gewoon vervelend. Wat ik voor mijn privé genoegen lees uit Europa, de beide Amerika’s of Japan, al dan niet in vertaling, interesseert me veel meer, dus waarom zou ik mezelf modern Arabisch aandoen? Daarmee wil ik niet zeggen dat moderne Arabische auteurs slecht schrijven; er is echt wel wat goeds te vinden, steeds meer zelfs; ik heb er alleen geen zin meer in. Hoeft ook niet; gepensioneerd weet U wel.
.
De redding verscheen in de vorm van negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse geschriften, waarvan de literaire waarde maar al te vaak gering is, maar waar ik ineens wél zin in heb; vraag me niet waarom. Misschien omdat ik in mijn hart zelf een negentiende-eeuwer ben, een crypto-Ottomaan misschien, of een ouwe koloniaal? Ik houd van die tijd; ik vond het jaarabonnement van Nubar Pasha in het spoorwegmuseum te Cairo ook fijn om te zien.
Ik denk dus wat te gaan lezen uit die tijd, vooral uit Egypte. In Syrië, inclusief Libanon, gebeurde er misschien meer, maar dat ligt buiten mijn horizon en daar laat ik het maar.
.
Hier is al een klein leeslijstje:

  • Nakhla Salih, Fu’ād en Rifqa (1872), een prulletje, maar wél de oudste Egyptische roman; daar zal ik dezer dagen een stukje over schrijven.
  • ‘Alī Pasha Mubārak, ‘Alam al-dīn (1882), een zeer dik werk, dat hier en daar trekken van een roman vertoont, en ook zijn biografische lexicon, Al-Khitat al-tawfīqīya (1888–89), een nog veel dikker werk (20 dln.). Hierover hebben twee Duitse geleerden al behoorlijk wat geschreven, zodat ik in dit geval alleen consument hoef te zijn, en natuurlijk alleen van een paar hoofdstukken. Ik ben de trotse bezitter van een eerste druk van ‘Alam al-dīn, waarschijnlijk de enige in wijde omgeving.
  • Bij al-Manfalūṭī (1876–1924) wilde ik altijd nog eens kijken hoe hij Franse romans aan de lezerswensen van het Egyptische publiek aanpaste: daar kan ik eventueel wat over schrijven. Dat is wel werk, want ik zal dan stukken Arabisch én stukken Frans moeten vertalen, ter vergelijking. Die lezerswensen hadden vooral betrekking op de onmogelijkheid van liefdesaffaires. Als in een roman een jongen zijn aanbedene ontmoette moest dat in het Arabisch neef en nicht worden, enzovoort.
  • Helemaal voor mijn eigen plezier kan ik lezen al-Māzinī, Ibrāhīm al-kātib. Dat heb ik vroeger al eens gelezen, maar dat kan best nog een keer. Niet een gaaf literair werk; veel losse eindjes, maar die auteur is mij zeer sympathiek. Modern, voor 1924.

En onlangs had ik op één dag twee interessante ontmoetingen hier ter stede. Een jonge geleerde die onderzoek doet over (Ahmad) Fāris al-Shidyāq, ofwel Farès Chidiac, Sāq ‘alā sāq, en in het gesprek met hem zag ik het ineens: Ja! Dát zou interessant kunnen zijn om te lezen. In ieder geval voor de ontstaanstijd (1855) is dat een werk van echt grote kwaliteit. De auteur is geboren als christelijke Libanees, werd protestant in het Egypte, waar hij twintig jaar gewoond heeft, vertrok naar Oxford, waar hij de Bijbel in het Arabisch vertaalde, en woonde later nog in Parijs, Tunis en Constantinopel. Laat in zijn leven werd hij moslim. Zijn boek is iets tussen een Bildungsroman en een reisverhaal in, moeilijk van taal, maar lichtvoetig van geest. Het werk bevat ook vele woordenlijsten: de auteur was immers bezig het Arabisch te herontdekken, dat in het Ottomaanse Rijk zo lang was verwaarloosd. Maar die lijsten kun je overslaan. Er is net een tweetalige uitgave Arabisch–Engels van verschenen. Die zou het tevens mogelijk maken wat meer leessnelheid in die oudere taal op te bouwen. Onderwerpen: o.a. de sociale misstanden in Engeland. Als dát niet actueel is.
.
Diezelfde dag heb ik geluncht met een vriendin/collega die ik al jaren ken. Ik vertelde haar dat ik wel zin had om een kort verhaal van Mahmūd Taymūr te vertalen, maar dat ik dat in het Duits niet kon. Zij stelde het voor de hand liggende voor: dat we het samen zouden doen! Daar was ik nog niet op gekomen. Ik zal het eerst in het Nederlands vertalen—aangenomen dat ik het origineel nog kan vinden, dat ergens in mijn chaotische stapels moet liggen. Baas Shehata vraagt om zijn loon is een immoreel verhaaltje uit 1926. Bij een dame wordt voor de zoveelste maal aan de deur geklopt door een koetsier, met wie mevrouw vier, vijf ritten heeft gemaakt, die echter nog niet betaald zijn. Hij laat zich ditmaal niet afschepen door het dienstmeisje, stapt het huis binnen en vraagt mevrouw om zijn geld. Mevrouw is in negligé, noodt hem in haar slaapkamer en betaalt hem in natura. Haar zoontje kijkt door een kier en is er onbedoeld getuige van. Ongelooflijk, dat zoiets toen in Egypte gepubliceerd kon worden. Literair geen hoogvlieger, maar wel grappig. De vertaling staat intussen hier.
.
Ja ja, dat is een hoop enthousiasme ineens, maar als zovele bejaarden heb ik de neiging mezelf te verzetteln. Eens zien wat er van komt.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Kairo, Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk

