Twee paleizen

Amsterdam vond ik als kind al klein en benauwd; je kon er je kont niet keren, fietsen stonden in de weg in halletjes of trappenhuizen, en dan die iele woninkies … . Dat was bij opa en oma in het dorp wel anders. Toen ik iets ouder was schaamde ik mij voor Amsterdam ten opzichte van Londen en zelfs Brussel. Maar er waren tenminste twee gebouwen die grandeur hadden: het Paleis op de Dam en het Tropenmuseum.

Het Paleis was groot en stevig, en mooi vond ik het ook. In de loop der jaren kreeg ik er oog voor wat een uitzonderlijk gebouw dat was. Waar hadden ze de stenen vandaan? Ieder blok steen moest natuurlijk per praam van heel ver komen. En hoe hadden ze die steenkolos in de moerasgrond kunnen verankeren? Het was en is werkelijk groots. Wel staat het daar wat eigenaardig, temidden van het kleine grut.
Natuurlijk was ik er nooit in geweest; dat kon geloof ik vroeger niet, of het kwam niet bij me op. Pas ongeveer tien jaar geleden ben ik er eens binnen gaan kijken, en ik schrok. Dikke prots overal, wat een boel marmer! Een scherp contrast met de ook peperdure, maar toch sober overkomende buitenkant van het gebouw. Een paleis van opscheppers, die een ogenblik dachten dat zij de hele wereld regeerden. Wereldkaarten op de grond; de wereld aan je voeten, of liever eronder. Daar kon je blijkbaar een nieuwe factorij plannen.
Maar je wou toch iets grandioos? Jazeker, maar met dit paleis ben ik toch niet op mijn gemak. Dit is too much; een droom van kleine mensen die ineens te veel geld hadden. Het doet een beetje denken aan de Nederlandse eetcultuur van dit ogenblik. Na eeuwenlang draadjesvlees en spruitenprak nu een orgie van sterrenrestaurants waar niets vanzelfsprekends aan is.

Het Tropenmuseum, deel van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, was niet ver van waar ik woonde en ik was er vanaf mijn twaalfde vaak op zondagmiddag te vinden. Veel beter dan de verplichte kerkgang waren daar de voordrachten of voorstellingen die met Indië te maken hadden. Iemand las spannende oude Javaanse verhalen voor of er werden dansen uitgevoerd, en van het gamelanorkest was ik helemaal niet weg te slaan. De tentoongestelde dingen interesseerden mij pas jaren later, misschien ook omdat het toen nog een museum van een museum was: alles in bruine kasten met getypte kaartjes erbij, sepia foto’s met heren in tropenkostuum, zalen vol specimina van de nuttige gewassen van Nederlandsch-Indië. Later is dat radicaal gemoderniseerd, in verschillende fases, en wel zo goed dat Duitse kennissen die ik erheen stuur zonder uitzondering verrast en enthousiast zijn.
Een paleis dat ook gebouwd was door mensen die dachten dat zij de wereld, of althans Indië regeerden. Maar toen ik er aankwam was dat al niet meer zo. Dat we Indië niet meer ‘hadden’ en dat daar nu de demonische Soekarno heerste was mij al vaak uitgelegd; toch droomde ik weg bij die muziekuitvoeringen en stelde me voor hoe ik iedere nacht de gamelan zou horen, natuurlijk in de kraton van Mangkunegara in Solo. Voor minder deed ik het niet; dáár wilde ik heen.
Ook het Tropenmuseum had de hele wereld over de vloer, maar niet meer voor de heb. Het ging nu om kennis van die wereld, en daar had ik dringend behoefte aan, want Nederland was duidelijk te klein.
Voeg daarbij nog de museumboekhandel. Waar elders kon je bladeren in Pigeaud’s Woordenboek Javaans-Nederlands? Waar lezen in de mystieke teksten van Sjamsuddin van Pasai (inderdaad, ‘paasei,’ dacht ik nog in die tijd). Waarschijnlijk is mijn besluit oriëntalist te worden daar voorbereid.
Maar ook de omvang en grootsheid van het Tropenmuseum als gebouw overtuigden me. Nergens éénsteensmuurtjes of gipsplaten, en afmetingen die voor Nederland uitzonderlijk zijn. Het is stevig! Zelfs als je even naar de WC moest kwam je in een kamertje terecht met een hoge deur van massief eikenhout.
Het is blijkbaar té groot en stevig, dat Tropenmuseum. Niet voor mij, maar voor Nederland. Het moet nu gesloten worden heb ik gehoord. Terug het moeras in, niet meer naar de wereld kijken; waarom ook? Daar is immers niets meer te halen.
Dat zal het Paleis op de Dam nog niet zo snel overkomen, want daarvan loopt het groot onderhoud via het potje Koninklijk Huis.

