Notities van een emigrant 3 (1996)

Donderdag 23 mei 1996. ‘Dokter, ik voel mij de laatste tijd zo gelukkig; is daar nog iets aan te doen?’
Hoe het kan is onbegrijpelijk: ik zit hier moederziel alleen in een vreemde stad, zou ik niet juist ongelukkig moeten zijn? Nee, de gedachte dat je altijd mensen in de buurt moet hebben om je prettig te voelen blijkt onjuist. Dat misverstand kon misschien alleen opkomen tijdens mijn vorige leven, in Nederland, omdat ik daar altijd een warme deken van vriendschap om mij heen had. Als ik de mensen in mijn nieuwe omgeving bekijk, dan lijkt het wel of vrienden hebben hier niet zo de gewoonte is. Bovendien is de kans groot dat vrienden ver weg wonen. Ik ken zelf mensen in Münster, Halle en München: tenminste vier uur rijden en DM 140,- van Frankfurt vandaan. In Nederland woonde vrijwel ‘iedereen’ in de noordelijke helft van de Randstad. Nooit was er een geografische of financiële reden om elkaar niet op te zoeken. Maar een Duitser die bij voorbeeld van Berlijn naar Frankfurt verhuist is evenzeer een emigrant als ik. Al lijkt zijn nieuwe omgeving sterk op de oude, ook hij moet zijn vroegere wereld achterlaten.
Het bijbehorende levensgevoel heeft zijn neerslag gevonden in een liedje dat de radio uitzond:

Kein Schwein ruft mich an,

Keine Sau interessiert sich für mich.

Solang ich hier wohn’

Schweigt das Telefon.

Het heeft nog een lang vervolg: de zielepiet koopt tenslotte een antwoordapparaat, en inderdaad, op zekere dag staat er een warme vrouwenstem op het bandje, die zich verontschuldigt omdat zij verkeerd heeft gedraaid.
Ook bij mij gaat nooit de telefoon, of het zou iemand uit Nederland moeten zijn. Soms bel ik zelf iemand op, en verder leef ik vrijwel geheel alleen. Blijkbaar hindert dat niet. De voldoening die mijn nieuwe baan geeft schijnt voorlopig genoeg te zijn, en later zien we wel weer.
Zou met deze alweer twee maanden durende periode van gelukkigheid ook samenhangen dat ik niet uitga? niet naar de film of theater, niet naar concerten of tentoonstellingen? Terwijl er hier toch heel wat te verkennen zou zijn. Ik werk en maak wandelingen door de verschillende wijken van de stad; daarmee ben ik tevreden. Al wat ik vroeger heb nagelopen diende geloof ik vooral om troost te zoeken, om het gat te vullen. En dat gold ook voor het najagen van, ach dokter, u weet wel. Nu hoef ik eigenlijk de deur niet meer uit. Niets is zo troostend als het zalig niets. Maar alleen blijven is op den duur niet praktisch; als je eens een been breekt? Je zou toch een soort kloosterorganisatie achter je moeten hebben staan.
De neiging om alleen te zijn had ik al enige tijd; die was ook M. al opgevallen. Toen ze me verliet zei ze onder andere: jij hebt mij niet nodig! Nee, inderdaad, maar was het niet afschuwelijk geweest, een verhouding te hebben op basis van afhankelijkheid? Daar komt toch niets dan ellende van? Maar uitgerekend daar kon ze niet tegen. Kon ze niet geloven dat ik ook, nee juíst zonder haar nodig te hebben bij haar wilde blijven?