Lectuur voor de winter

De lucht is grauw en vochtig, de boombladeren zijn opgezogen; het wordt tijd me te installeren bij een knapperende radiator met een pot thee en goede boeken. Ik heb een stapeltje in huis gehaald, dat genoeg moet zijn tot kerst.
.
Judith Zeh, Unterleuten. Nederlandse vertaling: Ons soort mensen
Hiervan heb ik al een derde gelezen. Unterleuten is een treurig boerengat in de ex-DDR (maar U mag geloof ik stiekem aan Untermenschen denken), waar de agrarische Produktionsgenossenschaft weer in handen is gekomen van de vroegere grootgrondbezitter en waar op zoek naar rust, natuur en goedkope huizen ook enkele Wessi’s zijn neergestreken. De contacten van de nieuwkomers met de oude ingezetenen lopen maar stroef en nu er een bedrijf grote windmolens wil gaan neerzetten spitst de situatie zich toe … gauw verder lezen, het boek is vrijwel unputdownable. Zeh fileert genadeloos de gedragingen en overtuigingen van alle medespelers in deze bittere tragedie—ik neem tenminste aan dat het daarop uit zal draaien.
.
Holger Gzella, De eerste wereldtaal. De geschiedenis van het Aramees
Het is duidelijk dat dit boek veel mensen niet zal interessen. Mij wel, want het Aramees heeft naast het Arabisch gelegen. En ooit heb ik Bijbels Aramees en wat Syrisch-Aramees geleerd.
Het Aramees mag best eens onder de algemene aandacht worden gebracht: Het was meer dan duizend jaar lang een wereldtaal, van Egypte tot diep in Azië. Het kende belangrijke sprekers, zoals Jezus bij voorbeeld, en er zijn belangrijke boeken in geschreven, zoals het bijbelboek Daniël; misschien oorspronkelijk ook delen van het Nieuwe Testament? dat weet ik niet; joodse bijbelcommentaren, de Talmoed en bovendien een enorm uitgebreide christelijke literatuur in het Syrisch-Aramees, die vrijwel niemand meer leest, maar die toch van groot belang is voor de geschiedschrijving van bijv. de vroege Islam, van de wetenschap en van de kerk. En gewoon om lekker te lezen bij de radiator, bij voorbeeld de reisverslagen van Nestoriaanse monniken in Centraal-Azië.
Ik heb Gzella’s boek nog niet gelezen, maar er even aan geroken. Het is opmerkelijk toegankelijk geschreven en bovendien in het Nederlands, dat is heel wat waard. Het zou dus best een algemeen publiek kunnen vinden; ook voor mensen buiten het vak is het onderwerp interessant genoeg. De competentie van de auteur, de Leidse hoogleraar voor Hebreeuws en Aramees, wordt algemeen erkend. Dit boek bewijst tevens dat er Duitse geleerden bestaan die leesbaar kunnen schrijven.
.
Daniel Kehlmann, Tyll (nog niet vertaald)
Nog niet aan begonnen, maar heb er wel fiducie in, want Kehlmann had al eerder een goed boek: Die Vermessung der Welt. Dit boek speelt tijdens de Dertigjarige Oorlog. Tyll is geïnspireerd op Tijl Uilenspiegel, die blijkbaar de hele boel aan elkaar moet praten.
.
David Rijser, Een telkens nieuwe Oudheid. Of: Hoe Tiberius in New Jersey belandde.
Hierop kan ik me ook verkneukelen, want vroeger heb ik met veel plezier Rijsers stukken in NRC-Handelsblad gelezen. (Geloof het of niet: vroeger had Nederland kwaliteitskranten.) Het gaat om de receptie van de Oudheid in latere tijden, ook in onze tijd. Das Fortleben der Antike, zoals dat hier in Duitsland heet. Het interesseert me ook omdat ik zelf misschien eens wat wil schrijven over de rol van de Arabieren/Perzen bij dat Fortleben. Die rol is wel bekend, maar wordt nog te vaak verwaarloosd of zelfs doodgezwegen. Maakt ook Rijser zich daaraan ‘schuldig’? In het hoofdstuk over de Liebestod en de Hoofse Liefde valt dadelijk op, dat daar geen woord wordt vuilgemaakt aan de Arabieren, hoewel die deze zaken volgens mij hebben uitgevonden.
.
Elena Ferrante, De nieuwe achternaam
Het tweede deel van een vierdelige cyclus, de zog. ‘Napolitaanse romans’. Vergeleken met de bovengenoemde werken misschien een lichtgewicht, maar omdat ik het eerste deel van de cyclus al gelezen heb wil ik toch doorgaan. Hoekige en slijmerige karakters die je bijblijven, en een goede schildering van de samenleving in een Napolitaanse buitenwijk.

