Categorie archief: Kairo

Quarantaine-teksten 4: de pest in Egypte (1798)

In 1798 bezetten de Fransen Egypte, waar zij drie jaar zouden blijven. Een plaatselijke geschiedschrijver, ‘Abd al-Raḥmān al-Djabartī, hield gedurende de eerste maanden van de bezetting een dagboek bij. Daarin is onder andere te lezen over de pest. De Fransen hadden een panische angst voor de pest, die zich volgens hen verbreidde door miasmen: vuile dampen, rottende, vochtige lucht, en de uitwasemingen van zieken en lijken. Zij namen drastische maatregelen, waarvan quarantaine er één was. De bedorven lucht probeerde men te verbeteren door het verbranden van kruiden en wierook. Pestartsen droegen een lange puntneus, aan het eind waarvan geurstoffen waren aangebracht; zij liepen rond met een soort wierookvat.
Al-Djabartī‘s mededeling over hoe de Fransen met hun doden omgingen is fake news. De Fransen waren bezetters en werden door de Egyptenaren gehaat, vandaar.
Drie niet samenhangende fragmenten uit het dagboek (mijn vertalingen):

“Later werd duidelijk dat deze Bishli al ruim veertig dagen eerder was aangekomen met de correspondentie van de Vizier aan ‘Ali Bey […] maar de Europeanen hadden hem op het schip in Alexandrië geïsoleerd met de passagiers, uit angst dat de pest hen had besmet. Na veertig dagen lieten ze hen van boord gaan en gaven hun toestemming om te reizen, nadat ze zwaar hadden geleden onder de opsluiting en de benauwenis en de rook die werd gebruikt om hen te ontsmetten in het ruim, dat is de buik van het schip. Dit kwam nog bovenop de duurte, enzovoort.”
===
“Op die dag zeiden ze de mensen dat ze hun doden niet meer mochten begraven op begraafplaatsen in de buurt van woningen, zoals de begraafplaatsen van al-Azbakīya en al-Ruway‘ī en dat ze hen alleen mochten begraven op begraafplaatsen veraf. Degenen die geen graf op de begraafplaats hadden, moesten hun doden in de die van de Mamelukken begraven. En als ze iemand begroeven moesten ze dieper graven. Verder gaven ze de mensen opdracht hun kleding, meubels en beddengoed enkele dagen op de daken uit te hangen en hun huizen uit te roken om de geur van verrotting te verwijderen. Dit alles uit angst, zoals ze beweerden, voor de lucht en de besmetting van de pest. [De Fransen] menen dat de verrotting in de diepte van de aarde gevangen zit. Als de winter intreedt en de diepte van de aarde koud wordt door de Nijlvloed, de regen en de vochtigheid, komt wat er in de aarde gevangen zit naar buiten met zijn dampen van bederf en verrot de lucht, zodat er een epidemie en de pest ontstaan.
Wat [de Fransen] zelf betreft: het is hun gewoonte om hun doden niet te begraven, maar ze op vuilnishopen te gooien, zoals de kadavers van honden en beesten, of ze in de zee te gooien. Verder zeiden ze nog dat zij, wanneer er iemand ziek werd, op de hoogte gesteld moesten worden. Dan zouden zij een gevolmachtigde sturen om hem te onderzoeken en uit te zoeken of hij de pest had of niet.”
===
“Op die dag werd in de marktstraten omgeroepen dat kleding en huisraad gedurende vijftien dagen in de zon moesten worden uitgehangen, en ze gaven de sjeiks van de verschillende kwartieren, straatjes en …? opdracht deze activiteit te controleren en te inspecteren. De autoriteiten benoemden voor ieder straatje een vrouw en twee mannen die de huizen moesten binnengaan om te inspecteren. De vrouw moest naar boven gaan en de twee mannen melden dat ze hun kleren in de zon hadden uitgespreid. [De familie] gaf hun dan wat muntjes. Ze vertrokken pas nadat ze de bewoners ernstig hadden gewaarschuwd en hun hadden meegedeeld dat er over enkele dagen ook een groep Fransen zou komen inspecteren. Dit alles werd uitgevoerd om de geur van de pest uit de kleren te doen verdwijnen. Daartoe schreven ze aankondigingen uit die zij, zoals gewoonlijk, aanplakten aan de muren.”

