Categorie archief: Cairo

Privilege

De zomer bracht ik als kind vaak bij mijn grootouders door. Op het dorp trad men mij met veel genegenheid, vleierij en zelfs onverdiend respect tegemoet, niet omdat ik zo’n bijzonder ventje was of ze mij zo hoog hadden zitten, maar omdat ik de kleinzoon van mijn grootvader was. De enige nog wel, die later bij hem in de zaak zou komen; dat bazuinde opa tenminste graag rond. Opa had een bedrijf, had een stel werknemers en was rijk, al was daar ten gevolge van het Gereformeerde geloof niet veel van te merken.
(Andere kinderen van mijn leeftijd om mee te spelen waren daar niet in de buurt; anders had die bevoorrechte positie zich vanzelf wel afgevlakt.)
Eén geval van privilege, dat staat voor alle andere, zit nog op onaangename wijze in mijn geheugen. Oma stuurde mij wel eens om boodschappen. Op een keer — ik zal een jaar of tien, elf geweest zijn — kwam ik bij de kruidenier in de Hoofdstraat. Daar stonden wel zes klanten en ik zou dus moeten wachten. Maar ziedaar: ik werd het eerst geholpen! Dat is de kleinzoon van S., werd er om mij heen gemurmeld. Ik vond het onterecht, maar … liet het me welgevallen, zodat de boodschap snel gedaan was.
.
Mijn huisarts in Marburg is erg goed. Ze neemt de tijd voor iedere patiënt, stelt goede diagnoses, heeft goede contacten met de juiste specialisten, die zij maar hoeft op te bellen en je krijgt al een afspraak voor morgen. Daarom heeft zij ook veel patiënten en waren de wachttijden in haar wachtkamer absurd lang. Sinds kort is er ontspanning ingetreden, omdat er inmiddels nog twee andere artsen in de praktijk werken. Maar vroeger zaten de mensen soms wel twee, drie uur te wachten. Er werd onder de wachtenden flink over gejammerd; het wachten was soms erger dan de kwaal waaraan men leed. De meeste mensen namen het toch voor lief, omdat zij prijs stelden op een goede arts, en wie er niet tegen kon zocht zich een andere geneesheer of -dame.
Maar ik hoefde bijna nooit te wachten, want ik was Professor R. Nauwelijks zat ik in de wachtkamer met het nieuwe nummer van de Stern of de assistente kwam mij al oproepen, met naam en titel.
Ik ben geen professor en heb daar herhaaldelijk op gewezen. Eén maal heb ik er persoonlijk op toegezien dat die titel op mijn kaart werd doorgestreept, maar het heeft niet geholpen: ik ben nog steeds professor. Vermoedelijk is het een Duitse techniek om mij stiekem voor te trekken. Waarom ze dat doen weet ik niet; het is onrechtvaardig, maar … ik laat het me graag welgevallen, zodat niets meer een spoedige genezing in de weg staat.
.
Als student in Egypte (1971–72) genoot ik een Egyptische studiebeurs van £E 40,– in de maand, dat was £E 36,50 after tax. Het Pond, dat nu € 0,05 waard is, was toen officieel ƒ 8,20, op de zwarte markt ƒ 5,50. Dat was heel veel meer dan Egyptische studenten kregen. Ik had als buitenlandse student nog meer privileges. Door bemiddeling werd mij bij voorbeeld op het Ministerie van Binnenlandse Zaken een pasje uitgereikt waarop stond, dat ik doctor in de archeologie was en vrij toegang had tot alle monumenten in Egypte; zelfs die eigenlijk gesloten waren. Dit liet ik mij graag welgevallen. Dat ik een beetje jong was voor een doctorstitel hinderde blijkbaar niemand. Ook kreeg ik gratis een kortingkaart voor de stadsbussen, zodat ik in plaats van één piaster nog maar een halve hoefde te betalen voor een ritje in de tweede klas. Soms had ik geen zin in zo veel volk en nam ik de eerste; dat kostte dan wel meteen twee piaster.
De beurs moest maandelijks worden geïnd op het kantoor voor buitenlandse studenten in de straat bij het graf van Sa‘d Zaghlul, waar nu het metrostation is. Daartoe moest ik naar de tweede verdieping, en bij binnenkomst stond er al een portier gereed om de deur van de lift voor me open te houden. Op een keer merkte ik dat Soedanese studenten, die ook hun beurs kwamen afhalen, niet in de lift mochten. Dat vond ik akelig; voortaan nam ik ook de trap. Toch even een moment van solidariteit met de zwoegende en zuchtende mensheid; nou ja, kunst hoor: twee trappen oplopen.
.
N.B.: Een collega vertelde onlangs, dat die Soedanese studenten slechts £E 10,- in de maand kregen.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, De mens, Duitsland, Persoonlijk, Vroeger

