Categorie archief: Cairo

Mini-herinnering: het Pishoy-klooster

In Egypte, in het Natron-dal tussen Cairo en Alexandrië, ligt het klooster van Pishoy of Bishoy, dat ik in 2010 bezocht. Het dateert uit de vierde eeuw en is dus een ‘bezienswaardigheid’. Maar nog bezienswaardiger dan de oude gebouwen vond ik hoe de monniken daar leefden en wat ze allemaal ondernamen.

Van de Koptische kerk wist ik niet veel; alleen had ik altijd gehoord dat het een stoffige en totaal verstarde kerk was. Dat bleek echter in het geheel niet het geval. Wel is de liturgie eeuwenoud, evenals de  liturgische taal Koptisch, die tegenwoordig door vrijwel niemand meer verstaan wordt. Maar in dat klooster woei een frisse wind, net als in de hele Koptische kerk, naar ik vernam. De monniken deden altijd al aan sociaal werk en armoedebestrijding, maar hadden vaker nog dan theologie ook allerlei praktische vakken gestudeerd: landbouwkunde, waterbouw en dergelijke. Ze geven tegenwoordig ook scholing op allerlei gebied: alfabetisering en technische en agrarische beroepsopleidingen en leren de mensen zelf hun armoede te bestrijden. Ontwikkelingshulp zonder winstoogmerk. Het klooster ligt in een waterarme streek waar de landbouw maar weinig opleverde. De monniken hebben technieken gevonden en onderwezen waardoor de productie toch verbeterd kon worden. 

Zo’n klooster vormt dus een geestelijk en cultureel centrum, dat sturing geeft en van waaruit het omliggende gebied ontwikkeld wordt. Eigenlijk is dat niets nieuws: was het duizend jaar geleden in Europa niet net zo? Zulke kloosters zou ik de stikstofgebieden van Nederland wederom toewensen. Maar nee, zoiets is hier niet meer denkbaar. God is verdwenen uit Jorwerd, en in sommige delen van het land is Hij misschien nooit geweest.

Zie ook: Bloeiende landschappen, ontredderde boeren.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Christen Christelijk Christendom, Economie/Wirtschaft

Mini-herinnering: Made in USSR

In maart 1972 bezocht ik de jaarbeurs in Cairo, waar industriële producten, grote zowel als kleine, tentoon werden gesteld. In Utrecht of andere steden bezoek ik nooit zo’n beurs; ze interesseren me niet. Maar in het sjofele, in zichzelf gekeerde Egypte van toen was alles wat groot, glanzend en internationaal was aantrekkelijk, dus ik ging erheen.

Egypte was toen nog vrijwel een oostblokland, dus een grote exposant was de Sovjet Unie. Ook China was royaal vertegenwoordigd. De westerse landen minder, niet uit gebrek aan belangstelling, maar omdat hun spullen voor Egypte te duur waren. Mij viel toen op wat een erbarmelijke kwaliteit de Sovjetproducten hadden. Ik heb in het geheel geen verstand van tractoren of machines, maar ook met een lekenoog kon ik zien hoe knullig ze ontworpen waren en hoe ongelofelijk slecht afgewerkt. Terwijl de Chinese producten wel wat ouderwets waren, duidelijk kopieën van Amerikaanse ontwerpen uit de jaren vijftig, maar goed gemaakt, toen al. In het huidige Rusland zijn de spullen blijkbaar nog steeds niet veel beter.

Ik denk niet dat Egypte toen, behalve wapentuig, veel Russische producten kocht. Of het moest zijn door gedwongen winkelnering. De treinstellen en de trams kwamen meestal uit Hongarije; niet te duur en toch goed.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, China, Economie/Wirtschaft, Rusland