ثم تبين ان هذا البشلي حضر من مدة نيف واربعين يوما وبيده مكاتبات من الوزير خطابا لعلي بيك قابجي باشا الذي كان معينا بطلب المال والخزينة وحجزوه الفرنج في المركب في سكندرية مع الركاب خوفا من تعلق الطاعون بهم. فلما مضي عليهم اربعون يوما اخرجوهم واذنوهم في السفر بعد ان قاسوا الشدة من الحبس والضيق وثم الدخان الذي يبخروهم به من داخل العنبر وهو بطن المركب وزيادة على ذلك الغلا وغيره.

وفيه نبّهوا على الناس بالمنع من دفن الموتى بالترب القريبه من المساكن كتربة الازبكية والرويعي ولا يدفنون الا بالقرافات البعيدة والذي ليس له تربه بالقرافه يدفن ميته في ترب المماليك وإذا دفنوا [يبالغوا] في تسفيل الحفر، وامروا ايضا بنشر الثياب والامتعة والفرش بالاسطحه عدة ايام وتبخير البيوت بالبخورات المذهبة للعفونه كل ذلك خوفا من رائحة الطاعون بزعمهم وعدوه ويقولون ان العفونة تستجن باغوار الارض فاذا دخل الشتا وبردت الاغوار بسريان النيل والامطار والرطوبات خرج ما كان مستجنا بالارض بالابخره الفاسده فيتعفن الهوا ويفسد ويحدث الوبا والطاعون، واما طريقتهم فانهم لا يدفنون موتاهم بل يرمونهم علي الكيمان مثل رمم الكلاب والبهايم او يلقونهم في البحر ومما قالوا ايضا: انه اذا مرض مريض يخبروهم عنه فيرسلون من جهتهم امينا للكشف عليه ان كان بالطاعون او لا ثم يرون رايهم فيه بعد ذلك.

وفي ذلك اليوم نودي في الاسواق بنشر الثياب والامتعة خمسة عشر يوما وقيدوا على مشايخ الاخطاط والحارات والقلقات بالفحص والتفتيش فعينوا لكل حارة امرأة ورجلين يدخلون البيوت للكشف عن ذلك فتطلع المرأة الى فوق وتنزل فتخبرهم بانهم ناشرين ثيابهم ويعطوهم بعض الدراهم ويذهبوا بعد ان يقرطوا على اصحاب الدار ويخبروهم ان بعد ايام ياتون جماعة الفرنج ويكشفوا ايضا، وكل ذلك حتى تذهب من الثياب رائحة الطاعون، وكتبوا يذلك مناشير ولصقوها بحيطان الاسواق على عادتهم في ذلك.

Bron: Al-Jabartī’s Chronicle of the First Seven Months of the French Occupation of Egypt. Muḥarram – Rajab 1213|15 June – December 1798, (تاريخ مدة الفرنسيس بمصر), ed. and trans S. Moreh, Leiden 1975, 75–6, 82, 91  ٤٩، ٥٥-٥٦ ٦٤-٦٥.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Gezondheid, Kairo

Mini-herinnering: dubbele paasdagen

Begin april 1972, toen er weinig toerisme was in Egypte, liep ik in Cairo steeds aan tegen een opvallende Nederlandse man, die reisde met een zeer oude tante. Een beetje een Agatha Christie-achtig stel, die twee. Waarom waren ze naar Egypte gekomen? Wat haar beweegreden was weet ik niet, maar bij hem was het duidelijk: hij wilde genieten van wat hij noemde de ‘dubbele paasdagen’. Op 2 april was het katholieke en protestantse paasfeest, maar het Griekse en Koptische was een week later. Door zijn vakantie handig te plannen kon hij dus twéé zondagen naar diverse paasmissen, en dat was zijn lust en zijn leven.
.
We zijn niet bevriend geraakt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De mens, Godsdienst, Kairo, Nabije Oosten