Joden in Kairo: miniherinneringen

In Oud-Cairo (Fustat) staat een synagoge, die beroemd geworden is omdat er in 1896 in een rommelkamertje een schat aan historische documenten uit de 9e-19e eeuw gevonden werd: de Cairo Geniza. Die synagoge ging ik eens met een studiegenoot bezichtigen en daar maakten we kennis met de bewaker/koster/gids van het gebouw: een onderdanig, onderworpen, schrikachtig mannetje: de vleesgeworden bede om hem daaruit te halen, maar we konden niets voor hem doen.
Onder het socialisme, ± 1959–60, waren de ongeveer 80.000 Joden van Egypte grotendeels het land uitgezet. Blijkbaar waren ze eerst ondergebracht in een doorgangskamp, dat zich uitstrekte achter die synagoge. Het stond nu leeg; alleen aan het begin waren nog twee, drie barakken bewoond. Misschien woonde die koster daar ook. We liepen even op en neer door de verlaten straatjes. Daar hoorden we ineens de harde stemmen van een stel Duitse toeristen. Hier wohnen noch welche, riep er een. Dat klonk niet prettig.
.
Over mevrouw F., de weduwe van een bekende filmster en zanger, heb ik al eens geschreven. Zij was de corpulente vrouw, die lichamelijk moeite had om het islamitische gebed te verrichten, maar daartoe door haar zoon gedwongen werd. Ja, zij was van huis uit Jodin, maar bekeerd tot de islam. Of dat op wens van wijlen haar man was gebeurd, of onder de aanstorm van het socialisme met zijn vreemdelingenhaat, of pas later onder druk van haar zoon kan ik niet nagaan. Vermoedelijk werd zij pas laat bekeerd, want er zijn ook corpulente moslima’s die het gebed moeiteloos verrichten: een kwestie van vroege training.
.
Mevrouw Weinstein dreef een winkeltje in kantoorbehoeften. Zij was Jodin gebleven. Misschien behoorde zij tot de kleine groep Renommierjuden die het regime nodig had om te getuigen hoe goed men in Egypte de Joden behandelde? Met hetzelfde doel werd de grote synagoge in de Adly-straat opengehouden, bewaakt, onderhouden en soms zelfs feestelijk verlicht: niets aan de hand.
.
En dan was er nog de kelner bij Groppi. Dat was een patisserie annex restaurant, voorheen van eerste kwaliteit, maar onder het socialisme in  verval geraakt, zoals alles. Je kon daar Europees eten, met wijn erbij. Soms hadden we daar even behoefte aan, hoewel het aanbod tamelijk erbarmelijk was.
Maar die kelner was nog uit de oude tijd; hij verstond zijn vak en oefende het met verve uit. Hij moet geleden hebben onder de kwaliteit van de wijn, die hij met alle strijkages kwam serveren. Servet over de arm, om de fles, kurk ruiken, laten proeven, alles met gebaren alsof hij in een grand hôtel werkte, en alsof die wijn wat voorstelde. Het was treurig te aanschouwen hoe hij dat eenheidsbocht uit de genationaliseerde wijngaarden behoedzaam decanteerde in een soort bloemenvaas. Misschien was dat omdat glazen flessen zeldzaam en duur waren en te vrezen was dat de klanten die mee naar huis zouden nemen?
Deze man zag er teleurgesteld en afgeleefd uit, hij zal niet veel ouder meer geworden zijn.
.
Een bekende Egyptische Jodin die na de verdrijving in Europa terecht is gekomen is Gisèle Littman, alias Bat Yeor (= Dochter van de Nijl). Een gifslang, die het verlies van haar rijke koloniale leventje nooit te boven is gekomen en sinds jaar en dag vuil spuit over de Islamitische wereld. Zij is degene die het begrip Eurabia heeft uitgevonden: een Europa waarin de tot fascisme neigende politieke leiders heimelijk toewerken naar de oprichting van een islamitisch kalifaat. Ook het begrip dhimmitude is uit haar pen gevloeid: niet-moslims zouden zich ten opzichte van moslims in een staat van onderworpenheid begeven.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Joden Joods joods, Kairo, Vroeger