Zaterdag 25 mei 1996. De aanschaf van een paar T-shirts is op een mislukking uitgelopen. Gedachtenloos kocht ik als altijd maat XL. Maar in Duitsland is Extra Large blijkbaar larger.
Hoe moet het verder met kleren? De eerste indruk was dat kleren hier goedkoper zijn dan in Nederland. Bij nadere beschouwing geldt dat alleen voor kleren die je niet wilt hebben. Begeerlijke kledingstukken zijn hier juist duurder, en zoveel begeerlijks is er niet. De kwaliteit is uitstekend, maar er heerst hier blijkbaar een net iets andere smaak, al is het voor een ongeschoolde klerenkoper moeilijk uit te maken waar het verschil in zit. Ik zal wel eindigen als lompenproletariër, maar dat zal niemand opvallen, want de halve universiteit is gehuld in aardappelzakken. De reformatie heeft ook hier duchtig huisgehouden.
Bij Harrods’, op het vliegveld, zou ik wel kunnen slagen. Misschien is de stijl die ik gewend ben eerder Brits. Nooit zo bij stil gestaan.
Met horloges is het nog wonderlijker gesteld. Mijn horloge is aan vervanging toe. Frankfurt is een eruptie van juweliers en horlogewinkels; te zeggen dat er hier geen aanbod is zou bespottelijk zijn. Er is er alleen geen bij dat ik zou willen hebben.

Zondag 26 mei 1996. Ach, wat een prachtige spoorlijntjes zijn er hier! Terwijl de grote spoorlijnen voortreffelijk georganiseerd zijn, snel en comfortabel, wordt er op de zijlijntjes heel langzaam en met oude en vuile treinstellen gereden. Blijkbaar is het net vijftig jaar verwaarloosd: in de Rodgau kun je nog een seinwachter uit zijn huisje zien komen die met handkracht een wissel omzet. Maar de trajecten zijn zo aardig; bovendien heb ik een zwak voor oude treintjes. De spoorwegen werken overigens zeer voortvarend aan modernisering van het materieel en de stations. Zelfs zullen er al gesloten lijnen weer in gebruik genomen worden. Er hangen steevast te veel wagons aan de locomotief, ruimte genoeg dus, en de fiets mag altijd mee. Ik heb dan ook al twee fietstochten gemaakt, zij het alleen op vlak terrein. Het wijde land en de mooie stadjes doen me veel plezier, al zijn er ook hele enge, poepgereformeerde dorpen, net als in Nederland. Maar dat ruik je direct.
Er is een groot verschil tussen stad en land. De onbeschoftheid en ongeïnteresseerdheid van Frankfurt is ineens over als je in een dorp bent. Met een natuurlijke gulheid laten de mensen je daar een ogenblik delen in hun dagelijks leven. Je zou er natuurlijk niet moeten gaan wonen. Niet omat er geen bioscopen of winkels zijn, maar omdat je er als vreemdeling niet in zou komen. Het hele dorp zou zich misschien tegen je verenigen, zoals bijvoorbeeld de Syrische christenen is overkomen die in Bebra een kerk wilden bouwen. Deze mensen zijn blank en ook nog eens geen moslims; wat wil een xenofoob nog meer? Die kerk zou zogenaamd te veel parkeeroverlast geven. Schau mal wer da spricht: heel Duitsland gaat toch langzamerhand schuil onder geparkeerde auto’s?
(Schau mal …: dit soort Duits zal de televisie wel bedacht hebben. Het klinkt als de standaard-nasynchronisatie van Look who is talking.)

Dinsdag 4 juni 1996. Om beter Duits te leren heb ik nog weinig ondernomen, omdat het domweg te druk is. De eerste colleges had ik in het Duits voorbereid, maar dat was te tijdrovend. Mijn Duits was altijd vrij behoorlijk, maar helaas, uitgerekend tijdens het lesgeven lijkt de hele taalschat uit mijn geheugen gewist.
Het vanzelf aanvullen van de woordenschat lijkt helemaal niet te lukken. Rare woorden, zoals Kaulquappen (kikkervisjes) en Schnalzschwund (het wegvallen van de klikgeluiden in bepaalde talen), die onthoud ik spontaan. En Müllentsorgung en Sparpaket natuurlijk, omdat deze zaken de Duitsers obsessief bezighouden. Maar alledaagse woorden pik ik niet op, en uitdrukkingen onthoud ik vaak verbasterd, ongeveer zoals Heer Bommel dat doet. Umlaut, naamvalsuitgangen en woordgeslacht, daar zit geen enkel schot in. Zou het al een kwestie van leeftijd zijn?
Op syntactisch gebied daarentegen leer ik wel bij, zo grondig zelfs, dat ik de neiging heb om nieuw aangeleerde constructies nu ook in het Nederlands te gebruiken. Het geeft voldoening, nieuwe taalregels te ontdekken, hoewel die natuurlijk allang ontdekt waren en keurig in het grammaticaboek staan, dat ik nooit opensla.
In het begin bespeurde ik een duidelijke weerzin tegen Duits spreken. Niet dat ik iets heb tegen die taal, maar ik was inwendig boos dat ik nu zo maar mijn moedertaal moest opgeven. Van de weeromstuit keek ik naar Franse films op televisie en vond ik het een bijzondere tractatie als ik ergens Engels hoorde. Die anti-houding is nu over, maar die heeft in het begin het leren natuurlijk niet bevorderd.

