Notities van een emigrant 4 (1996–97)

Dinsdag 23 juli 1996. Heeft Nederland te weinig artsen, in Duitsland zijn er te veel, en ze hebben allemaal geïnvesteerd in dure apparaten, die alleen rendabel zijn als er lijders aan of onder liggen. In Nederland was ik dat niet gewend: daar kun je met een huisarts gewoon praten en heeft een specialist alleen tijd voor je als je iets ergs hebt.
Twee maanden heb ik rondgelopen met rare pijnen in mijn been, aanzienlijk langzamer dan gewoonlijk, maar zonder erover te willen nadenken, om mijn humeur niet te verpesten.
Tenslotte heb ik er toch naar laten kijken. Een reeks van medische onderzoekingen is gevolgd, waarvan het einde pas donderdag in zicht komt. Vast staat inmiddels dat ik aan alcoholisme noch kanker, aan suikerziekte noch tering lijd. Maar als dat zo doorgaat met die onderzoeken zal ik van uitputting nog in zo’n kuuroord eindigen.
De mij aanbevolen doktoren (één huisarts en twee specialisten) zijn erg gretig om ziektebeelden te ontdekken. Hun rekeningen zijn twee tot drie maal zo hoog als in Nederland. De medicijnen zijn ook veel duurder. Helaas onttrekt de kwaliteit van de verrichtingen zich aan mijn contrôle. Wel kan ik zien dat in apotheken middelen verkocht worden die onzinnig zijn, of zelfs schadelijk voor de gezondheid. Het lijkt soms of artsen en apothekers dit land regeren, en of de onderdanen niets liever doen dan zich aan hen onderwerpen. Je kunt bij bepaalde artsen ook voor geld een verklaring voor de werkgever krijgen dat je ziek bent. Studenten geven mij soms ongevraagd zo’n papiertje als zij niet op college zijn verschenen. Oefenen zij voor hun latere werkkring?

Donderdag 25 juli 1996. Het eindoordeel is gevallen: mijn kwaal zit in de rug en zal niet meer beter worden. Op een briefje staat het in het Latijn. Een ernstig geval zelfs. Mag nooit meer veel lopen en ook niet tillen. Gerichte gymnastiekoefeningen doen, en fietsen. Even met een bevriende arts in Nederland gebeld om de zaak in reële proporties gezet te krijgen, want dat ernstige geval, daar geloof ik niet in. Het is lastig, zei hij, maar je kunt er honderd mee worden. Inspecteur Morse heeft het ook.

Donderdag 15 augustus 1996 Een snelle fiets gekocht, met 21 versnellingen. Voortaan gaat het vervoer in de stad met de oude fiets of met de metro, en daarbuiten met de trein en de nieuwe fiets. Een beetje bang voor de heuvels was ik wel, maar bij het eerste proefritje vanuit Oberursel zat ik al snel op zeshonderd meter hoogte. Het werkt dus echt, zo’n snel karretje. Wat heb je als Hollandse jongen toch nodeloos door allerlei Ardennen geploeterd met die Fongers. Een tochtje is nu niet meer compleet als er niet een paar hellingen inzitten. Een Perzische vriend gaat graag mee fietsen; ik houd hem nauwelijks bij, zo slecht is de conditie.
Die fietstochten zijn ook nodig om dit land te adopteren. Alleen door vlaktes rijden geeft een onvolledig beeld. Er bestaat zoiets als het land Hessen, dat in de vlaktes met dichte bebouwing en intensieve industrie overdekt is geraakt. Dat land moet ik ontdekken; de Bondsrepubliek als geheel is toch te groot. De Wetterau, ten noorden van de stad, heeft nog echte boerendorpen. De lappen grond hebben enorme afmetingen en er staan weinig bomen tussen. Een no-nonsense landschap, misschien het resultaat van herverkaveling; je voelt je er soms verloren, zo groot, en ook de dorpen geven zich aan een buitenstaander niet makkelijk. Typisch zijn de boerenhuizen met een strenge voorgevel direct aan de straat. Het huis en de bijgebouwen strekken zich wat jovialer in L-vorm naar achteren uit. De aldus ontstane binnenplaats kan worden afgesloten. Pal ernaast staat alweer het volgende huis. Hebben de bewoners geen behoefte aan tuinen, aan gezellige café’s? Blijkbaar wonen de boeren niet op hun land, maar allemaal bij elkaar in het dorp. Volop vakwerkbouw nog. De Spessart is plezierig en mooi; aantrekkelijker nog lijkt het Odenwald, met zijn kittige heuveltjes en oogstrelende mengeling van landbouwgrond en bos, maar de Wetterau is vermoedelijk de sleutel tot het onderbewuste van Frankfurt.
Andere Nederlanders gaan in Hessen op vacantie; ik woon hier, dat is een grote luxe. Dezer dagen blijf ik verder met opzet veel thuis, om eindelijk deze flat eens te veroveren. In de keuken hangt nog steeds geen lamp.

