Macro-herinnering: mijn racisme (2)

Voortzetting van deel 1

Tegelijkertijd werd ik wel gevoed met akelige verhalen over Indië: de Bersiap-tijd, gewelddadige pelopors, de achterlijkheid van inlanders in het algemeen, luie en onbetrouwbare gasten, die niet op eigen benen konden staan en zeker nog niet rijp waren voor democratie, en dan had je nog de roverhoofdman Soekarno. Maar dat was een ander spoor dan het leven van alle dag: het bestond naast elkaar en dit soort praat had blijkbaar niets te maken met reëel bestaande mensen in de eigen omgeving. Volkomen vanzelfsprekend waren ook voor mij Sjors en Sjimmie, kinderboeken over negertjes, verhalen over zendelingen in Nieuw-Guinea en Suriname, waar de inheemsen steevast achterlijk en blijkbaar ook vuil waren (‘het gebruik van zeep is bij hen onbekend’), en die in hun taaltje niet eens een woord voor ‘dankuwel’ hadden, waarmee ze voor onze weldaden hadden kunnen bedanken. Het racisme begon eigenlijk al in Europa; knoflookvretende Fransen, spaghettivretende Italianen, criminele Balkanezen, door en door corrupte volkeren uit het Zuiden. Een extreem geval van zelfs binnenlands racisme was die rechtenstudent die in alle ernst meende dat mensen die met een zachte G spreken, uit Nijmegen en erger nog, structureel onbetrouwbaar en tot corruptie geneigd zijn. (Dat was familie van een nu om zijn racisme beruchte  ‘journalist’.) Terwijl dit discours binnen in mij geplant werd speelde het in het leven van alledag nog geen rol, maar wachtte op kansen om uit te breken.

Door mijn studie heb ik Arabieren en Turken nooit vreemd kunnen vinden. In 1967 waren er twaalf Arabieren in Amsterdam, — allemaal in de gaten gehouden door de politie — waarvan ik er drie kende. Met een ervan raakte ik bevriend; een arts, vijftien jaar ouder dan ik, maar dat gaf niet. Ik leerde Arabisch en Arabische cultuur van hem, hij werd door mij nader ingeleid in Nederland en het Nederlands. In Turkije kon ik me niet verstaanbaar maken, maar ik voelde me er kiplekker. Tijdens mijn studieverblijf in Egypte heb ik wel veel mensen veracht, maar dat was omdat ze óf dom en slecht opgeleid waren óf corrupt en vals; niet omdat ze Egyptenaren waren. Tijdens latere verblijven werd het wel moeilijk met mijn vrienden daar om te gaan, die inmiddels tien of dertig maal minder verdienden dan ik zelf. Dat was eerder beschamend. 

Op welke vormen van racisme heb ik me zelf kunnen betrappen? 

Op algemene cliché’s:
– Natuurlijk is men in X-land corrupt, worden vrouwen gediscrimineerd in land Y, terwijl Z-stan geen rechtstaat is. Intussen weten we dat het bij ons ook steeds meer de foute kant uitgaat.
– Op een algemene afkeer van hele bevolkingsgroepen. Toen er eind jaren zeventig ineens véél Surinamers door Amsterdam liepen bij voorbeeld. Het was echt een moment van vervreemding, toen ik op zekere Koninginnedag het Damplein opliep. Dat zag ineens zwart van de Surinamers, allemaal trouwe aanhangers van onze vorstin blijkbaar. Toen dacht ik even: nee, dit niet! Aan die vele Surinamers moest ik inderdaad wennen; ze hadden een andere lichaamstaal, andere gebaren, stelden zich anders op in het landschap. Maar na een poosje gingen zij zich ook als Nederlanders gedragen, met gebaren en al, dus toen werden ze gewoon. Hun accent in het Nederlands kende ik al van vroeger; dat had me nooit gestoord.  
– En toen er, na een heel stel Tamils, ook nog Vietnamese bootvluchtelingen kwamen aanzetten was ik geïrriteerd en vond ik het te veel worden. Maar ik heb nooit last gehad van die mensen en ben er maar heel weinig tegen gekomen.
– Bij de verkiezingen voor het waterschap of hoe dat heette, kort voordat ik Nederland verliet, toen er Turkse en Pakistaanse namen op de kandidatenlijst voorkwamen. Dáár moeten ze toch vanaf blijven! Onze dijken, onze afwatering, niets mee te maken jullie! Maar waarom eigenlijk niet? Als ze verstand hebben van water en dijken, dan is het in orde. Misschien hebben ze wel in Delft waterbouwkunde gestudeerd en weten er meer van dan boer Krelis.
Dit soort dingen slijt na enige tijd door gewenning, óf je moet er even verstandelijk tegenin gaan.