3 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Literatur, Nabije Oosten, Taal

Nagelaten hulpverlening

Een kleine verandering in de inrichting van mijn werkkamer is niet geheel zonder betekenis. Naast mijn werkkruk is een plankje met woordenboeken. Ik bezit een groot Frans woordenboek, dat de laatste jaren niet op dat plankje stond, maar ergens waar het niet direct voor het grijpen was. Nu heb ik het dichterbij gehaald, en op zijn oude plek staat nu de dikke Oxford Arabic Dictionary.

Achterwaarts, Arabisch! moge Europa binnentreden! Ik zing volop in het Duits, Italiaans, Engels en Frans, en lees maar weinig Arabisch meer.

In de oude liederen die in een van mijn koren wordt ingestudeerd gaat het vaak over wrede vrouwen die een minnaar op afstand houden of zelfs kwellen. Bij voorbeeld in een gedicht van de kamerheer des konings Clément Marot (1497–­1544).1

MarotChanson$

Wij zingen alleen het eerste couplet, in een toonzetting van Andries Pevernage (1543–1591). In mijn onpoëtische vertaling luidt het:

Kom mij te hulp, Mevrouw, met liefdeblijken.
Zo niet, haalt weldra mij de dood.
Een ander kan geen hulp verlenen
Aan mijn vermoeide hart, dat sterven gaat.
Helaas, helaas, kom toch en help
dengeen die leeft voor U, in grote nood,
want van zijn hart zijt Gij de meesteres.

De dichter is doodziek van liefdesverdriet. Een zieke wendt zich natuurlijk tot een arts, en de enige arts die hem kan helpen is de geliefde. Maar helaas, die maakt geen aanstalten tot hulpverlening. Ze speelt wat met hem, maar de vele kussen die hij op haar mag veroveren maken de kwaal nog erger, terwijl veeleer seksuele vervulling het effectieve geneesmiddel zou zijn: jouissance est ma médecine expresse.

Hiermee was ik onverwacht weer terug bij het Arabisch. Dit is namelijk allemaal al in het Arabisch gedicht, in de achtste eeuw en nog heel lang daarna. Dat de middeleeuwse troubadourslyriek veel te danken heeft aan de Arabische poëzie is wel bekend, maar dat nog vele eeuwen later Arabische motieven in Europa zo gangbaar waren wist ik niet.

Dat liefde een ziekte is wist iedere Arabische dichter sinds Madjnūn. In het grijze verleden dacht men misschien nog aan demonen die een minnaar ziek maakten:

Arts der djinns, genees mij toch, want met mijn kwaal
weet een arts van mensen geen raad.

Maar iets later, zo omstreeks 700, dichtte Djamīl Buthayna:

Ze zeggen: Hij is betoverd, djinns maken hem gek
omdat hij steeds aan haar denkt.
Ik zweer: Waaraan ik lijd is waanzin, geen toverij.

en

Slapende reismakkers, wordt wakker!
Ik vraag u: Doodt liefde een man?
Zij zeiden: Ja, die verbrijzelt zijn botten, laat hem achter
in verwarring en van verstand beroofd.

Een ziekte dus, niets bovennatuurlijks. ِEen belangrijk symptoom van de aandoening is extreme vermagering, vliegende tering. Je hoefde maar te kijken naar bij voorbeeld de dichter ‘Abbās ibn al-Ahnaf (gest. 808) — en dat had zijn geliefde ook kunnen doen, maar het interesseerde haar niet:

De liefde voor U heeft mijn gebeente tot tering veroordeeld …
Ik zag U aan, gezond nog, en mijn blikken deden mij van binnen wegteren.
Ziet Ge niet hoe vermagering mijn gebeente doorschijnend gemaakt heeft?

