Categorie archief: Bijbel

Mierenleeuw

Kent U reeds de mierenleeuw? Google, google, wiki, wiki: Het is een netvleugelig, nachtactief insect: Myrmeleon formicarius, uit de familie der mierenleeuwen (Myrmeleontidae); wie had dat gedacht.
Interessant is vooral de larve van dit dier. Om prooidieren te bemachtigen graaft de kleine larve een trechtervormig kuiltje in zand of losse grond. Als er een spin of mier komt aangelopen en op de helling van het trechtertje belandt kan hij niet meer terug; de larve gooit met zijn pootjes nog wat zand omhoog, het prooidier zakt verder naar beneden en wordt vermorzeld tussen sterke larvenkaken. Nog voordat we aan de bestudering van de mens toekomen begrijpen we al dat het leven op deez’ aard niet erg prettig is ingericht.
.
Maar daar wil ik het nu niet over hebben. Mij hield beroepshalve even de vraag bezig waar de naam ‘mierenleeuw’ resp. Ameisenlöwe, ant-lion, vandaan komt. Een leeuw is ook een roofdier, zeker, maar heeft verder toch weinig gemeen met dit diertje: niet in afmetingen en niet in gedrag.
.
De mierenleeuw is niet zeldzaam en is overal de mensen opgevallen door zijn jachttechniek. De oude Grieken hebben hem zeker gekend, maar bij Aristoteles heet hij (misschien) λύκος, lykos, ‘wolf’, wat ook moeilijk te begrijpen is.
.
De naam ‘mierenleeuw’ gaat terug op de bijbel, om precies te zijn op de Griekse vertaling der Septuaginta van het boek Job, ± 100 voor Christus. In onze bijbel luidt het vers:

Toen nam Elifaz uit Teman het woord: […]: ‘De leeuw gaat zonder prooi te gronde, de jonge leeuwen zwerven hongerend rond.’ (Job 4: 11, Nieuwe Bijbelvertaling)

Het Hebreeuws heeft hier twee woorden die allebei leeuw betekenen: layish en lavī. Het Nederlands heeft er maar één woord voor. Twee maal ‘leeuw’ in hetzelfde vers is niet mooi, vonden de Griekse bijbelvertalers blijkbaar ook: zij hebben het eerste ‘leeuw’ vertaald met μυρμηκολέων (myrmēkoleōn), inderdaad letterlijk ‘mieren-leeuw,’ wat dat ook mag betekenen. Samengestelde dieren waren er in de Oudheid veel. De Latijnse bijbelvertaling Vulgata zou er later helemaal een potje van maken: die vertaalt het met tigris, ‘tijger’. Leeuwen en tijgers doen het altijd goed samen in teksten; vandaar.
.
Wat hebben die Grieken bij hun vertaling gedacht, wat voor beest hebben zij zich voorgesteld? Ik heb het (nog) niet kunnen vinden. Een tekst die heel misschien wat verder helpt is Herodotus (± 485–425 v. Chr), Historiae iii, 102, dat gaat over een woestijn in Indië, waar de mensen gouddeeltjes winnen uit het zand dat door zeer grote mieren wordt opgeworpen:

In die woestijn komen mieren voor die wat kleiner zijn dan honden, maar groter dan vossen. Enkele stuks zijn gevangen en die leven in de diergaarde van de Perzische koning. Die mieren maken hun hol onder de grond en graven precies als de Griekse mieren, waar ze sprekend op lijken. (vertaling Hein L. van Dolen. )

Hier zijn tenminste reusachtige ’mieren’ (μύρμηκες, myrmikes), al bereiken ze lang niet het formaat van een leeuw. Van Dolen oppert dat er misschien aan de Tibetaanse marmot gedacht is, ‘maar het kan net zo goed een fantasiedier zijn.’ Dat laatste geldt eigenlijk ook voor de bijbelse mierenleeuw. Indiërs die goud afpakken van mieren worden overigens ook vermeld bij Timotheus van Gaza (± 500).
.
De Griekse naam myrmēkoleōn komt niet voor in Griekse teksten die ouder zijn dan de bijbelvertaling en daarna alleen mondjesmaat in christelijke of door het christendom beïnvloede teksten.
Het tweede-eeuwse, domchristelijke dierenboek Physiologus vertelt over dit dier:

Toen nam Elifaz, de koning der Temanieten, het woord: […]: “De mierenleeuw gaat zonder voedsel te gronde.” De Physiologus zegt: De mierenleeuw is aan de voorkant als een leeuw, maar aan de achterkant als een mier. Het vaderdier vreet vlees, de moeder kauwt peulvruchten. Wanneer zij nu een mierenleeuw ter wereld brengen doen zij dat als een wezen met een tweevoudige natuur: Het kan geen vlees eten wegens de natuur van zijn moeder en geen peulvruchten wegens de natuur van zijn vader; dus gaat het te gronde omdat het geen voedsel vindt.

Zo is het bijbelvers ‘verklaard’. Hoe het verder moet met het voortbestaan van de soort interesseert de auteur blijkbaar niet. Wilt u de preek ook nog horen? Komt ie:

Zo is ook een man met twee zielen onbestendig op al zijn wegen (Jak. 1:7v). Met moet niet op twee paden wandelen, noch met dubbele tong spreken bij het gebed. Wee namelijk, zo heet het, een gespleten en zondig hart dat twee paden bewandelt (Sirach 2:12). Het is niet mooi, “ja, nee” of “nee, ja” te zeggen, maar laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee, zoals onze Here Jezus Christus gesproken heeft (Matt 5:37).
Mooi heeft de Physiologus dus over de mierenleeuw gesproken.

Vindt hij zelf! Er zijn ogenblikken dat ik het betreur dat het christendom de westelijke wereld heeft veroverd. Maar ja, daarvóór zaten ze met nog meer goden, offers, keizerverering en bloedbaden in arena’s.

BRONNEN
– Job 4:11: לַיִשׁ אֹבֵד מִבְּלִי-טָרֶף וּבְנֵי לָבִיא יִתְפָּרָדוּ.
– Job 4:11, LXX: μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν, σκύμνοι δὲ λεόντων ἔλιπον ἀλλήλους.
Physiologus (Φυσιολόγος) , Griechisch/Deutsch, ed. Otto Schönberger, Stuttgart 2001, no. 20, blz. 37: Ἐλιφὰζ ὁ Θαιμανῶν βασιλεὺς ἔλεξε˙ «μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν». ὁ Φυσιολόγος ἔλεξε περὶ τοῦ μυρμηκολέοντος ὃτι τὰ μὲν ἐμπρόσθια ἔχει λέοντος, τὰ δὲ ὀπίσθια μύρμηκος. ὁ μὲν πάτηρ σαρκοφάγος ἐστίν, ἡ δὲ μήτηρ ὄσπρια τρώγει. ὃταν δὲ γεννῶσι τὸν μυρμηκολέοντα, γεννῶσιν αὐτὸν δυο φύσεις ἔχοντα, καὶ οὐ δύναται φαγεῖν κρέα διὰ τὴν φύσιν τῆς μητρός οὐδε ὄσπρια διὰ τὴν φύσιν τοῦ πατρός˙ απόλλυται οὔν διὰ τὸ μὴ ἔχειν τροφήν.
– Hdt. Hist. iii, 102.2: ἐν δὴ ὦν τῇ ἐρημίῃ ταύτῃ καὶ τῇ ψάμμῳ γίνονται μύρμηκες μεγάθεα ἔχοντες κυνῶν μὲν ἐλάσσονα ἀλωπέκων δὲ μέζονα: εἰσὶ γὰρ αὐτῶν καὶ παρὰ βασιλέι τῷ Περσέων ἐνθεῦτεν θηρευθέντες. οὗτοι ὦν οἱ μύρμηκες ποιεύμενοι οἴκησιν ὑπὸ γῆν ἀναφορέουσι τὴν ψάμμον κατά περ οἱ ἐν τοῖσι Ἕλλησι μύρμηκες κατὰ τὸν αὐτὸν τρόπον, εἰσὶ δὲ καὶ αὐτοὶ τὸ εἶδος ὁμοιότατοι: ἡ δὲ ψάμμος ἡ ἀναφερομένη ἐστὶ χρυσῖτις.
De gebruikte vertaling: Herodotos, Het verslag van mijn onderzoek, vertaald, ingeleid en geannoteerd door Hein L. van Dolen, Nijmegen 1995.
– Tim. Gaz., De animalibus (Περὶ ζῴων), xxxii, 2,3, uitg. Haupt 1869, 20; vert. Rabinowitz en Bodenheimer 1949, 37.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Dieren, Griekenland

