Nagelaten hulpverlening

Een kleine verandering in de inrichting van mijn werkkamer is niet geheel zonder betekenis. Naast mijn werkkruk is een plankje met woordenboeken. Ik bezit een groot Frans woordenboek, dat de laatste jaren niet op dat plankje stond, maar ergens waar het niet direct voor het grijpen was. Nu heb ik het dichterbij gehaald, en op zijn oude plek staat nu de dikke Oxford Arabic Dictionary.

Achterwaarts, Arabisch! moge Europa binnentreden! Ik zing volop in het Duits, Italiaans, Engels en Frans, en lees maar weinig Arabisch meer.

In de oude liederen die in een van mijn koren wordt ingestudeerd gaat het vaak over wrede vrouwen die een minnaar op afstand houden of zelfs kwellen. Bij voorbeeld in een gedicht van de kamerheer des konings Clément Marot (1497–­1544).1

MarotChanson$

Wij zingen alleen het eerste couplet, in een toonzetting van Andries Pevernage (1543–1591). In mijn onpoëtische vertaling luidt het:

Kom mij te hulp, Mevrouw, met liefdeblijken.
Zo niet, haalt weldra mij de dood.
Een ander kan geen hulp verlenen
Aan mijn vermoeide hart, dat sterven gaat.
Helaas, helaas, kom toch te hulp
dengeen die leeft voor U, in grote nood,
want van zijn hart zijt Gij de meesteres.

De dichter is doodziek van liefdesverdriet. Een zieke wendt zich natuurlijk tot een arts, en de enige arts die hem kan helpen is de geliefde. Maar helaas, die maakt geen aanstalten tot hulpverlening. Ze speelt wat met hem, maar de vele kussen die hij op haar mag veroveren maken de kwaal nog erger, terwijl veeleer seksuele vervulling het effectieve geneesmiddel zou zijn: jouissance est ma médecine expresse.

Hiermee was ik onverwacht weer terug bij het Arabisch. Dit is namelijk allemaal al in het Arabisch gedicht, in de achtste eeuw en nog heel lang daarna. Dat de middeleeuwse troubadourslyriek veel te danken heeft aan de Arabische poëzie is wel bekend, maar dat nog vele eeuwen later Arabische motieven in Europa zo gangbaar waren wist ik niet.

Dat liefde een ziekte is wist iedere Arabische dichter sinds Madjnūn. In het grijze verleden dacht men misschien nog aan demonen die een minnaar ziek maakten:

Arts der djinns, genees mij toch, want met mijn kwaal
weet een arts van mensen geen raad.

Maar iets later, zo omstreeks 700, dichtte Djamīl Buthayna:

Ze zeggen: Hij is betoverd, djinns maken hem gek
omdat hij steeds aan haar denkt.
Ik zweer: Waaraan ik lijd is waanzin, geen toverij.

en

Slapende reismakkers, wordt wakker!
Ik vraag u: Doodt liefde een man?
Zij zeiden: Ja, die verbrijzelt zijn botten, laat hem achter
in verwarring en van verstand beroofd.

Een ziekte dus, niets bovennatuurlijks. ِEen belangrijk symptoom van de aandoening is extreme vermagering, vliegende tering. Je hoefde maar te kijken naar bij voorbeeld de dichter ‘Abbās ibn al-Ahnaf (gest. 808) — en dat had zijn geliefde ook kunnen doen, maar het interesseerde haar niet:

De liefde voor U heeft mijn gebeente tot tering veroordeeld …
Ik zag U aan, gezond nog, en mijn blikken deden mij van binnen wegteren.
Ziet Ge niet hoe vermagering mijn gebeente doorschijnend gemaakt heeft?

Deze ziekte voert dikwijls tot de dood. Genezing kan, behalve de Allerhoogste, alleen de arts bieden die de geliefde is. Daartoe moet de patiënt wel eerst zijn klacht uiten. Een adagium van Ibn Dāwūd al-Isbahānī (868–909) luidt: ‘Niet verstandig is degene, die nalaat de arts te beschrijven waaraan hij lijdt.’ Toch laat de lijder dit vaak na, uit verlegenheid, discretie of uit wanhoop. Want maar al te vaak wil uitgerekend deze arts hem niet genezen, aldus ‘Abbās:

De arts was gierig met zijn medicijn voor de wegterende zieke.

of erger nog:

Waar haal ik het medicijn voor mijn lijden,
wanneer mijn ziekte de arts zelf is?

Soms kwelt de geliefde een minnaar tot de dood, en niet eens altijd met opzet. In de woorden van Fatḥ ibn Khāqān (817–861):

Gij maakte U meester van mijn ziel en besloot mij te doden,
nee, niet in ernst, maar de ziel gaat er wel aan ten onder,
als een vogeltje in een kinderhand die het knijpt
tot het dood is, terwijl het kind alleen wil spelen.

Dat seks genezend werkt wisten de oude Arabische dichters natuurlijk ook al. Op dit moment vind ik geen bewijsplaatsen, die houdt U nog te goed.

NOOT
1. De Fransen uit die tijd deden blijkbaar niet aan accenten. Veel moderne Fransen ook niet, omdat dat lastig is op een mobieltje.

1 reactie

Opgeslagen onder Arabisch, Literatur

Een Reactie op “Nagelaten hulpverlening

  1. Niet verstandig is degene, die nalaat de arts te beschrijven waaraan hij lijdt. Dat is prachtig!

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s