Mini-herinneringen Cairo

In de studentenflat werden kamers vaak door twee of drie jongens gedeeld. Hoe het samenleven in die kamers was onttrok zich geheel aan mijn waarneming. Preutsheid heerste alom: twee keer per week was er warm water, dan stonden alle studenten in de rij voor de douchehokjes, van de hals tot de enkels gehuld in badmantels. Jongens die vrijwel niets bezaten hadden toch geïnvesteerd in dit blijkbaar noodzakelijk geachte kledingstuk. Dat was in Nederlandse studentenflats heel anders, zelfs toen die gemengd werden.
.
’s Avonds kon je in de binnenstad ‘Cleopatra, de koningin van de Nijl’ tegenkomen: een exuberant opgemaakte en geklede, grote persoon, die zich uitdrukkelijk als vrouw presenteerde. Aangenomen werd dat er onder al die pracht een mannelijk lichaam schuilging, maar dat kan bij nader inzien evengoed een hermafrodiet of transgender geweest zijn. Of een vrouw? De Mathilde Willink van het Nijldal, waarom ook niet? De autoriteiten waren tegen dit soort verschijnselen, maar de mensen op straat waren eerder geamuseerd welwillend. Geen sprake van stenen gooien of volksgericht.
.
Op een verjaardagsfeestje waren de twee aanwezige meisjes al snel in de keuken verdwenen, terwijl de jongens en mannen zich onder elkaar amuseerden met o.a. zeer zinnelijke, zelfs obscene buikdansen, die door twee jongemannen na elkaar werden uitgevoerd. Het geheel werd als grap, als parodie gepresenteerd, goed voor het ene lachsalvo na het andere, maar intussen werden de dansen met grote kunstvaardigheid uitgevoerd. Daar moet langdurig en met liefde op geoefend zijn geweest; het werd me toen duidelijk dat er gewoon ook mannelijke buikdansers bestonden. En dat waren geen ingehuurde krachten, maar genode gasten, vrienden van de jarige.
.
En dan waren er nog die twee Italiaanse clowns. Die sprongen te voorschijn uit een zijsteeg en voerden hun nummer op; heel snel, stiekem natuurlijk, want zulke kunsten waren in Egypte streng verboden! Hun optreden was grof, obsceen, anaal. Nog tijdens hun optreden haalden ze het geld op bij het snel toegestroomde, medeplichtige publiek. Tenslotte verdwenen ze ergens in een trappenhuis en ook de toeschouwers waren weg. Niets gebeurd – snelvermaak in een politiestaat.
.
Tijdens het socialisme en kort daarna was er in Egypte niets te krijgen. Als je erheen ging vroegen allerlei Egyptenaren in Nederland of je iets wilde meenemen voor hun familie daar. Steunkousen, snelkookpannen, stofzuigerzakken, dat soort dingen. In de late jaren zeventig kwam ik zo eens terecht bij de broer van een kennis, die met zijn vrouw inwoonde bij zijn moeder. Deze had een prachtige ruime flat uit de oude tijd; zonder twijfel wachtte hij geduldig tot zij zou overlijden. Twee onverkwikkelijke dingen heb ik daar meegemaakt: de man dwong zijn moeder te bidden. Moeder was een zelfstandig opererende zakenvrouw, maar op religieus gebied moest ze zich onderwerpen. Ze mopperde tegen mij over de bemoeizucht van haar zoon: whiskey mocht ze ook al niet meer. Zij begaf zich dus naar haar slaapkamer, waar zij zich zuchtend en kreunend aan de buigingen overgaf. Dat viel haar niet mee, want ze was het nooit gewend geweest en ze was zwaarlijvig. Of ik wilde of niet, ik moest het wel zien, omdat zij de deur van de slaapkamer half open had gelaten.
Het andere vond ik nog erger: de man was woedend op zijn vrouw, omdat deze hem de week tevoren een meisje en geen jongen had gebaard! Wat denkt u dat deze man zijn beroep was? Arts.
.
Een BMW vijfhonderdzoveel is een vrij forse, dure auto. In Cairo waren auto’s nog eens minstens twee maal zo duur, dus voor daar was die wagen behoorlijk luxe. Hij werd gereden door een Nederlandse ontwikkelingswerker, die ik daar leerde kennen. Een landbouwingenieur, die zijn steentje bijdroeg aan de verbetering van de landbouw in Egypte. Voor zover die sukkelaars naar zijn goede adviezen wilden luisteren tenminste; hij was bepaald niet positief over de samenwerking. Ons beiden verbond een liefde voor klassieke muziek en we zijn enige malen samen naar concerten en recitals geweest in Cairo. In de gesprekken met hem begreep ik beter wat ontwikkelingshulp was. Best mogelijk dat de Egyptenaren iets hadden aan zijn vakkennis, maar de gedachte dat bij ontwikkelingshulp ‘wij’ iets doen voor onze medemensen overzee die het moeilijk hebben bleek geheel misplaatst. Het was gewoon een dik verdienende vakman met een carrière en weinig empathie. Anders dan bij zendelingen en missionarissen, die ‘zich opofferen’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, De mens

