Amsterveen

Zaterdag om vier uur een fijne bijeenkomst in Amsterdam-Buitenveldert. Ik was graag met de trein gegaan, maar je kunt er niet meer op rekenen dat je dan op tijd aanwezig bent. De tijd dat die rit vijfeenhalf uur duurde ligt allang achter ons; zeven uur is tegenwoordig het minste. Volgens het spoorboekje dan; de werkelijkheid ziet er nog anders uit. Met tegenzin in de auto dus. Het viel wel mee; autorijden vind ik tegenwoordig minder belastend dan nog enkele jaren geleden. Een hotel betrokken in Amstelveen; Amsterdam is onbetaalbaar geworden. Vandaar te voet naar het adres in Buitenveldert. Dat vond ik nogal schokkend. Amstelveen heeft mooie, bewoonbare lanen, maar deze route voerde me door een hele wijk van die waardeloze, gehorige flats uit de jaren zeventig, die uit glas en dunne betonplaten bestaan. Zulke gebouwen moet ik vroeger vaak gezien hebben, maar ik was ze vergeten en ik vroeg me af hoe mensen zoiets konden bouwen, en erin wonen? Een sterk gevoel van vervreemding, en van plaatsvervangende schaamte ook. De bijeenkomst was mooi, maar daar ga ik het hier niet over hebben. Melding wil ik alleen maken van het heerlijke Indische eten; dat mis ik in Duitsland. ’s Avonds op de terugweg was er een enorme herrie aan de gang. Naar verluidde was het een festival in het Olympisch Stadion. Ook toen ik al ruimschoots in Amstelveen was kon je dat nog keihard horen denderen. Zo worden er enkele tienduizenden of misschien zelfs honderdduizenden mensen gedwongen om mee te luisteren; akelig. Is het een wonder dat de Nederlanders een beetje raar geworden zijn?

Zondag had ik een middagafspraak met twee prettige mensen in een Vlaams café-restaurant in de Amsterdamse binnenstad. Ik had me voorgenomen daarvóór nog wat door de stad te banjeren, maar omdat het de hele tijd regende ging dat niet door. Lang ontbeten, en op mijn gemakje met de bus en de nieuwe metrolijn naar de stad. De Zuidas, waar al dat Russische geld gewassen wordt, had ik nog nooit goed bekeken, en het vroeger zo vertrouwde Station Zuid was bijna niet meer te herkennen. Die geldtorens zijn nogal griezelig, maar in één gebouwencomplex had ik wel schik, in plaats van het te beschrijven plaats ik liever een foto. Dat zijn kennelijk woongebouwen; de huur zal zeker € 3000 per maand bedragen. Niet dat ik er zou willen wonen: herrie, benzinedamp, fijnstof en te zeer afhankelijk van high-tech, die onherroepelijk een keer kapot gaat. Ik heb in Cairo al te veel trappen beklommen omdat de lift het niet meer deed.
De nieuwe metrolijn kende ik ook nog niet; die is royaal aangelegd en niet zo sinister als de oudere lijnen waren. Wat zijn de mensen jong geworden, en wat zijn er ondanks de regen veel op de been!

.

In de stad heb ik, vóór mijn afspraak, maar twee dingen gedaan. Koffie gedronken op het Spui, buiten, onder een heel groot regenscherm. Binnen wilde ik nergens zitten, want men zit erg dicht op elkaar in Amsterdam: het is vanouds een krappe stad. Vroeger moet ik dat normaal hebben gevonden; nu leek me dat onprettig, en niet alleen wegens corona, dus de buitengelegenheid kwam goed van pas. Daar zat ik dan drie kwartier; ik geloof dat die tent vroeger de Sherrycan heette. Toen heb ik er nooit gezeten; ik heb ook geen bijzondere band met die plek. Toch kwam daar de draaimolen van herinneringen op gang. Ik zag veel huizen en gebouwen waar ik in de loop der eeuwen in was geweest en herinnerde me wat ik daar had gedaan, en met wie. Heel dierbaar allemaal, maar ook overweldigend. Het werd een warreling van herinneringen, een beetje al te veel.

Intussen liep het tegen de middag en werd het steeds duidelijker hoe vergeven Amsterdam is van de toeristen. Het is inderdaad het Venetië van het Noorden; niet meer prettig. Om weer tot rust te komen nog een tijdje stukgeslagen in de vernieuwde Athenaeum-boekhandel, die tot mijn verbazing ook op zondag geopend was. Een uitstekende boekhandel met Nederlands, Engels en Frans, zoiets zie ik anders nooit en het rondkijken was een genot.
Op de terugweg nog even over de Dam gelopen. Daar ook al een enorme herrie van versterkte rotmuziek; gauw weg maar weer. Na de copieuze lunch hoefde ik ’s avonds niet meer veel te eten; een broodje malse haring meegenomen voor in het hotel.

Op maandag voor de middag nog een goede vriend bezocht in Utrecht. Dat is iemand bij wie ik altijd goed tot rust kom. Nog meer rust, ondanks het autorijden, bood onverwacht de Raststätte Aggertal. Daar ben ik niet naar binnen gegaan, maar tijdens het strekken van de benen kwam ik in een prachtig landschap terecht, dat dadelijk achter de Autobahn al begon. Nog twee uurtjes rijden, toen was ik weer thuis.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Auto, Nederland, Persoonlijk

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.