Notities van een emigrant 2 (1996)

Donderdag 21 maart 1996. Vanmorgen om half acht werd ik gewekt door een doordringend geloei van onduidelijke aard. Het bleek de deurbel van mijn aanstaande woning te zijn; ik kwam omhoog van het veldbed, opende de deur en stond oog in oog met de wijkschoorsteenveger, die de schoorsteengassen wilde opmeten. Het was nog te vroeg voor wantrouwen, bovendien zag hij er volstrekt eerlijk uit en viel er in deze lege woning toch niets te halen. Een schoorsteenveger bij aardgasverwarming? Nooit van gehoord, maar het betrof hier een voorschrift, en daarmee valt natuurlijk niet te spotten.
Door het raam was een fors gebouwde agente te zien, die parkeerbonnen uitschreef. De bakkerij op de hoek was ook al open. Ze verkochten niet alleen vers brood, maar serveerden zelfs een compleet ontbijt.
De bureaucratie viel erg mee. Natuurlijk stond er bij de burgerlijke stand een rij met Oekraïeners en Roemenen, maar het geheel was zo schilderachtig dat het voor een excursie kon doorgaan. Vóór de middag was ik al ingeschreven, en had ik bovendien op het consulaat een identiteitskaart afgehaald, die als woonplaats vermeldde: Frankfort aan de Main. Een productieve ochtend.
Niets past hier: de telefoon, de fax en het modem kreeg ik niet aangesloten. Andere stekkers hebben ze, dat wist ik, maar ook de kabels blijken anders. Het gasfornuis paste evenmin. Met een tussenstuk kon het wel worden aangesloten, maar het mocht niet. Bij de aanblik van mijn mooie Hollandse fornuis stortte de firma Gasherd Fritzel zich naar buiten alsof in de keuken de pest was uitgebroken. Het toestel zou niet veilig zijn; in ieder geval was het in Duitsland niet zugelassen. Moet het dan soms terug naar Nederland? Alsof daar voortdurend woningen ontploffen.
De muren zijn veertig centimeter dik, maar een spijker of schroef blijft er niet in zitten. De hele zaak komt in gruisvorm naar beneden. De meeste stekkers moeten vervangen worden omdat ze niet in de geaarde stopcontacten passen. Fornuis niet veilig? Als er iets niet veilig is, dan zijn het wel die zielige electrische draadjes uit de jaren vijftig die uit het plafond komen, en waarvan er enkele verkeerd of helemaal niet zijn aangesloten. In Nederland zou je daarvoor je plafond moeten slopen. Als in dit soort kleinigheden het verenigde Europa al zo ver te zoeken is, hoe moet het dan verder? En wanneer moet ik die dozen uitpakken als ik steeds naar telefoonwinkels moet?
De vriendelijke technicus bij Telekom begreep het probleem. Er bestonden speciale kabels voor buitenlandse telefoons. Telekom kon die natuurlijk niet leveren; dat deed immers in Duitse telefoons, te herkennen aan de erop gestempelde adelaar; maar verderop in de straat zat een winkeltje dat Koreaans materiaal verkocht. Dat was geluk hebben: voor hetzelfde geld had die jongen het niet geweten, of had hij niet de weg durven wijzen naar het Kwaad. Na een uurtje prutsen deed de telefoon het; van de rest moet ik maar even afzien.
Een wonderlijk bericht is, dat mijn werkgever mij een nieuw gasfornuis vergoedt omdat het oude niet past. Langzamerhand wordt duidelijk waaraan Duitsland failliet gaat.

