Categorie archief: Fictie

Alexander, geen boekendief

In het Palazzo Te in Mantua zag ik op een plafondschildering een afbeelding van Alexander de Grote met een paar boekbanden in een kistje. Dat is een illustratie bij wat Plutarchus vertelt in zijn biografie van Alexander:

  • ‘Toen hem een kistje werd gebracht, waarvan degenen die de schatten en goederen van Darius hadden opgenomen zeiden dat dit het allerkostbaarste was, vroeg hij zijn vrienden welk waardevol ding volgens hen het best daarin bewaard kon worden. Toen veel mensen verschillende dingen opperden, zei hij zelf dat hij de Ilias erin zou doen om hem goed te bewaken.’ 1

Alexander heeft de Perzische koning Darius III (reg. 336–330 v.Chr.) in etappes verslagen, waarbij hij telkens rijke buit behaalde. De Ilias was een belangrijk boek voor hem; hij stelde zich graag voor dat hij een nieuwe Achilles was.
.
Zou dit misschien samenhangen met de vroeg-Abbasidische, in wezen Perzische aanname dat Alexander alle boeken van de Perzen had gestolen, zodat ze later weer uit het Grieks in het Arabisch terugvertaald moesten worden? Daarover had ik hier al wat geschreven.
Waarom was dat kistje zo kostbaar? Misschien was het van massief goud of bezaaid met juwelen, wie zal het zeggen? Maar het kan ook zijn dat de inhoud kostbaar was. Van Darius III is bekend dat hij de oude Perzische Zand Avesta-teksten had laten uitgeven, vertalen en commentariëren. Ze vormden het middelpunt van zijn rijksideologie en werden bewaard in zijn schatkamer, die Alexander heeft geplunderd, en misschien wel in dat kistje. Het kistje heeft hij ingepikt, maar die Perzische boeken zullen allicht het laatste zijn geweest dat hem interesseerde. Goed denkbaar dat hij die Perzische boeken toen heeft weggedaan en heeft vervangen door wat voor hem het kostbaarste Griekse boek was: Homerus’ Ilias. En als het niet letterlijk zo gebeurd is, is het toch een mooie symboliek.
Het onderwerp kan nog wat nadere studie gebruiken.

NOOT:
1. κιβωτίου δέ τινος αὐτῷ προσενεχθέντος, οὗ πολυτελέστερον οὐδὲν ἐφάνη τοῖς τὰ Δαρείου χρήματα καὶ τὰς ἀποσκευὰς παραλαμβάνουσιν, ἠρώτα τοὺς φίλους ὅ τι δοκοίη μάλιστα τῶν ἀξίων σπουδῆς εἰς αὐτὸ καταθέσθαι: πολλὰ δὲ πολλῶν λεγόντων αὐτὸς ἔφη τὴν Ἰλιάδα φρουρήσειν ἐνταῦθα καταθέμενος. (Plut. Alex. 26, 1–2)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Fictie, Geschiedschrijving, Griekenland, Kunst, Nabije Oosten

Antonius van Padua

Als niet-katholiek dacht ik nooit aan de heilige Antonius van Padua, maar dat veranderde toen ik in zijn stad voor en achter zijn kerk stond (afb. 1-3). Wat groot en mooi en oud (13e eeuw)! Binnen zijn er veel mooie schilderingen, maar ook veel late en lelijke en ik was na een week Italië nogal fresco-moe, dus besloot ik vooral het gebouw zelf weldadig op te me laten inwerken, zoals ik dat in een moskee doe. Er waren veel toeristen, maar ook veel pelgrims, die in bussen aankomen en door hun aanvoerder met een vlaggetje over het terrein geleid worden, zingend soms. Voor degenen die een driedimensionale voorstelling van de heilige nodig hebben staat er een beeld van hem voor in de kerk (afb.4). Daarna komt het graf in een reusachtige en schitterende kapel, waar mensen in gebed verzonken zijn (afb. 5–6). Ook toevallige passanten nemen de gelegenheid waar even een gebedje tot de heilige te richten. Het gaat om wat moslims shafā‘a noemen: de voorspraak die een heilige doet bij God, tot wie men zich blijkbaar niet direct durft te richten—wat protestanten wél doen.
.
Een moment van vervreemding: dit zijn gewone mensen net als ik, maar waarom doen zij zo raar? Of ben ik raar?
Het wordt nog vreemder: er loopt een rij mensen door een barokkapel met talloze reliekschrijntjes (afb. 7). Want niet het hele lichaam van de heilige is in zijn graf beland: allerlei delen die niet zijn vergaan worden apart bewaard. Ware ik katholiek, ik zou proberen zegen te putten uit zijn onverteerd gebleven tong en stembanden, zodat ik beter en langer zou kunnen zingen (middelste nis, reliek nr. 9 en 11. De kin komt ook van pas: nr. 10).
.
Of Antonius kon zingen weet ik niet, preken kon hij wel. Dat vonden ook de autoriteiten in Rimini, die hem vreesden en hem het preken verboden. In de kerken waar hij het probeerde verscheen dan ook niemand, dus preekte hij maar tegen de vissen, die aandachtig naar hem luisterden (afb. 8). Of deed hij het om de H. Franciscus te overtreffen, die tot de vogels predikte?
.
In de naast de kerk gelegen twee oratorio’s (vergaderzalen voor profane broederschappen; afb. 9) weer prachtige wandschilderingen, die nogmaals duidelijk maakten waarom er zoveel weldadige werking van Antonius uitgaat. Hij verrichtte inderdaad wonderdaden zonder tal: een kind dat in een pot kokend water was gevallen bracht hij weer tot leven (afb. 10), een voet die was afgehakt zette hij er weer aan (afb. 11), enzovoort enzovoort.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Europa, Fictie, Godsdienst, Kunst