Göteborg, woensdag 28 augustus 1996. Al na een paar uur van mijn bezoek aan Zweden merk ik dat deze korte vakantie mij goed doet. Zeelucht, vis en vriendelijkheid.
In een vloek en een zucht was de supersnelle trein in Kiel, waar de boot naar Göteborg vertrok. Het waaide en regende. In Frankfurt waait het zelden, en anders bovendien. Nooit zo’n lekkere vochtige, rukkerige wind van zee. Het weerbericht spreekt in zo’n geval, in ongevraagde subjectiviteit, van slecht weer, maar ik genoot ervan, door de herinnering aan Nederland.
Op de boot heb ik vis gegeten, een uitstekende heilbot. Vis is in Frankfurt in deze kwaliteit niet te krijgen; of misschien in een heel duur specialiteitenrestaurant? Nu ja, dat die stad niet aan zee ligt kan zij ook niet helpen. Maar ook de vriendelijkheid van de Zweden aan boord stond in opvallend contrast met de dagelijkse gang in Frankfurt. Ineens besef ik dat ik daar in een vrieskist leef. Zijn Duitsers dan niet aardig? Jawel, velen wel, maar blijkbaar zonder ooit persoonlijk te worden. Tenzij je ze heel goed kent natuurlijk, maar zover is het nog niet. Met die Zweden aan boord kun je gewoon een praatje maken. Zelfs met die kelner bij voorbeeld. Het was een goede kelner in een redelijk restaurant, dus de vriendelijkheid behoort tot zijn vak. Goede kelners die een praatje maken met de gast zijn er overal. Deze man deed echter een menselijk, persoonlijk element in zijn gesprek, en dat vind je niet zo gauw in Frankfurt, waar iedereen zich afschermt achter zijn functie. Het persoonlijke bewaren zij, dat hoop je tenminste, voor hun familie en intimi. Maar deze Zweed bewees weer eens dat dat niet hoeft: je kunt ook in een werkcontact gewoon open zijn. Ik ben dat zelf in principe ook, maar ik ben een schuchter mens en ga pas open als een ander het eerst doet. En vandaag in Göteborg alweer, zomaar een ontmoeting in de stad. Een prettig en inderdaad persoonlijk gesprek.
Waarom neem ik niet het initiatief met Duitsers, waarom spreek ik hen niet aan op de mens die zij hopelijk zijn? Dat is omdat ik schuchter ben, omdat er geen beginnen aan is, en bovendien, met welk recht? als zij zo willen zijn, laat ze dan!
Zijn daar dan niet H. en Z., en klikte het niet dadelijk met mevrouw M.? Maar dat zijn van huis uit geen Duitsers. De buitenlanders dekken mijn eigen behoefte aan gezelligheid, en bovendien bewijzen zij, dat ik niet hoef te twijfelen aan mijn vermogen om contacten te leggen. Het moet echter mogelijk zijn, ook enkele Frankfurters uit hun tent te lokken. De hele natie hoeft niet, maar met een paar Duitse vrienden ter plaatse zou ik heel gelukkig zijn.
Mevrouw K., een Amerikaanse die al tien jaar in Frankfurt woont en met wie het ook ogenblikkelijk goed zat, meende dat alle pogingen tot normale omgang met Duitsers vergeefs zijn en dat ik maar beter meteen lid kon worden van de International Club. Maar daar wil ik nog lang niet aan. Tenminste zou ik willen begrijpen waarom iedereen zo ijzig is en zich verstopt achter dat correcte kamerscherm.
Algemeen geoorloofde gespreksonderwerpen zijn: voorwerpen, en de technische specificaties en/of de prijs daarvan; of geld in het algemeen, of belastingen. Allemaal dingen die onpersoonlijk zijn, en die waar ik vandaan kom als stomvervelend of zelfs als taboe golden.
Maar hiermee is niet alles gezegd. In Zweden ben ik op vakantie en op mijn lijf staat geschreven dat ik het naar mijn zin heb, wagenwijd opensta voor een mooi gesprek en verder van niemand iets verlang. In Duitsland ben ik een buitenlandse werknemer, dat is vermoedelijk te zien aan mijn houding, gedrag en kleding, en het is in elk geval duidelijk zodra ik mijn mond opendoe. Met zo iemand wil niemand graag omgaan, dat was in Nederland niet anders. Wanhopige, verbitterde buitenlanders heb ik daar gekend, Amerikanen, Duitsers, Zweden, die oprecht maar vergeefs probeerden om erin te komen. Hoe vaak werden zij niet in het Engels te woord gestaan, terwijl zij zelf dapper Nederlands spraken. Dat betekent: jij bent er niet een van ons, blijf jij maar in je hokje. In Duitsland kennen ze niet genoeg Engels voor die techniek, dus pakken ze het ausgrenzen anders aan.