Vrijdag 22 maart 1996. Eerste indrukken van Frankfort.
– Wat is er veel ruimte, en wat zijn de huizen groot en stevig. En wat een reusachtig en prachtig station. Ook de metro is royaal opgezet en rijdt lekker hard.
– Het eten en drinken zijn uitstekend.
– In wat voor oude film ben ik beland? Het is ongeveer 1980, en het decor bladdert hier en daar af. Verouderde ‘moderne’ gebouwen, heren met hoeden, oude lettertypen, trams met bollige achterkanten en wagonbrede reclames voor Tipp-ex correctievloeistof. Ze gebruiken hier blijkbaar schrijfmachines. En er staan zelfs sigarettenautomaten op straat. Aan boefjes ontbreekt het hier niet, maar die zijn zeker nog niet toe aan het kraken van automaten.
– Wat kijken de mensen somber! Is de pleuris soms uitgebroken, of is de chocolade duurder geworden?
– De volksgezondheid laat nogal te wensen over. Veel mensen zien er slecht uit.
– Er zijn hier veel buitenlanders. Slavische talen hoor je hier nog vaker dan Turks. Dan komen Engels, Japans, Grieks, Albanees en Perzisch. En onbekende talen, die dus wel Hongaars of Georgisch zullen zijn. Voor mij is dat wel gezellig, maar de Duitsers houden er niet van en daar maken ze geen geheim van. Uitgerekend de grootste vreemdelingenhaters krijgen de meeste buitenlanders op hun dak. Is het de straf?
– Veel roestbruin, jagersgroen, veldgrijs en andere gedempte tinten. De schreeuwende primaire kleuren van Nederland, die geforceerd uitdrukking geven aan vrolijkheid en een positieve levensinstelling, ontbreken hier. Dat doet me plezier, maar het is toch weer wennen.
– Hoewel hier veel ruimte is, houden de mensen minder afstand tot elkaar dan in Nederland. Ik werd daar eerst behoorlijk nijdig om: waarom gaat iemand op een vrijwel leeg, breed perron op vijftig centimeter van je vandaan staan? Na een paar van zulke ervaringen begrijp je dat het niet agressief bedoeld kan zijn. Schopenhauer, die ook in Frankfort woonde, beklaagde zich eveneens over dat gebrek aan afstand, al sprak hij over een bevolking waar niets van over is.

Gekwetst was ik toen de waardin in het eethuis mij ten afscheid een welgemeend good-bye toewenste. Had ik dan voor een Duitser aangezien willen worden? Nee, helemaal niet, en het zou ook niet haalbaar zijn. Waarom dan deze kleine gekwetstheid? Je wilt blijkbaar toch ergens bij horen. Of moet ze een grotere fooi hebben?

Maandag 1 april. Het gaat niet, ik ben niet geschikt voor Frankfort. Het eerste ritje per fiets naar mijn werk is een ramp geworden. Om te beginnen kreeg ik een royale bekeuring, wegens door rood licht rijden. Dat mag hier niet. Verder gaven diverse verkeersdeelnemers ongevraagd commentaar op mijn rijstijl. Als ik hun overlast had bezorgd was dat te begrijpen geweest, maar dat was niet zo. Het waren stuk voor stuk mensen die graag een preekje kwijt wilden, het liefst door een autoraampje. 
Als je je aan de regels moet houden kun je net zo goed gaan lopen, want deze stad heeft helemaal geen voorzieningen voor fietsers. Toch rijden er een paar rond; het moet dus zin hebben.
In Amsterdam stopte ik onlangs op een stille avond voor een rood licht, alleen omdat ik een politieauto zag aankomen. Er stapte een agent uit, die vroeg of ik soms hulp nodig had. Een heel andere stijl.

Woensdag 3 april. Mijn nieuwe collega’s boden mij een diner aan. Dat was aardig van ze; toch wilde het ijs nog niet dadelijk breken. Dat ligt zeker aan mij; ik ben niet makkelijk in die dingen. Bovendien moet je hier Sie zeggen tegen de mensen, en dat praat niet lekker voor een Nederlander. Ze hadden mij een mooi plaatsje aan het raam gegeven, vlak aan de voet van een glazen bankgebouw, dat enige honderden meters de lucht in ging. Zo’n hoog gevaarte had ik nog nooit gezien; Spaans benauwd kreeg ik het ervan.

Zaterdag 6 april. Met mijn nieuwe collega een uitstapje gemaakt naar de top van de Feldberg, het hoogste punt hier in de buurt, bijna negenhonderd meter. Ik schrok er nogal van: we reden door een bergachtig gebied met enkel naaldbomen, waartussen nog sneeuw lag, en vanaf de top was er ook niet veel anders te zien dan bos. Een vervreemdende ervaring; wat is dit voor een land? woon ik hier? Waarom zou iemand ooit tussen al die naaldbomen door willen lopen, en dan nog over geaccidenteerd terrein? Ik wil een cultuurland, zoals bij Oldenzaal, of eventueel de gestrengheid van Overflakkee, of het coulissenlandschap bij Drimmelen.
Dit deel van de omgeving moet ik dus vergeten, het wordt zoeken naar een landschap dat mij kan bekoren en aan zich kan binden. Het zal niet meevallen, want ik ben geen berg- en heuveltype, dat had ik in Griekenland al gemerkt. Te lang in Nederland gewoond.