Lectuur voor de winter

De lucht is grauw en vochtig, de boombladeren zijn opgezogen; het wordt tijd me te installeren bij een knapperende radiator met een pot thee en goede boeken. Ik heb een stapeltje in huis gehaald, dat genoeg moet zijn tot kerst.
.
Judith Zeh, Unterleuten. Nederlandse vertaling: Ons soort mensen
Hiervan heb ik al een derde gelezen. Unterleuten is een treurig boerengat in de ex-DDR (maar U mag geloof ik stiekem aan Untermenschen denken), waar de agrarische Produktionsgenossenschaft weer in handen is gekomen van de vroegere grootgrondbezitter en waar op zoek naar rust, natuur en goedkope huizen ook enkele Wessi’s zijn neergestreken. De contacten van de nieuwkomers met de oude ingezetenen lopen maar stroef en nu er een bedrijf grote windmolens wil gaan neerzetten spitst de situatie zich toe … gauw verder lezen, het boek is vrijwel unputdownable. Zeh fileert genadeloos de gedragingen en overtuigingen van alle medespelers in deze bittere tragedie—ik neem tenminste aan dat het daarop uit zal draaien.
.
Holger Gzella, De eerste wereldtaal. De geschiedenis van het Aramees
Het is duidelijk dat dit boek veel mensen niet zal interessen. Mij wel, want het Aramees heeft naast het Arabisch gelegen. En ooit heb ik Bijbels Aramees en wat Syrisch-Aramees geleerd.
Het Aramees mag best eens onder de algemene aandacht worden gebracht: Het was meer dan duizend jaar lang een wereldtaal, van Egypte tot diep in Azië. Het kende belangrijke sprekers, zoals Jezus bij voorbeeld, en er zijn belangrijke boeken in geschreven, zoals het bijbelboek Daniël; misschien oorspronkelijk ook delen van het Nieuwe Testament? dat weet ik niet; joodse bijbelcommentaren, de Talmoed en bovendien een enorm uitgebreide christelijke literatuur in het Syrisch-Aramees, die vrijwel niemand meer leest, maar die toch van groot belang is voor de geschiedschrijving van bijv. de vroege Islam, van de wetenschap en van de kerk. En gewoon om lekker te lezen bij de radiator, bij voorbeeld de reisverslagen van Nestoriaanse monniken in Centraal-Azië.
Ik heb Gzella’s boek nog niet gelezen, maar er even aan geroken. Het is opmerkelijk toegankelijk geschreven en bovendien in het Nederlands, dat is heel wat waard. Het zou dus best een algemeen publiek kunnen vinden; ook voor mensen buiten het vak is het onderwerp interessant genoeg. De competentie van de auteur, de Leidse hoogleraar voor Hebreeuws en Aramees, wordt algemeen erkend. Dit boek bewijst tevens dat er Duitse geleerden bestaan die leesbaar kunnen schrijven.
.
Daniel Kehlmann, Tyll (nog niet vertaald)
Nog niet aan begonnen, maar heb er wel fiducie in, want Kehlmann had al eerder een goed boek: Die Vermessung der Welt. Dit boek speelt tijdens de Dertigjarige Oorlog. Tyll is geïnspireerd op Tijl Uilenspiegel, die blijkbaar de hele boel aan elkaar moet praten.
.
David Rijser, Een telkens nieuwe Oudheid. Of: Hoe Tiberius in New Jersey belandde.
Hierop kan ik me ook verkneukelen, want vroeger heb ik met veel plezier Rijsers stukken in NRC-Handelsblad gelezen. (Geloof het of niet: vroeger had Nederland kwaliteitskranten.) Het gaat om de receptie van de Oudheid in latere tijden, ook in onze tijd. Das Fortleben der Antike, zoals dat hier in Duitsland heet. Het interesseert me ook omdat ik zelf misschien eens wat wil schrijven over de rol van de Arabieren/Perzen bij dat Fortleben. Die rol is wel bekend, maar wordt nog te vaak verwaarloosd of zelfs doodgezwegen. Maakt ook Rijser zich daaraan ‘schuldig’? In het hoofdstuk over de Liebestod en de Hoofse Liefde valt dadelijk op, dat daar geen woord wordt vuilgemaakt aan de Arabieren, hoewel die deze zaken volgens mij hebben uitgevonden.
.
Elena Ferrante, De nieuwe achternaam
Het tweede deel van een vierdelige cyclus, de zog. ‘Napolitaanse romans’. Vergeleken met de bovengenoemde werken misschien een lichtgewicht, maar omdat ik het eerste deel van de cyclus al gelezen heb wil ik toch doorgaan. Hoekige en slijmerige karakters die je bijblijven, en een goede schildering van de samenleving in een Napolitaanse buitenwijk.