Deze ziekte voert dikwijls tot de dood. Genezing kan, behalve de Allerhoogste, alleen de arts bieden die de geliefde is. Daartoe moet de patiënt wel eerst zijn klacht uiten. Een adagium van Ibn Dāwūd al-Isbahānī (868–909) luidt: ‘Niet verstandig is degene, die nalaat de arts te beschrijven waaraan hij lijdt.’ Toch laat de lijder dit vaak na, uit verlegenheid, discretie of uit wanhoop. Want maar al te vaak wil uitgerekend deze arts hem niet genezen, aldus ‘Abbās:

De arts was gierig met zijn medicijn voor de wegterende zieke.

of erger nog:

Waar haal ik het medicijn voor mijn lijden,
wanneer mijn ziekte de arts zelf is?

Soms kwelt de geliefde een minnaar tot de dood, en niet eens altijd met opzet. In de woorden van Fatḥ ibn Khāqān (817–861):

Gij maakte U meester van mijn ziel en besloot mij te doden,
nee, niet in ernst, maar de ziel gaat er wel aan ten onder,
als een vogeltje in een kinderhand die het knijpt
tot het dood is, terwijl het kind alleen wil spelen.

Dat seks genezend werkt wisten de oude Arabische dichters natuurlijk ook al. Op dit moment vind ik geen bewijsplaatsen, die houdt U nog te goed.

NOOT
1. De Fransen uit die tijd deden blijkbaar niet aan accenten. Veel moderne Fransen ook niet, omdat dat lastig is op een mobieltje.

1 reactie

Opgeslagen onder Arabisch, Literatur

Onweten 1

Er is er een jarig, hoera, hoera, dat kun je wel zien, dat is William Shakespeare. Vierhonderd jaar geleden gestorven, en wereldberoemd vanwege een prachtig oeuvre van toneelstukken en sonnetten, dat vraagt om een herdenking. Vandaar dat het nu Shakespeare-jaar is. Dat voert natuurlijk tot talloze opvoeringen van zijn stukken en dat is fijn.
.
Maar wie was William Shakespeare? De weinige harde feiten over de man die zo heette passen niet bij het grote en erudiete werk dat op zijn naam staat. Het onderzoek kort samengevat: we weten helemaal niets over hem, en dat al langer dan een eeuw.
.
Maar kort samenvatten is niets voor de radio, de televisie en de gedrukte media. In dit Shakespeare-jaar heb ik al zeker tien lange programma’s en artikelen langs zien komen waarin uitvoerig uit de doeken werd gedaan dat we helemaal niets weten over de auteur. En het is pas april!
.
Hoe beroemder iemand is, des te dringender het verlangen iets over hem te weten. In mijn vak kom ik dat tegen bij Mohammed. Nog zo iemand over wie maar snippers bekend zijn, maar over wie de mensen heel veel willen weten en dus eindeloos ouwehoeren. En echt niet alleen moslims.
.
Op kleinere schaal komt ik dit ongewenste onweten ook tegen bij mijn lectuur over de Rotskoepel in Jeruzalem. Een mooi en belangwekkend gebouw, maar waarom heeft kalief Abd al-Malik dat in 692 laten neerzetten? We weten het niet. En daar wil ik het dan maar bij laten.

1 reactie

Opgeslagen onder Geschiedschrijving, Literatur

Maisy de laan uit

What Maisy Knew hoef ik niet verder te weten. Drie weken geleden was ik begonnen deze roman van Henry James uit 1897 te lezen, maar ik ben niet verder gekomen dan een kwart ervan. Het is genoeg, ik leg het weg; het heeft me al die tijd afgehouden van andere lectuur.

Het gebeurt natuurlijk wel vaker dat ik een boek wegleg als het niet zo goed is. Vreemd is echter dat What Maisy Knew wel degelijk een goed boek is. Het is misschien wel héél goed: rijk taalgebruik om van te smullen, een perfecte opbouw, een thematiek die in die tijd zeker origineel en moeilijk moet zijn geweest: twee echtelieden die uit elkaar gaan en elkaar daarna voortdurend dwars zitten, een dochtertje van een jaar of tien dat tussen moeder en vader heen en weer wordt gestuurd en het slachtoffer wordt van de onmin. Beide ouders hebben een gouvernante ingehuurd; beiden hertrouwen ook, zodat er personages genoeg rondlopen, en ze worden allemaal zo goed ingevuld dat je ze duidelijk voor je ziet. De akelige en onbegrijpelijke lotgevallen van een scheidingskind van elkaar hatende ouders waren een eeuw geleden zeker niet algemeen en nog nauwelijks in romans verwerkt. Buitengewoon goed is dat de schrijver alles beschrijft vanuit het gezichtspunt van het kleine meisje, en met succes. Als dat geen prestatie is!