Expectans expectavi

Het is nog erger dan ik dacht met dat Kerklatijn. Het zal U niet interesseren, maar ik werd vanochtend ontwakend wakker met de dringende drang hier eens een kijkje naar te kijken. Expectans expectavi Dominum et intendit mihi: ‘wachtend heb ik gewacht op de Heer en Hij neigde zich tot mij’: het staat in Psalm 39 (40):2 en komt voor in het Oratorio de Noël van Saint Saëns, dat wij zaterdag gezongen hebben en dat nu nog in mij nazingt. Omdat ik Semitische talen heb gestudeerd begreep ik meteen wat bedoeld was: ‘Ik wachtte vurig, of: vol verlangen op de Heer … .’  Hebreeuws: qawwō qiwwītī:1 wanneer de infinitief wordt toegevoegd aan een werkwoordsvorm versterkt dat de betekenis van het werkwoord, vandaar dus ‘vol verlangen wachten’ of iets dergelijks. Men noemt het een constructie met het inwendig of absoluut object.2 Maar met zo’n infinitief wist de bijbelvertaler Hieronymus (347–420) blijkbaar geen raad; hij dacht met het neerpennen van het tegenwoordig deelwoord expectans wel genoeg gedaan te hebben. Hoewel hij enig Hebreeuws kende werkte hij toch overwegend vanuit de oude Griekse vertaling, die reeds dezelfde vreemde constructie had.1 Hij kende niet genoeg Hebreeuws om het beter te doen dan de Grieken en rommelde maar wat aan. Bij Bethlehem, waar hij woonde, zal toch wel ergens een rabbijn rondgelopen hebben? Van de joods-christelijke cultuur kwam ook in de Oudheid al weinig terecht.
.
In de oren van een doorsnee Romein moet zo’n Latijnse bijbeltekst toch raar geklonken hebben? Maar misschien is dat juist goed. Een heilige schrift moet nooit helemaal begrepen worden, altijd een beetje raar zijn; dat draagt tot haar heiligheid bij.

NOTEN
1. Ὑπομένων ὑπέμεινα       קַוֹּ֣ה קִוִּ֣יתִי
2. Het Latijn kent wel een inwendig object, maar dan wordt er bij mijn weten altijd nog een attribuut toegevoegd, bijv. deorum vitam vivere, ‘een godenleven leiden’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Latijn