3 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Literatur, Nabije Oosten, Taal

Historisch

‘Waarom schrijf je niet eens een historische roman?’ vroeg L., terwijl we in haar woonkeuken zaten te eten. Het antwoord is eenvoudig: omdat ik dat niet kan. Ik heb maar twee kleine splintertjes fictie geschreven en die zijn niet wereldberoemd geworden. Toch begon het meteen te malen in mijn hoofd: nog vóór het toetje had ik al een onderwerp en een indeling in hoofdstukken. Een duidelijk geval van openbaring. Dat ga ik in ieder geval op papier werpen; als het dan al geen historische roman wordt zit er misschien toch een populairwetenschappelijk geschiedwerkje in. En als het dat ook niet wordt heb ik tenminste een tijd lang systematisch oude teksten gelezen, waarvan ik verslag kan doen in mijn vakbloek.

Welk onderwerp dan? Dat wordt kalief ‘Abd al-Malik (reg. 685–705). Nu wendt U zich teleurgesteld af: waarom zou iemand iets willen weten over een of andere ouwe kalief? Omdat hij een afwisselend en wreed leven heeft geleid—op de munten staat hij met een zwaard en een zweep—, maar vooral omdat hij volgens mij in grote mate de architect is van de islam. Of beter: van een islam. Honderd jaar later zag die er alweer anders uit. Maar Mohammed en ‘Abd al-Malik, dat zijn de stichtersfiguren. De functie van Mohammed is in grote lijnen bekend. ‘Abd al-Malik heeft zestig jaar na diens dood de Rotskoepel in Jeruzalem gebouwd en daarmee afscheid genomen van het christendom. Hij heeft het Arabische Rijk opgebouwd, waarin Arabisch de dominante taal werd en de islam de belangrijkste godsdienst. Bovendien heeft hij, door de geschiedenis van Mohammed en de vroegste islam te laten optekenen, een staatsideologie ontworpen die in alle delen van zijn aanvankelijk zo verdeelde rijk aanvaardbaar was. Je zou kunnen zeggen dat hij Mohammed in model heeft geduwd/laten duwen. Voor zolang het duurde dan; ook Mohammed bleef nog vormbaar.

En omdat de Nederlanders sinds vijftien jaar dag in dag uit met de islam bezig zijn wordt een boekje over deze figuur dus een onverbiddelijke bestseller—maar niet heus.

Dit project gaat natuurlijk even duren. De eerste resultaten – if any – zal ik te zijner tijd niet hier laten zien, maar in mijn werkkeuken: het Leeswerk Arabisch en Islam.

Over de eerste vijfendertig levensjaren van ‘Abd al-Malik is overigens niet veel bekend. Dat zou eigenlijk toch voor een historische roman pleiten. Dan kon ik hem tenminste het nachtleven in Medina laten genieten met de dichter Farazdaq.

NASCHRIFT: Een begin is gemaakt.

2 reacties

Opgeslagen onder Bildung und Uni, Fictie, Geschiedschrijving, Islam, Nabije Oosten, Persoonlijk

Koude kalkoen

Als kerstgeschenk kreeg ik twee cassettes met elk vier DVD’s: House of Cards. Het zei me niets en ik vond het een beetje raar: de goede gever weet best dat ik het niet zo met Amerika op heb en bovendien was het nogal een duur geschenk. Ik had er sindsdien niet meer naar gekeken, maar vorige week heb ik op een verloren moment toch zo’n schijf in het apparaat geduwd, en toen kon ik er niet meer mee ophouden. Totaal verslavend! Perfect gemaakt, maakt alle slechtheid en zwakheid van de mens in geuren en kleuren zichtbaar en in die hoge kringen is het Amerikaans Engels ook redelijk om aan te horen. Maar sinds vanmiddag zijn de DVD’s op: Doug ligt voor dood in een bos, Underwood is president, Feng wordt ter executie naar China gestuurd en Claire heeft akelig harde trekken gekregen. Hoe moet ik nu verder? Is er ergens een afkickcentrum voor zoiets? Er is nog een derde serie hoorde ik. Gauw bestellen dus, maar helaas: die wordt hier pas in oktober geleverd. Dat worden moeilijke maanden.