Maandag 10 juni 1996. De studenten zijn braaf, maar niet enthousiast. Ze doen alleen wat is voorgeschreven in de Studienordnung. Dat is een nogal onflexibel en weinig inspirerend reglement. Theoretisch mogen wij dat ding zelf maken, maar we zijn aan handen en voeten gebonden door wetten en regels van buitenaf. Het reglement dwingt de studenten, bepaalde dingen te doen op een bepaald moment, en als ze dat niet doen wordt het een jaar later. De studietijd wordt in tweeën gedeeld door de Zwischenprüfung, een soort kandidaatsexamen. Colleges die bestemd zijn voor beginners kunnen niet door gevorderden worden gevolgd en omgekeerd. Dat is lastig: ook een gevorderde kan een beginner zijn, bij voorbeeld op het gebied van de oude Arabische poëzie. Een late roeping wordt zo de pas afgesneden. En wat doe je met zeer begaafde, beginnende studenten die alvast iets willen doen wat voor gevorderden bestemd is? Die moet je dus afremmen, wat treurig is. Het ergste is nog, dat er zo weinig van de studenten wordt verlangd, nog minder dan in de zogenaamde eerste fase in Nederland. Dat reglement geeft studenten dus het idee: als we dit braaf afronden zijn we klaar. Maar dat is misleidend: het is maar een beginnetje. Als ze het daarbij laten komt er in dit vak nooit wat van ze terecht. Het bizarre is, dat je in dit land nog altijd ‘oriëntalist’ kunt worden zonder ook maar één Arabisch boek helemaal uitgelezen te hebben.
Als studenten hun studie als een van buiten opgelegde plicht opvatten is het alleen maar gezond dat ze zich tot een minimum beperken. Het zou mooi zijn als zij zelf meer wilden, maar juist dat lijkt problematisch. Over tijd en geld kunnen ze voldoende beschikken, en er is ook geen arbeidsmarkt die aan ze trekt. Het wachten is dus op een paar studenten die uit zich zelf meer dan het vereiste gaan doen. Een boek lezen bij voorbeeld, of misschien zelfs twee? Er zijn nog niet veel ouderejaars; we moeten afwachten hoe ze zich ontwikkelen.
In de straat bij de universiteit heeft iemand op de muur gekalkt: Nie müssen müssen! In een andere hand is er achter gekliederd: Aber wollen muß. Maar dan is de lol er alwéér af! Wat een getob. Aan dat willen schijnt vanouds zwaar getild te worden (Schopenhauer, Nietzsche, Riefenstahl). Wat elders vanzelf gaat, moet hier blijkbaar moeilijk zijn.
Kunnen mijn studenten niet willen omdat ze van kleins af aan, zowel thuis als op school, steeds hebben gemoeten? Er zijn er wel die opstandig zijn geworden tegen hun opvoeding, maar dat heeft alleen maar tot een niet-willen geleid. In Nederland wilden studenten toch meestal wel iets? Niet altijd iets verhevens, maar bij voorbeeld ‘de beste zijn’ of ‘beroemd’ of ‘rijk worden’. Dat kan iemand desnoods een poosje aan de gang houden. Maar de meesten hadden gewoon plezier in het vak dat ze gekozen hebben, en dat heb ik hier tot nu toe alleen bij buitenlanders gezien.