Psalmgezang

Gisteren hadden we met ons koor voor oude muziek het jaarlijkse Geistliche Konzert. Dat is altijd in november. Met karnaval brengen we wereldse muziek.
We zongen zes toonzettingen van Psalm 116 van omstreeks 1600. Het ging redelijk goed, maar ik ben toch blij dat het voorbij is. Eigenlijk houd ik meer van repetities dan van uitvoeringen. Dit was wel bijzonder ingewikkelde muziek; maar ja, dat vond ik indertijd van Monteverdi ook. We willen misschien geen andere.
.
De volgende stukken stonden op het programma. Als altijd waar mogelijk een You Tube-opname erbij, die dus niet van ons is.
– Melchior Franck (1579–1639), Psalm 116.
– Heinrich Schütz (1585–1672), Psalm 116.
– Joh. Hermann Schein (1586–1630), Psalm 116.
– Een compositie uit de synagoge in het oorspronkelijke Hebreeuws, gezongen door de bassen. Geen opname.
– Christoph Demantius (1567–1643), Psalm 116. Geen opname.
– Tobias Michael (1592–1657), Psalm 116. Geen opname.
.
De tekst van de psalm in de Duitse vertaling van Luther:
Das ist mir lieb, daß der Herr meine Stimme und mein Flehen höret; das er sein Ohre zu mir neiget; darum will ich mein Leben lang ihn anrufen. Stricke des Todes hatten mich umfangen, und Angst der Höllen hatten mich troffen; ich kam in Jammer und Not. Aber ich rief an den Namen des Herren: O Herr, errette mein Seele! Der Herr ist gnädig und gerecht, und unser Gott ist barmherzig. Der Herr behütet die Einfältigen; wenn ich unterliege, so hilft er mir. Sei nun wieder zufrieden, meine Seele; denn der Herr tut dir Guts. Denn du hast meine Seele aus dem Tode gerissen, meine Augen von den Tränen, meinen Fuß vom Gleiten. Ich will wandeln vor dem Herrn im Lande der Lebendigen. Ich glaube, darum rede ich; ich werde aber sehr geplagt.  Ich sprach in meinem Zagen: Alle Menschen sind Lügner. Wie soll ich dem Herren vergelten alle seine Wohltat, die er an mir tut?
Ich will den heilsamen Kelch nehmen und des Herren Namen predigen. Ich will mein Gelübde dem Herren bezahlen vor allem seinem Volk. Der Tod seiner Heiligen ist wertgehalten vor dem Herren. O Herr, ich bin dein Knecht; ich bin dein Knecht, deiner Magd Sohn. Du hast meine Bande zerrissen. Dir will ich Dank opfern und des Herren Namen predigen. Ich will meine Gelübde dem Herren bezahlen vor allem seinem Volk, in den Höfen am Hause des Herren, in dir Jerusalem. Halleluja!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Marburg, Muziek, Zingen

Mini-herinneringen Cairo: dieren als verdienmodel

Enige malen heb ik al gewezen op de liefde voor dieren die bestond in het Ottomaanse Rijk: hier en hier. In het Egypte van de jaren zeventig was het anders: daar was men soms behoorlijk wreed tegenover dieren. Waarschijnlijk kwam dat door de extreme armoede waaronder veel mensen gebukt gingen.
.
De jongetjes hadden een musje gevangen en dreigden dit dood te knijpen, tenzij … . Zij hadden goed begrepen dat de Europese dame dit niet zou willen aanzien en gauw het verlangde muntje zou overhandigen, waarna het beestje werd vrijgelaten.
.
In de dierentuin van Cairo waren de pauwen nogal gehavend. Dat kwam omdat jongetjes over het hek klommen, een veer uit de pauw trokken en die voor een muntje aanboden aan de bezoekers.
.
In dezelfde dierentuin kon men zich voor geld toegang verschaffen tot de verblijven achter de kooien om een foto te laten maken van zichzelf met een leeuwenwelp op de arm.
.
Bij Salwa Bakr las ik dat de dierenverzorgers soms het voer voor hun beesten achterhielden om het zelf op te eten. Arme drommels, arme dieren.
.
Wat voor muntjes dat waren ben ik vergeten. Een piaster misschien, of een halfje (ta‘rifa)? Kooibezoek zal wel duurder geweest zijn.
.
In het bijbelse Palestina zijn de laatste eeuwen de prijzen van offerdieren flink gestegen. ‘Are not two sparrows sold for a farthing?’ heet het in de King James vertaling (Matt. 10:29). Tegenwoordig is dat ‘for a penny’: een prijsstijging van 400%. In het Nederlands pakte men het handiger aan: ‘Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht?’ luidt in de nieuwe vertaling: ‘Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets.’ Net als bij de postzegels houdt men de echte prijs verborgen. ‘Zo goed als niets,’ dat is reclametaal, bedacht door mensen die zelf niet ieder dubbeltje hoeven om te draaien.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Cairo, Dieren, Onzin Humor