7 reacties

Opgeslagen onder Fictie

De hel is af

Nou ja, de hel is natuurljk al heel lang op temperatuur, maar ik bedoel: mijn werk aan het deel over de hel in het eeuwenoude Arabische boek Kitāb al-‘Azama is nu klaar. In dit blog waren er al enkele proeven uit verschenen.

Er zijn drie delen: de uitgave van de arabische Tekst, de Engelse vertaling en een studie. Die studie zal binnenkort in een boek verschijnen en is nu al online voor iedereen ter beschikking. Het is: ‘Hell in popular Muslim imagination: The anonymous Kitāb al-ʿAẓama,’ in: Chr. Lange (ed.), Locating hell in Islamic traditions, Leiden 2015, 144–62. Click hier, click dan Open Access, click Chapters (16), click 7 Hell in popular Muslim imagination, click Read.

Als U liever iets in het Nederlands leest of om welke reden dan ook meer in het paradijs geïnteresserd bent vindt U hier de Nederlandse vertaling van het Paradijs-hoofdstuk uit hetzelfde Kitāb al-‘Azama.

8 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Godsdienst, Islam

De stad zonder moslims

De Rijnbode,26 augustus 1933

De Rijnbode,26 augustus 1933

Dat zou de heer Wilders wel een fijn idee vinden denk ik: een Amsterdam of Rotterdam helemaal zonder moslims. In 1922 was Hugo Bettauer misschien de eerste die over iets dergelijks fantaseerde, zij het uit andere motieven. In die tijd had je nog geen moslims in Europa, dus er werd een andere minderheid op de korrel genomen: de Joden. Vandaar dat zijn korte roman Die Stadt ohne Juden heette, ein Roman von Übermorgen (Duitse tekst hier). In 1933 was er meteen al een Nederlandse vertaling op de markt.

In Bettauers Wenen was 10% van de bevolking joods.1 Bij dergelijke percentages gaan de mensen er blijkbaar van dromen hoe heerlijk het zou zijn als die ‘vreemdelingen’ er niet waren en je gezellig raszuiver onder elkaar kon zijn.

Bettauer schreef een soort satirisch bedoelde quasi-utopie. Hij was zelf van joodse afkomst, maar gaf in dit boekje ruim baan aan het gefingeerde plan van een christelijk-conservative meerderheidsregering, lees: van Arische antisemieten, om Oostenrijk judenfrei te maken. Het land verkeerde in een economische crisis, de linkse politieke partijen lagen op apegapen, en ziedaar: er werd een wet aangenomen volgens welke alle Joden in enkele maanden het land moesten verlaten. En aldus geschiedde. Geld en spullen achterlaten, veel extra treinen naar Berlijn en Parijs. Niet prettig, maar nog betrekkelijk comfortabel.
Natuurlijk had niemand gedacht aan alle problemen die dit ging opleveren: families die uit elkaar vielen, verlovingen die verbroken moesten worden. Wenen werd cultureel gezien een dorp, in de warenhuizen werden in plaats van internationale mode alleen nog Loden en Dirndl verkocht. De woningmarkt stortte in, de theaters stelden niets meer voor, in vroeger beroemde café’s werden alleen nog bier en worstjes verkocht, de koopkracht nam af, de inflatie werd volkomen onbeheersbaar. Het joodse kapitaal kreeg men toch niet ter beschikking: dat hadden vermogende Joden via christelijke zakenvrienden (uiteraard tegen flinke betaling) al van te voren naar het buitenland doorgesluisd. De internationale handel liet Wenen voortaan links liggen: Budapest, Praag en Berlijn werden voortaan de centra; de economische malaise en de werkeloosheid namen snel toe, zodat het volk naar de Joden begon terug te verlangen. In dit verlangen werden zij gesterkt door de joodse jongeman Leo, die naar Parijs had moeten uitwijken, maar omwille van zijn verloofde met een valse pas naar Wenen terugkwam en de boel flink opstookte. Toen het parlement over de afschaffing van de jodenwet zou stemmen hing het uiteindelijk van één stem af, en die geachte afgevaardigde werd door Leo laveloos gevoerd en naar ergens buiten de stad gedirigeerd. In die tijd zou dat waarschijnlijk een jodenstreek heten. De wet werd afgeschaft, de Joden kwamen terug en alles kwam gauw weer in orde.
De roman, die overigens allesbehalve een literair meesterwerk is, is lichtvoetig en tamelijk onderhoudend. De schrijver kon zich blijkbaar nog niet voorstellen dat zijn ideetje ooit ernst zou worden. Voor hemzelf kwam de ernst al snel: naar aanleiding van de verfilming van zijn boek werd hij door een humorloze nazi doodgeschoten. Deze werd wel wegens moord veroordeeld, maar toch al spoedig weer vrijgelaten.