Dinsdag 3 september. Het zomerhuis in Knarreviken is precies wat ik nodig heb; vakantie zonder veel lopen. De zee voor de deur; op het terras zitten en naar de baai kijken geeft al een rust waar elders moeilijk aan is te komen. En er is een fiets, waarop ik de omgeving wat afrijd om in beweging te blijven. Met E. per auto naar Noorwegen gereden, Frederiksstad. Hier zie je nog een samenleving in de pre-Europese fase, dezelfde peperdure vreugdeloosheid die vóór de crisis en vóór de EU ook in Zweden heerste.
Het Zweedse landschap doet me veel plezier en ik word er zelfs opgewonden van. Veel mensen zullen deze streek misschien saai vinden, vooral omdat het nog honderden kilometers zo door gaat. De omgeving van Frankfurt is beslist mooier, in elk geval gevarieerder, soms zelfs spectaculair; maar ik houd er nog niet van. Genot hangt samen met herinnering; hier ben ik vaker geweest, en daarom is het mooi. Ook Nederland is prachtig. Toen ik laatst weer eens door reed vond ik het een traktatie: die kleur groen en dat licht zijn uniek; en de geur ook. In Duitsland moet ik langer zijn en veel meer meemaken om het mooi te vinden.

Frankfurt, woensdag 18 september 1996. Krant: Auto botst tegen middenbermbeveiliging, raakt daarna in de berm en komt meters verder tot stilstand. Schade aan de wagen 6000 mark. De chauffeuse blijkt dood te zijn; ongeluk waarschijnlijk veroorzaakt door hartstilstand. 
De verslaggever volgt niet de chronologie van de waarheidsvinding/het onderzoek. Zonder twijfel is er eerst vastgesteld dat de vrouw dood was. Veel later, toen de auto naar de garage was gebracht, kon pas worden uitgerekend hoeveel de schade bedroeg. Hij heeft het nodig gevonden, in zijn bericht de volgorde om te keren: first things first, nietwaar.

Zondag 22 september 1996. ‘We hebben muilezels en dragers gehuurd, und einen guide.’ Zomaar een zin van iemand die vertelde over een bergtocht in een ver land. Waarom die guide, in een taal die verder zo weinig ontvankelijk is voor Engelse woorden? Bij navraag bleek de spreker inderdaad het gewone Duitse woord voor gids, Führer, te hebben willen vermijden. Maar is dat niet te veel eer voor Adolf? Je laat je toch niet je taal afpakken door zo’n stuk ellende, dat bovendien al een halve eeuw dood is?