En toch, ik heb er geen zin meer in. Waarom begrijp ik niet.

5 reacties

Opgeslagen onder Literatur

Dewulf, Aan het water

In Antwerpen vond ik dit schone gedicht van Bernard Dewulf op een muur in Het Steen. Een Emigrant begrijpt dat wel.

Aan het water

Nu ik nooit van hier zal zijn
en dagelijks afkomstiger ben van elders,

nu ik hier dan toch in een bocht
aan het water een straat heb gelegd,

een vindplaats ingericht voor een kind,
een berk en wat rozen,

nu het kind over de latere voetpaden
met de jaren steeds meer afkomstig zal zijn

uit die straat aan het snelle water
tussen de oude berk en de rozen,

zal ik nooit meer van hier zijn dan nu.

2 reacties

Opgeslagen onder Literatur

Lezen in Thailand

Een  boek dat ik in Thailand las was in het Nederlands: Peter Buwalda, Bokito Avenue. Nee, het heet: Bonita Avenue. Ik had het niet gekocht; iemand had het blijkbaar in het hotel laten liggen. Een groot en dik boek, waarschijnlijk geschreven om tijdens twaalfurige vliegreizen het lawaai van de motoren te overstemmen. Maar het hapt ook gemakkelijk weg aan de rand van een zwembad, terwijl een bediende op zachte voeten een opengesneden mango met bolletjes vanilleijs en kleefrijst langs brengt.

Ik moest niet voor niets aan Bokito denken. Het is een boek waarin alles grof en agressief en too much is. Het lijkt op bepaalde moderne industrieel vervaardigde voedingsmiddelen, bij voorbeeld aardbeiensaus waaraan nog eens extra aardbeienaroma en kleurstof zijn toegevoegd.

De hoofdpersoon: een door een ongeluk gemankeerde judoka van wereldklasse, vervolgens wiskundige van wereldklasse, vervolgens rector magnificus en minister geworden. Wat een vitaliteit, wat een kracht, wat een doorzettingsvermogen. Zijn misdadige tokkie van een zoon, een etterbak die al even agressief is als papa, maar in een gevecht nog van deze verliest en langzaam doodvriest terwijl zijn brute verwekker erbij staat. Zijn ontaarde (niet lijfelijke) dochter die als jong ding al ruim een miljoen bijverdient met internetporno en in Amerika op veel grotere schaal daarmee doorgaat. Haar brave vriendje, dat niet zo maar een beetje gek wordt, maar compleet wild psychotisch. Niet bewezen is dat het dáárvan kwam. Er moest ook nog een enorme knal in; daartoe werd de ontploffing van de vuurwerkfabriek in Enschede geleend.

Een detail dat me nog extra heeft gestoord: de rector wordt op zeker ogenblik verleid door een bloedjonge, immorele studente. Dat is een geadopteerd meisje uit Thailand, opgevoed in een degelijk Nederlands gezin. Blijkbaar zijn het haar Thaise genen die haar predestineren om het hoertje uit te hangen. Bah!

Vragen die even opkwamen maar bij al dat lawaai ook snel weer verdwenen: Is het erg, is het immoreel om in het internet porno te bedrijven met je eigen vriendje? Zitten misdadigheid en gewelddadigheid in de genen? De eigenschappen die de vader zo ver gebracht hadden pakten bij zoonlief totaal verkeerd uit. Wat ontbrak was een opvoeding; door vaders echtscheiding was daar niets van gekomen. Maar een jongen als deze zou altijd moeilijk opvoedbaar, zo niet totaal onopvoedbaar zijn geweest. Tenslotte blijkt toch ook de ware aard van de vader. Maar willen we dan liever lieverdjes als rector, als minister?

Niet mijn soort boek, ik heb me over mezelf geërgerd dat ik toch doorlas. Maar dat deed ik. Toegegeven, Buwalda kan wel heel goed een pen vasthouden en spanning opbouwen. Maar zodra ik de laatste bladzij achter mij had gelaten riep ik uit: ‘Wat een rotboek!’ — H. is mijn getuige — en zoiets doe ik anders nooit. Een hele zak met misselijk makend snoepgoed achter elkaar leeg eten, ja, dat doe ik een enkele keer. Het bekomt niet, kan ik u zeggen.

Zoals Harry Quebert een Amerikaans boek is dat in het Zwitsers is geschreven, zo is dit er een dat in het Nederlands is geschreven. Het valt ook niet mee om in een boekvijandige wereld als schrijver nog een beetje beroemd te worden. Maar wat een geluk dat er nog zovele boeken uit de oude wereld bestaan.