Donderdag 18 april. Voor het eerst les gegeven aan Duitse studenten. Vroeger dacht ik altijd dat zij beter zouden zijn dan Nederlandse. Misschien zijn ze dat ook wel, wat betreft vooropleiding en plichtsbetrachting. Maar ze lijken zo platgeslagen, zo intiatiefloos. Zouden ze ooit iets anders doen dan wat hun wordt opgedragen? Die ga ik eens lekker in verwarring brengen. Jammer dat je geen du tegen ze mag zeggen, maar zelfs volgens mijn meest hippe groen-linkse collega kan dat echt niet. 
Mijn Duits wordt dramatisch slechter tijdens het lesgeven. Niet over tobben.

Vrijdag 19 april. Als nieuwe inwoner van Frankfort ben ik nu al boos omdat de geallieerden deze vroeger zo mooie stad nog vlak voor het einde van de oorlog in puin hebben gebombardeerd. Een Baedeker bombing, vermoed ik, want in de binnenstad was geen industrie. Zo’n boos gevoel heb ik in Rotterdam nooit gehad. Maar daar hoefde ik nooit te wonen.
Met de inwoners van de stad is ook korte metten gemaakt. Om te beginnen de joden weg, en dat waren er veel. Verder zoals overal: talrijke gesneuvelden, slachtoffers van het bombardement, en na de oorlog de intocht van nieuwe inwoners uit de gebieden in het oosten. Algehele ontwrichting van het sociale weefsel. Daar kwam nog bij de kennelijke afwezigheid van architecten bij de herbouw in de jaren vijftig. Waren die allemaal omgekomen in de oorlog?
Wat de geallieerden niet hadden verwoest hebben de Frankforters later zelf kapot gemaakt. Weliswaar hebben ze een stel wolkenkrabbers opgetrokken die het aanzien waard zijn, maar die dingen staan helaas net op de enkele fraaie wijken die er na de verwoesting nog over waren.
Hoewel Frankfort geen schoonheid is, weet ik dat ik nergens in Duitsland zo goed zal kunnen wonen als hier, of het zou in Berlijn moeten zijn. Eén derde van de inwoners is buitenlander. Er zal dus altijd iemand zijn om mee te praten, en de sfeer is internationaal. In een mooi stadje als Marburg zou ik me opgesloten voelen. Dat is een soort Leiden, maar dan zonder troostend Amsterdam in de buurt.
Wat is er toch met Duitsland gebeurd? Toen ik dit land leerde kennen, dertig jaar geleden, was ik vol bewondering: zo rijk, zo schoon en modern, zo solide. Daar is nu voornamelijk de stevigheid nog van over.
Was het niet Heinrich Heine, die beweerde dat in Nederland alles vijftig jaar later gebeurde? Dat kan in zijn tijd best waar geweest zijn, en in mijn jeugd liep Nederland ook nog achter, zij het geen vijftig jaar meer. Maar nu is het Duitsland dat stagneert, en het lijdt daar zichtbaar onder, al weet het blijkbaar niet wat het mankeert.
De ups en downs van landen lopen niet synchroon; toevallig bevindt Duitsland zich nu in de achterhoede. Dat zou niet erg zijn als het niet het leiderschap in Europa op zich moest nemen. De Duitsers hebben daar geen zin in, maar ze moeten: ze wonen het meest centraal en hebben het grootste land. Van dat leiderschap zal niet veel terecht komen als het hier zo’n lamme boel is. Arm Europa.

Donderdag 25 april. Zoals overal zijn de meeste naoorlogse gebouwen niet om aan te zien. In de jaren vijftig en zestig was er blijkbaar helemaal geen architectuur; in de jaren zeventig werd alles nadrukkelijk lelijk. Helaas is toen ook de universiteit gebouwd. Nieuwere gebouwen zijn soms goed, zoals het museum voor kunstnijverheid. De Zeilgalerie, een winkelcentrum aan de hoofdstraat, ziet er boeiend uit, al is er niets te koop. Het museum voor moderne kunst, de Schirn Kunsthalle, een rijtje gevels daarachter, en dan heb je de nieuwe architectuur in het centrum wel gehad. De hoge wolkenkrabbers in west verlenen het geheel wel allure. Er zijn er ongeveer vijftien; het zouden er ongeveer veertig, vijftig moeten worden, zodat het geheel wat volume krijgt en niet zo sprieterig werkt.
Gelukkig kun je snel weg uit de stad, met trein en metro. De metrostations zijn niet ‘mooi’, maar ruim bemeten, en ze hebben iets in hun proporties waardoor die rotsfeer van de Amsterdamse stations er niet opkomt. Terwijl er toch meer dan genoeg junks en trieste gevallen zijn.