‘Het aantal Aussiedler neemt af,’ zegt de radio elliptisch. Vollediger zou het moeten luiden: ‘het aantal zich in Duitsland vestigende Aussiedler neemt af.’ Een Aussiedler is iemand die naar buiten trekt. Het was vanouds een boer die buiten het dorp ging wonen, en ook een Duitser die zich vestigde buiten Duitsland, in Oost-Europa vooral. Tegenwoordig wordt als vanzelf aangenomen dat zo’n emigrant zich nu (weer) in Duitsland wil of behoort te vestigen. Zou je hem in het Nederlands een remigrant of spijtoptant moeten noemen? Nee, want de Aussiedler hoeft niet zelf het vaderland verlaten te hebben; het kan ook zijn dat zijn vader of betovergrootvader geëmigreerd was, naar de Wolga, de Krim of zelfs Mongolië. Het idee is, dat het nageslacht van deze emigranten Duits is, en nu kan terúgkomen, ofschoon menig Aussiedler die zich nu in Duitsland meldt er voor het eerst komt en dringend een taalcursus behoeft. Met het bloed is ook de status van emigrant erfelijk. Deze opvatting doet denken aan Israël, dat een wet heeft op de terugkeer van mensen die er nog nooit zijn geweest. En in Griekenland kunnen ze er ook wat van.
Er is een maffe nazi, die probeert die Aussiedler in Rusland te concentreren, en wel bij Kaliningrad, het vroegere Köningsberg, om daar weer een Duitse volksplanting te beginnen. In dat gebied is veel modder en weinig bouwmateriaal, dus er zal wel niets van terecht komen. Een dwaas.
Duitsers blijven Duits van geslacht op geslacht en buitenlanders kunnen het niet worden. De opvatting dat iemand Duitser is krachtens zijn bloed is niet gunstig voor de Europese eenwording. Een populaire dwaling uit de vorige eeuw? In Frankrijk en tegenwoordig ook Nederland wil men juist graag dat de buitenlanders de nieuwe nationaliteit aannemen. Hier niet, en de weinige Turken die toch een Duitse pas gekregen hebben worden nog steeds niet voor vol aangezien. In Duitsland heet het: ein Türke mit deutschem Paß. In Nederland zegt men nog even: een Nederlander van Turkse afkomst, en in de volgende generatie hoor je er niet meer over. Was dat niet ook het probleem met de joden? Het ziet ernaar uit, dat de joden in Frankfurt vroeger de best gelukte Duitsers in de stad waren. Ze werden alleen niet zo opgevat.

Vrijdag 20 september 1996. Het is bramentijd en Duitsland hangt vol met miljarden bramen, die op plukkers wachten. Aan mij zal het niet liggen. Toen ik mij langs een wegje bij Mensengesäß overgaf aan een orgie van bramen kwam een klein jongetje zeggen dat het gevaarlijk was om ze te eten, vanwege de Fuchsbandwurm, de vossenlintworm(?).
Toevallig had ik het artikel ook gelezen in de krant, vorige week. Dat ging ongeveer zo: Wist u dat u door het eten van bramen een ziekte kunt oplopen waaraan u onherroepelijk sterft? Deze wordt veroorzaakt door de Fuchsbandwurm, die zich o.a. bevindt in de uitwerpselen van vossen en dus vooral onderaan de struiken terechtkomt. In Duitsland overlijden per jaar gemiddeld vijftien mensen aan deze ziekte. Weliswaar komen al deze mensen uit andere landen en hebben zij de besmetting uit hun vaderland meegenomen. Onder in Duitsland geborenen is tot dusverre nog niet één geval aangetroffen. Maar denk er wel aan als u nog eens bramen plukt: u kunt er een dodelijke ziekte aan over houden.
Alweer een gelegenheid om bang te zijn. Stervende bossen, kerncentrales, buitenlandse criminelen, de Euro, de gekke koeienziekte; het is nooit genoeg. De pers zal geen kans laten liggen om paniek te zaaien, terwijl de overheid zelfs heeft verzuimd haar oude grammofoonplaat nog eens af te draaien: er bestaat geen gevaar voor de volksgezondheid. Maar daar had toch niemand naar geluisterd, de mensen zijn veel te graag bang.
Hoe komt zo’n joch aan zijn angstje? Zijn oma, die kwam aanlopen, zei dat hij het van zijn oudere broertje had gehoord, die er erg over tobde. En als je het haar vroeg zat er wel iets in. De oude volkswijsheid luidde immers: Beim Pflücken nie bücken! Zeer wijs, maar vooral ter voorkoming van rugklachten. Gelukkig hangen er genoeg bramen op ooghoogte, en hoger nog.
Plaatsnamen: Mensengesäß, Weitengesäß, Hüttengesäß, Bruchköbel, Zeppelinheim, Groß Krotzenburg, Krottenloch, Hasloch, Sommerloch, Mückenloch, Kuhruh, Rinderburgen, Freigericht, Linsengericht, Froschhausen, Rückershausen, Wixhausen.