11 reacties

Opgeslagen onder Literatur, Nederland, Thailand

Zwitseller: De waarheid over de zaak Harry Quebert

Mijn vakantieboek voor dit jaar was La verité sur l’Affaire Harry Quebert, door de Zwitser Joël Dicker. Tot mijn irritatie moest ik het in het Duits lezen, omdat het origineel nergens te krijgen was, ook niet in het Duitstalige deel van Zwitserland. Misschien is dat niet erg, want de Franse recensies zeggen dat de stijl maar matig is. Het Duits was stilistisch in orde. In het Nederlands zal het ook verschijnen, onder de titel De waarheid over de zaak Harry Quebert. Het boek viel me niet mee, maar bij tijden geeft het wel wat te denken. Het fopt de lezer een poosje, en dat is kunst.

Zwitsers is er niets in dit boek. Het is opgezet als een whodunnit die in de USA speelt, op (denkbeeldige?) locaties in een rustig en welvarend New England. Drieëndertig jaar na de verdwijning van de vijftienjarige Nola wordt haar lichaam gevonden bij het planten van hortensia’s in de tuin van de succesvolle schrijver Harry Quebert. Naast het lichaam bevindt zich het manuscript, met handgeschreven opdracht aan Nola, van de bestseller waarmee Quebert beroemd is geworden. De schrijver wordt gearresteerd en voor het gerecht gesleept, maar halverwege het boek weer vrijgelaten. De enige die van begin af aan in zijn onschuld gelooft is zijn leerling en vriend Marcus Goldman, die het schrijven van Quebert heeft geleerd en eveneens een bestseller heeft geschreven. Een tweede boek wil hem maar niet lukken (schrijversblok), maar het onderzoek naar de moord en een enorm voorschot bevleugelen hem en ook hij schrijft weer een bestseller. Hij vindt samen met een politieman inderdaad uit wie destijds die moord heeft gepleegd, en ook dat Quebert zijn meesterwerk niet zelf had geschreven.

Dat laatste had ik al halverwege de lectuur begrepen. Dat de handgeschreven opdracht op het manuscript in het graf niet van hem was, was me ook te vroeg duidelijk. De lezer wordt nodeloos aan het lijntje gehouden doordat het rapport van de grafoloog erg laat afkomt; was dat eerder gekomen, dan had het boek minstens honderd, misschien wel tweehonderd bladzijden korter kunnen zijn. Wie die moord gepleegd had kon me niet veel schelen; ik heb op dit ogenblik zelfs grote moeite me te herinneren wie het ook al weer was. Voor een detectiveroman zijn dat geen goede tekenen. Het interessante wat overblijft is het onderwerp ‘schrijven’, hoewel ook op dit gebied de lezer beetgenomen wordt.

In het boek komen als gezegd twee enorme bestsellers voor. Quebert is rijk en hoogleraar geworden met zijn liefdesroman De oorsprong van het kwaad. Goldman krijgt voor het verslag van zijn onderzoekingen meteen een miljoen dollar aangeboden, en daar komen de reclame- en televisierechten en een bewerking voor Hollywood nog bovenop. Na een poosje worden de boeken van Quebert én van Goldman nog eens tesamen in een fraaie cassette op de markt gebracht. Buiten de fictieve boeken is er nog een derde bestseller, namelijk het boek van Dicker zelf, want ook dat verkoopt geweldig en is al in vele talen vertaald. Gewone boeken, met een oplage van vijfduizend of dertigduizend exemplaren, komen in dit universum niet voor.

Zowel uit het boek van Quebert als dat van Goldman worden langere citaten gegeven. Quebert blijkt pulp over de liefde te zijn, Goldman is journalistiek over een schandaal. Zoiets zou je niet willen lezen, en het is erg onwaarschijnlijk dat deze boeken zulke ongelofelijke bestsellers werden. Of misschien juist toch? Wil Dicker de spot drijven met het Amerikaanse boek- en reclamewezen, waardoor ieder niemendalletje tot enorme proporties kan worden opgeblazen? Omdat in het grote Amerika de vliegtrajecten vaak lang zijn is daar blijkbaar enorme behoefte aan onbeduidende dikke boeken voor op reis. Ik neem ook geen serieuze lectuur mee in vliegtuigen; ook ik had Dickers boek gekocht voor de dode momenten op mijn vakantiereis.