Joden in Kairo: miniherinneringen

In Oud-Cairo (Fustat) staat een synagoge, die beroemd geworden is omdat er in 1896 in een rommelkamertje een schat aan historische documenten uit de 9e-19e eeuw gevonden werd: de Cairo Geniza. Die synagoge ging ik eens met een studiegenoot bezichtigen en daar maakten we kennis met de bewaker/koster/gids van het gebouw: een onderdanig, onderworpen, schrikachtig mannetje: de vleesgeworden bede om hem daaruit te halen, maar we konden niets voor hem doen.
Onder het socialisme, ± 1959–60, waren de ongeveer 80.000 Joden van Egypte grotendeels het land uitgezet. Blijkbaar waren ze eerst ondergebracht in een doorgangskamp, dat zich uitstrekte achter die synagoge. Het stond nu leeg; alleen aan het begin waren nog twee, drie barakken bewoond. Misschien woonde die koster daar ook. We liepen even op en neer door de verlaten straatjes. Daar hoorden we ineens de harde stemmen van een stel Duitse toeristen. Hier wohnen noch welche, riep er een. Dat klonk niet prettig.
.
Over mevrouw F., de weduwe van een bekende filmster en zanger, heb ik al eens geschreven. Zij was de corpulente vrouw, die lichamelijk moeite had om het islamitische gebed te verrichten, maar daartoe door haar zoon gedwongen werd. Ja, zij was van huis uit Jodin, maar bekeerd tot de islam. Of dat op wens van wijlen haar man was gebeurd, of onder de aanstorm van het socialisme met zijn vreemdelingenhaat, of pas later onder druk van haar zoon kan ik niet nagaan. Vermoedelijk werd zij pas laat bekeerd, want er zijn ook corpulente moslima’s die het gebed moeiteloos verrichten: een kwestie van vroege training.
.
Mevrouw Weinstein dreef een winkeltje in kantoorbehoeften. Zij was Jodin gebleven. Misschien behoorde zij tot de kleine groep Renommierjuden die het regime nodig had om te getuigen hoe goed men in Egypte de Joden behandelde? Met hetzelfde doel werd de grote synagoge in de Adly-straat opengehouden, bewaakt, onderhouden en soms zelfs feestelijk verlicht: niets aan de hand.
.
En dan was er nog de kelner bij Groppi. Dat was een patisserie annex restaurant, voorheen van eerste kwaliteit, maar onder het socialisme in  verval geraakt, zoals alles. Je kon daar Europees eten, met wijn erbij. Soms hadden we daar even behoefte aan, hoewel het aanbod tamelijk erbarmelijk was.
Maar die kelner was nog uit de oude tijd; hij verstond zijn vak en oefende het met verve uit. Hij moet geleden hebben onder de kwaliteit van de wijn, die hij met alle strijkages kwam serveren. Servet over de arm, om de fles, kurk ruiken, laten proeven, alles met gebaren alsof hij in een grand hôtel werkte, en alsof die wijn wat voorstelde. Het was treurig te aanschouwen hoe hij dat eenheidsbocht uit de genationaliseerde wijngaarden behoedzaam decanteerde in een soort bloemenvaas. Misschien was dat omdat glazen flessen zeldzaam en duur waren en te vrezen was dat de klanten die mee naar huis zouden nemen?
Deze man zag er teleurgesteld en afgeleefd uit, hij zal niet veel ouder meer geworden zijn.
.
Een bekende Egyptische Jodin die na de verdrijving in Europa terecht is gekomen is Gisèle Littman, alias Bat Yeor (= Dochter van de Nijl). Een gifslang, die het verlies van haar rijke koloniale leventje nooit te boven is gekomen en sinds jaar en dag vuil spuit over de Islamitische wereld. Zij is degene die het begrip Eurabia heeft uitgevonden: een Europa waarin de tot fascisme neigende politieke leiders heimelijk toewerken naar de oprichting van een islamitisch kalifaat. Ook het begrip dhimmitude is uit haar pen gevloeid: niet-moslims zouden zich ten opzichte van moslims in een staat van onderworpenheid begeven.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Joden Joods joods, Kairo, Vroeger