Zaterdag 21 september. ‘Zestig procent van alle klachten waarmee mensen bij de huisarts komen komen neer op Streß, zonder dat er een echt lichamelijke aandoening is aan te tonen,’ beweert het Verband Bundesdeutscher Psychologinnen und Psychologen. Het cijfer kan dus te hoog zijn, maar toch! Met stress zal wel psychische klachten zijn bedoeld. Van dergelijke klachten is misschien alleen stress enigszins aanvaardbaar, omdat dat vaag herinnert aan hard werken, wat als respectabel geldt. De rest wordt dus verzwegen.
Dat is inderdaad de indruk die je van Duitsland krijgt: dat er over de dingen van de ziel niet gepraat wordt. Ja, over philosophische en geistige onderwerpen wel, maar die zijn onpersoonlijk en onschadelijk gemaakt met een wetenschappelijke saus.
Zou men zich dat grote zwijgen in of na de oorlog hebben aangewend? Heeft het te maken met een autoritaire opvoeding? Of zijn alleen Nederlanders zulke ouwehoeren? In Amsterdam hoor je achter je in de tram soms over heel intieme gevoelsdingen praten. Ook op de televisie maken mensen graag het ganse volk deelgenoot van hun innerlijk leven. Hier is alleen om één uur ’s nachts op TV het programma van een zekere Domian, met wie je telefonisch over persoonlijke problemen kunt praten. Daar gaat een beerput van onderdrukte gevoelens open. Domian doet het erg knap, maar het is een beetje weinig.
Als zielepijn niet bestaat moet je dus veel lichamelijke klachten hebben, veel pillen slikken en zo vaak mogelijk naar een kuuroord. Op mijn fietstochten kom ik soms langs dergelijke oorden en ik kijk mijn ogen uit. Met welk een overgave zijn mensen daar niet lekker, en wat een Aufwand! Baden, waters, modder, massages, gymnastiek, dure hongerdiëten en vele dito dokters. Hele dorpen leven ervan. Het lijkt allemaal uiterst overtollig. Of hebben deze zieken baat bij een potje jammeren tegen hun medepatiënten?

Woensdag 20 november. Tegen beter weten zet ik ’s morgens bij het wakker worden de radio aan om het nieuws te horen. Er is nooit nieuws, want sinds de hereniging van Duitsland is er niets meer gebeurd, maar nu heeft er toch een kleine verschuiving plaats gehad. De eerste maanden was het hoofdthema altijd Lohnfortzahlung im Krankheitsfall. Als je ziek bent krijg je tot nu toe blijkbaar 100% van je salaris doorbetaald, zelfs van de overuren die je zóu hebben gemaakt als je niet ziek was geweest. Het doet wat onwerkelijk aan; zou dat in enig ander land zo zijn? Hoe dan ook, die doorbetaling wilde men beperken, waartegen protesten kwamen. De kwestie is nu kennelijk naar de zin van de vakbonden geregeld, anders had ik wel moord en brand horen schreeuwen. Nu is men aan het volgende onderwerp begonnen, dat zich zeker ook maanden zal voortslepen: iets met pensioenpremies ofzo.
Als je nog niet ziek of oud was zou je het van dit gezeur wel worden. Vraagt niemand zich ooit af wat Duitsland in de komende decennia eens zal gaan doen? Is het nog wel van deze tijd om duizenden arbeiders in enorme fabrieken voorwerpen te laten vervaardigen die alleen met harde reclame te verkopen zijn, die bovendien ergens anders goedkoper zijn en na kortstondig gebruik weer entsorgt moeten worden? En moeten er echt zoveel artsen zijn, zoveel ambtenaren en advocaten, zoveel mijnwerkers en zoveel vuilnismannen voor de vijf verschillende soorten vuilnis? Niemand lijkt daarentegen enthousiast te zijn over de prachtige kansen die de Euro en Europa bieden, of over de vernieuwing die min of meer sluipend in Oost-Duitsland plaatsvindt.
In Thüringen heeft iemand een soort stacaravan uitgevonden waardoor vervuilde grond ter plekke vlugger en voordeliger gereinigd kan worden dan tot nu toe. Dat is een arbeidsbesparend en dus goed idee. Tientallen grondwerkers en kleivervoerders kunnen nu iets anders gaan doen. Het is vast geen toeval dat zoiets in Oost-Duitsland uitgevonden wordt. Daar zijn ze al door het dal gegaan en hebben sommige mensen dus de kracht om iets nieuws te beginnen, natuurlijk alleen omdat het moest. In Zweden was dat niet anders: eerst de radeloosheid om de verloren zekerheden, maar daarna de opluchting en trots als iemand in staat blijkt om een stap verder te doen in zijn leven. Zeurende, verwende kinderen worden dan ineens dappere, trotse ondernemertjes. West-Duitsland en Frankrijk zijn langzamerhand de enige Europese landen die nog geen Wende hebben beleefd, en uitgerekend die twee moeten het nieuwe Europa trekken.