Zaterdag 27 april. Op zaterdagochtend ga ik meestal naar het centraal station om een Nederlandse krant te kopen. Nu ben ik daar al een paar keer lang blijven rondhangen. Het is inderdaad een prachtig station, en het is altijd leuk naar treinen te kijken die naar Parijs, Praag of Boedapest gaan. Maar dit heeft niets met treinen te maken: het is gastarbeidersgedrag!

Dinsdag 30 april. Koninginnedag, een grote receptie van het consulaat. Ja hoor, haring, blokjes kaas met een stukje gember erop, aangeboden door al tamelijk middelbare Frau Antjes, en Heineken. Maar ook: geen pijnlijke zuinigheid, een goede speech van de consul, oranje gekleurde sekt en, zeer tot mijn genoegen, een band uit Suriname die onder andere een swingende versie van het Wilhelmus ten gehore bracht. Een verrassing was dat daar hetzelfde type zakenman rondstapte als op soortgelijke recepties in Cairo. Expats die over de hele wereld hun firma dienen en zelden meer in Nederland komen. Manila, Cairo of Frankfort maken voor hen niet uit; als je maar ergens voordelig boodschappen kunt doen en daarover kunt praten met je soortgenoten. Onze zakenlieden zijn er blijkbaar in twee uitvoeringen: de zuiver Hollandse (het poldermodel dus), en de internationale. Een Europese tussenvorm bestaat niet. Nee, ik word maar geen lid van de Nederlandse vereniging.

Woensdag 1 mei 1996. Minstens twee ‘identiteiten’ heb ik achter mij gelaten, en nu sta ik op het punt een derde te verliezen.
Ik voelde mij als schooljongen Amsterdammer en deed dapper mee met de andere jongetjes, die Amsterdam mijlenver boven Rotterdam verheven achtten. Nu lijkt dat kinderachtige onzin, die hoogstens nog wat voorleeft op het niveau van voetbalclubs. De verschillen tussen Amsterdam en Rotterdam, tussen Utrecht en Gelre, zijn niet helemaal vervaagd, maar wel volkomen onbelangrijk geworden. Toen ik in Leiden kwam wonen zeiden de mensen dat ik Amsterdams praatte. Zonder dat ik mij daar ooit voor schaamde of enige moeite deed om het af te leren, verdween dat vanzelf. Nu ben ik geen Amsterdammer meer. 
Een Gereformeerd jongetje ben ik ook niet meer. Anders dan bij Maarten ’t Hart, die er blijkbaar nog mee bezig is, is die godsdienst geleidelijk van me afgegleden, zonder gevoelens van wrok na te laten, en zo totaal dat ik nauwelijks meer weet waar het allemaal over ging.
In Duitsland zal mijn Hollandsheid gedeeltelijk verdwijnen. Als het wonen hier bevalt zal ik over tien jaar een soort halve Duitser zijn. Niet dat ik daarnaar streef of ernaar verlang; dat zal ook weer vanzelf gaan, en het lijkt me helemaal niet belangrijk of erg. Er wordt immers niets persoonlijks door aangetast? Alleen als het wonen in Duitsland een ramp wordt, dan word ik misschien Hollandser dan ooit.
Dat gedoe over identiteit, dat is toch meer iets voor Bosnische Serviërs.
Als de groenteman zijn waar wil aanprijzen roept hij: ‘Keine Hollandware!‘ Nederland staat hier bekend om zijn smakeloze tomaten, zijn hasj, heroine en ecstasy. Steeds moet ik aanhoren dat Amsterdam het centrum van het drugskwaad is. Waarbij ze me dan zacht verwijtend aankijken, alsof ik die stad persoonlijk heb gebouwd.
Daarbij wordt gemakshalve over het hoofd gezien dat er hier heel veel gezopen wordt. Bij de zogenaamde Trinkhallen, ook genoemd Wasserhäuschen, een soort kiosken, kun je goedkope uitvoeringen van alle sterke dranken kopen. In de avonduren staan allerlei vervallen types zich daar te bezatten; het lijkt wel Moskou. Als je hier een woning betrekt moet je dus altijd kijken of die niet te dicht bij een Wasserhäuschen is. Bovendien is de stationswijk een broedplaats van zielige junks; een treurnis van Amsterdamse proporties, maar schriller verlicht.
De Nederlandse kaas, die hier in grote hoeveelheden en blijkbaar ongecritiseerd over de toonbank gaat, is beroerd. Er zijn drie soorten ‘Gouda’ te krijgen, en die zijn geen van alle te eten. Misschien is er niet genoeg lekkere kaas in Nederland om heel Duitsland te voeden, of heeft één lui geworden im- of exporteur het hele zaakje in handen. Er zijn wel goede kazen uit andere Europese landen te krijgen. Een misser van Frau Antje.
Duitsers maken zelf weinig kaas. Het vette van de melk wordt hier vooral als slagroom aangeboden. Daar zijn zeeën van, en het zit overal in: in de soep, op de cappuccino, bij de haring, en in ieder pasta-gerecht.