Arabisch lezen

Ruim vijf jaar geleden werd ik gepensioneerd als universitair docent arabische taal- en literatuur en islam, en sindsdien heb ik nauwelijks meer modern Arabisch gelezen. Ouder Arabisch wél, alleen al voor het Leeswerk Arabisch dat ik nog schrijf; ook wel eens een nieuwsbulletin of zo, maar moderne literatuur niet. Tot 2007 deed ik dat nog regelmatig, omdat ik er zowel in Amsterdam als in Frankfort onderwijs over moest geven, en ook recensies van uit het Arabisch vertaalde literatuur schreef voor NRC-Handelsblad. (Ongelooflijk eigenlijk, dat Nederlanders zoiets vroeger lazen, en dat er kwaliteitskranten bestonden die daar besprekingen van wilden.) In Marburg waren er aparte docenten voor moderne Arabische letterkunde en ben ik er geleidelijk mee opgehouden. Blijkbaar had ik er geen zin meer in, en omdat het niet meer moest was dat goed zo.
.
Wel bedacht ik onlangs: als je een taal niet gebruikt vergeet je hem, en dat zou wel een ingrijpende zaak zijn. Het Arabisch was immers mijn vak en heeft een groot deel van mijn leven gevuld. Als je later dood bent is die kennis ook weg, maar het is niet zinvol, daarop vooruit te lopen. Daarom dwong ik mij tot de lectuur van wat modern Arabisch, maar het wilde niet erg vlotten. Eerst een geruststelling: ik bleek het nog goed te kunnen lezen. Ik moest wel wat meer woorden opzoeken, maar dat zou ik bij Engels of Frans ook moeten. En dat doe ik natuurlijk nooit: ik laat de woorden vanuit de context opkomen, en als dat niet lukt is het jammer. Alleen als er kernwoorden ontbreken sla ik ze na. In de problemen kom ik alleen bij speciale jargons: landbouwwerktuigen, scheeps- of walvisterminologie, dat soort dingen. Dan zoek ik liever een vertaling, zoals bij voorbeeld van Moby Dick.
Maar, maar … die moderne Arabische romans en korte verhalen stonden ineens zover van me af; ik kreeg er geen contact mee. Ze waren niet te moeilijk, eerder integendeel; en ook niet te exotisch; de tijd dat Arabische auteurs anders schreven dan Europeanen is al heel lang voorbij. Nee, ik vond ze gewoon vervelend. Wat ik voor mijn privé genoegen lees uit Europa, de beide Amerika’s of Japan, al dan niet in vertaling, interesseert me veel meer, dus waarom zou ik mezelf modern Arabisch aandoen? Daarmee wil ik niet zeggen dat moderne Arabische auteurs slecht schrijven; er is echt wel wat goeds te vinden, steeds meer zelfs; ik heb er alleen geen zin meer in. Hoeft ook niet; gepensioneerd weet U wel.
.
De redding verscheen in de vorm van negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse geschriften, waarvan de literaire waarde maar al te vaak gering is, maar waar ik ineens wél zin in heb; vraag me niet waarom. Misschien omdat ik in mijn hart zelf een negentiende-eeuwer ben, een crypto-Ottomaan misschien, of een ouwe koloniaal? Ik houd van die tijd; ik vond het jaarabonnement van Nubar Pasha in het spoorwegmuseum te Cairo ook fijn om te zien.
Ik denk dus wat te gaan lezen uit die tijd, vooral uit Egypte. In Syrië, inclusief Libanon, gebeurde er misschien meer, maar dat ligt buiten mijn horizon en daar laat ik het maar.
.
Hier is al een klein leeslijstje:

  • Nakhla Salih, Fu’ād en Rifqa (1872), een prulletje, maar wél de oudste Egyptische roman; daar zal ik dezer dagen een stukje over schrijven.
  • ‘Alī Pasha Mubārak, ‘Alam al-dīn (1882), een zeer dik werk, dat hier en daar trekken van een roman vertoont, en ook zijn biografische lexicon, Al-Khitat al-tawfīqīya (1888–89), een nog veel dikker werk (20 dln.). Hierover hebben twee Duitse geleerden al behoorlijk wat geschreven, zodat ik in dit geval alleen consument hoef te zijn, en natuurlijk alleen van een paar hoofdstukken. Ik ben de trotse bezitter van een eerste druk van ‘Alam al-dīn, waarschijnlijk de enige in wijde omgeving.
  • Bij al-Manfalūṭī (1876–1924) wilde ik altijd nog eens kijken hoe hij Franse romans aan de lezerswensen van het Egyptische publiek aanpaste: daar kan ik eventueel wat over schrijven. Dat is wel werk, want ik zal dan stukken Arabisch én stukken Frans moeten vertalen, ter vergelijking. Die lezerswensen hadden vooral betrekking op de onmogelijkheid van liefdesaffaires. Als in een roman een jongen zijn aanbedene ontmoette moest dat in het Arabisch neef en nicht worden, enzovoort.
  • Helemaal voor mijn eigen plezier kan ik lezen al-Māzinī, Ibrāhīm al-kātib. Dat heb ik vroeger al eens gelezen, maar dat kan best nog een keer. Niet een gaaf literair werk; veel losse eindjes, maar die auteur is mij zeer sympathiek. Modern, voor 1924.

En onlangs had ik op één dag twee interessante ontmoetingen hier ter stede. Een jonge geleerde die onderzoek doet over (Ahmad) Fāris al-Shidyāq, ofwel Farès Chidiac, Sāq ‘alā sāq, en in het gesprek met hem zag ik het ineens: Ja! Dát zou interessant kunnen zijn om te lezen. In ieder geval voor de ontstaanstijd (1855) is dat een werk van echt grote kwaliteit. De auteur is geboren als christelijke Libanees, werd protestant in het Egypte, waar hij twintig jaar gewoond heeft, vertrok naar Oxford, waar hij de Bijbel in het Arabisch vertaalde, en woonde later nog in Parijs, Tunis en Constantinopel. Laat in zijn leven werd hij moslim. Zijn boek is iets tussen een Bildungsroman en een reisverhaal in, moeilijk van taal, maar lichtvoetig van geest. Het werk bevat ook vele woordenlijsten: de auteur was immers bezig het Arabisch te herontdekken, dat in het Ottomaanse Rijk zo lang was verwaarloosd. Maar die lijsten kun je overslaan. Er is net een tweetalige uitgave Arabisch–Engels van verschenen. Die zou het tevens mogelijk maken wat meer leessnelheid in die oudere taal op te bouwen. Onderwerpen: o.a. de sociale misstanden in Engeland. Als dát niet actueel is.
.
Diezelfde dag heb ik geluncht met een vriendin/collega die ik al jaren ken. Ik vertelde haar dat ik wel zin had om een kort verhaal van Mahmūd Taymūr te vertalen, maar dat ik dat in het Duits niet kon. Zij stelde het voor de hand liggende voor: dat we het samen zouden doen! Daar was ik nog niet op gekomen. Ik zal het eerst in het Nederlands vertalen—aangenomen dat ik het origineel nog kan vinden, dat ergens in mijn chaotische stapels moet liggen. Baas Shehata vraagt om zijn loon is een immoreel verhaaltje uit 1926. Bij een dame wordt voor de zoveelste maal aan de deur geklopt door een koetsier, met wie mevrouw vier, vijf ritten heeft gemaakt, die echter nog niet betaald zijn. Hij laat zich ditmaal niet afschepen door het dienstmeisje, stapt het huis binnen en vraagt mevrouw om zijn geld. Mevrouw is in negligé, noodt hem in haar slaapkamer en betaalt hem in natura. Haar zoontje kijkt door een kier en is er onbedoeld getuige van. Ongelooflijk, dat zoiets toen in Egypte gepubliceerd kon worden. Literair geen hoogvlieger, maar wel grappig. De vertaling staat intussen hier.
.
Ja ja, dat is een hoop enthousiasme ineens, maar als zovele bejaarden heb ik de neiging mezelf te verzetteln. Eens zien wat er van komt.