Zondag, 5 januari 1997. De taal van mijn innerlijke monoloog is nog steeds Nederlands. Als ik ’s ochtends vroeg les geef moet het Duits van heel ver komen. Nieuw in mijn emigrantenbestaan is echter, dat ik na de jaarwisseling geen zin had om langer in Nederland te blijven dan nodig was. Het is vakantie, ik had toch het week-end nog kunnen blijven? Maar nee, ik wilde ‘naar huis’.

Dinsdag 7 januari 1997. Dat Duitsers vaak zo weinig georiënteerd zijn op de buitenwereld zou een triviale reden kunnen hebben: ze hebben geen brievenbussen waar een behoorlijke krant in past. Alles is breed en groot, alleen de brievenbussen zijn benauwd. Ook ik heb maar een heel kleintje, en dus geen abonnement; ik koop telkens losse nummers. Maar wat is een behoorlijke krant? Tegenwoordig voel ik het meest voor de Süddeutsche Zeitung, een krant om van te houden, al moet ik dan veel Münchener bladzijden weggooien. De Frankfurter Rundschau is een beetje linksig, en vooral provinciaal. De Frankfurter Allgemeine Zeitung heeft prachtige supplementen, maar is wel erg arrogant ten opzichte van het ‘buitenland’. Een hoofdartikel ter gelegenheid van het bezoek van de Italiaanse premier joeg mij op de kast. Er was wat onrust over de vraag of Italië mee zou kunnen doen met de monetaire unie. Kohl had ontactvol gezegd dat dat waarschijnlijk niet zou lukken. Wat schrijft een hoofdartikel in de FAZ bij die gelegenheid over Italië? ‘De economische basis van de staat is momenteel te zwak om de veranderingen die nodig zijn voor een moderne maatschappij aan te kunnen en om probleemloos met meer ontwikkelde partnerlanden mee te komen.’ Zijn ze nou helemaal betoeterd? Terwijl Italië, althans het Noorden, enkele decennia op Duitsland voorloopt, economisch boomt en zijn rotzooi snel kan saneren als het moet, wat hier nog in geen jaren zal lukken. Duitsland kan zelfs zijn eigen mafia niet eens runnen, daar hebben ze Russen voor nodig, terwijl het werk en de voortplanting aan Turken zijn uitbesteed. Welterusten, FAZ!