Egyptische sigaretten

Een degelijk huisgezin had vroeger sigaretten in huis om aan gasten te presenteren. Er waren twee soorten: Engelse en Amerikaanse. Een zeer kleine minderheid rookte ovale Egyptische sigaretten, of liever cigarettes. Honderd jaar geleden moeten die veel populairder zijn geweest. Ik kende nog een oude Duitse dame die tot haar dood de Duitse pakjes Kyriazi Frères kocht. (Nee, daaraan is zij niet gestorven.) Als beginnend oriëntalist had ik ook een korte sigarettenfase en meende ik oriëntaalse sigaretten te moeten roken, van Sullivan Powell in de Burlington Arcade. De Duitse firma NIL vervaardigt al heel lang sigaretten in Egyptische stijl. Die zijn nog steeds verkrijgbaar. Kyriazi was zeer Egyptisch, maar had een vestiging in Duitsland. Ook andere Duitse fabrieken maakten oriëntaalse sigaretten. Bekend is de Yenidze fabriek in Dresden, waarvan het moskeevormige gebouw nog bestaat en nu een andere functie heeft.
.
Het aardige van die Egyptische sigaretten was en is nog steeds de verpakking. De onvermijdelijke pyramiden, faraonische motieven, een portret van een Griekse, Italiaanse of Duitse fabrikant en soms ‘oriëntaalse’ motieven, bij voorbeeld een odaliske die op een sofa ligt te roken, veel gekleder overigens dan op de schilderijen van de vroege negentiende eeuw. Vanwege dat oriëntalisme verzamel ik wat plaatjes, want dat houdt me bezig. De blikjes werden blijkbaar in Europa vervaardigd; de Arabische letters daarop zien er niet altijd authentiek uit. De tabak kwam overigens uit Turkije (toen nog inclusief de Balkan). Egypte zelf had maar weinig tabak, die slecht was en waarvan het verbouwen later geheel verboden werd. De enige reden dat Ottomaanse onderdanen sigaretten in Egypte gingen vervaardigen was het vermijden van de Turkse tabaksbelasting.
.
Wel te onderscheiden zijn, althans in de nieuwste tijd,  de sigaretten die voor de Egyptische markt bestemd waren (Kleopatra, Nefertiti, Belmont, Suez en blijkbaar ook de variant Damir van Coutarelli) en de veel chiquere die naar Europa, vooral naar Duitsland gingen.
Belmont was ‘in mijn tijd’ de goedkoopste sigaret in Egypte. Er werd gefluisterd dat daarin de reeds eenmaal doorgerookte tabak van ingezamelde peuken werd verwerkt.

 

P.S. Ook aan de Comeniuslaan in Naarden werd in 1915 een moskeevormige sigarettenfabriek gebouwd.