2 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Kairo, Literatur, Nabije Oosten, Persoonlijk

Vergeten reisje

TreinkaartjeZagazig3Bij het opruimen van een kast viel er een oud treinkaartje uit. Ik zal het nu weggooien, maar niet dan nadat ik het voor de komende paar jaar nog vereeuwigd heb. Een rit van 80 kilometer van Cairo naar Zagazig (spreek uit als Izza’azíe’) in de Nijldelta, op 1 mei 1976.
Mijn oude studievriend A. nodigde mij uit naar de stad waar hij vandaan kwam. In mijn studietijd (1971-72) mocht je als buitenlander in Egypte maar naar drie plekken reizen, dus nu was ieder tripje ergens anders heen zeer welkom. Niet dat het landschap en de stad erg mooi waren, maar het was toch spannend.
Plat, die delta; en boordevol lage nuttige gewassen. Zagazig was ook toen al een grote stad met misschien 200.000 inwoners en had een aanzienlijk station. Toch heerste er de rust van het platteland. Op het stationsplein stonden twee auto’s en vier rijtuigen. Ik had wel zin in een tochtje met zo’n rijtuig, maar dat kon natuurlijk niet: A. regelde meteen een taxi met een benzinemotor en daarmee reden we naar zijn ouderlijk huis. Wat opviel was de ruimte, zowel in de straten als in dat huis. Heel anders dan in Cairo. Moeder kookte middageten, daarna was het verplicht siësta en toen gingen we stad in. A. zag overal oude vrienden met wie hij wilde praten en met wie ik moest kennis maken. Dat vond ik ook leuk natuurlijk, maar het was een beetje veel achter elkaar. Ik herinner mij alleen een 22-jarige grondbezitter die al getrouwd was en volwassen. De studentjes in Cairo waren allemaal zo kinderachtig, en zo werden ze ook gehouden. Geld en huwelijk doen een man goed, dat bleek maar weer. Een bijzondere functie hadden die ontmoetingen ook nog: iedereen gaf brieven mee voor de hoofdstad, ook van familieleden. Het bericht had al de ronde gedaan dat A. kwam en deze werd nu tot postbode gebombardeerd. Dat was niet om postzegels uit te sparen, maar omdat de posterijen zo buitengewoon onbetrouwbaar waren.
Laat in de avond reisden we terug met een trein waar bijna niemand in zat. Ja, ook dat kon in Egypte. Dans le temps.

2 reacties

Opgeslagen onder Kairo, Trein&tram, Vroeger

Homovoetballer

Door mijn studie heb ik soms het gevoel dat ik de samenleving van Cairo of İstanbul in 1500 of 1800 beter begrijp dan de huidige. Dat is onzin, ik weet het, maar het gevoel is er bij wijlen. Anderzijds vind ik de moderne samenleving soms zo exotisch dat ik er helemaal niets van begrijp. De vorige cultuurschok kreeg ik in de veel te grote metropool Bangkok, en wat is er nu weer aan de hand? De Duitse profvoetballer Thomas ‘the Hammer’ Hitzlsperger (31) heeft zijn carrière beëindigd en bij die gelegenheid in het openbaar zijn voorkeur voor de homosexualiteit kond gedaan. Alsof dit nog niet exotisch genoeg was, is dit feit in de media honderdvoudig herhaald en heeft niemand minder dan de Duitse regering hem met deze moedige coming out gefeliciteerd. Die van Groot-Brittannië heeft het voorbeeld gevolgd, bij monde van Cameron persoonlijk. Het wachten is nog slechts op een bos bloemen van Ban Ki Moon.

Natuurlijk wens ik Hitzlsperger toe dat hij ongestoord die vorm(en) van seksualiteit kan uitleven waarin hij zich het meest thuis voelt, maar welke dat is of zijn hoef ik niet te weten. Dat hij het openbaar maakt vind ik bizar. ‘Hij hoeft zich nu niet meer te verstoppen,’ heet het dan. Gewoon getrouwde paren mogen zich verstoppen, ze mogen zelfs de gordijnen dicht doen bij de seks, maar afwijkelingen moeten met de billen bloot. De Europeanen zien dat vreemd genoeg niet als een eis van de Inquisitie of de Bildzeitung, maar als een recht: er werd gezegd dat ‘ook voetballers een recht op coming out hebben’.