Zondag 23 februari 1997. Het is dit week-end prachtig weer: zonnig en een graad of veertien. Gisteren voor het eerst na de winter weer een eind gefietst, in het mij allengs dierbaarder wordende Odenwald, en vandaag kon je zelfs even op een terras in de zon zitten. Je hebt hier als Nederlander al vrij vroeg een voorjaarsgevoel. Wel was de winter zeer streng, een maand achter elkaar, maar door de zuidelijker ligging is het licht sterker, en dat bepaalt de stemming meer dan de temperatuur.
Mijn wetenschappelijke werk gaat ook beter dan sinds jaren, de stagnatie is doorbroken. De eerste maanden deed ik er niet veel aan, door de overgang en de vele nieuwe taken. Net een klusje voor mij, dit onderzoek: een twaalfde-eeuwse Arabische tekst over Kosmos, Paradijs en Hel. Soms heb ik ernstige twijfels of een studie daarover wel aanvaardbaar is voor het geleerde publiek, en of er een uitgever voor te vinden zal zijn, want die tekst bevat een ongelooflijke hoop opgeklopte onzin. Maar het is juist de uitdaging, deze oude schoenzool zo klaar te maken dat hij verteerbaar wordt. Onzin van een eeuw of acht geleden is per definitie interessant; bovendien is het slechts een groteske uitvergroting van wat er in religies überhaupt omgaat aan gedachten over het leven na de dood.
Aanvaardbaar voor de geleerde wereld – ja, dat zou het moeten zijn, want ik wil proberen mij te habilitieren als hoogleraar. En daarvoor zou het eigenlijk doodernstig moeten zijn. In het hedendaagse Nederland kun je maar beter geen professor worden, maar hier moet je het bijna zijn om een beetje mee te tellen. Doktor ist ja jeder! Maar aanvaardbaar of niet, het boek moet af. Ik doe het nu in het Duits, want Engels schrijven blijkt hier een onwerkelijke bezigheid te zijn.

Maandag 3 maart 97. Duitsland is bomvol met auto’s. De mensen maken ze zelf, rijden er zielsgraag een paar uur in rond en zetten hem na de rit te pronk op de stoep voor hun eigen of andermans woning. Toch is dit ook het land met de meeste winkels voor speelgoedtreintjes. Als ik op de tram wacht bekijk ik regelmatig de etalage van zo’n zaak. Het is prachtig spul, maar erg duur. Een locomotief kost 250 mark of veel meer, wagons zijn er vanaf 60 mark. Daar komen dan nog rails bij, wissels, een modelstadje en wat van die bordpapieren bergen met dennebomen erop en tunnels eronder. Dit kan geen speelgoed zijn; wie geeft er zulke dure en kwetsbare spullen aan zijn kinderen? Enkele rijkaards misschien, maar die wonen niet in mijn wijk, en die verklaren niet het forse aantal treintjeswinkels. Het zullen dus wel vaders zijn, die ermee spelen: advocaten en belastingconsulenten, die stiekem op zolder hun jeugd-herinneringen hebben nagebouwd. In een echte trein zie je ze niet; ze hebben immers een Mercedes.
Verlangen zij naar een stukje heile Welt? Nee, het gaat er blijkbaar eerder om, de échte wereld in een beheersbaar formaat in huis te hebben, en die wereld mag ook best kapot zijn. In het nieuwe nummer van de MIBA, Die Eisenbahn im Modell, werd bij voorbeeld het model getoond van een solide burgermanshuis van rond de eeuwwisseling, dat helemaal verwaarloosd en uitgewoond is, en op het punt staat, weggesaneerd te worden. Boven zijn de ramen er al uit, en de benedenverdieping is dichtgemetseld, en ondergekliederd met graffiti. Het soort pand dat inderdaad wel langs spoorbanen te zien is. Gutbürgerliche Ruine heet het pakket.
Het volgende gat in de markt laat zich raden: wagons met containers voor kernafval, tinnen demonstranten en politieagenten, en natuurlijk ook materiaal om je eigen modelbaan te saboteren.
Vele autobezitters zijn blijkbaar wel bereid, per televisie lange treinreizen te maken. Nachtenlang worden er eindeloze treinreizen op het scherm vertoond. De camera staat in de cabine bij de machinist, en de kijker krijgt precies te zien wat deze ziet. De Frankfortse tramwegmaatschappij wilde niet achterblijven: het is adembenemend te zien, hoe lijn 16, op een dooie zondagmorgen, fel-realistisch de bocht neemt bij de Bockenheimer Warte en stopt bij de Varrentrapstraße, waar ik zelf gisteren nog ben uitgestapt! Al deze films zijn ook op video verkrijgbaar. Ze zijn vermoedelijk gemaakt uit veiligheidsoverwegingen of ten behoeve van de verzekering. Mocht er een ongeluk gebeuren, dan toont de film misschien de tractor die juist de rails op schoof, of het sein dat op rood stond. Ze kunnen echter ook gesleten worden aan een publiek dat naar alles kijkt wat in kleur is en beweegt.
Zulke films worden ook vertoond op televisieschermpjes in de supersnelle treinen. Zo kun je nu al dadelijk de reis meemaken die je juist bezig bent te maken, zonder je nek hinderlijk te hoeven draaien om uit het raampje kijken. Bovendien weet je het zo net iets eerder, als je ergens tegenaan knalt.