Snoepjesboeken

Er zijn van die boeken, die je achter elkaar uit leest, omdat ze zo lekker zijn. Geen hoogvliegers, maar degelijk geschreven met een spannende plot, humor, en op de achtergrond soms best nog wat ‘diepgang’. Unputdownable. Ik denk aan de werken van Graham Greene, Dorothy Sayers, John LeCarré en dergelijke.
Bij de zoveelste opruimronde in de boekenkasten kwamen er twee pockets van Michael Pearce uit de Mamur Zabt-reeks te voorschijn. Die moet ik dertig(?) jaar geleden al eens gelezen hebben, maar ik wist er niets meer van. Ik ben onmiddellijk met de herlezing begonnen en kon ze niet meer wegleggen. The Mamur Zabt and the Spoils of Egypt, en The Mamur Zabt and the men behind.
Deze detectiveboekjes zijn lang niet zo wereldberoemd geworden als die van bovengenoemde schrijvers, dus ze zullen wel minder grandioos zijn. Maar voor mij hebben ze een geweldige meerwaarde. Ze spelen zich namelijk af in het Egypte van 1908. De auteur kent Egypte van binnenuit, hij is in Sudan geboren, waarschijnlijk in Cairo op school geweest, later daar leraar geweest en hij weet steeds de juiste toon te treffen, niet alleen die van de Britse koloniale ambtenaren, maar ook van de gesprekken tussen studenten, waterdragers, ezeljongens, koetsiers, boeren en pasha’s. Zelf is hij van 1933, maar hij heeft heel grondig onderzoek gedaan naar de dagelijkse realiteit van dat oudere Cairo. Ook heeft hij zich vertrouwd gemaakt met de buitengewoon ingewikkelde politieke situatie. Egypte was officieel een deel van het Ottomaanse Rijk, maar had zich zelfstandig gemaakt. In werkelijkheid werd het echter geregeerd door de Britse Consul Generaal, die zetelde in de ‘Residence’, een marsepeinen gebouw aan de Nijloever, niet ver van de Britse soldaten in de Barracks, op de plek van het latere Nile Hilton Hotel. De ijzeren Lord Cromer had in 1907 het veld moeten ruimen; zijn opvolger Gorst was minder krachtdadig en kreeg te stellen met toenemend verzet tegen de Britten, maar ook met de vier rechtssystemen die in Egypte golden en de de facto juridische onkwetsbaarheid van buitenlanders. De Mamur Zabt (مأمور ضبط) was in dit geheel het hoofd van de Britse geheime politie, een Welshman die zich met zijn iets donkerdere huidskleur en perfecte kennis van goede manieren en van het Arabisch met groot gemak in alle kringen kon bewegen. Hij moest misdaden oplossen van o.a bommengooiers, corrupte pasha’s, slaven- en wapenhandelaren en van archeologen die en gros oudheden uit opgravingen naar het buitenland verkochten. De schurken kunnen zowel Egyptenaren als Europeanen zijn.
De plots zijn spannend, de taal is geraffineerd en bij ieder personage krijgt de goede verstaander ook inzicht in diens dubbele bodem: dingen en mensen zijn nooit wat zij schijnen. De oriëntatie is niet erg koloniaal.

Mag je eigenlijk wel ‘lekkere’ boeken lezen, romans, romannetjes? Die vraag zou ik persoonlijk nooit stellen, ik lees ze gewoon. Maar hij speelt een rol in bepaalde staten, religieuze gemeenschappen, vaak ook binnen een bepaalde familie, die de vraag met nee beantwoorden. Ze laten wel ruimte voor ‘nuttige lectuur’: studieboeken, handleidingen e.d., maar vinden het lezen van romans en romannetjes overbodige, vaak zelfs schadelijke onzin. Toen de roman in het negentiende-eeuwse Egypte werd geïntroduceerd kwam de vraag ook op, en er werd een bruikbaar antwoord op gevonden: ja, uit een goede roman kun je leren hoe goed en kwaad in elkaar zitten en jezelf met deze kennis voor de zonde behoeden.

Kunnen wij ook iets leren uit een roman(netje)? Jazeker wel, onder één voorwaarde: dat we er niet aan beginnen met de bedoeling er iets uit te leren. De drijfveer tot lezen moet het verlangen naar plezier zijn; anders werkt het niet. Het is mogelijk dat we binnenkort weer wat grondiger over deze vraag moeten nadenken: in verschillende, ook westerse landen zijn er weer aanzetten tot herinvoering van de censuur, verwijdering van boeken uit bibliotheken enzovoort.

In het geval van Pearce heb ik mijn historische kennis van Egypte en mijn inzicht in de ingewikkeldheid van menselijk handelen wat kunnen verstevigen, en bovendien mijn Engels opgefrist. De man beheerst die taal en speelt er mee in verschillende registers, terwijl mijn Engels hier in Duitsland steeds verder wegzakt. Maar vooral heb ik er heel lekkere uren mee gehad.

7 reacties

Opgeslagen onder Cairo, Fictie, Taal

Mini-herinnering: bloot in Cairo

‘Ah, u komt uit Nederland? Dan hebt u zeker wel een Candy voor me?’ vroeg de Egyptische ambtenaar. Hij bedoelde het porno-blaadje van die naam, dat in Nederland gemaakt werd. Ik had er geen, en dat stelde hem teleur. Hij gaf te kennen dat de ambtshandeling die ik hem gevraagd had te verrichten aanzienlijk versneld zou worden als ik hem een Candy leverde.