Dicker heeft in Amerika gewoond en daar blijkbaar veel Amerikaanse boeken gelezen. Hij moet ook een handleiding van de soort Zelf schrijver worden in eenendertig lessen gekocht hebben, die hij met vrucht heeft gebruikt. Die lessen krijgt de lezer geleidelijk ook voorgezet. Dickers boek kun je lezen als een sterke uitvergroting van die handleiding, dus waar wacht U nog op? Schrijven is echt erg eenvoudig, zoals uit zijn verkoopsucces blijkt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Literatur, Schrijven, Zwitserland

Wegdoen

Van de tweeëndertig meter boek die ik wilde wegdoen zijn er pas zeven de deur uit. Zo schiet het niet op. Verkopen gaat bijna niet meer, nu zelfs bibliotheken liever boeken weggooien dan ze bewaren en het belangrijkste antiquariaat in Nederland tegenwoordig Polenta of Polisario heet of zoiets. Een paar meter moderne Arabische literatuur heb ik aan een bibliotheek in Keulen verkocht waarvan ik weet dat ze erin geïnteresseerd is en blijft. Andere boeken zijn op de graaitafel bij een instituut geland, waar geïnteresseerde studenten ze nog een tweede leven geven. Ja, boeken moeten een liefdevol en betrouwbaar onderdak krijgen, ook voor de toekomst, want hoe het internet zich ontwikkelt weet niemand. Het is zelfs nu al zo dat Europa minder toegang heeft tot electronische bibliotheken dan de USA.

Gisteren was ik op bezoek bij iemand die mij zijn nieuwste aanwinst liet zien: een e-reader. Het duurde nog een paar uur voor het kwartje viel: als ik nou ook zo’n ding koop en het zou blijken te bevallen, dan kunnen in ieder geval de klassieken de deur uit. Shakespeare, Proust, Kleist, Goethe, Jean Paul, zulke dingen, die je niet kwijt wilt maar misschien niet altijd in gedrukte vorm moet hebben staan. Het zal een raar gevoel zijn ze te ontberen, maar het scheelt meters! Ik speculeer er dan op dat het toch nog tien jaar goed gaat met die apparaten. Die downloads zijn misschien allemaal wat vluchtig, maar ze hebben ook voordelen: ze zijn zo goed als gratis en je kunt ze overal lezen, op een onbewoond eiland, en zelfs in het verpleeghuis of in het graf, als je er zo’n LED-leeslampje bij neemt. En anders schrijf je zelf eindelijk maar eens een boek.

De restboekenkasten komen er dan wel raar uit te zien: alleen nog werken die te zeldzaam zijn om gescand te worden. En de vakboeken natuurlijk.

Het is trouwens lekker weggooiweer deze dagen. Overtollige papieren gooi ik gewoon weg. Ik meet ze niet op, maar het dunt al aardig uit.

5 reacties

Opgeslagen onder Literatur, Persoonlijk

Op vakantie 7a – Werken

Mijn vakantiehuisje staat achter het huis van de verhuurders, midden in hun grote tuin. Die tuin is prachtig, met veel liefde en zorg aangelegd en bijgehouden, en ik mag daarvan meegenieten. Zo’n tuin, dat betekent veel werk. Maar is dat werk? Voor de eigenaars niet, denk ik, want ze doen het in hun zogeheten vrije tijd, en wel omdat ze er kennelijk plezier in hebben. Uit economisch gezichtspunt is deze tuin bijhouden ook geen werk: het is geen moestuin, dus er is geen productie. Maar laat niemand zeggen dat het bijhouden van een tuin overbodig is. Al is het economisch nergens goed voor, menselijk is het zeer nodig. Alleen al de aanblik van die eeuwenoude tuinen in de oude stad van Marburg waar niemand meer iets aan doet is zo hartverscheurend dat het duidelijk is dat het moet gebeuren. Van een tuin word je een beter mens. Je erf laten verflodderen of met beton overgieten voor een parkeerplaats maakt je juist slechter. Maar daar begrijpt de markt niets van.
Ik heb geen tuin en ook geen paarden om te verzorgen, dus ik doe helemaal niets. Daar word ik welbeschouwd voor betaald. Maar het blijft een raar gevoel.

En dat fietsen, is dat werken dan? Nee, daarvoor is het veel te leuk. Ik heb echt weer de smaak te pakken en zou nu dagen achter elkaar doorgaan, als er niet intussen een natte herfst met een graad of twaalf was begonnen. Fietsen produceert ook niets. Behalve dat het genot geeft heeft het nog een functie, namelijk de verbetering van mijn conditie, die van de winter door ziekte nogal geleden had. Ik denk wel dat ik nu meerdaagse tochten in Duitsland aan kan.