Dinsdag 4 maart 1997. Ik ben een held, de collega’s houden niet op me te feliciteren. In het instituut heb ik namelijk een emeritus-hoogleraar de deur gewezen, door hem te zeggen dat hij unerwünscht was. De man kent het verschil tussen mijn en dijn niet; hij had manuscripten uit de bibliotheek ontvreemd. Zo iemand kun je niet meer binnenlaten, daarover was iedereen het eens. Het was geen prettig klusje (een breekbare oude man, veel kleiner dan ik), maar ik vond de situatie niet bedreigend of netelig, zoals mijn collega’s. Zij hebben namelijk, zoals velen hier, een allesoverheersend gevoel dat iedereen je voortdurend probeert onderuit te halen, en dat de vijand een heel juridisch apparaat heeft klaarstaan om daarbij behulpzaam te zijn. Niemand doet hier ooit een mond open, lijkt het, zonder te denken aan de aanklacht die de ander daarover zou kunnen indienen, bij de baas, de bovenbaas, de politie of het gerecht. ‘Ich zeige dich an!’ (ik geef je aan) is normaal spraakgebruik bij alledaagse ruzies. 
Tijdens het incidentje was de hoogleraar totaal verbluft. Waarschijnlijk was hij al een halve eeuw niet meer zo simpel aangesproken. Na zijn aftocht begonnen de collega’s onmiddellijk, als in een reflex, mijn heldhaftige optreden te analyseren: had ik …? nee, ik had niets gezegd of gedaan dat tegen mij gebruikt zou kunnen worden. Nog meer gelukwensen.
Ik denk nooit aan rechtbanken, ik heb niet eens een vijand en zeg dus gewoon wat ik bedoel. Dat is geen heldenmoed, maar de naïviteit van een buitenlander die hier nog niet lang woont. Thuis even nagekeken of ik wel een rechtsbijstandsverzekering heb; het went dus al.
Zijn Duitsers laffer dan anderen? Vast niet; bovendien zijn niet al mijn collega’s Duitsers. Er moet iets in het rechtswezen zijn wat de mensen zo bangelijk maakt. De Rundschau had onlangs een een bizar nieuwtje: iemand was tot een boete van 1600 mark veroordeeld omdat hij een medeburger voor hansworst had uitgemaakt. Dat het in de krant stond wijst er echter op, dat zoiets hier door sommigen ook zot wordt gevonden. Je zou toch wensen dat zo’n rechter de slappe lach kreeg, of tegen die hansworst zei: man, ga fietsen! Misschien zijn er ook te veel rechters. De werkloosheid kan nog stukken omhoog.
Het pikante van het voorval met de boekendief was vooral dat hij hoogleraar is. Om onduidelijke, wellicht historische redenen is de titel professor verbonden met een geweldig prestige. Er was onlangs een rechtszaak tegen een hoogleraar die een promovenda seksueel had lastig gevallen. Toen zij had aangekondigd er werk van te zullen maken had hij haar gedreigd dat de promotie dan niet doorging en eraan toegevoegd: ‘Voor minder dan moord wordt een Duitse professor toch niet vervolgd!’ Dat gebeurde nu dus wél, maar nog niet lang geleden moet dat anders zijn geweest.

Woensdag 5 maart. Nu mijn ogen eenmaal zijn geopend voor de rechtsstaat blijkt deze alomtegenwoordig te zijn. Een secretaresse riep mij toe door de geopende deur van haar kamer, die ik juist wilde betreden: ‘Past u op uw jas? De deurposten zijn net geverfd.’ Zie je wel, denk je dan even, er zijn ook best aardige mensen. Helaas voegde zij er dadelijk aan toe: ‘… anders worden wij straks aansprakelijk gesteld voor de reinigingskosten.’

Was gepubliceerd in TIRADE
Verder naar Notities van een emigrant 5 http://wp.me/p1PaGJ-lk Terug naar Notities van een emigrant 3

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Duitsland, Persoonlijk, Vroeger

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s