In Egypte bestond er geen pornografie; dat was verboden. Rijke mensen zullen wel toegang gehad hebben tot buitenlandse bladen, en misschien zal er onder de toonbank wel eens een bezoedeld exemplaar van de Playboy verkocht zijn, maar in principe bestond het niet. De behoefte was echter groot, dus men behielp zich. Het tijdschrift Al-Kawâkib moest de ergste nood lenigen: dat ging over filmsterren en dergelijke, een soort Privé. Ik weet niet meer hoe die sterren eruit zagen; ze zullen luchtige jurkjes hebben gedragen, maar een foto in badpak of bikini zal er niet in hebben gestaan. Ook het propagandablad van de Oostduitse ambassade voorzag in een behoefte, en dat was nog gratis ook. Daar stonden bij voorbeeld reportages in over sportprestaties van de DDR: vrouwen in minimale sportkleding! Ik herinner mij een nummer dat onder studenten erg populair was, met een struis gebouwde blonde jonge boerin op het omslag, die in een kort broekje en een mouwloos hemdje een tractor bestuurde. In Leipzig moeten ze wel hebben geweten wat ze aanrichtten in de Arabische Wereld.

Ik ging wel een films kijken die in de buitenlandse culturele instituten werden aangeboden. Ook die waren gratis, dus daar zaten ook Egyptische studenten. Egypte maakte zelf ook films, en die waren toentertijd niet slecht, maar die zaten heel anders in elkaar dan de onze, meer volkstoneel-achtig, dus ik wilde af en toe wel graag iets Europees zien. De Egyptenaren die daar zaten begrepen meestal niet veel van die films, of ze vonden er gewoon niets aan, wat ik me bij L’année dernière à Marienbad nog wel kan voorstellen. Maar er ging altijd een gejuich en gejoel op als er in zo’n Europese film een meisje of vrouw optrad met minder kleding dan men in Egypte gewend was, of met een ‘vrij’ gedrag. Terwijl die instituten echt wel opgepast zullen hebben dat ze geen films importeerden die als porno konden worden opgevat. Een Europeaan zal er niets bijzonders aan gezien hebben. Dat gejoel stoorde het kijkgenot soms, en gaf ook een miserabele indruk van Egypte.

Jaren later, in 1976 misschien, zag ik in Cairo de verfilming van Nagieb Mahfoez’ Café Karnak: een korte roman waarin de martelingen in Nassers gevangenissen en de machinaties van de geheime politie aan de orde werden gesteld. Dat was nog nooit gebeurd, en de meeste bioscoopbezoekers waren er beduusd en stil van. Maar bij een minderheid speelde toch de geilheid weer op, toen de actrice Suad Husni door een bewaker mishandeld en geslagen werd, waarbij haar jurk iets naar boven opschoof. Er werd een verkrachting gesuggereerd, maar die werd natuurlijk niet getoond; het bleef bij een stukje bovenbeen en de fantasie van de toeschouwers deed de rest.
Misschien zou zo’n land gebaat zijn bij toch wat aanbod van echte pornografie? Daar is de aardigheid namelijk snel vanaf, en dan kunnen ze weer aan iets anders denken.

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo, De mens

Optrekjes

In landen met grote, onderbetaalde bevolkingen, zoals Egypte, Brits- en Nederlands-Indië, konden bouwheren en architecten eens lekker uit hun dak gaan. Zowel arbeiders als materialen waren spotgoedkoop.

Het Sakakini-paleis in Cairo

.

De Indisch geïnspireerde Belgische bonbon van baron Empain in Heliopolis, bij Cairo

.

Victoria Station in Bombay. Het ding is zo groot dat het niet eens op de foto paste.

.