Als  nu maar vaak genoeg de wens geformuleerd wordt, minderheden te verwijderen en in de zuiverheid van de eigen groep verder te leven, dan gaat hij zich zelf vervullen, zoals in de jaren dertig en veertig in Europa is gebleken, en in de jaren negentig op kleinere schaal wederom. De werkelijkheid is dan zoals bekend zeer veel inhumaner dan Hugo Bettauer en ieder ander zich in 1922 had kunnen voorstellen. Het zou misschien geen slecht idee zijn, alvast vóór de volgende ramp het racisme te beteugelen, zoals het ook altijd goed is, al vóór de volgende overstroming de dijken te versterken. Maar in Nederland zal daar geen meerderheid voor te vinden zijn.

NOOT
1. Vele middenstands- en hogere beroepen werden er sterk door Joden gedomineerd. Ter vergelijking: Amsterdam en Rotterdam hebben zo’n 13 à 14% moslims, die echter betrekkelijk zelden in hogere functies werkzaam zijn.

5 reacties

Opgeslagen onder De mens, Europa, Fictie, Nederland, Politiek

Bij Couperus, ‘De Stille kracht’ 5 (slot)

Hormat

De Javaanse vorsten hadden vanouds aanspraak op hormat: eerbiedig, ja letterlijk kruiperig gedrag van hun onderdanen. Er werd een gouden parasol (payong, vroeger: pajong) boven hen opgehouden, zij werden toegesproken in een taal die speciaal voor communicatie van laag naar hoog diende, en de onderdanen stonden of zaten niet in het bijzijn van de vorst, maar hurkten of knielden neer en bewogen zich eveneens laag over de grond.
Wie ooit een Aziatische vechtsport heeft beoefend weet dat knielopen en loophurken niet zo makkelijk is. Het moet moeizaam geleerd worden, het beste van jongs af aan. En achteruit kruipen moet je ook kunnen; het zou immers geen pas geven je om te draaien en de Hooggeplaatste Persoon je rug en achterwerk toe te keren. Het zal bij de nieuwe verfilming van De stille kracht nog niet meevallen acteurs te vinden die dat goed kunnen.
Ook bij het serveren van spijs en drank kroop het huispersoneel. Ten huize van Couperus’ regent ging het zo:

De Raden-Ajoe Pangéran […] zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda.1

Er is gewoon twee maal zoveel personeel nodig wanneer het in zo’n onpraktische houding moet werken.
Op de rijke plantage Patjaram, waar veel ‘Solosche manieren’ waren ingeslopen, heersen hof-achtige tradities:

[…] en verwant voelde zij [Doddy] zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde, was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa, bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet van al die vrouwen, met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar het non-plus-ultra van elegance.2

Zelf zou ik mijn eten juist minder lekker vinden als er achter mijn stoel personeel op de grond hurkte.
In De stille kracht wordt duidelijk dat de Javaanse vorsten en regenten zekere gedragingen en uiterlijkheden hadden overgenomen van de Europeanen. Het omgekeerde was echter ook het geval. Resident Van Oudijck liet zijn tuin doen door twaalf dwangarbeiders—wat misschien niet toevallig herinnert aan Multatuli’s regent, die zijn gazon geheel onbezoldigd door onderdanen  liet bijknippen.
PSIjthoffResidentSemarang1904Ook de gouden payong behoorde tot de kentekenen der residentiële waardigheid:

De hoofdoppasser zat op den bok naast den koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van het gezag.3

En gekropen worden moest er voor de blanke heer evengoed:

De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de klein-uniformpet, en een wandelstok.4

Probeert u dat zelf maar eens!

De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan, zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester een vloek toeduwde, omdat hij – de dessa-kerel – geen manieren had.5

Het moet een koddig gezicht geweest zijn: zo’n plompe man, zwetend in een uniformjas tussen de nietswaardige aardwormen. De regentendochter R. A. Kartini schreef daarover:

O, godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de schitterende zonnescherm terzijde blijft, u straks achter uw rug uitlacht.6

De hormat-circulaire van 1904 maakte er een eind aan. Aan het hormat-gedoe jegens Nederlandse bestuursambtenaren bedoel ik; niet aan het uitlachen natuurlijk.

NOTEN
SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989. De roman is ook online te lezen.
1. SK 131.
2. SK 203.
3. SK 37.
4. SK 7.
5. SK 8.
6. Geciteerd in Insulinde. Schetsen van Land en volk van Nederlandsch O.-Indië enz., Groningen 1924, blz. 21.

2 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Nederland, Ostwestliches

Bij Couperus, ‘De Stille kracht’ 3

Fanatieke Javanen?

