Ghasil makwa

De herinneringen aan Kairo zijn geloof ik boven gekomen door het korte verhaal van Salwa Bakr dat ik net las. Ik moest ineens denken aan de weg van de universiteit naar de binnenstad, want dat verhaal speelt in de straat die opzij van de universiteit naar Bulaq Dakrur loopt. Daar woonde ik in 1971-72 in een studentenflat, en ik zag weer voor me hoe ik soms ’s avonds de stad in ging. Je kon ook met de bus, lijn 8 en 9, maar soms had ik zin in lopen.
Eerst kwam je langs de strijkerij (waar nu een kapper is); daar stonden meestal wel een paar studiegenoten. Sommige van hen hadden maar één overhemd; dat wasten ze ’s middags in de wasbak, waarschijnlijk met Rabso, de Witte Reus van Egypte (I am Mister Rabso!‚ zei het mannetje in de reclame, helemaal in het Engels). Rabso bevatte weinig detergenten en veel schuurmiddel; het eindresultaat bij witte textiel was meestal grijzig. Welnu, als de student dat hemd dan gewassen had, was het in de buitenlucht snel droog en dan ging het in pyama naar de strijker, de makwagi, die voor één, of was het twee piaster het hemd weer tiptop streek. Eerst nam zijn hulpje nog zijn mond vol water en sproeide dat handig over het hemd, als een levende plantenspuit. Met een ongewassen hemd of ongepoetste schoenen naar de universiteit, dat kon echt niet. Vandaar ook de hele batterij schoenpoetsers bij de grote poort.
Waar was ik? ja, bij de strijker. Daar stonden altijd wel een paar jongens die ik kende, het was echt een trefpunt. Soms vroeg ik of iemand zin had mee te gaan naar de stad, maar meestal wilden ze niet. De studenten die hier stonden waren arm; die hadden gewoon niet de moed, ze vonden zich niet chic genoeg voor de binnenstad. Waarom zouden zij het dure leven gaan bekijken dat ze toch niet konden betalen? Dan ging het alleen verder, te voet door Doqqi. Een mooie, rustige wandeling was dat, dat is nu niet meer voorstelbaar. Op het Misaha-Plein stond aan de linkerkant nog een villa waarin een oude prinses woonde, die zo respectabel (of gewoon oud) was dat men haar niet had verjaagd. In de villa rechts, waar nu het Goethe-instituut is, was de studentenclub van de Koeweiti’s ondergebracht, wat je kon zien aan de dubbel geparkeerde Rolls Royces en de kratten whisky op de balkons. Scotch schijnt de nationale drank van Koeweit te zijn.
Wat deed ik dan in de binnenstad? De geur van de grote wereld opsnuiven. Etalages kijken, al lag er ook niets in wat ik wilde hebben. Naar de bioscoop: de Egyptische films waren toen nog echt goed. Een drankje bij Groppi misschien ook, of bij Excelsior, waar ook de Russen kwamen en waar ze vrouwelijke bediening hadden. Of in het onzegbare Griekse zuiphok in Tawfiqiya. Terug met de taxi? Dertien PT. Ja, ik had wel wat meer geld dan de Egyptische studenten: £E 36,50 in de maand. En mijn hemden hoefden niet duur gestreken te worden, want zij waren zelfstrijkend – wat in de zomerhitte echter een nadeel bleek te zijn.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Cairo

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s