6 reacties

Opgeslagen onder Nederland, Persoonlijk, Vroeger

6 Reacties op “Twee paleizen

  1. Nu je dit schrijft bedenk ik dat ik niet veel heb met grote paleizen. Eerder heb ik iets met citadellen (Naarden, Willemstad etc) vanwege de vorm. Die kaart op de vloer vind ik mooi vanwege mijn geotic.

    Ik vind het centraal station in Amsterdam erg indrukwekkend, en dan niet het stationsgebouw, maar de grote ijzeren hallen. Maar ik ben dan ook geen Amsterdammer en kwam/kom er maar zelden.

    Wat ik hier in Alkmaar van binnen een mooi gebouw vind is het stadhuis. Van buiten is het verre van indrukwekkend. Helaas is het in gebruik en kan je het niet zomaar bezoeken. Het ding is uit 1600 en de gangen stralen die sfeer uit via eenvoud en zeer grote bouwstenen. Er zijn een paar hoge vergaderzalen erg mooi gerestaureerd en ingericht met grote schilderijen. Ga toch eens bedenken om daar foto’s van te maken. Er werken maar weinig mensen in het stadhuis, de meerderheid zit in het nieuwe stadskantoor en daar is echt niets aan, behalve dat je er een mooi uitzicht hebt op het slechtstgeregelde kruispunt van Alkmaar.

    De grote cathedralen in Frankrijk vind ik ook mooi. Maar doe mij maar vooral echte burchten zoals die bij Coburg.

  2. Herinner me dat ik er begin jaren zeventig met Tienertoer geweest ben. Het was toen al op de moderne toer, maar het Museum voor Land en Volkenkunde in Leiden boeide mij meer. Daar hadden ze een zwarte zaal met een aantal grote gouden Boeddha’s die ik nog steeds voor me zie.

  3. Ja, de Boeddhazaal … . Im Amsterdam hadden ze slechts enkele Boroboedoer-beelden van gips. Het zal misschien zo geweest zijn dat de grootste schatten uit de kolonie in Leiden belandden. Dichtbij den Haag enzo. Toch was dat Leidse museum, dat ik mij goed herinner uit mijn studietijd daar, qua inrichting nogal een zootje. Dat zal nu wel sterk verbeterd zijn.

  4. Het Paleis op de Dam heet niet voor niets zo. Met het vroegere Stadhuis heeft het niets van doen. Lodewijk Napoleon annexeerde het, de stadsbestuurders werden verbannen naar de Oude Zijds Voorburgwal. Pas in de jaren tachtig mochten die verhuizen naar de Amstel. Het Paleis ontleent haar grandeur dus aan de Franse overheersing. Vandaar de prots. Immers, de kooplieden en bestuurders van de lage landen en zeker de hoofdstad waren over het algemeen nogal Calvinistisch ingesteld, prots was hen een gruwel. Het Kon.Instituut voor de Tropen was jarenlang een wat somber en saai gebouw. Het werd een aantal jaren geleden volledig verbouwd. Multifunctioneel gemaakt, met kreeg thematentoonstellingen. Ik was er vorig jaar nog en dat beviel zeer. Maar het trekt, ook door de lokatie, te weinig bezoekers. Het staat in het verkeerde stadsdeel, had bij het Museumplein moeten horen. Het museum bestaat bij de gratie van subsidies. Nu dat potje is afgesloten zakt het door het ijs, net als het Aviodrome op Lelystad. Naar ik begreep gaat het KiT wel door, en een van de eerste daden is de boel alweer verbouwen. Kijk, het geld moet rollen, maar soms doet men dat toch iets te vrijgevig…

  5. In het Paleis op de Dam zijn de woonvertrekken met de dure Empire meubels inderdaad Frans. Maar de openbare ruimten, ook de grote burgerzaal met al dat marmer, dateren wel degelijk uit de jaren 1650. Gruwel of niet, de heren Calvinisten hebben tonnen marmer laten importeren en de (katholieke?) immigrant Artus Quellijn, die in Rome had gestudeerd, het overvloedige beeldhouwwerk laten verzorgen.

  6. Leo

    Het zou zo maar kunnen hoor. Wat ik er van weet is dat de vorige drie stadhuizen op die plek allemaal door brand werden verwoest., Wellicht wilde men nu een gebouw dat stand zou houden. Jacob van Campen mocht het ontwerpen, Daniel Stalpert bouwde het tenslotte. Quellijn was een van de vaklieden die het interieur maakten, Verhulst, Ferdinand Bol, Govert Flinck en Sijmen Bosboom waren de anderen. In totaal kostte het latere paleis toen al een kleine (omgerekend) 4 miljoen Euro. Een enorm bedrag! Lodewijk Napoleon verbouwde het naar zijn eigen zin, de latere Willem van Oranje telg gaf het terug aan de stad. Maar de stadsbestuurders van die generatie vonden het maar niks, veel te duur en ook qua uitstraling niet passend bij de Calvinistische stijl van besturen in die dagen…

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s