Donderdag 2 mei 1996. Mijn artikel is af. Het encyclopedieartikel over de biografie van de Profeet, waar ik negen maanden over heb gedaan, in plaats van de ene maand die genoeg had moeten zijn. Deze vertraging heeft niets met Duitsland te maken, maar wel met de overgang naar een andere baan, de lange onzekerheid daarover, aanvankelijk, en tenslotte het vertrek. Het zal wel geen toeval zijn dat het pas in Frankfort klaar is gekomen, in een aantal lange avonden in de instituutsbibliotheek, die gelukkig dag en nacht toegankelijk is. Het mooie is, dat je daar dan niet alleen zit; er zijn nog drie vier anderen die ook tot laat zitten te werken, vrijwillig en met plezier. Het arbeidsklimaat is veel stimulerender dan ik gewend was.
Het gevoel van stagnatie, door mijn vorige baan en het eindeloze wachten op de nieuwe, was met dit artikel verkleefd geraakt. Het behoort nog tot mijn oude leven. Daarom is het geloof ik ook niet buitengewoon goed geworden, maar als dat verder niemand opvalt is het mij best. Het volgende wordt beter.
Gruwel: de radiozender Klassik. Dat is muzak die uit klassieke muziek bestaat. Op het eerste gehoor leek het aardig: steeds muziek en geen gepraat, zoals radio 4 in Nederland had willen zijn. Maar de muziek wordt afgewisseld door stuitende, luide reclame. Om elf uur ’s avonds begint het programma Kuschelklassik, ‘knuffelklassiek, een woord dat onmiddellijke paniek veroorzaakt. In een reclamespot voor grammofoonplaten was de nog ergere woordcombinatie preiswerte Klassik te horen. Is er soms een consumentenbond die de prijzen van de CD’s vergelijkt?

Zaterdag 4 mei. In de trein sprak iemand mij aan over een zekere Prinz Eugen, die iets met Turken had. Ik begreep niet wat de man bedoelde, omdat zelfs de meest elementaire schoolkennis van de Duitse geschiedenis mij ontbreekt. Dat is nog in te halen; bovendien moet er een boekje komen in de trant van Bluff your way in Goethe, want om Goethe kom je hier niet heen. Desnoods lees ik de man zelf. En Karl May: het zou goed kunnen zijn dat de Duitse visie op het buitenland door hem is gekleurd. Maar die boeken vond ik als jongen al zo langdradig.

Ik ben geen Duitser en kan het ook niet worden, want ik heb geen Duits bloed. Dat geeft niet, want ik ben dik tevreden als Europees onderdaan. Bij het vaststellen van mijn pensioenrechten telden echter mijn Nederlandse dienstjaren maar gedeeltelijk mee. Zou mijn overgrootvader in de vorige eeuw vanuit Duitsland naar de Wolga zijn geëmigreerd, en zou ik twintig jaar in een Sovjet-kolchoze hebben gewerkt, dan zouden die jaren wel hebben meegeteld. Dan was ik als Volksduitser beter af geweest.
Ach, als Europeaan heb ik niets te klagen. Maar hoe moet het met al die andere vreemdelingen in Duitsland, die veel minder rechten hebben? Daar komt op den duur gedonder van. Want de Duitsers worden oud en krijgen niet genoeg kinderen, en wie gaan er straks al die rolstoelen duwen en bejaarden wassen? Dat zullen de nakomelingen van de gastarbeiders en de asielzoekers moeten doen, en die hebben daar vast geen zin in zolang ze zich hier niet thuis mogen voelen. Maar integratie van de vreemdelingen lijkt nog volslagen ondenkbaar. Er zal dus menig rolstoel onverklaarbaar op hol slaan, heuvelafwaarts.

Was gepubliceerd in TIRADE
Verder naar Notities van een emigrant 3              Terug naar Notities van een emigrant 1

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Duitsland, Persoonlijk, Vroeger

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s