Over de regent, met wie resident Van Oudijck latent overhoop ligt, en wiens uiterlijk in aflevering 2 is beschreven, wordt in één fragment maar liefst drie maal het woord ‘fanatiek’ gebruikt (cursiveringen van mij):

Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon hij niet vatten, niet doorpeilen – dit bekende hij zich slechts stilzwijgend -; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den rezident, alsof hij – prins – neêrzag op hem – Hollandschen burgerman; en daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven, zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens de etiquette zijn ‘jongere broeder’, maar altijd medebestuurder van zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche gommeux! (SK 34-5)

Fanatiek betekent volgens van Dale’s Groot Woordenboek: door een blinde ijver (voor een geloof of idee) gedreven. Het is een cliché dat Europeanen graag gebruikten en nog steeds gebruiken wanneer het over moslims gaat: ‘fanatieke moslims’. Het betekent niet veel, en op het Java van toen was het buitengewoon slecht van toepassing. Dat eiland was honderd jaar geleden wel islamitisch, maar juist niet fanatiek. Het was eigenlijk maar half geïslamiseerd; veel moslims van elders zouden in die tijd de godsdienst ter plaatse ternauwernood als islamitisch hebben erkend. Zelfs over de Madoerezen, die in de koloniale tijd als fanatieker golden dan de Javanen, lezen we bij Couperus dat ze zoiets onislamitisch deden als kleine offers brengen aan de geesten:

De zeegeesten waren nu om… Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest… Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren… (SK 11)

Zo er al fanatieke moslims waren op Java dan waren het er maar weinig, en de adel behoorde daar zeker niet toe. Als overal is fanatisme eerder een kenmerk van de lagere standen.
Langs de Noordkust van Java woonden wel Arabieren, oorspronkelijk afkomstig uit Hadramawt. Over hun graad van ‘fanatisme’ is mij niets bekend, maar zij zullen in elk geval een stoere Arabische islam gepractiseerd hebben:

[…] want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed – huizen als andere, maar somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig achtervolgende – scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond… (SK 39)

Hier zien we meteen het andere cliché dat altijd in verband wordt gebracht met de islam: fataal, fatalisme. Bovendien merken we op dat het voor nuchtere Nederlanders ondoorgrondelijke mysterie van Indonesië voor Couperus nauw verwant is, zo niet samenvalt met de islam.
Vroom was op Java het ‘witte volkske’, de wong poetihan, zeg maar de zwarte-kousen-moslims, die de regels nauwgezet vervulden. Vaak waren zij naar Mekka geweest en dus hadji. De stoomvaart maakte het mogelijk dat er meer pelgrims naar Mekka trokken dan ooit tevoren. Die bleven daar maanden, soms jaren hangen; sommigen van hen leerden goed Arabisch en bestudeerden Arabische werken over godgeleerdheid en sharia. In Arabië hadden in die tijd niet de Wahhabieten het voor het zeggen, maar het Ottomaanse rijk, dat in religieus opzicht erg ontspannen was. Toch waren er in Mekka natuurlijk wel omgevingen waar serieus de islam bestudeerd en gepraktiseerd werd. In ieder geval kwamen de hadji’s min of meer gearabiseerd terug; bovendien waren zij in contact gekomen met moslims uit heel andere gebieden. Er bestond toentertijd het idee van een soort globale islam: het panislamisme, dat door koloniale ambtenaren, inclusief van Ouddijck, met enige bezorgdheid werd gadegeslagen.
Hadji’s genoten een geweldig prestige bij degenen die de reis naar Mekka niet hadden kunnen maken:

– Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche Mekka-gangers…
De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig, langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte, bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons… De hadji’s, plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s, laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zien, waren als voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand, overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam. (SK 224)

In De stille kracht verschijnt meermaals een witte hadji als een verwijzing naar het dreigende, zacht aandonzende mysterie en alles wat Nederlanders niet begrijpen, en zeker ook van schuld, in de Nederlands-protestantse zin. Het jonge meisje Doddy heeft twee maal een witte hadji menen te zien lopen; niet toevallig toen zij met de vrouwengek Addy wandelde en haar maagdelijkheid gevaar liep. Maar Leonie’s inlandse lijfmeid Oerip begrijpt wel dat de witte hadji die Doddy heeft gezien geen ‘goede hadji’ is, maar een spook. Ook de tot occultisme geneigde Ida meent een hadji te zien, maar zij herstelt zich: ‘Het is niets: de maneschijn …’. Het lijkt wel of de hadji zich vooral dan vertoont wanneer de Hollanders aan het zondigen zijn of op het punt staan dat te gaan doen. Een aardig motief, maar met echte hadji’s heeft het natuurlijk niets te maken. Die zullen zich niet voor de zonden van de koloniale dames en heren hebben geïnteresseerd. Dat ze met hun witte kleding door sommigen in slecht verlichte tropennachten als spoken worden opgevat, daar kunnen zij zelf niets aan doen. Occulte krachten, bovennatuurlijke gebeurtenissen, de geest die zich meldt in spiritistische seances: dat heeft allemaal niets met de islam te maken, maar voor Couperus is het een pot nat. Dat is een zwakte in de roman.