De villa Isola in Bandoeng, Nederlands-Indië. 1938, je kunt wel zien dat de NSB sterk was in Indië.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Kunst

Mini-herinnering: mijn kleren in Cairo

Wat ik als student in Cairo droeg herinner ik me maar ten dele. In ieder geval was er een no-iron overhemd. Dat had niemand daar, en het bespaarde mij de gang naar de strijkerij, want gekreukeld kon je niet naar college. Toen het weer warmer werd bleek het echter nadelig: het hemd kon niet goed ademen, zodat je erin ging zweten. Er moet een trui geweest zijn, want het is ’s winters koud in Cairo, erg koud, en verwarming is er niet. Verder herinner ik me een muisgrijs kostuum van C&A, of zullen we het DDR-grijs noemen? Het was niet meer nieuw en ik had er een grondige hekel aan. Maar ja, voor bepaalde gelegenheden moest je een pak hebben, en mijn beste spullen had ik niet willen meenemen. Het had ook een voordeel: met dat pak aan werd ik niet lastig gevallen door ‘gidsen’, taxichauffeurs, toeristenjagers en souvenirverkopers. Misschien hielden ze me dan voor een Oostduitser, en die haatten ze. (Egypte viel toen nog onder het Oostblok.) Na een paar maanden had ik het pak als afweermiddel niet meer nodig, omdat ik een klein hoofdknikje en een oogopslag had aangeleerd, die alle lastigvallers verjoegen. Of misschien wisten de mensen het gewoon: die woont hier, die hoef je niet aan zijn kop te zeuren—want later bleken mijn knikje en oogbeweging in Marokko niet te werken.
Ik was volstrekt niet van plan dat ellendekostuum mee terug te nemen naar Nederland. Een poging om het te verkopen mislukte; het belandde uiteindelijk bij de huisbediende van het instituut — hoe koloniaal! —, die er helemaal verguld mee was en zei dat het zijn zoon precies zou passen. Misschien had die jongen er net zo’n hekel aan als ik. Naar later verluidde heeft hij er wel eindexamen in gedaan.

Dankzij socialisme en armoe waren de Egyptenaren over het algemeen beroerd gekleed, maar zij behoren wel tot de mediterrane volkeren die erg hun best doen om mooi voor de dag te komen. Door het modebewustzijn van de andere studenten werd ik ook aangestoken. Ik wilde net als iedereen een mooie broek met beneden wijd uitlopende pijpen, een charleston zoals het daar heette; die liet ik maken bij een kleermaker. Terug in Nederland heb ik hem gauw weggegooid, want in het noorderlicht verbleekte de pracht ervan onmiddellijk. En schoenen. Er waren veel schoenenzaken in Cairo, waar altijd dichte drommen kijkers voor de etalages stonden. Schoenen waren een begeerlijk goed. Er werden alleen maar rotschoenen verkocht die kort meegingen, zodat men weer een volgend paar moest begeren. Rijke mensen kochten hun schoenen in Beiroet of Libië, of ze vlogen naar Rome om te shoppen. Ik was niet rijk, dus kocht ik schoenen in Cairo, die in Nederland direct in de vuilnisbak verdwenen; ditmaal vooral omdat de zolen uit een soort karton bestonden, dat niet bestand was tegen natte straten.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Kleding

Mini-herinnering: haardroger

Ik was al over de vijftig toen ik een haardroger kocht. Het leek toen verstandig, bij kou niet met een nat hoofd op de fiets te gaan zitten. Als jongeman had ik niet zo’n ding, en zeker als student in Cairo had ik er geen enkele behoefte aan. Door het overal ronddwarrelende stof moest je daar wel vaak je haar wassen, maar in die gortdroge lucht was het heel snel droog. De paar minuten die het drogen duurde was het hoofd aangenaam koel.

Mijn vriend en studiegenoot A. had er wél een. En tijdens een groepsexcursie naar Ismailia, waarbij we een nacht zouden overblijven, merkte ik, dat andere jongens er ook een hadden. Een beetje overdreven vond ik dat: ze hadden allemaal kort haar, ook hun haar zou snel drogen, en in de jaren zeventig waren elektrische apparaten in Egypte nog duur en helemaal niet zo verbreid.

Pas later heb ik begrepen wat de functie is van een haardroger. Vrouwen met lang haar kunnen zo’n ding natuurlijk altijd goed gebruiken; dan duurt het drogen niet zo lang. Maar er is nog iets anders: zich met nat of nog vochtig haar in het openbaar te vertonen is taboe, voor mannen net zo goed. Dat heb ik eens in een kort verhaal van Salwa Bakr gelezen. Het is voor moslims een religieuze plicht na de seks een ‘grote wassing’ te verrichten, en daarbij dienen de haren volgens een uitspraak van de profeet gewassen te worden tot in de haarwortels (behalve als je vlechten hebt). In onze tijd komt dat neer op douchen. Over het drogen van het haar heeft de profeet niets gezegd, maar zich vertonen met nat haar betekent in de praktijk: kijk, ik heb zoëven seks gehad. Dat signaal af te geven is ongepast.