Trooster

Het is Pinksteren. Met een half oor naar de radio luisterend hoorde ik vandaag al twee maal de Heilige Geest een trooster noemen. Maar dat berust op een eeuwenoude vertaalfout: παράκλητος, parakleet, betekent ‘advocaat, voorspraak’. De Nederlandse bijbelvertaling heeft dat goed, o.a. in Joh 14:16: ‘Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid.’
Hier in Duitsland is men blijkbaar nog niet zo ver.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bijbel, Duitsland, Nederland

Zwart, maar

‘Zwart ben ik, maar mooi,’ zegt de bruid van de koning in de bijbel, Hooglied 1:5. Althans volgens de christelijke traditie van West-Europa: Nigra sum sed formosa. Ik kom die tekst tegenwoordig soms tegen in kerkmuziek. In de bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap heet het: ‘Donker van huid ben ik, doch bekoorlijk.’
.
Dat is een vertaalfout, die eeuwenlang is meegegaan en die vanuit de gangbare visie op rassen blijkbaar noodzakelijk werd gevonden. Zwart is lelijk, maar in dit geval bij uitzondering een keer niet: zo zag men het.
.
De nieuwste bijbelvertaling heeft de fout niet meer: ‘Donker ben ik, en mooi,’ staat daar, en zo is het goed. Het Hebreeuwse origineel heeft we en de oude Griekse vertaling der Septuaginta heeft kai. Beide woordjes betekenen gewoon ‘en’. Er was en is geen reden om een tegenstelling te creëren tussen zwart en mooi.

שְׁחוֹרָה אֲנִי וְנָאוָה, μέλαινά εἰμι καὶ καλή

2 reacties

Opgeslagen onder Bijbel, Europa

Dan zal Mozes zingen

Het systeem van de werkwoordstijden is niet in alle talen hetzelfde. Dat kent U uit het Engels. ‘He has worked for our company for three years’ betekent: ‘hij werkt sinds drie jaar/al drie jaar voor ons bedrijf,’ en niet ‘heeft gewerkt’. Hij werkt er namelijk nog steeds.

Een voorbeeld uit het Nieuwe Testament: In de lofzang van Maria zingt zij o.a.: esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes. Ik zeg het nu maar in het Latijn, want het oorspronkelijke Grieks bekt niet lekker.1 In de oude bijbelvertaling is dat: ‘Hongerigen heeft hij met goederen vervuld, en rijken heeft hij ledig weggezonden.’ Dat is correct vertaald uit het Grieks.
In de nieuwe vertaling staat echter: ‘Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.’ Hoewel de oude vertaling recht deed aan het origineel is deze vertaling toch beter. Inhoudelijk klopt het: zoals bekend hebben hongerlijders nog steeds honger en rijken nog steeds poen. Maria bezingt de werkzaamheid van de rechtvaardige koning van de eindtijd, die nog geen feit is, maar waarnaar zij uitziet. Maar dat mag bij een vertaling natuurlijk geen overweging zijn: je moet vertalen wat er staat. De nieuwe vertaling doet echter recht aan het origineel achter het origineel. Het Evangelie zinspeelt op een vers uit de Hebreeuwse bijbel, en daar heet het in Psalm 107:9: ‘Wie dorst had, gaf hij te drinken, wie honger had, volop te eten.’ Daar gaat het over het verleden, dus daar is het perfectum op zijn plaats. Dit is lang niet de enige plaats waar de Hebreeuwse bijbel in de evangeliën doorschemert; die staan stampvol met citaten daaruit, uiteraard in de Griekse vertaling van de Septuaginta (3e eeuw voor Chr.), met alle fouten en misverstanden van dien, en ook verder tonen de Evangelisten zich vertrouwd met de taal van hun Griekse bijbel.