5 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Economie/Wirtschaft, Kunst, Orient, Ostwestliches

Ondergoed in Cairo

Neemt U mij niet kwalijk. Een berichtje over het Egyptische zangeresje Shyma, dat werd gearresteerd omdat zij in een video-clip in haar ondergoed aan een appel likte, in een banaan hapte en melk over die banaan uitgoot, bracht bij mij weer zo’n mini-herinnering aan Cairo teweeg. Het regime van Sisi is een stuk repressiever dan het vorige, maar de preutsheid zat er altijd al diep in—dat wil zeggen bij het merendeel van de bevolking. Als vanouds mag je in Egypte alles zeggen en doen, als het maar niet over religie, politiek of seks gaat. Het land is een raar mengsel van ongelooflijke preutsheid en geobsedeerdheid met seks. Terwijl wij in Europa ook wel eens iets anders doen lijkt het wel of ze daar de hele dag aan van dattem denken—misschien juist omdat er zo weinig mogelijkheden zijn.
.
Een aantal jaren geleden drongen vrome lieden erop aan, de televisietoren van Cairo van een dakje of opbouw te voorzien, omdat hij teveel deed denken aan. Op een recente foto zie ik dat dat inmiddels is gebeurd. Vroeger eindigde hij meer eikelvormig. Zonder twijfel was er ook behoefte aan meer ruimte daarboven voor een restaurant en een hogere zendmast, maar in vrome kring was er vooral bezwaar tegen de vorm van die toren. Bij minaretten hoorde je daar nooit over.
.
En ik herinner mij een bediende (het was 1970) die de vuile was kwam ophalen en samen met mij een waslijst opstelde: zoveel hemden, zoveel handdoeken en zoveel … onderbroeken. Ja, hij zei dit onzegbare woord, maar voegde er dadelijk aan toe: la mu’achza, ‘neemt U mij niet kwalijk’. Bij dit soort onderwerpen, zo leerde ik weldra, was dat een gebruikelijke formule.
.
En die keer dat ik ondergoed ging kopen. Er waren niet zoveel begeerlijke Egyptische producten, maar de overhemden van Georges waren uitstekend, en het ondergoed van JIL eveneens. Dat merk werd mij aanbevolen door de schrijver Yusuf al-Sharuni, en inderdaad, het was goed. JIL Paris stond erin. Later heb ik begrepen dat het in Egypte werd gefabriceerd voor de buitenlandse markt.
Maar waar kocht je dat? De eerste keer gewoon in de Muski-soek. Daar zei de handelaar na de aankoop: komt u even mee, ik heb iets bijzonders voor u. Achterin een portiek toonde hij mij heel geheimzinnig zijn waar: een nep-antiek beeldje. Bah! kunnen ze het dan nooit laten? Een volgende keer ging ik liever naar een textielpaleis met vaste prijzen. Nadat ik mijn wens kenbaar had gemaakt begon de hele batterij verkoopsters (verborgen werkloosheid!) te giechelen: het idee dat Europeanen ook ondergoed droegen was blijkbaar goed voor langdurige hilariteit. Of zouden daar de vrouwen soms ondergoed kopen voor hun man? Ze hadden wel wat ik zocht. Later ging ik maar naar het warenhuis Umar Effendi, waar mannelijk personeel was en waar je zelf iets uit een rek kon pakken.
.
En nu draag ik Duits ondergoed, kom nooit meer in Egypte en heb af en toe een mini-herinnering.

4 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Niks

Droom van gelukzaligheid

Ik droomde dat ik voor het tuinhek stond van Rue Bliss nr. 11 in Cairo. Een majesteitelijk tuinhek in deze prachtige brede straat, een van de beste locaties in Cairo. In de beide posten van het hek waren Chinese karakters uitgehouwen. Een ambassade? Nee, toch niet, want eronder stond een tekst in het Armeens. Volgens een wat kleinere tekst was hier ook een Dr. … (naam intussen vergeten) gevestigd. Een eindje verderop was een ruim aangelegd park, waarachter een hotel verrees.

Maar waar was die straat dan precies in Cairo? Waar is zo veel ruimte, zo veel groen? En hoezo werd hij op zijn Frans benoemd?