Een Javaanse regent zal heel misschien fanatiek zijn geweest in zijn afkeer van Nederlanders. Maar misschien ook niet: hij werd toch vorstelijk door hen betaald, hij collaboreerde toch? De instrumentalisering van de godsdienst bij het verzet tegen de koloniale machthebbers, die in de Atjeh-oorlog (1873–1903) juist actueel was, behoorde op Java al haast driekwart eeuw tot het verleden. De Atjehers waren hoe dan ook een stuk vromer dan de Javanen, die men toentertijd met de beste wil niet fanatiek religieus kon noemen.

Couperus’ islam stelt niet veel voor, hij heeft er weinig over geweten en van begrepen. Kennelijk heeft hij de bestuursambtenaren, waarvan het in zijn familie wemelde, gewoon nagepraat en op grond van hun cliché’s een vage islam een plekje gegeven als één van de vijandige krachten die de Nederlanders uit Indië willen verdrijven. Het weer beschrijft hij veel indrukwekkender.

SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989.De roman is ook online te lezen.

2 reacties

Opgeslagen onder Fictie, Islam, Literatur, Nederland, Ostwestliches

Brief van een oude vader

Ik wil je toch eens schrijven, jongen, al wil jij waarschijnlijk nooit meer iets met mij te maken hebben. Als je deze brief weggooit heb ik pech. Nou ja, ik probeer het gewoon.

Als je ons vaker had bezocht had je geweten hoe erg Eva was afgetakeld. Ze had weinig levenslust meer, zag er niet uit, en iedere kwaliteit was uit haar bestaan verdwenen. Ze zeggen dat je een feest altijd moet verlaten op zijn hoogtepunt; welnu, dat tijdstip was bij haar al lang voorbij. Het was hoog tijd. Niet echt iets voor mij om daar zo een eind aan te maken, maar ik zag er geen gat meer in. Voor de rechtbank was het een daad in de relationele sfeer en voor sterfhulp kon het niet doorgaan. Dat er nog een laag motief in het spel was heeft de rechter niet eens gezien. Natuurlijk heb ik verzwegen dat ik gevangenisstraf verkoos boven een bejaardenhuis met háár, omdat die tehuizen niet te harden zijn, ook niet in de betere sector – en dat ik gokte op Breskens.

Gezien mijn leeftijd en ambtelijke carrière lag het immers voor de hand dat ik in de C-vleugel van het Justitieel Complex Breskens zou komen. Als ik in een normale PI was beland was ik akelig de klos geweest. Want ouwe zakken worden zelden gemolesteerd, maar ze moeten wel hand- en spandiensten voor de fittere heren verrichten. Schoenen poetsen bij voorbeeld, en dat is nog het minste, je begrijpt het wel. En dat ik veel weet en over tal van onderwerpen aardig kan vertellen wordt juist in de grovere segmenten van de samenleving niet zo gewaardeerd. De opinion chique dat mensen uit ontwikkelingslanden zich vaker misdragen, maar wel respect hebben voor de ouderdom wordt in zulke omgevingen al gauw gelogenstraft.

Het was een gok, maar het is goed verlopen. Tenslotte was ik tot die geschiedenis met Eva een nette vent, en bij de rechtbank kenden ze mijn naam nog uit mijn tijd aan het ministerie. Men vond mij blijkbaar een typisch geval voor Breskens, tot nu toe de enige gevangenis voor bejaarden in Nederland. Het publiek hier is gemengd en ruig, voor een deel getatoeëerd zelfs, maar de ergste agressie en klootzakkerigheid is er wel af, en het is een interessantere doorsnee uit de samenleving dan je in een gewoon bejaardenhuis tegenkomt. En dat geldt ook voor het personeel. In zo’n Huize Avondrood zitten bijna alleen kakelende vrouwen die nog tien jaar ouder zijn dan ik; hier zijn alleen mannen, waarvan vele wat jonger dan ik. En gelukkig geen K.tmarokkanen en zo; de eerste generatie gastarbeiders was nog niet crimineel en heeft zich bovendien al doodgewerkt.

Van de nabije zee zien wij natuurlijk niets, maar tijdens het verblijf op de eigen binnenplaats van de C-vleugel, waar wij onbeperkt mogen recreëren, ruiken we de zeelucht, en scheepstoeters horen we ook af en toe. Kost en inwoning zijn hier gegarandeerd, maar als je eens iets extra wilt, wat meer fruit of zo, dan moet je werken. Het werk is erg eenvoudig voor mijn doen, maar dat is niet erg. We maken pluggen voor een bouwmarkt, voor 1,50 per uur. De laatste jaren op het ministerie had ik ook steeds meer de indruk, volkomen zinloos werk te verrichten.