Hoe krijg ik die studenten aan de gang? Moet ik ze gaan dwingen om Arabisch te leren? Wer nicht wollen kann, soll müssen; er lijkt niet veel anders op te zitten. Maar mijn trucs uit Nederland zullen hier niet werken. Als machtsmiddel heb ik maar twee verplichte tentamens achter de hand. Voor fluweelzachte terreur zijn ze niet vatbaar, want ze weten allemaal de weg naar een vakbond, consumentenbond of ombudsvrouw te vinden, en kennen vanaf de wieg haarfijn hun rechten. Een beetje bluffen en de studenten een extra taak aansmeren zal hier niet lukken. Ze tegen elkaar uitspelen lukt ook niet, omdat ze allemaal kleine eilandjes zijn, voor wie hun studiegenoten niet eens bestaan. Bovendien geloof ik zelf niet in dat soort spelletjes. Lust, dat is de mooiste drijfveer, en ik zal dus lust moeten opwekken, enthousiasme moeten uitstralen. Ach, maar dat deed ik toch altijd al? Het probleem hier is, dat dat moeilijk gaat bij mensen die zich zo onpersoonlijk opstellen en al hun eventuele lusten verbergen.
Lust, daar gaat het om. Willen helpt niet. Zelf heb ik vroeger veel gewild, en het heeft nooit iets opgeleverd. Pas sinds ik niets meer wil breng ik wel eens iets tot stand. Tegenwoordig is er iets anders dat wil in mij; vraag me niet wat.
Al die narigheid geldt overigens alleen voor Duitse studenten. Buitenlandse studenten komen met een heel andere instelling. De Perzen en Turken zijn bijzonder energiek. En neem nu de Poolse studente L. Ze zegt nooit een stom woord, maar doet geheel vanzelfsprekend meer dan wat het programma voorschrijft. Misschien zit ze ’s nachts in haar kamertje over de teksten gebogen, nog moe van haar baantje als serveerster, maar zij geeft geen kik. Die Oosteuropeanen zijn niet zo verwend.
Hoe eenvoudig was het toch indertijd in Amsterdam. ‘Krahl-Reuschel deel II doen we maar niet, jongens, dat is te moeilijk voor jullie.’ Die opmerking was genoeg om ze allemaal vrijwillig aan de slag te krijgen met dat pittige taalkundeboek. En kon ik daar niet een extra werkgroep over geven? Ja natuurlijk, voor zoiets was altijd wel een gaatje te vinden.

Woensdag 12 juni 1996. Een salade gegeten in café Metropol, bij de Dom. Toegegeven, de salade was van een ongestandaardiseerde, diep-menselijke kwaliteit, maar wat een ambiance! Dit is wat je moet noemen een links café. Bestaat zoiets in Nederland ook? Misschien wel, maar je zou daar niet binnengaan, omdat het eten en drinken er slecht zouden zijn. Hier zat het linkse karakter eerder in het onbehouwen gedrag van de kelner, dat waarschijnlijk voor vlot of rielekst-weet-je-wel moest doorgaan. Hij zei Du tegen me; dat is blijkbaar de stijl van deze zaak. Van mij mag hij, maar dan moet hij me wel aankijken tijdens het neersmijten van het bord, en de dressing niet over de tafel laten spatten. Het publiek deed de rest. Wat heb ik op deze mensen tegen? Niets eigenlijk, toch voelde ik me daar niet lekker. Stuk voor stuk mensen met het hart op de goede plaats: protestant of ex-protestant, vriendelijk, begaan met onderdrukte minderheden, zeehonden, verkrachte kindertjes en het milieu. Draagvaders, rugzakjes, fietsen. Ze stemmen Groen of SPD; ook dat mag allemaal. Alleen deze concentratie van goedheid en braafheid maakt me kregel; zou er niet eens één zondaar tussen kunnen zitten? Eén krijtstreepje met een sigaar?
Moet ik dan soms naar een rechtse gelegenheid? Nee, daar voel ik me even onthuis. Daar zit weer niet één fietser; alleen maar hangbuiken en Audi’s en geföhnd haar en dasspelden en iets te rooie, of juist solarium-oranje koppen.
In Nederland, ik heb er al twintig jaar niet over hoeven nadenken, ontbreekt die keuze tussen links en rechts. Hier wordt je die voortdurend opgedrongen.