Allemaal onzin natuurlijk: de Rue Bliss is niet in Cairo, maar in Beiroet, en helemaal niet grandioos. Mijn slapende oriëntalistenziel had alles door elkaar gehaald.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Nabije Oosten

Auto’s in Cairo

Na de lezing in het Instituut werd er als altijd nog iets te drinken aangeboden. Daar kwam je dan in gesprek, en zo leerde ik de heer A. kennen. Wat hij deed weet ik niet meer; het moet in 1972 geweest zijn. Wel herinner ik me dat ik na afloop mijnheer A. buiten weer tegenkwam. Hij wilde juist in zijn auto stappen en vroeg:
– U woont toch in Dokki; kan ik U een eind meenemen?
– Nee dank U, antwoordde ik, ik vind het wel prettig ’s avonds een half uur te lopen.
En zo was het ook: Cairo was ’s avonds lekker rustig en wat lichaamsbeweging in de knapperige avondlucht zou me goed doen, want ik had een beetje hoofdpijn. Maar de heer A. was in zijn wiek geschoten:
– Mijn  auto is U zeker te oud?
Er klonk in zijn woorden geen vrolijkheid door, maar een lichte verbittering. Op dat moment wist ik niet hoe daarop moest reageren. Ontkennen hielp niet. Natuurlijk had ik geen verachting voor oude auto’s; integendeel. Juist nieuwe auto’s waren onder het socialisme nogal verdacht. A.’s auto van een mij onbekend merk dateerde duidelijk uit de vroege jaren vijftig.

– A. zal zich, ook zonder mij, hebben geschaamd voor die oude wagen, omdat zijn familie na de revolutie geen geld meer had voor een nieuwe.
– A. zal hebben gemeend, dat ik in een nieuwe Mercedes wél graag een lift had aanvaard.
– Het moet voor A. onbegrijpelijk en ongeloofwaardig zijn geweest dat ik wilde lopen. Als Europeaan was ik een persoon van hoge rang, en zulke mensen gaan in Cairo niet te voet.
– A. zal de koloniale arrogantie hebben menen te voelen van de Europeaan die ik was—die natuurlijk een tegenhanger had in zijn eveneens koloniale zelfverachting.
– A. wist of begreep blijkbaar niet, dat Europeanen oude auto’s vaak wel interessant vinden. Maar had hij dat wel geweten was het ook niet goed geweest. Als ik bij voorbeeld zijn old-timer had bewonderd alvorens naar huis te lopen, had hij me niet geloofd. En als hij me wel had geloofd was ik uit de hoogte geweest, door zijn kostbare bezit tot een curiositeit te degraderen.

Het was ook nooit goed; geen wonder dat ik soms hoofdpijn kreeg in Cairo.

===

Een auto waarin ik, vele jaren later, wél ben meegereden was een Rolls Royce Silver Cloud, eveneens uit de jaren vijftig. De nogal gebutste wagen behoorde toe aan de familie Butrus Ghali; ik kwam daarin terecht omdat ik samen met een kennis ergens mee naar toe genomen zou worden. Van de rit in deze Rolls herinner ik mij dat het comfort niet groter was dan dat van een moderne middenklasser. Wat moeten goedkope auto’s vroeger dan oncomfortabel zijn geweest.

===

Een lift die ik ook heb aanvaard was die van een verkoopster in een computerzaak. In Cairo kon je Arabische software kopen die in Europa niet te krijgen was, dus ik bezocht regelmatig zo’n zaak. Het moet in de jaren negentig zijn geweest. Wat ik wilde hebben was momenteel niet in huis, zei de verkoopster, maar het was voorradig in het filiaal in Mohandisin. Zij stond op het punt daarheen te vertrekken; wilde ik soms meerijden? Graag, en zo propte ik me in een Fiat 650 naast deze jonge vrouw, die wel erg veel doeken om zich heen had. Waarom heb ik deze banale gebeurtenis onthouden? Omdat ik nu in een afgesloten ruimte alleen was met een kennelijk gelovige muslima. De islamitische regels verbieden dat, en naar het Egyptische volksgevoel staat het vrijwel gelijk aan geslachtsverkeer; daar bestaan heel wat gore moppen over. Maar deze lift was net zo normaal als hij in Nederland was geweest. Honi soit qui mal y pense.
(Werkten er toen in Nederland al vrouwen in computerzaken? Ik geloof het niet.)

===

Soms word ik ’s morgens wakker met dit soort herinneringen. Die schrijf ik dan meteen maar op.
Mijn geheugen verandert nogal. Onlangs kocht ik een reuzepak WC-papier zonder mij te herinneren dat ik dat al eerder gedaan had. Maar anderzijds komen er tegenwoordig zulke scherpe mini-herinneringen boven, en dat is wel aardig.