Onder al die mannen van lagere stand zijn echte misdadigers: moordenaars en dieven en ander tuig, maar de omgang met elkaar is eigenlijk niet ellendiger dan in de burgermaatschappij. En zoveel misdadiger zijn ze ook niet. Misschien ligt het ook aan de leeftijd. De omgangstoon is wel eens rauw, maar weet je: ik vind dat eigenlijk een verademing. Op al die beschaving in Den Haag en Wassenaar was ik echt wel uitgekeken. Ik ben hier bevriend geraakt met Arnoud, de burgemeester van een middelgrote stad, die vlak voor zijn pensionering nog even een miljoen verduisterd heeft; misschien heb je erover gelezen. Stom, maar een nette vent evengoed. Heel lang zal hij hier helaas niet blijven. De andere heren blijven soms nogal op afstand, omdat ik voor hen toch zoiets als de Klassenfeind belichaam. Daar ben ik ook wel mee gepest, maar ik ben niet van suikergoed en al stel ik fysiek niet veel meer voor, ik kan me wel handhaven. Het overleven is hier natuurlijk lang niet zo lichamelijk als in een gewone gevangenis.

Het eten is gezond, maar tamelijk saai. Vreemd genoeg kan me dat eigenlijk niet meer schelen. Mij, die vroeger toch een echte gourmet was en ook zelf heel behoorlijke maaltijden wist te componeren, dat weet je nog wel. Soms denk ik ineens aan de geur van een lamsbout of een clafoutis aux cerises, vers uit de oven, of aan de koude sensatie van een spoom. Ik mis wel eens andere dingen van vroeger: naar de opera te gaan, een goed glas wijn, een fietstocht, een uitgebreide bibliotheek ook. Maar een mens kan zich ook met de kleine bibliotheek hier in huis behelpen. De werken van Vestdijk vervelen niet en zelfs als er verder alleen maar de bijbel was: die is al genoeg voor het onbewoonde eiland. Niet om religieuze redenen, god beware. Maar de bijbel is duidelijk beter dan zijn tweede boek; het is haast een literatuur op zich. Die nieuwe vertaling is ook in orde, die brengt wat normaliteit in die vreemde teksten. Als ik een ander boek zou wensen kan dat besteld worden uit een openbare bibliotheek (als het tenminste geen handleiding is voor het maken van bommen), of uit de boekhandel. Omdat ik niet rook heb ik een klein intern spaartegoed opgebouwd. Maar ik hoef geen andere boeken dan die hier zijn en ben tevreden met deze kleine wereld. Op mijn leeftijd zou ik hoe dan ook kleiner zijn komen te wonen. Wat wel verveelt is de televisie; die kan wat mij betreft uit blijven.

Weet je wat ik tegenwoordig doe in mijn ‘vrije tijd’? Ja, vooral omdat er weinig anders te doen is, maar ik heb er toch ook schik in gekregen: ik train in zo’n fitnesskamer die hier is, en ik sla me zelfs regelmatig leeg op een boksbal! Had ik veel eerder moeten doen: zo’n ding mag eigenlijk in geen huisgezin ontbreken en zeker niet in ministeries. Onder leiding van Jopie, een vierkant blok beton, al is hij nogal gerimpeld. Dit soort dingen deed je vroeger niet, maar ik moet toegeven: het geeft een diepe bevrediging de ouwe spieren te voelen kraken en ergens flink tegen aan te meppen. Ik word van de weeromstuit fitter dan ik in jaren ben geweest. Er is ook een dwingende reden om fit te blijven. Je moet tenminste in staat zijn te lopen en de trap op te komen: zodra je dat niet meer kan of ziektes krijgt moet je deze inrichting weer verlaten. Dan gaat het waarschijnlijk richting verpleeghuis, en dan is het leven echt voorbij.

Het is merkwaardig hoe veel bewoners er hier om hun schuld heen draaien. Ten dele zijn het echt zware misdadigers, maar de meesten doen alsof er niets aan de hand is, alsof ze eigenlijk onschuldig zijn. Al ben ik jurist, de strafmaat begrijp ik ook nooit helemaal. Een pastoor die kinderen misbruikt is naar mijn overtuiging een zwaardere misdadiger dan een bedrieger; toch moet onze mega-investeringszwendelaar een paar jaar zitten en pastoors worden alleen maar overgeplaatst. Ik zelf ben duidelijk schuldig; toch lijkt het net of het een ander was die het heeft gedaan. Nachtmerries heb ik er niet van. Er zijn hier ook wel mannen die bang zijn voor de dood; dat is de klantenkring van de oecumenische gevangenispastor. Mij interesseert de dood niet, ik ben eerder bang voor het leven of wat daar nog van over is. Zoals vroeger ook al, maar het wordt erger nu.

Nou jongen, ik stop er weer mee. Als je ooit op bezoek zou willen komen: dat kan hier één keer per week. Maar ik begrijp het wel: het is een heel eind, en ik reken er niet echt op. Je moet in jouw omgeving maar nooit vertellen wat je vader heeft gedaan. De mensen denken al gauw dat zoiets erfelijk is. Had jij eigenlijk nog gestemd? Toch niet op die Wilders hoop ik? Er is waarachtig al genoeg geboefte aan de macht.

Een groet van je vader,

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Fictie, Persoonlijk