Categorie archief: Latijn

Expectans expectavi

Het is nog erger dan ik dacht met dat Kerklatijn. Het zal U niet interesseren, maar ik werd vanochtend ontwakend wakker met de dringende drang hier eens een kijkje naar te kijken. Expectans expectavi Dominum et intendit mihi: ‘wachtend heb ik gewacht op de Heer en Hij neigde zich tot mij’: het staat in Psalm 39 (40):2 en komt voor in het Oratorio de Noël van Saint Saëns, dat wij zaterdag gezongen hebben en dat nu nog in mij nazingt. Omdat ik Semitische talen heb gestudeerd begreep ik meteen wat bedoeld was: ‘Ik wachtte vurig, of: vol verlangen op de Heer … .’  Hebreeuws: qawwō qiwwītī:1 wanneer de infinitief wordt toegevoegd aan een werkwoordsvorm versterkt dat de betekenis van het werkwoord, vandaar dus ‘vol verlangen wachten’ of iets dergelijks. Men noemt het een constructie met het inwendig of absoluut object.2 Maar met zo’n infinitief wist de bijbelvertaler Hieronymus (347–420) blijkbaar geen raad; hij dacht met het neerpennen van het tegenwoordig deelwoord expectans wel genoeg gedaan te hebben. Hoewel hij enig Hebreeuws kende werkte hij toch overwegend vanuit de oude Griekse vertaling, die reeds dezelfde vreemde constructie had.1 Hij kende niet genoeg Hebreeuws om het beter te doen dan de Grieken en rommelde maar wat aan. Bij Bethlehem, waar hij woonde, zal toch wel ergens een rabbijn rondgelopen hebben? Van de joods-christelijke cultuur kwam ook in de Oudheid al weinig terecht.
.
In de oren van een doorsnee Romein moet zo’n Latijnse bijbeltekst toch raar geklonken hebben? Maar misschien is dat juist goed. Een heilige schrift moet nooit helemaal begrepen worden, altijd een beetje raar zijn; dat draagt tot haar heiligheid bij.

NOTEN
1. Ὑπομένων ὑπέμεινα       קַוֹּ֣ה קִוִּ֣יתִי
2. Het Latijn kent wel een inwendig object, maar dan wordt er bij mijn weten altijd nog een attribuut toegevoegd, bijv. deorum vitam vivere, ‘een godenleven leiden’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Latijn

Laat Latijn

Nadat ik een paar jaar geleden enige moeite had gedaan om mijn kennis van het Latijn wat op te krikken, met behulp van Addisco Onderwijs,  kreeg het zingen de overhand. En omdat veel van de oudere muziek die ik zing kerkmuziek is, dreef ik af in de richting van het Kerklatijn. Dat is dikwijls nogal slecht Latijn: media of zelfs infima latinitas, zowel in de bijbelvertaling als in kerkelijke teksten. Het is toch wel te genieten, om twee redenen: 1. als je iets maar vaak genoeg hoort wordt het vanzelf dierbaar. 2. In combinatie met muziek kunnen zelfs de beroerdste teksten mooi worden, zoals ook blijkt bij vele liedteksten uit de Duitse romantiek (Und der hoffnungslose Kummer | scheucht von meinem Bett den Schlummer, om maar iets te noemen).
.
Toch waren er in de Middeleeuwen ook auteurs die het Latijn echt beheersten. Een van hen was Guibert van Nogent (1055–1124), een Benedictijnse abt uit Noord-Frankrijk, bij wie ik terecht kwam tijdens een onderzoekje. Voor mij is hij moeilijk te lezen, want de simpele taal van eenvoudige gelovigen is hem vreemd en hij doet soms nodeloos ingewikkeld; daarom ontcijfer ik af en toe maar een klein stukje. Om te beginnen met een vertaling ernaast, maar die is ook niet altijd even goed. Ik analyseer alle werkwoordsvormen en de syntax en leer de woordjes net als vroeger op school; dan zal het op den duur vlotter en zelfstandiger kunnen gaan. Nadeel van middeleeuws Latijn is dat de woorden niet allemaal in de gangbare woordenboeken staan. De volgende fase zal zijn: zelf een tekst lezen en daarna de vertaling ernaast leggen ter controle. Zal ik ooit helemaal zelfstandig Latijn kunnen lezen? Te vrezen is van niet. Suggesties tot verbetering van de vertalingen zijn natuurlijk zeer welkom.
.
Guibert (Nederlands Gijsbert?) bericht interessant over de kruistocht en schreef een van de zeldzame autobiografieën uit die tijd, die wat aan Augustinus herinnert en de lezer even in die eeuw binnen laat kijken. Maar een aardige man was het niet, eerder een beetje een kwezel en een zeikerd. Misschien moest je dat wel zijn als je abt wilde worden. Hij was bij voorbeeld dankbaar dat zijn vader zo vroeg gestorven was, zodat niets zijn religieuze opvoeding meer in de weg stond:

Nu had ik na mijn geboorte nauwelijks geleerd mij aan mijn rammelaar te hechten toen U, genadige God, die voortaan mijn Vader zou zijn, mij tot wees maakte. Want toen er bijna acht maanden verstreken waren stierf mijn vleselijke vader: daarvoor grote dank aan U, die deze man in christelijke gezindheid deed heengaan, die zonder twijfel Uw voorziening die U aangaande mij getroffen(?) had in gevaar zou hebben gebracht als hij was blijven leven. Want omdat mijn aanleg (formula??) en een zekere voor iemand van zo tedere leeftijd natuurlijke levenslust mij geschikt leken te maken voor deze wereld, twijfelde niemand eraan dat hij, als de passende tijd gekomen zou zijn om de letters te leren, de gelofte zou verbreken die hij aangaande mij had gedaan. Goedertieren Beschikker, voor ons beider welzijn beschikte U, dat ik in geen geval het eerste onderricht in Uw leer zou ontberen en dat hij zijn plechtige gelofte aan U niet zou verbreken.

Stel je voor dat zijn vader hem had leren vissen en paardrijden en boogschieten, en misschien had meegenomen naar de kroeg!
Arrogant was hij ook:

De bij uitstek roemruchte steden Antiochië, Jerusalem en Nicea en de provincies Syrië, Palestina en Griekenland, van waaruit de zaadjes der nieuwe genade zijn opgekomen, hebben hun innerlijke kracht in de wortel verloren, terwijl de Italiaanse, Gallische en Britse zijloten bloeien.

Dit schreef hij in 1109, over steden en streken in het oosten, waar het leven nog altijd op een aanzienlijk hoger niveau stond dan in West-Europa. Wat was Noord-Frankrijk helemaal in die tijd? een dun bevolkt, modderig land met hier en daar een kil kasteel of klooster. Guibert betoont zich een voorloper van de latere koloniale kijk op de wereld.
.
Ik streef er overigens niet naar, later in het Latijnstalige deel van de hemel te belanden. Misschien kunnen ze me daar gebruiken als zanger in een engelenkoor, maar de Arabische afdeling is qua voorzieningen wel zo prettig. Of zou het toch de hel worden? De specu tuos tartari educ, et antro barathri!

Fragment 1. Natus igitur vix didiceram fovere crepundia, cum tu, pie Domine, qui pater futurus mihi eras, orphanum me fecisti. Exhausto enim octo fere mensium spatio, pater meæ carnis occubuit: et magnas inde tibi gratias, qui hunc hominem sub Christiano affectu fecisti decedere, providentiæ tuæ, quam de me habueras, si adviveret, indubie nociturum. Quia namque formula mea, et naturalis qædam pro ætulæ illius quantitate alacritas idonea huic sæculo videbatur, nulli dubium erat, quin cum litteris ediscendis habile tempus adesset, ea quæ de me fecerat vota resolveret. Bone provisor utrimque salubriter disposuisti, ut et ego nequaquam tuarum disciplinarum rudimento carerem, et ille quam tibi fecerat non interrumperet sponsionem.
Fragment 2. Predicatissimæ nobilitatis urbes Antiochia, Iherusalem ac Nicea, provinciæ etiam Syria, Palestina et Grecia, e quibus novæ gratiæ seminaria pullularunt, abortivis florentibus Italis, Gallis, Britonibus, ab interno virore radicitus defecerunt.