Bekend is bij voorbeeld het bijbelse ‘zie’, zoals het vroeger luidde: ‘En zie, ik ben met u al de dagen… ’ (Matteüs 28:20). In de nieuwe vertaling wordt het terecht weggelaten: ‘ik ben met jullie, alle dagen.’ Dat ‘zie’ was een vertaling van het Griekse idou, ἰδού, wat weer een slechte vertaling was van het Hebreeuwse hinnē, הנה, dat een soort versterker, nadruklegger is. Het vestigt de aandacht op het volgende woord of een hele zin of een nieuw onderwerp; maar je hoeft niet te ‘kijken’.
Ook ‘en’ is in de nieuwe vertaling weggewerkt. In het Hebreeuws beginnen heel veel zinnen met ‘en’. Bij ons niet, dus weg ermee.

In de Hebreeuwse bijbel bestaat ook zoiets als een profetisch perfectum. Dat drukt handelingen, gebeurtenissen of toestanden uit die de spreker als voltooid wenst weer te geven, ook al moeten ze nog plaatsvinden. Hij doet dat omdat hij er zeker van is, dat zij zullen intreden. Dit profetische perfectum komt vaak voor en staat bij voorbeeld in het bekende vers Jesaja 7:14: ‘De jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen’.2
– ‘is zwanger’: hārā, in het Hebreeuws perfectum, ‘is zwanger geworden’.
– ‘zal spoedig baren’: yōlèdèt, tegenwoordig deelwoord, dat vaak de nabije toekomst aanduidt.
– ‘[zal] noemen’: qārāt shemō, perfectum: ‘zij heeft hem genoemd’.
De vertalers hadden hier een makkie: ‘is zwanger’ klinkt niet zo erg naar verleden als ‘is zwanger geworden’. ‘Zal spoedig baren’ is gerechtvaardigd door het tegenwoordig deelwoord; ‘en noemen’ lift mee op het ‘zal’ van ‘zal baren’. Met twee perfecta in het Hebreeuws toch vertaald als toekomst; goed gelukt.

In het Matteüs 1:23-25 wordt dit vers vrijwel letterlijk geciteerd uit de Griekse vertaling van de bijbel: ‘De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuël geven.’ De Septuaginta-vertalers hadden het profetische perfectum al in toekomende tijd veranderd.3

Van de Hebreeuwse werkwoordstijden moet ik verder maar afblijven; ik weet er niet genoeg meer van. Want nu schiet me het lied van Mozes te binnen: het volk Israël was droogvoets door de Rode Zee getrokken en ‘toen zong Mozes […] dit lied ter ere van de Heer: […]’ (Exodus 15:1) En daar is het juist omgekeerd: daar staat een imperfectum: āz yashīr moshè … . Wat is dat nou weer?

Nog iets anders is, dat exegeten ervan kunnen maken van ze willen. Ik herinner mij een rabbijn, bij wie ik eens les genomen had. Die betrok die woorden op de toekomst: ‘Dan zal Mozes zingen …’. Met glanzende ogen stond hij voor het raam, alsof hij door de Churchillaan de Messias al aan zag komen.

Waarom wilde ik deze mij vreemd geworden stof bekijken en overdenken? Als vooroefening voor iets wat wél op mijn vakgebied ligt: het systeem van werkwoordstijden en -aspecten in de koran, dat nogal afwijkt van dat van het gewone Arabisch en dat ik nog steeds niet begrijp. De collega’s blijkbaar ook niet: de koranvertalingen rommelen maar zo’n beetje aan. Vaak staat in het Arabisch van de koran een perfectum waar toch kennelijk sprake is van heden of toekomst.

