Muzikale ontwikkelingsgang (1)

Houd ik eigenlijk wel van muziek? Ik ben er nogal mee bezig, en dat geheel vrijwillig, dus het zal toch wel. Maar er waren ook perioden zondere muziek, dat ging ook best. En van Wagner en van Reger en nog zo een paar houd ik zeker niet, en van symfonische muziek steeds minder. Om van popmuziek maar te zwijgen; in het algemeen niet van electronische of electronisch versterkte muziek. Daarentegen weer wel van klassieke en oude muziek, kamermuziek, opera’s, en ook Perzische, Turkse, Griekse en Arabische muziek, in die volgorde.

Voor mijn geboorte heb ik mijn moeder waarschijnlijk horen zingen, en daarna ook. Dat herinner ik me niet goed, maar het zal toch bepalend zijn geweest. Ja, mijn moeder zong wel wat, en ze speelde op het harmonium: een akelig maar onvermijdelijk instrument in een gereformeerde omgeving. Maar ze deed niet alleen maar psalmen, ook liedjes en schlagers. Een vroege muzikale herinnering is ook het Ambonese gezin dat we een tijdje in huis hadden (Emigrant berichtte). De vader speelde accordeon, wat mij als kleuter fascineerde.

Psalmen en gezangen moet ik ook gehoord hebben in de huizen van mijn familie, en toen ik wat groter werd in de kerk. Harmoniums waren overal, en psalmboeken, en de liedbundel van Johan de Heer (‘Daar ruischt langs de wolken …’). Geen geweldige muzikale ervaringen. Mijn moeder zal me het notenschrift hebben bijgebracht—ik zie die dikke brede christelijke halve noten nog voor me—en de ligging van de tonen op het toetsenbord van het harmonium. Daar begon ik zelf op te knutselen, die melodieën naar beste vermogen te spelen. Aan harmonieën ben ik nooit toegekomen. Op een dag was het harmonium weg en werd mijn muzikale zelfeducatie dus in de kiem gesmoord.

Ik heb altijd gedacht dat het harmonium verdween door de Watersnood van 1953, maar dat kan toch niet zo geweest zijn. Want ik herinner mij die bundels met noten heel goed, en ook de teksten van de liederen die ik ‘instudeerde’. Liedjes zoals Witte Rozen (zie ook hier), Auf der Heide blüh’n die letzten Rosen, van 1939, Sarina het kind uit de dessa (jazeker, die stampte in 1949 haar padi nog tot bras; het liep niet goed met haar af), en enige andere. In 1953 werd ik zes; toen kan ik dat nog niet gekend en begrepen hebben. De verdwijning van het instrument moet dus later geweest zijn, wanneer en waarom weet ik niet meer. Misschien toen mijn grootouders kleiner gingen wonen; was het 1957?

In Amsterdam kwam de blokfluit in mijn leven, op de lagere school. Jaren lang was dat het enige middel waarmee ik mij muzikaal kon ontwikkelen, maar dat deed ik dan ook; ik deinsde voor de Matthäus Passion niet terug. Het zal niet om aan te horen zijn geweest, maar je leert zo’n stuk dan toch een beetje kennen. Dat was namelijk de enige partituur die er in huis was. Mijn moeder nam die mee naar de jaarlijkse uitvoering, en mij nam ze vanaf een zekere leeftijd ook mee. En ook wel eens naar andere concerten, in Amsterdam of Breda. Ik denk dat mijn moeder best muzikaal was, maar om dat te ontwikkelen ontbrak de impuls, of ze kreeg de kans niet. Mijn eerste keer in het Concertgebouw, hoe oud zal ik geweest zijn, tien? heeft grote indruk op me gemaakt. Zo groot dat ik het flesje prik dat ik in de pauze kreeg helemaal verdroomd in het glas goot, dat echter te klein was voor de inhoud van het flesje, zodat ik een dame in een mooie jurk onder spatte, die daarop boos werd.
Mijn vader was niet zo zeer onmuzikaal, hij was anti-muzikaal, wat een en ander niet vergemakkelijkte.

De kerk bood weinig soelaas. Psalmen en gezangen vond ik niets aan. Op het orgel werd ook wel eens een andere deun gespeeld, maar weinig overtuigend, en ik hield niet van het instrument. In Amsterdam was er wel een kerkkoor, dat ook pretentieuze stukken zong. Ik heb er geen kippenvel aan overgehouden. Bij de katholieken werd beter gezongen, dat was mij niet ontgaan. Een hoogtepunt was het overlijden van een buurman in het dorp, een vooraanstaand katholiek, waardoor het mogelijk werd de twee uur durende Requiem-mis bij te wonen en dat was prachtig. Ik moet toen twaalf of dertien zijn geweest, want een beetje Latijn kende ik toen al. Asperges me hysoppo ut mundabor, herinner ik mij, en het vreemde geel-grijze papier van het tweetalige tekstboekje dat werd uitgereikt. Kerkelijk drukwerk is altijd anders.

(wordt vervolgd)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziek, Persoonlijk

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.