En mijn gepruts aan oude Arabische teksten, bij voorbeeld aan de biografie van de profeet? Dat mag geen werken heten, anders zou ik er subiet mee ophouden. Maar eerlijk gezegd is er wel degelijk verschil tussen deze vakantie en de vrije tijd thuis, die ik toch grotendeels aan de schrijftafel doorbreng. Ik doe het niet helemaal voor mijzelf, zoals fietsen; het is wel degelijk de bedoeling dat anderen er kennis van nemen. Economisch is het zo op het eerst gezicht weer nergens goed voor, maar bij nader inzien is het dat wel degelijk. Het zijn immers oude teksten zoals de bijbel, de koran en nog van alles eromheen, die nog steeds erg bepalend zijn voor hoe mensen zich gedragen en hoe een maatschappij reilt en zeilt. Veel sociaal, politiek en economisch handelen geschiedt nog altijd op grond van zulke teksten. Maar die teksten te begrijpen en waar nodig de ontsteking eruit te trekken, nee, dat geldt als een bizarre en luxe vrijetijdsbesteding.

Kuifje. Goud-Elsje. Joe Speedboot. Batman. Publieke werken. Harry Potter. Robinson Crusoë. Bonita Avenue, en bovendien nog al die doktersromans, cowboy romans en SF, wat hebben die met elkaar gemeen? Wie deze of dergelijke boeken leest weet het meteen: zij vertellen verhalen die niet echt gebeurd zijn. Het is fictie. Om dat te weten is geen opleiding in de literatuurwetenschap nodig.
Maar van de verhalen over Mozes, Jezus of Mohammed denken de meeste mensen dat ze echt gebeurd zijn. Okay, de opstanding uit de doden, de verschijning van God zelf of van engelen, wonderbare genezingen e.d., die accepteert niet iedereen, maar de rest van die verhalen wordt vaak wel voor zoete koek geslikt.
Omdat die teksten erg oud zijn en dus uit een andere cultuur stammen is het minder makkelijk om op grond van de verschijningsvorm te zien dat het fictie is. Daar komt nog bij dat ze zijn omgeven met een aureool van heiligheid. De verhalen over Jezus staan zelfs in de Evangeliën, de kern van de Heilige Schrift van de christenen. Zij moeten dus per definitie waar zijn. Het leven van Mohammed staat niet in de koran en is dus wat minder heilig, maar is voor moslims toch zeer onmisbaar, en daardoor heilig geworden. Zonder een waar gebeurd verhaal over de profeet zou niemand moslim kunnen zijn.
Van die heilige verhalen moet dus geloofd worden dat zij geen fictie zijn. Maar de heiligheid bestaat alleen voor de betreffende gelovigen; voor (ex-)christenen bij voorbeeld zouden er geen remmingen hoeven bestaan om in de teksten over Mohammed fictie te herkennen. Toch gebeurt dat uiterst zelden. Er vinden verhitte discussies plaats op grond van vermeende feitelijkheden: Mohammed was getrouwd met een kind. Hij was heel aardig voor vrouwen. Hij had een gewelddadig karakter. Hij was oorlogszuchtig. Hij was vredelievend. Hij was de goedheid zelve. Hij heeft de joden uitgeroeid. Hij was een voorstander van sociale gelijkheid, enzovoort. Op grond van een keuze uit zeer vele, meest slecht begrepen teksten bakt iedereen zijn eigen profeet, die dan werkelijk zo geweest moet zijn.
Ik zal het U vast verklappen: wat de echte Mohammed in werkelijkheid deed of zei is niet bekend. Misschien zijn er een paar kleine snippers over hem die voor de geschiedschrijving bruikbaar zijn, maar meer niet. De rest van die tienduizend bladzijden is fictie, resp. mythologie.1

Salafisten en andere bible belters kan ik niet van hun geloof afhelpen. Niet alleen omdat zij ongeletterd zijn, maar ook omdat zij net zo in elkaar zitten als sectariërs en/of fascisten. Hun geloof is erin geramd. Om zulke mensen te deprogrammeren heb je een psychiater nodig. Maar wie weet leren hun kinderen ooit lezen en vragen te stellen.
Gewone gelovigen wil ik zelfs niet van hun geloof afhelpen. Dat geloof is hun zaak, daar blijf ik af. Ik begrijp heel goed dat zij een waar verhaal nodig hebben.
Maar er zou al wat gewonnen zijn als tenminste niet-moslims en vrijzinnige moslims een blik ontwikkelden voor zulke teksten. Dan zou dat vervelende islamgezeur eens kunnen ophouden en zou het leven wat normaler worden in Nederland. Daarom beeld ik mij in dat mijn geknutsel ergens goed voor zou kunnen zijn. Mooi zou het zijn als het tot een boekje gestructureerd werd, maar voorlopig fragmenteer ik maar wat aan. Het mag geen werken worden tenslotte.

NOOT
1. Bij dat oude spul komen natuurlijk allerlei vragen op. Konden auteurs, die nog helemaal niet wisten wat fictie is, wel fictie schrijven? Of moet het anders heten?

21.5.2013

5 reacties

Opgeslagen onder Godsdienst, Islam, Literatur, Persoonlijk, Schrijven