1 reactie

Opgeslagen onder Europa, Godsdienst, Latijn

Verder met Latijn

Twee weken zomercursus, hoe intensief ook, is niet genoeg om grondig Latijn te leren; er moet meer gedaan worden, maar niet op zo bloedige wijze als men zich uit de jeugdjaren herinnert. Ik heb twee dikke Duitse grammatica’s van het Latijn en een majesteitelijk woordenboek. Als filoloog oude stijl moet ik mij soms dwingen die dicht te laten. Er is nu namelijk een moderne leermethode en daarmee zal ik doorgaan.1
Het gebruikte leerboek is zo opgebouwd dat je geen woorden hoeft op te zoeken: ze worden getoond door plaatjes, je kunt vaak raden wat ze betekenen, ze staan in de kantlijn nog eens, soms met een omschrijving (in Latijn dat je inmiddels al kent), soms met het tegengestelde erbij. Als je magnus ‘groot’ al kent, vind je bij het eerste voorkomen van parvus: ↔ magnus, zodat je begrijpt dat het ‘klein’ betekent. Als je het boek braaf doorwerkt ken je iets van achttienhonderd woorden! Heb ik niet verkeerd geteld? Nog eens: nee, het klopt echt. Achttienhonderd, dat is al heel wat. Vijfduizend geldt meestal als working knowledge.
Wat heet kennen? Al gauw kun je die lesjes begrijpen, ‘vertalen’, maar dat is nog niet kennen. Het Latijn heeft immers naamvallen, declinaties, tijden, wijzen en conjugaties. Ook die moeten gekend worden en dat gaat met praktische oefeningetjes die in het boek staan. Daarenboven oefen ik nu met de bijgeleverde invuloefeningen in het internet. Die dwingen mij bijv. op opengelaten plaatsen de passende uitgang in te vullen. Meende ik het woord pater ‘vader’ te kennen? Als ik moet invullen a patr.. ‘door de vader’ blijkt dat toch niet zo te zijn. Het is niet *a patri, sukkel, maar a patre! De oefening een poosje later nog eens herhalen; de volgende keer doe je het goed. Als ik daarmee klaar ben (met Kerst?) heb ik nog een deeltje met weer andere, echt pittige oefeningen klaarliggen. In zwaardere oefeningen moet je zinnen van type A omzetten in type B, wat het gebruik van passief, infinitief of conjunctief en een heel andere zinsbouw met zich meebrengt. Hetzelfde nog eens in andere woorden vertellen. Zeer nuttig allemaal.
‘Als je het boek braaf doorwerkt …’: maar zijn die taalboeken voor beginners niet altijd stomvervelend? De eerste lessen zeker; dat kan ook haast niet anders. Wat voor interessante zinnen kun je bouwen als je pas tien, twintig of vijftig woorden kent? ‘Ik heet Jan, en wie ben jij?’— u kent het wel.
Dit boek draait om de lotgevallen van een familie en hun talrijke slaven. Het is gek: ik heb waarachtig wel betere fictie gelezen, maar toch leef ik mee met die personen: met vader Iulius en moeder Aemilia en hun drie kinderen, waarvan de oudste snotneus echt een ettertje is. Maar ook met de slaven in de villa, en de weggelopen slaaf Medus, die door zijn vriendin Lydia wordt verleid met van zijn baas gestolen geld een veel te dure ring voor haar te kopen. Ze nemen de wijk naar Griekenland, hun vaderland. Op de boot stormt het vreselijk en daar blijkt dat Medus een heiden is, maar Lydia een christin. Als dat maar goed gaat, denk je dan, en je bent nieuwsgierig naar het vervolg. Zou zijn baas hem ooit nog terugkrijgen? In de oefeningenboekjes krijgen de personages uit deel één nog meer leven en verschijnen er nog meer personages. In dit opzicht onderscheidt het leerboek zich gunstig van andere mij bekende. Het heeft geen literaire kwaliteit, maar je bent gewoon nieuwsgierig naar de lotgevallen. Dat heb ik in zulke leerboeken nog niet beleefd.
Toch is alleen zo’n leerboek wat saai; je wou toch teksten lezen? Ammianus Marcellinus lezen is mijn wens. Ik heb het opgeslagen maar zie aan: dat is pittig. Ik kan het wel ontcijferen, met een vertaling ernaast, maar dat is geen lezen, dat is een bezigheid die sterk herinnert aan het oude gymnasium. Zwoegen, een of twee uur per alinea, woordenboek en grammatica erbij; nee zo wil ik het niet meer. Dus dat even uitstellen.
Makkelijker lijkt te zijn Petronius, Satyricon; herinnert U zich de film? Ook nog even mee wachten.
Gezellige beginnerslectuur blijken de verhalen van Syra te vormen.2 Hier vertelt de uit Familia Romana bekende slavin aan de haar toevertrouwde kinderen verhaaltjes die vrijwel moeiteloos te begrijpen zijn, ook in bed. De inhoud is fantastisch, want bestaat uit klassiek verhaalmateriaal: Orpheus en Euridice, Polyphemus, Philemon en Boukje, Prometheus, Andromeda, Phaeton, de hele handel die je als beschaafd mens sowieso hoort te kennen, kort samengevat en voor kinderen opnieuw verteld, zonder echter kinderachtig van zinsbouw te zijn. Zo’n kind van Syra wil ik graag even zijn. Ze heeft een lelijke neus, zo hebben we in het leerboek geleerd, maar het is een schat van een mens en ze kan mooi vertellen.
.
Het is eigenlijk onbegrijpelijk waarom het onderwijs in Latijn nog op ouderwetse wijze plaats vindt. Zeker nu er nog maar zo weinig uren worden gegeven, omdat de kinderen immers met hun telefoontje moeten spelen, zou er met grotere efficiëntie gewerkt moeten worden. Misschien kunnen de leraren het nog niet aan. Die moeten natuurlijk in staat zijn vlot Latijn te spreken. Dat kunnen er maar weinig, maar er wordt dus aan gewerkt.