Hoe was het dan in dat oude Cairo? Daar kon een man zich uitleven naar behoefte en zijn eigen keuze(s) maken uit het brede spectrum van sexuele mogelijkheden.1 Hij hoefde zich niet voor zijn leven lang vast te leggen op slechts één keus. Zijn omgeving wist er wel van of had vermoedens, maar vond het niet gek of erg. Mits hij het niet op de openbare weg deed natuurlijk. Vrouwen hadden veel minder mogelijkheden, maar vonden vaak ook manieren. Dank zij eeuwen christendom kennen de meeste Europeanen traditioneel maar één seksuele mogelijkheid: die van het kindertjes maken. Als er eens iemand iets anders wil ontstaat er een geweldige deining. Het is heel begrijpelijk dat de heer Hitzlsperger met zijn ‘moedige onthulling’ heeft gewacht tot hij ophield met voetballen. We begrijpen ook dat het volgende Nazi-achtige regime misschien geen Joden, maar wel homo’s zal vervolgen. Dat hoort nu eenmaal bij de westerse cultuur.

Maar zou een voetballer in het huidige Egypte het niet veel moeilijker hebben met zo’n onthulling? O ja zeker, het zou neerkomen op sociale of zelfs lijfelijke zelfmoord. Dat heeft echter te maken met de ‘vertraagde verwestersing’. In de negentiende eeuw begon men zich in de islamitische, ja in de gehele niet-westerse wereld ook op zedelijk gebied aan te passen aan de nieuwe machthebbers uit Europa. Als je een stel jaargangen van een Arabisch tijdschrift uit die eeuw achter elkaar doorbladert zíe je de moraal verzuren. Het is alsof koningin Victoria persoonlijk haar intocht doet in de kolommen, en ze is pas laat vervangen door de zedelijkheid van de USA uit 1960, die daar tot heden heerst. Sinds kort heeft men ook daar een idee van gay life style, van coming out en gay pride. Behalve de uitvoerenden is iedereen daar sterk op tegen — iedereen, niet alleen islamisten. Dat vroeger iedere man kon doen wat hij wilde zolang hij het maar niet benoemde, dat schijnt iedereen vergeten te zijn.

——————————
1. ‘But there are more than five sexes,’ schreef Lawrence Durrell over Alexandrië, ‘and only demotic Greek seems to distinguish between them.’ Nee hoor, het Arabisch ook.

9 reacties

Opgeslagen onder Europa, Kairo, Nabije_Oosten

Luft schnappen in Kairo

Toiletten. Längst ist die Zeit vorbei, daß man als ausländischer Mann nur in den großen Hotels, bei Groppi oder bei den ausländischen Fluglinien aufs Klo gehen konnte. Jetzt gibt es auch ein Netzwerk von MacDonalds, Kentucky Fried und etliche Coffeeshops, was Männern mit schwachem Blasen das Leben sehr erleichtert. Es gibt sogar einige öffentliche Toiletten in Kairo, Eintrittspreis £E 0,50; wegen mangelnder Hygiene aber nur in Notfällen zu empfehlen.
Islamische Männer können ihre Notdurft bei der Moschee verrichten; christliche nicht. Und die Frauen aller Glaubensrichtungen? Ehrlich gesagt habe ich keine Ahnung, wie sie es machen, aber ohne Zweifel sind sie in Kairo klomäßig unterprivilegiert, wie in anderen Weltstädten auch.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Kairo

Französisch in Kairo

Es geht M. immer besser; deshalb hat er auch seine Tochter jetzt in die französische Schule gegeben. Der Aufstieg war nicht leicht gewesen: selbst hatte er die ägyptische Schule mit Fremdsprachenabteilung besucht, also etwas Englisch gelernt, aber nicht genug für einen wirklich guten Job. Das reicht nur zum Bellboy in einem Hotel o.ä.. Dann aber die zweite Chance: weil M. Kopte ist, konnte er eine Ausbildung und einen Job bei einer ausländischen Kirche bekommen. Dort hat er doch noch richtig Englisch gelernt. Jetzt verdient er ziemlich gut. Aber was macht der Idiot? Er schickt, unter beträchtlichen finanziellen Opfern, seine beiden Kinder in die französische Schule. Als Reaktion gegen Amerika könnte ich das noch verstehen, aber er hat nichts gegen Amerika. Es geht ihm nicht darum, den Kindern praktische Chancen zu geben; er will, daß sie vornehm werden, zur Oberschicht gehören. Aber dazu reicht die französische Sprache nicht, dazu braucht man auch Familienhintergrund, Immobilien und viel Geld, von dem man nicht reden muss. Überdies bröckelt Französisch als Elitesprache seit Jahrzehnten. In Kairo ist es deutlich die Sprache der reichen Großmütter geworden. M. hat ein veraltetes Vornehmheitsideal.
Die altersschwache Tageszeitung Le Journal d‘Égypte, mit ihren komischen Society-Seiten, habe ich diesmal nicht mehr gesehen. Wahrscheinlich ist ihre Herausgeberin Lita Gallad, das Urgestein der Francophonie, letztendlich verstorben.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Kairo

