Nafplio

17 september 2004. Gisteren en eergisteren in Náfplio geweest; zonder M., die moest werken. Een sober, streng hotelletje uit de jaren zestig, a room with a view. Een klein stadje, 30.000 inwoners misschien, met een prachtige, intacte oude stadskern. Venetiaans geweest, in de 18e(?) eeuw toch Turks geworden. Daarna de eerste hoofdstad van het nieuwe Griekenland. Athene had in 1830 maar 25.000 inwoners en was te ‘Turks’, terwijl Nafplio door zijn ligging aan het water en het Venetiaanse verleden een Europees flair had. Griekse, Turkse en algemeen-mediterrane huizen; drie moskeeën, ontmand, maar door hun oriëntatie op Mekka nog duidelijk de lijnen van het stadsplan verstorend. Hier hebben Lord Byron gewoond, Capodistrias, Kolokotronis, koning Otto, en nu ook ik! Griekse kinderen moeten hier zeker op schoolreisje naar toe, maar dat is helemaal geen straf.
Hier kun je alle geneugten van het stadsleven genieten. Het valt me altijd weer op hoe kosmopolitisch en cultureel rijk het leven in kleine Griekse stadjes is. Aan de achterkant van de rotspunt is het stadje helemaal weg, daar kun je in alle rust en met prachtig vergezicht zwemmen. Je zou hier prima een paar weken op vakantie kunnen zijn. Een huurauto zou dan mooie tochten door het indrukwekkende landschap van de Peloponnesus mogelijk maken. En als je dan nog in Hotel Nauplia Palace kon logeren … , maar dat hoeft niet eens. Dat is zo’n typisch Grieks semi-staatshotel van grote klasse, luxe zonder posh te zijn. M. kende het natuurlijk, ze heeft nog een tijdje de keten staatshotels moeten saneren. Ik zal het nooit kunnen betalen, het zal wel 200 € per nacht kosten. Bovenop de landtong ligt het, met een heerlijk zwembad en uitgestrekte terrassen te midden van pijnbomen. Daar kwam ik terecht doordat ik, beneden, nieuwsgierig een tunnel in de berg was ingelopen, die ik voor een parkeergrot gehouden had, maar waarvan de luxe houten bekleding mij verwonderde. De tunnel bleek uit te monden bij drie liften, die rechtstreeks naar boven, naar de ingang van dat hotel voerden. Dat scheelde een hoop klimwerk en het uitzicht was groots.
Vanaf die hoogte zag ik de eigenlijke uitdaging nog duidelijker: het Venetiaanse fort. En ja, het moest gebeuren, knie of geen knie, ik wilde erop. Het 200 meter hoog op een steile rots gelegen reusachtige bouwwerk was te beklimmen via eindeloze trappen die tegen de berg aan lagen. Vóór de middag liggen ze in de schaduw. In de oude tijd moet de beklimming over overdekte, beschutte trappen mogelijk zijn geweest; de resten daarvan waren nog te zien. Of waren dat tunnels waardoor men met kabels goederen naar boven hees; of beide? Met de knie ging het nét, bij zeer langzaam lopen; gelukkig had ik tabletten bij me. Waar ik niet op gerekend had was mijn hoogtevrees op de terugweg. Het enige wat erop zat was de blik strak op de traptreden gevestigd te houden. Een en ander was een aanzienlijke inspanning voor mijn doen; de rest van de dag heb ik niet meer veel gelopen. Hoefde ook niet.
Het uitzicht in alle richtingen had ik natuurlijk boven al ruimschoots genoten. En wat een ongelooflijk groot fort is dat! Het hele oude stadje had erin gepast; het was nu nog indrukwekkend, maar in de zeventiende eeuw moet het een wereldwonder geweest zijn. Het herinnerde aan de vestingwerken op Malta, die al even massief en gigantisch zijn, en ook aan de forten van Kotor (Cattaro) in Joegoslavië. De Turks-Europese grens moet indertijd zoiets als het IJzeren Gordijn geweest zijn.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Griekenland, Persoonlijk

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s