2 reacties

Opgeslagen onder Auto, Cairo

Oorlof, mijn arme schapen

Vannacht droomde ik dat ik met drie schapen thuiskwam. De keuken was te krap voor ze, dus moesten ze maar op het balkon. Als voer kregen ze lamsbout, een heel werk nog om dat klaar te maken. Toen dat op was overwoog ik stukken vlees uit mijn eigen benen te snijden, maar daar zag ik toch tegenop en vanaf. Iets van gras dan maar? Maar hoe …? Als zo vaak was wakker worden de beste oplossing.
.
Ik had nog nooit van schapen gedroomd. De aanjager was waarschijnlijk de hier geplaatste foto van Ottomaanse Turken die schapen naar huis droegen voor het offerfeest.
.
Het balkonschaap was mij vertrouwd uit Cairo, waar een, twee dagen voor het feest schapen op balkons te zien waren. Soms ging het mis en las je in het gemengde nieuws dat er ergens zo’n schaap door de balustrade was gebroken en op straat te pletter was gevallen. Een bloedbad, en een flinke strop ook, want een dood dier dat niet op rituele wijze geslacht was mocht je niet eten.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Dieren, Dromen

Technisch inzicht

De wasmachine deed het niet meer. Hij is al erg oud, dus het was wel te verwachten. Ik zat al in het internet te kijken naar aanbiedingen voor een nieuwe, toen ik ineens aan mijn studietijd in Egypte dacht. Daar wist men wel raad met weerspannige apparaten. Even krachtig heen en weer schudden, zo ging dat daar. En ja hoor, hij is nu weer vrolijk aan het brommen. Maar wie krijgt er tegenwoordig nog zo’n degelijke opleiding?

6 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Universiteit

Spionage en censuur

Vandaag werd ik wakker met herinneringen aan enkele omstandigheden omtrent mijn studieverblijf in Egypte, 1971–72. Meteen maar opschrijven.

Aankomende arabisten werden in die tijd graag naar Cairo gestuurd voor de taal. Ze kregen dan een Egyptische studiebeurs van £E 40 p.m. (daar ging nog £E 3,50 belasting vanaf). Dat was niet veel geld, maar het ging ook de om de erkenning en beschutting. Egypte was toen een half oostblokland: het was er vergeven van de Russen en Oostduitsers, en er moest dus gespioneerd worden. Omdat er vrijwel niemand heen ging — in de hele DC 8 zaten maar tien passagiers — werden ook studenten daarbij ingeschakeld. Toen het bericht gekomen was dat ik zo’n beurs zou krijgen moest ik nog lang wachten op het visum. In die tussentijd werd ik bezocht door een mijnheer van de BVD, die mij voorstelde dat ik in Egypte ‘mijn ogen goed de kost zou geven’ – nee, niet door het sleutelgat, geen gevaarlijke missies, gewoon van binnenuit de zaken eens aanzien, de stemming peilen in allerlei kringen en zo, en mijn info doorgeven aan iemand die ik ter plaatse nog zou leren kennen. Hij ried me dringend aan op dit voorstel in te gaan, omdat anders mijn vader nadeel zou kunnen ondervinden. Dat laatste mocht niet gebeuren vond ik, en hoewel ik helemaal geen zin had in die klus was het duidelijk dat ik niet kon weigeren. Ik heb er flink over getobd toen, en besloot uiteindelijk niet te weigeren maar me zodanig als malle Eppie te gedragen dat niemand iets aan me zou hebben. Bij een tweede contact, in hotel Terminus in Den Haag, werd ik onderworpen aan de jenevertest. Er werd mij een aantal borrels aangeboden/opgedrongen om te zien of ik daarna erg spraakzaam werd. Quod non.