Bij persoonlijke ontmoetingen: 
– In de jaren zeventig, toen er veel Surinamers naar Nederland waren gekomen, vroeg op een avond in een stille straat een zwarte man of ik een rijksdaalder kon wisselen. Een moment van schrik: deze vent wil mij natuurlijk in elkaar slaan en beroven. Wat te doen? Kalm bijven, zéér op mijn hoede zijn, rustig een rijksdaalder wisselen en verder … niets. De man bedankte en verdween in een telefooncel, hij wilde blijkbaar even bellen, dat was alles. Was het een blanke man geweest dan had ik geen enkele verdenking gehad. 
– Veel zelfbetrappinkjes waren van de soort: wat doet die hier, dat is toch niets voor hem/haar? Dat hoor  je tegenwoordig veel van gekleurde mensen: leraressen die op grond van hun huidskleur voor de werkster worden gehouden enzovoort, en inderdaad, dat heb ik ook gedaan:
– Toen een zwarte man de ruimte in de Leidse UB betrad waar ik toen werkte, was mijn eerste gedachte: wat heeft die hier te zoeken? Het bleek een geleerde uit de VS te zijn, die daar inderdaad iets te zoeken had, maar er was toch even dat moment.
– Op het werk: een zwarte man in de personeelsafdeling. Weer zo’n ogenblik van verwondering: wat deed die hier? Nou, gewoon werken natuurlijk. 
– Wat deden die pikzwarte Afrikanen bij ons klassieke concert? Luisteren dus, ze hielden blijkbaar van dit soort muziek; leuk toch? Dat was overigens in Parijs; in Nederland of Duitsland zie ik nog steeds nauwelijks zwarten bij klassieke concerten.
Zulke ontmoetinkjes verliepen ondramatisch, maar er was toch telkens éven een moment van schrik, afwijzing of verbazing, en te vrezen is dat de betreffende personen dat merkten. Je zou willen van niet, maar het gebeurde.

De meeste van mijn racistische gedragingen zal ik zelf helemaal niet gemerkt hebben, en dat is nog het meest verontrustend. Vaak zijn de betrokkenen te beschaafd om van hun ongenoegen blijk te geven. 

Dat mensen van buitenlandse herkomst, ook al zijn ze nog zo geboren en getogen in Nederland, moeite hebben met het vinden van een huis of een baan is inmiddels wel bekend. Het is denkbaar dat ook ik, als ik woningen of banen te verdelen had gehad, zonder het te beseffen de voorkeur had gegeven aan een blanke boven een gekleurde. Hoewel, dat viel mee: ik heb ooit een Marokkaan en een Iraniër aan een job geholpen. Maar dat was wel op mijn zeer specifieke vakgebied, waar ze uiteraard op hun plaats waren.

Mijn taak: zulke dingen voortaan voorkomen. Je eigen racisme moet je niet ontkennen, maar bestrijden. Het wordt al veel minder trouwens, nu er op allerlei plaatsen zo veel donkere mensen rondlopen.

Wanneer is iemand eigenlijk zwart? Neem president Obama: ja, die was zwart, of althans donker, dat was te zien en werd in het begin steeds benadrukt: de eerste zwarte president, enzovoort. Maar na korte tijd merkte je dat niet meer. Ik heb Obama heel zijn regeringsperiode niet als een zwarte man waargenomen, en zo gaat het met al die andere ‘people of colour’ ook. Geen aandacht aan schenken aan kleurtjes lijkt het beste — behalve daar waar het nog nodig is om dat verrotte racisme te bestrijden. 

1 reactie

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Racisme, Vluchtelingen, Vroeger

Een Reactie op “Macro-herinnering: mijn racisme (2)

  1. Als kind op een dorp met laag opgeleide ouders merkte ik weinig van discriminatie of rassisme. Mijn ouders keken tegen veel mensen met een titel op. Denk aan arts, dominee, meester. Een aantal mensen was asociaal. Hun kleding zag er niet uit. Er woonden wat oudere Indische mensen, maar die waren niet meer of minder. De eerste gastarbeiders kwamen uit Jugoslavië. Al snel ging het verhaal dat die op elkaar gepakt boven de kantine van de conservenfabriek sliepen met 6 man op een kamer. Dat bedrijf moest het meer ontgelden dan de gastarbeiders. Zag ze nooit en er werd geen kwaad van gesproken. Later ging ik werken bij de Smithsfabriek. Als ze al gastarbeiders wilden, dan moesten het Jugoslaven zijn, die waren beter opgeleid en beter bij de machines inzetbaar. Heb er toen wel een paar gesproken. Mijn 10 jaar oudere nicht is een jaar of 10 getrouwd geweest met een Papua. Hij kon goed in bomen klimmen en was exotisch. Maar er werd niet raar over hem gepraat op verjaardagen. Hij sprak accentloos Nederlands. De mensen die openlijk lid waren van de CPN moesten het destijds wel ontgelden.

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.