Heeft de koran ook een profetisch perfectum, vroeg ik mij ineens af, of misschien een poging daartoe? Nu zijn er drie mogelijkheden: 1. Ik heb een vruchtbaar idee, dat waard is het uit te werken. 2. Of het is een onzinidee, dat in de vuilnisbak hoort. 3. Of het is al lang en breed bestudeerd; dan moet ik de vakliteratuur opslaan. Dat heb ik vroeger nooit gedaan: het onderwerp had nooit zo mijn belangstelling. Indien 2. of 3. van toepassing is, spijt het me toch niet dat ik het gedacht heb. Beter zelf iets bedenken dan alles nakauwen.

NOTEN
1. Lukas 1:53: πεινῶντας ἐνέπλησεν ἀγαθῶν καὶ πλουτοῦντας ἐξαπέστειλεν κενούς.
2. Jesaja 7:14: הִנֵּה הָעַלְמָה הָרָה וְיֹלֶדֶת בֵּן וְקָרָאת שְׁמוֹ עִמָּנוּ אֵל. Ik zou ‘weldra’ zeggen i.p.v. ‘spoedig’; dat vind ik beter Nederlands. ‘Binnenkort’ kan ook.
3. De jonge vrouw is in het Grieks een maagd geworden. Septuaginta: ἰδοὺ ἡ παρθένος ἐν γαστρὶ ἕξει, καὶ τέξεται υἱόν, καὶ καλέσεις τὸ ὄνομα αὐτοῦ ᾿Εμμανουήλ. Matteüs 1:23-25: idem, maar καλέσουσιν i.p.v. καλέσεις. ‘men zal […] geven’: de afwijkende vertaling gaat terug op de eigenaardige vorm qārāt in het Hebreeuws; te verwachten was daar geweest qāreā. De Septuaginta heeft qārāt begrepen als qārātā, ‘jij hebt genoemd’ en als futurum vertaald: καλέσεις, ’jij zult noemen’. De evangelist wist daarmee kennelijk geen raad en heeft het veranderd in καλέσουσιν ‘zij zullen noemen; men zal noemen’.

4 reacties

Opgeslagen onder Arabisch, Bijbel, Koran

De zondeval

KönigPrototyp3De zondeval (Genesis 3:1–7) berust misschien van huis uit op een Oudhebreeuws woordgrapje. Het draait om de woorden arum, dat ‘sluw’ betekent en erom of arom, dat ‘naakt’ betekent. De klinkers zijn in de Semitische talen niet zo stabiel en werden pas meer dan duizend jaar na het ontstaan in de bijbeltekst geschreven. Nemen we voor een ogenblik aan dat beide woorden oorspronkelijk hetzelfde klonken, laten we zeggen als *eroum. Het grapje ging dan in grote lijnen zo:

De slang was het sluwste (*eroum) van alle dieren des velds.
De slag zei tegen de mens: Willen jullie net zo sluw (*eroum) worden als ik? Dan moeten jullie juist van die verboden boom eten.
De mensen deden het en merkten dat zij naakt (*eroum) waren.

Gefopt! Best een aardige mop eigenlijk. Maar degenen die hem voor de bijbeltekst hebben bewerkt dachten meer aan zonde dan aan humor. Zij gooiden het middelste *eroum eruit en schreven er een schuldig verhaaltje omheen. Daarom is de mop nu niet meer zo duidelijk. Misschien komt ook de vrouwvijandigheid voor hun rekening.

Nee, ik kan het niet bewijzen, maar het is een aardige gedachtengang voor een dooiende maandagmorgen. Het zal wel nooit te bewijzen zijn, maar iets is er wetenschappelijk nog wel aan te knutselen. Aan te nemen is dat de klankverschuivingen in het Oudhebreeuws al bestudeerd zijn. Ook is het denkbaar dat er voorlopers bestaan, een mythe uit het oude Babylonië bij voorbeeld. Maar ik ga er niet achterheen, ben geen hebraïst tenslotte. Misschien is het honderd jaar geleden al uitgezocht en is als zovaak het resultaat van de wetenschappelijke inspanningen niet algemeen bekend geworden.

16.3.2016: Zie nu ook http://tinyurl.com/grzk5ym

7 reacties

Opgeslagen onder Bijbel