Vrijdag 14 juni 1996. De Westend-bistrot. Het is opvallend hoeveel mensen in de poenstad Frankfurt bereid zijn te betalen voor totaal verkeerde Italiaanse pruts- en schuimwijnen, terwijl er zulke uitstekende in de winkels liggen. En dan die stomme reuzegarnalen; die moeten de jet set zeker slank houden, anders passen ze straks niet meer in hun Porsches. Maar als zulke diertjes zwemmen in roomsaus schieten ze toch hun doel voorbij.

Duitsland schreeuwt moord en brand over de zogenaamde economische crisis: 10% werklozen en nauwelijks economische groei. Net als in de rest van Europa dus, maar hier wordt harder gejammerd. Toch is het land nog vergeven van het geld. Het gaat wel merkbaar slechter, de mensen tobben en lijden en zijn ziek of misselijk, dat is duidelijk te voelen, maar dat is eerder een cultureel dan een financieel probleem. Het gevoel vastgelopen te zijn, niet te kunnen moderniseren. De 90% die wel werk hebben kijken ook sip. Het lijkt wel of niemand met plezier naar zijn werk gaat. Misschien komt dat door de onflexibele arbeidsverhoudingen; er wordt veel nodeloos geleden in die bedrijven, wat nog inefficiënt is ook. De crisis in het onderwijs is te vergelijken met die in de rest van de protestantse wereld. Vooral niet investeren in de enige hulpbron die in miljoenvoud voorhanden is: mensen.
Het ergste is misschien dat er nog zoveel geld is, zodat er niet echt over de toekomst nagedacht hoeft te worden. Al dat geld wordt bij voorkeur gebruikt om modernisering te vermijden en openluchtmusea zoals kolenmijnen open te houden. De pech van Duitsland is, dat de socialisten hier de conservatieven zijn; daarvan is geen enkele verandering te verwachten. Een handige vakbondsjongen met een linker- én een rechter hartkamer, die ontbreekt hier. Tijdens een echte crisis zouden de Duitsers hun energie zonder twijfel uitstekend kunnen mobiliseren, maar zover is het nog niet.

Dinsdag 18 juni 1996. Waar en wanneer ik het woord Judenvilla heb gehoord weet ik niet meer. Het was in ieder geval heel terloops, en het sloeg op één van de royale villa’s uit het begin van de eeuw die hier in sommige wijken nog te bewonderen zijn. De benaming moet oud zijn, want in de laatste zestig jaar woonden daar, zoals bekend, geen joden meer. Het woord klinkt akelig, maar blijkt kleverig te zijn; ik raak het niet meer kwijt. Telkens als ik door de Siesmayerstraße loop en een pand van het bedoelde type zie denk ik onontkoombaar: kijk, een Judenvilla. Als dat bij mij al zo is, hoe moet het dan een anti-semiet vergaan?

De achterflap van de Duitse vertaling van André Aciman’s Out of Egypt beschrijft diens Alexandrië als ‘een verloren gegane multiculturele wereld […] die wemelt van mensen uit de meest uiteenlopende ethnische groeperingen, geloven en levensstijlen.’ Dat is niet onjuist, maar verzwegen wordt dat deze familieroman in de eerste plaats en overduidelijk een joods boek is.
Is de uitgever een antisemiet? Zeer onwaarschijnlijk. Denkt hij dat hij het boek met joden op de flap niet kan verkopen? Integendeel, alles wat als joods geafficheerd wordt verkoopt gegarandeerd, want joods wordt hier op het walgelijke af interessant gevonden. En dát is vermoedelijk juist de hoogst fatsoenlijke reden geweest om de ware aard van het boek niet te vermelden: weldenkende mensen hier vinden, dat joden niet interessant, maar doodnormaal moeten worden gevonden. En zo is het natuurlijk, maar nu is het blijkbaar ook onmogelijk geworden om op het gewoon interessante, joodse karakter van een boek te attenderen.