Het Arabische woord voor haardroger is overigens sishwâr, ja dat is het Franse séchoir.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo

Mini-herinnering: coltrui

In Cairo, het moet in 1972 geweest zijn, kwam Prins Bernhard een keer langs. Hij bleef twee of drie dagen; ik heb twee bijeenkomsten met hem meegemaakt. Bij de eerste ontvangst droeg de ambassadeur natuurlijk een kostuum met das. De prins droeg een witte coltrui zonder jasje. De volgende dag vond er iets cultureels plaats, of een instituutsbezichtiging, dat weet ik niet meer. De prins droeg hetzelfde als de dag tevoren, maar de ambassadeur droeg nu ook een witte coltrui zonder das, met daaroverheen een jasje.

Was dit nu correct gedrag? Wilde de ambassadeur de nonchalance van de prins met de mantel der liefde bedekken? Nee, een prins begaat immers geen faux-pas. Wilde hij hem imiteren, hem laten zien, dat hij zich heel ontspannen voelde bij de Hoogheid? Geen schijn van kans. Waarschijnlijk was het gewoon misplaatst. Lakeien zijn immers altijd ‘voornamer’ gekleed dan de heren. Natuurlijk niet in de de pasvorm of kwaliteit van de stof van hun livrei, maar wel in de archaïsche aapjesachtigheid ervan. Terwijl een prins mag aantrekken wat hij wil en met de mode meegaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Kleding

Mini-herinneringen: kooproes in Cairo

[Herblog van 2005]
Het goederenaanbod in het socialistische Egypte heeft in 1971 iets in mij gewekt wat nooit enig kapitalisme teweeg heeft gebracht: een levendige belangstelling voor dingen die je kon kopen.

Het begon met de inkt. Ik schreef met vulpen en was niet van plan die door goedkope, altijd vlekkende Egyptische ballpoints te vervangen. Er moest dus inkt komen. Massaal aangeboden werd Reid, waarschijnlijk ooit een respectabel geweest Amerikaans inktmerk, dat na de nationalisatie zijn kwaliteit verloren had. Reid droogde snel, in de pen al, en dat was in een droog klimaat onpraktisch. Parker Quink wilde ik dus hebben, met Solv-X®, dat droogt niet uit. Een lange trektocht door Cairo volgde. Het aanbod van dit geïmporteerde spul was heel gering; het prijsniveau twintig maal hoger dan bij het Egyptische product. Maar op een dag lukte het me een flesje echte Quink te bemachtigen. Gered. Later tijdens mijn verblijf heb ik geleerd meteen naar de Chawarby Pacha-straat te gaan, waar de reizigers en smokkelaars hun uit Beiroet meegenomen waar aanboden, maar dat wist ik nog niet meteen.

Thee was ook een eerste levensbehoefte. Als student kreeg je 7,5 gram thee per maand, poederthee uit Ceylon van de ergste soort. Meer van dat spul kon je kopen in de coöperatieve Ahrâm-winkels, voor weinig geld en lang in de rij staan. Het goedje was zo minderwaardig; ik wilde echte thee. Dat bracht mij wederom in de particuliere sector, ik belandde bij Ridgways’ Darjeeling, £E 1 per quarter pound!

Zover mijn behoefte aan luxe. Ach ja, pijptabak ook nog. Die kostte ook £E 1 en was niet moeilijk te krijgen. Af en toe een feestsigaar, die kreeg je haast cadeau. Die kwam uit Cuba en was tegen een socialistisch vriendenprijsje geïmporteerd. Nog goedkoper, namelijk gratis, waren de sigaren van Prins Bernhard. Die had een kistje op de ambassade staan, voor als hij op de terugweg van de eeuwige jachtvelden in Cairo een tussenlanding maakte. Dat kistje werd eens per jaar ververst, en de oude gingen dan aan rokers die toevallig in de buurt waren.

Al het andere wat ik kocht was Egyptisch. Goed was daarvan alleen het ondergoed: van de beste katoen en zeer duurzaam.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo, Economie/Wirtschaft

Nachtleven in Cairo

Als u eens zin hebt in een boek dat helemaal niets met uw eigen leefwereld te maken heeft en toch ontzettend leuk is, kan ik Cormack’s Midnight in Cairo, the Divas of Egypt’s Roaring 20s aanbevelen. Vers van de pers!

2 reacties

Opgeslagen onder Cairo