In Cairo merkte ik dat er in en om de ambassade wel personen waren die zich kennelijk met spionage-achtige activiteiten bezighielden. Later hoorde ik dat Nederland door de NAVO was uitverkoren om Egypte te coveren, en dat dit in 1973 alweer voorbij was omdat er stomme fouten waren gemaakt. Er waren ook buitenlandse studenten actief: de Amerikaan Daniel P., die tegenwoordig chef is van een ultraconservatieve, islamhatende think tank, en een Fransman, wiens biografie zo volledig fictief was dat hij van de aardbodem verdwenen lijkt. De Egyptenaren zelf waren helemaal bezeten van spionage: ruim de helft van hen moet wel spion of informant geweest zijn. Zij pakten het allemaal wat grondiger aan dan de Nederlanders, zodat ik geleidelijk een minachting ontwikkelde voor de activiteiten van mijn landgenoten. Toen ik eens een paar blaadjes papier verscheurde en op een vuilnishoop gooide sprongen er meteen een paar mannetjes op, die deze documenten gingen redden voor het staatsarchief. Het hebben of dragen van een tas was ongewenst omdat je dan nieuwsgierige lieden achter je aan kreeg, of gezagsdragers die opening verlangden. Die hele paranoïde sfeer van toen is overigens mooi weergegeven in een verhaal van Yusuf as-Sharuni over de lotgevallen van een man met een groot bruin pakket, dat echter slechts een lifa-spons bleek te bevatten. Het was ook de tijd dat de boeken van Kafka goed verkochten in Egypte.

Wat had het contact met de BVD voor gevolgen voor mijn verblijf? Ik had enkele onaangename contacten met Nederlandse contactpersonen, aan wie ik niets noemenswaardigs vertelde. Erger was echter dat ik nu niet meer ‘onschuldig’ mijn ogen de kost gaf. Rondkijken had ik toch wel gedaan: ik was immers nieuwsgierig naar het andere land dat ik daar leerde kennen. Het contacten aanknopen met Egyptenaren werd onaangenaam belast. Maar dat was het voor hen ook. Met buitenlanders praten was soms niet goed voor hen. Zij dachten vaak toch al dat buitenlanders spionnen waren, en zou het nu nog waar zijn ook? Zo heeft er een aantal gesprekken in de Cairose dierentuin plaatsgehad, een klassieke locatie voor geheime gesprekken. Naast de schuldigheid waarmee Egypte je opzadelde kwam er nog een Nederlandse portie bovenop. Niet prettig.

Toen ik tegen het einde van mijn verblijf eerder naar Nederland terug wilde dan voorzien werd ik ter ambassade ontboden, waar mij boos te kennen werd gegeven, dat dit niet de bedoeling was. Men zou de verstrekking van mijn studiebeurs heroverwegen. Dat was een slordigheidje van die man: ik hád helemaal geen Nederlandse studiebeurs, dus die kon ook niet ingetrokken worden. Binnen een week had ik mijn uitreisvisum bij de Egyptenaren bij elkaar geluld en vertrok ik.

Wie had me eigenlijk bij de BVD aangemeld? Dat kwam ik jaren later te weten. Ik had toen een baan op het instituut in Leiden en moest een keer laat in het kamertje van het secretariaat zijn. Daar werd mijn oog getrokken door de persoonlijke dossiers en sloeg ik mijzelf even op. En ziedaar de kopie van een brief van een allang vertrokken oude hoogleraar die aan een kennelijk bevriende generaal b.d. schreef dat hij ‘er weer een had’ – waarna mijn naam volgde. Kijk, een echte spion had die brief even gefotografeerd met de Minox. Maar ik was er geen en had er geen. Net als in Egypte was ik alleen maar privé-nieuwsgierig.

‘Geopend zijdens de censuur’: dat stond altijd op de plakstrook waarmee de brieven van en naar Europa weer waren dichtgeplakt. Wie las ze? Naar verluidde waren er oude Indonesiërs, die nog Nederlands kenden en deze klus voor Egypte klaarden. De luchtpost werkte goed; geen wonder, want de autoriteiten waren natuurlijk nieuwsgierig naar het antwoord. In die dure postzegels van 11 piaster betaalde je als het ware de censuur mee. Het was niet zo moeilijk de censuur om de tuin te leiden met overdreven enthousiasme, understatements of toespelingen waarvan oude Indonesiërs geen flauw vermoeden konden hebben. Als een Nederlander mij een brief in het Nederlands uit Italië schreef kwam die ook aan, maar het duurde duidelijk langer. De Italië-desk moest eerst die rare taal determineren. En als een Duitser mij in het Duits schreef kwam de brief natuurlijk bij DDR-geïnfecteerde diensten terecht, die meer te duchten waren. Ik schreef eigenlijk niets wat niet de hele wereld had mogen lezen, maar ook de censuur paste in het bouwwerk van wantrouwen en verdenking.

6 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Nabije_Oosten, Nederland, Persoonlijk