Beiroet, Cavalier Hotel, woensdag 26 juni 1996. Een dienstreis naar Libanon; ik had er geen zin in, maar ben toch gegaan. Vroeger zou ik meteen enthousiast geweest zijn over zo’n uitstapje; nu niet. Reden daarvoor is waarschijnlijk, dat mijn zogenaamde emigratie nog te vers is. Ik ben als het ware de hele tijd al op reis en klamp me nu het liefst vast aan Frankfurt, dat blijkbaar mijn thuis moet worden. Nu ik hier eenmaal ben geniet ik er wel van, al word ik momenteel gepijnigd door een kapot been. Maar de verplaatsingen tussen de ruïnevelden gaan toch per taxi.
Het gaat om een congres ter opening, of liever heropening van het Duitse Oriënt-Instituut alhier. Tijdens de burgeroorlog was dit prachtinstituut met zijn fraaie bibliotheek vrijwel ongeschonden gebleven, maar wel sterk verwaarloosd. Nu de restauratie is voltooid wordt het tijd dat het zijn oude plaats in het culturele en wetenschappelijke leven weer inneemt. Iedereen voelt het belang ervan: vele Duitsers zijn gekomen, maar ook andere Europeanen, Amerikanen, Libanezen en Jordaniërs. Een schitterende gebeurtenis, en een goede gelegenheid om mij in mijn nieuwe rol aan de Duitse collega’s te laten zien.
Beiroet is maar een schaduw van zichzelf. In 1980, toen de oorlog al vijf jaar aan de gang was, was de stad nog zeer vitaal, en met enorm veel energie werden er dadelijk, vlak naast de nog rokende puinhopen, grote gebouwen opgetrokken en nieuwe centra uit de grond gestampt. Nu heeft de vermoeidheid toch toegeslagen: de stad maakt een uitgebluste en afgebladderde indruk. Het geld is niets meer waard en armoedigheid is troef. Er zijn wel weer marmeren winkelcentra en dure restaurants, maar de klanten ontbreken nog. De hoofdstraat wordt wat opgefleurd door het Hamra Festival, dat veel weg heeft van een braderie in een Nederlandse provinciestad. De grootste attractie was het optreden, gisterenavond, van een plaatselijke grungy muziekgroep, waarbij zelfs enkele pubers, aarzelend als beginnende zwemmers, aanstalten maakten om het publiek in te diven. Het is mijn stijl niet, maar het helpt vast tegen fundamentalisme.
Het christelijke deel van Libanon (Oost-Beiroet, Jounieh, Jbeil) is minder dominant geworden, maar poenig en zelfzuchtig als altijd. De christenen vormen nu al lang niet meer de helft van de bevolking, zoals vroeger, want velen zijn geëmigreerd, en de sjiieten planten zich snel voort. Van een staatsinrichting of sociale voorzieningen is nog altijd geen spoor. Elk van de tien secten, of waren het er twaalf? zorgt alleen voor zich zelf, zodat het binnenkort wel weer oorlog zal worden. Waarom zouden mensen van een ramp ook iets leren?

Beiroet, maandag 1 juli 1996. In het Duitse instituut 

leer ik snel veel Duitse collega’s kennen, en daarbij vallen twee dingen op. Ten eerste, dat de verschillen tussen Duitsers veel groter zijn dan die tussen Nederlanders. Dat is niet alleen omdat een groter land natuurlijk meer regionale variatie vertoont, maar ook omdat individuele kenmerken blijkbaar minder onderdrukt en gehomogeniseerd worden dan in Nederland. Wonderlijke vogels en jofele types uit Oost-Duitsland; de kak van een soort adellijke jongeman, die op het tuinfeest, bij 30 graden, als enige in smoking verscheen en dat niet als grap bedoelde; de wanstaltig dikke, luidruchtig onder haar gewicht lijdende bibliotheekhulp; de elegante, ja zelfs mondaine directrice van het instituut: het zijn allemaal types die iets extreems over zich hebben, dat in Nederland onverbiddelijk zou zijn afgeplat. Het andere wat opvalt is, dat al die Duitsers het hier met elkaar zo uitstekend naar hun zin hebben. En ik mag geheel vanzelfsprekend meedoen. Dit staat in scherp contrast met de sfeer in Frankfurt, waar koelheid en afstandelijkheid overheersen. Moeten ze eerst naar het buitenland om gezellig met elkaar om te durven gaan?

Was gepubliceerd in TIRADE
Verder naar Notities van een emigrant 5              Terug naar Notities van een emigrant 2

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Duitsland, Persoonlijk, Vroeger

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s