NOTEN
1. Hans H. Ørberg, Lingua Latina per se illustrata. Pars I: Familia Romana, Roma MMXIII
2. Luigi Miraglia, Fabulae Syrae, Roma MMX.

2 reacties

Opgeslagen onder Latijn, Persoonlijk

Cursus Latijn

Het geheugen. Vijftig jaar geleden kwam ik van het gymnasium. Daar had ik een redelijke hoeveelheid Latijn geleerd, maar in de halve eeuw daarna had ik er weinig mee gedaan, zodat ik er eigenlijk helemaal geen toegang meer toe had. Anders gezegd: ik was het vergeten.
Dit eigendom wilde ik terug hebben, al was het alleen al om Ammianus Marcellinus in het origineel te kunnen lezen.
Deelname aan een cursus gesproken Latijn leek me het handigste middel om het geheugen weer te activeren. Uit eigen (arabistische) ervaring weet ik immers dat je een taal die alleen geschreven wordt toch het best kunt leren door te doen alsof hij gesproken wordt. Gesproken Latijn dus; eerst maar eens voor twee weken. Het onderwijs blijkt uitstekend te zijn en ziedaar, het werkt: karrenvrachten Latijn staan weer ter beschikking. Volgende week thuis verder daarop voortbouwen.
De aanname was dat alles wat je ooit in een geheugen stopt er ook weer uitgehaald kan worden—behalve natuurlijk in geval van dementie. Dat blijkt dus te kloppen. Een zekere belangstelling voor het vergetene is ook vereist: differentiaalrekening zou in mijn geval niet meer terug te halen zijn.
.
Nu de tweede week ten einde loopt verdwijnt gelukkig het Italiaans een beetje. In het begin, als ik iets moest zeggen, schoven er steeds Italiaanse woorden of zinnen voor. En dat is vreemd, want ik ken niet veel Italiaans. Een cursusje en een veertiendaags werkverblijf in Rome en Turijn in 1971(!); twee, drie boeken, wat liederen en opera’s en wat vakliteratuur. Weinig tot geen spreekervaring. Toch drong dat Italiaans zich op; andere deelnemers hadden last van Spaans of Frans. Misschien gewoon omdat het moderne talen zijn, die dichter bij ons staan. Latijn spreken is toch een beetje eigenaardig. Maar als voorbereiding om het te gaan lezen blijkt het dus heel geschikt.
.
Taalonderwijs in Nederland. In beide weken bestond driekwart van de deelnemers aan de cursus uit leraren klassieke talen, en die praten natuurlijk over hun vak. Daarbij bleek dat het aantal lesuren dat aan Latijn en Grieks besteed wordt sterk is gedaald. Zo zeer zelfs, dat het de vraag is of het genoeg is om ooit een werkkennis van die talen op te doen. De ene student klassieke talen die erbij is vertelde dat er bij hem op college of voor de ‘punten’ nooit teksten gelezen worden in Latijn of Grieks! Waartoe dan nog die façade? Het irriteerde hem zo dat hij dus elders zijn toevlucht zocht. Die zie ik volgend jaar wel naar Italië verdwijnen, waar je een half jaar achter elkaar praktisch Latijn kunt studeren. Ook het Arabisch aan Nederlandse universiteiten is de nek omgedraaid door het als een deelvak onder te brengen bij andere, veelomvattende studierichtingen die dus helemaal niets omvatten, en dat schijnt nu zelfs met de moderne talen te gebeuren. Nederland heeft zo de talenstudies aan de universiteit vrijwel geheel afgeschaft—voor zover ik weet als enige land in Europa; of misschien doet België mee. Dat past wel bij de huidige politiek, die de ene blunder op de andere stapelt. Want waarom wordt Nederland zo slecht geregeerd? Ik ben ervan overtuigd dat één reden is, dat de dames en heren in Den Haag niet hoog genoeg zijn opgeleid. Mensen hoog opleiden doe je namelijk mét vreemde talen, literatuur, kunst, muziek, theater en nog zowat. Wat heeft dat Fyra-debakel ook al weer gekost? Van dat bedrag kun je generaties lang taal- en literatuuronderwijs geven.

4 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Latijn, Persoonlijk