Studentenwohnheim in Kairo

Mein Zimmer im Studentenwohnheim, in dem ich von 1971–72 wohnte, war in dem Altbau gelegen, im sogenannten mabnā Hilton, nach dem gleichnamigen Hotel. Dort waren Ausländer untergebracht. Mein Nachbar war ein Japanischer Muslim namens Ashraf; weiter im Korridor wohnten Philippiner, nette Jungs, die wahrscheinlich später Guerillakämpfer auf entlegenen Inseln geworden sind. Auch gab es Somalier, mit denen ich besonders gerne verkehrte. Die waren hoch intelligent, angenehm im Umgang und hatten eine viel besseres Abitur als die ägyptischen Studenten. Als ihr Land noch existierte, muß es nicht schlecht gewesen sein.
An dem Tag, das wir unser Zimmer verließen um es zur Verfügung der Mekka-Pilger zu stellen, die in Quarantäne mußten, hat der Japaner mich überrascht. Unglücklicherweise gab es an dem Tag kaum Taxis, weil es in der Innenstadt schwere Unruhen gab. Die Nilbrücken waren gesperrt. Ashraf hatte jedoch ein Pferd und einen Wagen organisiert. Ich muß gestehen: da war ich nicht drauf gekommen.
Das Essen. Der Staat hatte verstanden, daß Studenten potenzielle Unruhestifter sind. Deshalb stellte er drei Mal am Tag etwas grobe, aber reichhaltige und doch eigentlich auch leckere Mahlzeiten zur Verfügung, um ihnen das Maul zu stopfen. Die Studenten aus armen Verhältnissen müssen das als großen Luxus empfunden haben. Die ganze Verpflegung kostete £E 5,50 pro Monat; das war ein eher symbolischer Preis, wenigstens für mich.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Kairo

Window dressing

Es war enttäuschend, die Verlagsbuchhandlung XXXX in Kairo zu besuchen. Früher war die bekannt um ihre (relativ) gewagte Literatur, wobei Konflikte mit der Zensur mutig angegangen wurden. Jetzt nur noch fromme Bücher im Laden, wie überall sonst auch, und griesgrämige Bedienung. Dort war ich schnell wieder weg. Kurz danach bemerkte ich aber wo anders, daß der Verlag doch noch immer liberale Bücher verlegt. Der ganze Laden ist wohl eine Art window dressing der vorauseilenden Frömmigkeit, um den Islamisten den Wind aus den Segeln zu nehmen.
Das hat die Regierung genau so gemacht, z. B. indem sie (schon vor Jahren) das Ausschenken alkoholhältiger Getränke auf teuere Hotels und Restaurants beschränkt hat. Wieder ein Thema weniger, über das die Schreier Radau machen konnten. Und mit der momentanen Homosexuellenverfolgung wird es auch so sein. Wem juckt es, ob jemand mit einem Mann schläft? Das haben die alten Ägypter bestimmt schon getan, und was soll man auch sonst, wenn an Frauen so schwer heranzukommen ist? Der zynischen, säkulären Regierung ist das ganze Thema sicherlich egal, aber sie ist schwach und fürchtet die nächste Welle der sittsamen Empörung. So verhält sie sich paradoxerweise islamistischer als die Islamisten.
Plärrenden, fußstampfenden Kindern und Islamisten kann man ja schwerlich etwas verweigern.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Kairo